bandenspanning MAZDA MODEL CX-5 2018 Handleiding (in Dutch)

Page 163 of 875

5LMGHQLQGHZLQWHU
+HWZRUGWDDQEHYROHQHHQQRRGXLWUXVWLQJ
PHHWHYRHUHQ+DQGLJHGDDUYRRULQ
DDQPHUNLQJNRPHQGHKXOSPLGGHOHQ]LMQ
ELMYRRUEHHOGVQHHXZNHWWLQJHQHHQ
UXLWHQNUDEEHUHHQ]DNMHPHW]DQGRI]RXW
HHQQRRGODPSHHQNOHLQHVSDGHHQ
VWDUWNDEHOV
9UDDJHHQGHVNXQGLJHUHSDUDWHXUELM
YRRUNHXUHHQRIILFLsOH0D]GDUHSDUDWHXU
GHYROJHQGHSXQWHQWHFRQWUROHUHQ
•=RUJHUYRRUGDWGHUDGLDWHXUGHMXLVWH
KRHYHHOKHLGDQWLYULHVEHYDW
=LH0RWRUNRHOYORHLVWRIRSSDJLQD
•&RQWUROHHUGHWRHVWDQGYDQGHDFFXHQ
GHNDEHOV/DJHWHPSHUDWXUHQ
YHUPLQGHUHQGHFDSDFLWHLWYDQHONHDFFX
•*HEUXLNHHQPRWRUROLHGLHJHVFKLNWLV
YRRUGHODDJVWHRPJHYLQJVWHPSHUDWXUHQ
ZDDUELMPHWGHDXWRZRUGWJHUHGHQ
SDJLQD 
•&RQWUROHHUKHWRQWVWHNLQJVV\VWHHPRS
ORVVHDDQVOXLWLQJHQHQEHVFKDGLJLQJ
•*HEUXLNVSURHLHUYORHLVWRIPHWHHQ
DQWLYULHVRSORVPLGGHOPDDUJHEUXLN
JHHQNRHOYORHLVWRIRIDQWLYULHVXLWKHW
NRHOV\VWHHP SDJLQD 
OPMERKING
•Verwijder de sneeuw alvorens te gaan
rijden. Sneeuwresten op de voorruit zijn
gevaarlijk aangezien deze het uitzicht
kunnen belemmeren.
•Oefen geen overmatige kracht uit op een
ruitenkrabber bij het verwijderen van ijs
of bevroren sneeuw van het spiegelglas
en de voorruit.
•Gebruik nooit warm of heet water voor
het verwijderen van sneeuw of ijs van
ruiten en spiegels aangezien dit barsten
in het glas kan veroorzaken.
•Rijd langzaam. Als sneeuw of ijs zich op
de remonderdelen heeft vastgezet, kan
dit een nadelige invloed op de
remwerking hebben. Rijd in een
dergelijke situatie langzaam, laat het
gaspedaal los en trap het rempedaal
enkele malen licht in totdat de
remwerking weer normaal wordt.
▼:LQWHUEDQGHQ
:$$56&+8:,1*
Gebruik uitsluitend banden van dezelfde
maat en soort (sneeuwbanden,
radiaalbanden of niet-radiaalbanden) op
alle vier wielen:
Gebruik van banden van een verschillende
maat of soort is gevaarlijk. De
bestuurbaarheid van uw auto kan
daardoor bijzonder nadelig beïnvloed
worden, hetgeen tot ongelukken kan
leiden.
23*(/(7
Controleer de geldende bepalingen
alvorens spijkerbanden aan te brengen.
OPMERKING
Als uw auto uitgerust is met een
bandenspanningscontrolesysteem, bestaat
de kans dat bij het gebruik van banden met
staaldraadversteviging in de zijwanden het
systeem niet correct functioneert (pagina
4-273).
$OYRUHQVWHJDDQULMGHQ
5LMWLSV


