ESP Peugeot 208 2012 Handleiding (in Dutch)

Page 3