Page 164 of 875

*HEUXLNZLQWHUEDQGHQRSDOOHYLHU
ZLHOHQ
'HPD[LPXPWRHJHVWDQHVQHOKHLGYRRUXZ
ZLQWHUEDQGHQRIGHZHWWHOLMNEHSDDOGH
VQHOKHLGVEHSHUNLQJHQQLHWRYHUVFKULMGHQ
(XURSD
.LHVZDQQHHUXVQHHXZEDQGHQJDDW
JHEUXLNHQGHYRRUJHVFKUHYHQPDDWHQ
EDQGHQVSDQQLQJ SDJLQD 
▼6QHHXZNHWWLQJHQ
,QIRUPHHUQDDUGHSODDWVHOLMNHEHSDOLQJHQ
DOYRUHQVVQHHXZNHWWLQJHQWHJDDQ
JHEUXLNHQ
23*(/(7
¾Het gebruik van sneeuwkettingen kan de
bestuurbaarheid van de auto nadelig
beïnvloeden.
¾Rijd nooit sneller dan 50 km/h of de door
de kettingfabrikant aanbevolen snelheid,
naargelang welke snelheid lager is.
¾Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden
en gaten in het wegdek en het maken
van scherpe bochten.
¾Voorkom het blokkeren van de wielen
door te sterk afremmen.
¾Probeer nooit een sneeuwketting aan te
brengen op het noodreservewiel,
aangezien dit beschadiging van de auto
en de band tot gevolg kan hebben.
Bij bepaalde modellen is de auto niet
uitgerust met een van fabriekswege
uitgerust noodreservewiel.
¾Gebruik geen sneeuwkettingen op
wegen die vrij zijn van sneeuw of ijs.
Hierdoor kunnen de banden en de
sneeuwkettingen beschadigd worden.
¾Aluminium velgen kunnen door het
gebruik van sneeuwkettingen bekrast of
anderszins beschadigd worden.
OPMERKING
Als uw auto uitgerust is met een
bandenspanningscontrolesysteem, bestaat
de kans dat bij het gebruik van
sneeuwkettingen het systeem niet correct
functioneert.
%UHQJGHVQHHXZNHWWLQJHQHQNHORSGH
YRRUEDQGHQDDQ
*HEUXLNJHHQVQHHXZNHWWLQJHQRSGH
DFKWHUEDQGHQ
.LH]HQYDQGHMXLVWHVQHHXZNHWWLQJHQ
(XURSD
0D]GDJHHIWGHYRRUNHXUDDQKHWJHEUXLN
YDQNHWWLQJHQPHW]HVKRHNLJHVWDOHQ
VSDQULQJHQ.LHVKHWMXLVWHW\SH
RYHUHHQNRPVWLJXZEDQGHQPDDW
%DQGHQPDDW 6QHHXZNHWWLQJ
5 =HVKRHNLJW\SH
5 =HVKRHNLJW\SH
OPMERKING
Alhoewel Mazda de voorkeur geeft aan het
gebruik van kettingen met zeshoekige
stalen spanringen, mogen alle soorten
kettingen worden gebruikt die binnen de
aangegeven montagespecificaties vallen.
$OYRUHQVWHJDDQULMGHQ
5LMWLSV


Page 316 of 875

:$$56&+8:,1*
Let tijdens het rijden altijd goed op de verkeersborden.
Het TSR systeem helpt de bestuurder te voorkomen dat verkeersborden over het hoofd
worden gezien en biedt ondersteuning voor veilig rijden. Afhankelijk van de
weersomstandigheden of problemen met verkeersborden, is het mogelijk dat een
verkeersbord niet wordt herkend of dat een verkeersbord dat verschilt van het werkelijke
verkeersbord wordt weergegeven. Neem het als bestuurder altijd tot uw verantwoordelijkheid
op de werkelijke verkeersborden te letten. Anders kan dit een ongeluk tot gevolg hebben.
OPMERKING
•Het TSR systeem werkt niet als er een defect is in de vooruitrijcamera (FSC).
•Het is mogelijk dat het TSR systeem onder de volgende omstandigheden niet normaal
werkt.
•Een voorwerp dat op het instrumentenpaneel geplaatst is wordt door de voorruit
weerkaatst en door de camera opgenomen.
•Wanneer er zware bagage in de bagageruimte of op de achterzitting is geplaatst en de
auto overhelt.
•Wanneer de bandenspanning niet op de voorgeschreven druk is afgesteld.
•Wanneer andere banden dan standaard banden zijn gemonteerd.
•De auto rijdt op een op- of afrit en aangrenzend gedeelte van een pleisterplaats of
tolhek op een snelweg.
•Wanneer de helderheid van de omgeving plotseling verandert, zoals bij het in- of
uitrijden van een tunnel.
•Wanneer de verlichting van de koplampen afgezwakt is als gevolg van verontreiniging
of afwijking van de optische as.
•Wanneer de voorruit verontreinigd of beslagen is.
•De voorruit en camera zijn beslagen (waterdruppels).
•Er schijnt fel licht op de voorzijde van de auto (zoals achteruitrijlichten of grootlicht
van koplampen van tegemoetkomende voertuigen).
•De auto maakt een scherpe bocht.
•Sterke lichtweerkaatsing vanaf het wegdek.
•Een verkeerslicht is in een positie die het weerkaatsen van het licht van de koplampen
van de auto bemoeilijkt, zoals bij het rijden in het donker of in een tunnel.
•Tijdens het rijden onder weersomstandigheden, zoals regen, mist of sneeuw.
•De opgeslagen kaartgegevens voor het navigatiesysteem zijn niet actueel.
•Een verkeersbord is bedekt door modder of sneeuw.
•Een verkeersbord staat verborgen achter bomen of een voertuig.
•Een verkeersbord staat deels in de schaduw.
•Een verkeersbord is verbogen of staat scheef.
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 364 of 875

:$$56&+8:,1*
Vertrouw niet blindelings op het LAS en LDWS systeem:
¾Het LAS en LDWS systeem is geen automatisch rijsysteem. Daarnaast is het systeem niet
bedoeld ter compensatie van onvoorzichtig rijgedrag van de bestuurder en kan blindelings
vertrouwen op het systeem ongelukken veroorzaken.
¾De detectiemogelijkheid van het LAS en LDWS systeem is beperkt. Blijf altijd uw baan
aanhouden met behulp van het stuurwiel en rijd voorzichtig.
Gebruik het LAS en LDWS systeem niet in de volgende gevallen:
De kans bestaat dat het systeem niet adequaat reageert op de werkelijke rijomstandigheden,
waardoor ongelukken veroorzaakt kunnen worden.
¾Bij het rijden op wegen met scherpe bochten.
¾Bij het rijden onder slechte weersomstandigheden (regen, mist en sneeuw).
¾Gladde wegen, zoals met ijs of sneeuw bedekte wegen.
¾Wegen met druk verkeer en onvoldoende afstand tussen voertuigen.
¾Wegen met geen witte (gele) rijstrookstrepen.
¾Wegversmallingen als gevolg van wegwerkzaamheden of afgesloten rijstroken.
¾Bij het rijden op een tijdelijke rijstrook of een weggedeelte met een afgesloten rijstrook als
gevolg van wegwerkzaamheden waar mogelijk meerdere witte (gele) rijstrookstrepen zijn
of waar deze zijn onderbroken.
¾Auto rijdt op andere wegen dan snelwegen of hoofdwegen.
¾Wanneer de bandenspanning niet op de voorgeschreven druk is afgesteld.
¾Wanneer banden van een andere dan de voorgeschreven maat worden gebruikt, zoals een
noodreservewiel.
23*(/(7
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht zodat het LAS en LDWS systeem normaal
kan functioneren.
¾Geen wijzigingen aan de vering aanbrengen.
¾Gebruik altijd velgen van het voorgeschreven type en formaat voor de voor- en
achterwielen. Raadpleeg een deskundige reparateur, bij voorkeur een officiële
Mazda-reparateur, voor het vervangen van de banden.
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 365 of 875

OPMERKING
•Wanneer de richtingaanwijzerhendel wordt bediend om van rijstrook te veranderen, wordt
het LAS en LDWS systeem automatisch uitgeschakeld. Het LAS en LDWS systeem wordt
weer operationeel wanneer de richtingaanwijzerhendel wordt teruggezet en het systeem
witte (gele) rijstrookstrepen bespeurt terwijl met de auto normaal binnen de rijstrook
wordt gereden.
•Als het stuurwiel, het gaspedaal of het rempedaal abrupt worden bediend en de auto dicht
in de buurt van een witte (gele) streep komt, bepaalt het systeem dat de bestuurder van
rijstrook verandert en wordt de werking van het LAS en LDWS systeem tijdelijk
uitgeschakeld. Het LAS en LDWS systeem wordt weer operationeel wanneer het systeem
witte (gele) rijstrookstrepen bespeurt terwijl met de auto normaal binnen de rijstrook
wordt gereden.
•Als de auto binnen een korte periode van tijd bij herhaling van de rijstrook afwijkt,
bestaat de kans dat het LAS en LDWS systeem niet functioneert.
•Het LAS en LDWS systeem functioneert niet wanneer witte (gele) rijstrookstrepen niet
worden bespeurd.
•Onder de volgende omstandigheden bestaat de kans dat het LAS en LDWS systeem de
witte (gele) rijstrookstrepen niet correct kan bespeuren en dat het systeem niet normaal
functioneert.
•Als een voorwerp dat op het instrumentenpaneel geplaatst is in de voorruit weerkaatst
wordt en door de camera wordt opgenomen.
•Wanneer er zware bagage in de bagageruimte of op de achterzitting is geplaatst en de
auto overhelt.
•Wanneer de bandenspanning niet op de voorgeschreven druk is afgesteld.
•Wanneer andere banden dan conventionele banden zijn gemonteerd.
•Auto rijdt op een kruising of een splitsende weg.
•Wanneer de witte (gele) rijstrookstrepen minder goed zichtbaar zijn doordat deze vuil
zijn of de verf afgesleten is.
•Wanneer een voertuig dat vóór uw auto rijdt nabij de witte (gele) rijstrookstreep rijdt
waardoor deze minder goed zichtbaar is.
•Wanneer de witte (gele) rijstrookstrepen minder goed zichtbaar zijn als gevolg van
slecht weer (regen, mist of sneeuw).
•Bij het rijden op een tijdelijke rijstrook of een weggedeelte met een afgesloten rijstrook
als gevolg van wegwerkzaamheden waar mogelijk meerdere witte (gele)
rijstrookstrepen zijn of waar deze zijn onderbroken.
•Wanneer een misleidende streep op de weg wordt waargenomen, zoals bij een tijdelijke
streep voor wegwerkzaamheden, of door schaduweffecten, sneeuwresten of gleuven met
water.
•Wanneer de helderheid van de omgeving plotseling verandert, zoals bij het in- of
uitrijden van een tunnel.
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 435 of 875

•De afstand tussen uw auto en het
voorliggende voertuig is
buitengewoon kort.
•Een voertuig komt plotseling dichtbij
zoals bij het snijden in de rijstrook.
•Gebruik om onjuiste werking van het
systeem te voorkomen banden van
dezelfde voorgeschreven maat,
fabrikant, merk en profiel op alle vier
wielen. Bovendien geen banden met
duidelijk zichtbaar verschillende
slijtagepatronen of bandenspanningen
op dezelfde auto gebruiken (inclusief
het noodreservewiel).
•Als de accucapaciteit zwak is, bestaat
de kans dat het systeem niet correct
functioneert.
•Bij het rijden op wegen met weinig
verkeer en weinig voorliggende
voertuigen of obstakels voor de
radarsensor (voor) om te bespeuren,
bestaat de kans dat “Radar voor
geblokkeerd” tijdelijk wordt getoond.
Dit duidt echter niet op een probleem.
•De radarsensoren zijn onderhevig aan
de betreffende radiogolfbepalingen van
het land waarin met de auto wordt
gereden. Als de auto in het buitenland
wordt gebruikt, is er mogelijk
goedkeuring vereist van het land
waarin met de auto wordt gereden.
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 447 of 875

%DQGHQVSDQQLQJVFRQWUROHV\VWHHP
+HWEDQGHQVSDQQLQJVFRQWUROHV\VWHHP 7306 FRQWUROHHUWGHEDQGHQVSDQQLQJYDQHONH
EDQG
$OVGHEDQGHQVSDQQLQJLQppQRIPHHUGHUHEDQGHQWHODDJLVZDDUVFKXZWKHWV\VWHHPGH
EHVWXXUGHUYLDHHQZDDUVFKXZLQJVODPSMHLQGHLQVWUXPHQWHQJURHSHQGRRUHHQ
ZDDUVFKXZLQJV]RHPHU
=LH³&RQWDFWRSQHPHQPHWHHQRIILFLsOH0D]GDUHSDUDWHXUHQGHDXWRODWHQLQVSHFWHUHQ´RS
SDJLQD
=LH0DDWUHJHOHQQHPHQRSSDJLQD
=LH:DDUVFKXZLQJV]RHPHUYRRUEDQGHQVSDQQLQJRSSDJLQD

'HEDQGHQVSDQQLQJVHQVRUHQGLHRSHONZLHO]LMQJHPRQWHHUG]HQGHQGRRUPLGGHOYDQHHQ
UDGLRVLJQDDOEDQGHQVSDQQLQJVJHJHYHQVQDDUGHRQWYDQJHULQGHDXWR
Bandenspanningsensoren
OPMERKING
Wanneer de omgevingstemperatuur laag is als gevolg van seizoensveranderingen, wordt de
bandentemperatuur ook lager. Wanneer de bandentemperatuur afneemt, wordt de
bandenspanning ook lager. De kans bestaat dat het TPMS waarschuwingslampje vaker gaat
branden. Inspecteer de banden dagelijks visueel alvorens te gaan rijden en controleer de
bandenspanning elke maand met een bandenspanningsmeter. Bij het controleren van de
bandenspanning wordt het gebruik van een digitale bandenspanningsmeter aanbevolen.

+HW7306V\VWHHPRQWGRHWXQLHWYDQGHQRRG]DDNGHGUXNHQGHWRHVWDQGYDQDOOHYLHU
EDQGHQUHJHOPDWLJWHFRQWUROHUHQ
7LMGHQVKHWULMGHQ
%DQGHQVSDQQLQJVFRQWUROHV\VWHHP

%HSDDOGHPRGHOOHQ

Page 448 of 875

23*(/(7
¾Elke band, inclusief het reservewiel (indien voorzien), dient maandelijks in koude toestand
gecontroleerd te worden en op de bandenspanning gebracht te worden welke wordt
aanbevolen door de autofabrikant op het voertuiginformatieplaatje of
bandenspanningslabel. (Als uw auto banden van een verschillende maat heeft dan de
maat die op het voertuiginformatieplaatje of bandenspanningslabel staat aangegeven,
dient u de juiste bandenspanning voor deze banden te bepalen.)
Bij wijze van extra veiligheidsvoorziening is uw auto uitgerust met een
bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) dat een verklikkerlichtje voor lage
bandenspanning laat branden wanneer de bandenspanning van één of meerdere van uw
banden beduidend laag is. Wanneer dus het verklikkerlichtje voor lage bandenspanning
gaat branden, dient u te stoppen en uw banden zo spoedig mogelijk te controleren en deze
op de juiste spanning te brengen. Rijden met een band waarvan de bandenspanning
beduidend laag is, kan oververhit raken van de band en bandenpech veroorzaken. Te lage
bandenspanning verhoogt ook het brandstofverbruik, leidt tot snellere slijtage van het
bandenprofiel en kan de bestuurbaarheid en remweg nadelig beïnvloeden.
Houd er rekening mee dat het TPMS systeem geen remedie biedt voor een onjuist
bandenonderhoud en het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder de juiste
bandenspanning te handhaven, ook als een te lage bandenspanning nog niet het niveau
heeft bereikt dat het TPMS verklikkerlichtje voor lage bandenspanning gaat branden.
Uw auto is ook uitgerust met een TPMS storingsindicator om aan te geven wanneer het
systeem niet correct functioneert.
De TPMS storingsindicator is gecombineerd met het verklikkerlichtje voor lage
bandenspanning. Wanneer het systeem een storing bespeurt, gaat het verklikkerlichtje
gedurende ongeveer één minuut knipperen en blijft vervolgens continu branden. Deze
volgorde blijft voortduren telkens wanneer de auto opnieuw gestart wordt voor zolang als
de storing blijft bestaan. Wanneer de storingsindicator brandt, bestaat de kans dat het
systeem een lage bandenspanning niet zoals bedoeld kan opsporen of melden. Storingen in
het TPMS systeem kunnen zich voordoen om uiteenlopende redenen, zoals het vervangen
of verwisselen van banden of velgen op de auto welke verhinderen dat het TPMS systeem
juist kan functioneren. Controleer steeds de TPMS storingsindicator na het vervangen van
één of meer banden of velgen op uw auto om er zeker van te zijn dat na het vervangen of
verwisselen van banden en velgen het TPMS systeem juist blijft functioneren.
¾Om foutieve aflezingen te voorkomen neemt het systeem gedurende een korte tijd
steekproeven alvorens een probleem te melden. Als gevolg zal een band die snel leegloopt
of plotseling lek is geraakt niet onmiddellijk door het systeem gemeld worden.
7LMGHQVKHWULMGHQ
%DQGHQVSDQQLQJVFRQWUROHV\VWHHP


Page 449 of 875

▼6\VWHHPIRXWDFWLYHULQJ
$OVKHWZDDUVFKXZLQJVODPSMHNQLSSHUWLV
HUPRJHOLMNHHQGHIHFWLQKHWV\VWHHP
5DDGSOHHJHHQRIILFLsOH0D]GDGHDOHU
(HQV\VWHHPIRXWDFWLYHULQJNDQ]LFK
YRRUGRHQLQGHYROJHQGHJHYDOOHQ
•:DQQHHUHU]LFKXLWUXVWLQJRIDSSDUDWXXU
LQGHEXXUWYDQGHDXWREHYLQGWGLH
JHEUXLNPDDNWYDQGH]HOIGH
UDGLRIUHTXHQWLHDOVGH
EDQGHQVSDQQLQJVHQVRUV
•:DQQHHUHHQPHWDOHQYRRU]LHQLQJ]RDOV
HHQQLHWRULJLQHHOQDYLJDWLHV\VWHHP
ZRUGWJHwQVWDOOHHUGQDELMKHWPLGGHQYDQ
KHWLQVWUXPHQWHQSDQHHONXQQHQ
GDDUGRRUGHUDGLRVLJQDOHQYDQGH
EDQGHQVSDQQLQJVVHQVRUQDDUGH
RQWYDQJHUHHQKHLGJHEORNNHHUGZRUGHQ
•%LMJHEUXLNYDQGHYROJHQGHDSSDUDWXXU
LQGHDXWRGLHUDGLRVWRULQJPHWGH
RQWYDQJHUNDQYHURRU]DNHQ
•'LJLWDOHDSSDUDWXXU]RDOVHHQSHUVRQDO
FRPSXWHU
•(HQVSDQQLQJVRPYRUPHU]RDOVHHQ
'&$&RPYRUPHU
•:DQQHHUHU]LFKEXLWHQJHZRRQYHHOLMV
RIVQHHXZDDQGHDXWRKHHIWYDVWJH]HW
YRRUDOURQGRPGHYHOJHQ
•:DQQHHUGHEDWWHULMHQYDQGH
EDQGHQVSDQQLQJVHQVRUXLWJHSXW]LMQ
•%LMJHEUXLNYDQHHQYHOJZDDURSJHHQ
EDQGHQVSDQQLQJVHQVRULVJHPRQWHHUG
•%LMJHEUXLNYDQEDQGHQPHW
VWDDOGUDDGYHUVWHYLJLQJLQGH]LMZDQGHQ
•%LMJHEUXLNYDQVQHHXZNHWWLQJHQ
▼%DQGHQHQYHOJHQ
23*(/(7
Bij het inspecteren of afstellen van de
bandenspanning, geen overmatige druk
uitoefenen op het ventielgedeelte van de
velg. De kans bestaat dat het
ventielgedeelte beschadigd wordt.
9HUZLVVHOHQYDQEDQGHQHQYHOJHQ
9LDRQGHUVWDDQGHSURFHGXUHNDQKHW7306
V\VWHHPGHXQLHNH,'VLJQDDOFRGHYDQHHQ
EDQGHQVSDQQLQJVHQVRUKHUNHQQHQWHONHQV
ZDQQHHUEDQGHQRIYHOJHQYHUZLVVHOG
ZRUGHQ]RDOVELMKHWYHUZLVVHOHQYDQHQ
QDDUZLQWHUEDQGHQ
OPMERKING
Elke bandenspanningsensor heeft een
unieke ID signaalcode. De signaalcode
moet in het TPMS systeem geregistreerd
worden alvorens dit kan functioneren. De
gemakkelijkste manier om dit te doen is
om uw banden door een officiële Mazda
dealer te laten verwisselen en de
registratie van de ID signaalcode te laten
voltooien.
:DQQHHUXEDQGHQGRRUHHQRIILFLsOH
0D]GDGHDOHUODDWYHUZLVVHOHQ
:DQQHHUGHEDQGHQYDQXZDXWRGRRUHHQ
RIILFLsOH0D]GDGHDOHUZRUGHQYHUZLVVHOG
]XOOHQ]LMGHUHJLVWUDWLHYDQGH,'
VLJQDDOFRGHYDQGHEDQGHQVSDQQLQJVHQVRU
YROWRRLHQ

7LMGHQVKHWULMGHQ
%DQGHQVSDQQLQJVFRQWUROHV\VWHHP


Page 450 of 875

:DQQHHUX]HOIEDQGHQYHUZLVVHOW
$OVXRILHPDQGDQGHUVGHEDQGHQ
YHUZLVVHOWNXQQHQGHVWDSSHQYRRUKHW
YROWRRLHQYDQGHUHJLVWUDWLHYDQGH,'
VLJQDDOFRGHLQKHW7306V\VWHHPRRN
GRRUX]HOIRILHPDQGDQGHUVXLWJHYRHUG
ZRUGHQ
 =HWQDGDWGHEDQGHQ]LMQYHUZLVVHOG
KHWFRQWDFWRS21HQYHUYROJHQVWHUXJ
RS$&&RI2))
 :DFKWRQJHYHHUPLQXWHQ
 *DQDRQJHYHHUPLQXWHQPHWGH
DXWRULMGHQPHWHHQVQHOKHLGYDQ
WHQPLQVWHNPKJHGXUHQGHRQJHYHHU
PLQXWHQHQGH,'VLJQDDOFRGHYDQ
GHEDQGHQVSDQQLQJVHQVRU]DO
DXWRPDWLVFKZRUGHQJHUHJLVWUHHUG
OPMERKING
Als er na minder dan ongeveer 15 minuten
na het verwisselen van de banden met de
auto gereden wordt, zal het
waarschuwingslampje van het
bandenspanningcontrolesysteem gaan
knipperen omdat de ID signaalcode van de
bandenspanningsensor dan nog niet
geregistreerd is. Parkeer in dit geval de
auto gedurende ongeveer 15 minuten,
waarna de ID signaalcode van de sensor
geregistreerd zal worden wanneer er
gedurende 10 minuten met de auto wordt
gereden.
9HUZLVVHOHQYDQEDQGHQHQYHOJHQ
23*(/(7
¾Bij het vervangen/repareren van banden
of velgen of beide, het werk door een
officiële Mazda dealer laten uitvoeren,
omdat anders de kans bestaat dat de
bandenspanningsensoren beschadigd
worden.
¾De velgen waarmee uw Mazda is
uitgerust zijn speciaal ontworpen voor
het monteren van de
bandenspanningsensoren. Gebruik geen
niet-originele velgen, omdat het anders
misschien niet mogelijk is de
bandenspanningsensoren te monteren.
=RUJHUYRRUGDWWHONHQVZDQQHHUGH
EDQGHQRIYHOJHQYHUQLHXZGZRUGHQGH
EDQGHQVSDQQLQJVHQVRUHQZRUGHQ
JHPRQWHHUG
:DQQHHUXHHQEDQGRIYHOJRIEHLGHODDW
YHUQLHXZHQ]LMQGHYROJHQGHPDQLHUHQ
YRRUKHWPRQWHUHQYDQGH
EDQGHQVSDQQLQJVHQVRUPRJHOLMN
•'HEDQGHQVSDQQLQJVHQVRUZRUGW
YHUZLMGHUGYDQGHRXGHYHOJHQRSGH
QLHXZHJHPRQWHHUG
•'H]HOIGHEDQGHQVSDQQLQJVHQVRUZRUGW
JHEUXLNWPHWGH]HOIGHYHOJ(QNHOGH
EDQGZRUGWYHUQLHXZG
•(UZRUGWHHQQLHXZH
EDQGHQVSDQQLQJVHQVRURSHHQQLHXZH
YHOJJHPRQWHHUG
7LMGHQVKHWULMGHQ
%DQGHQVSDQQLQJVFRQWUROHV\VWHHP


Page:   1-10 11-20 next >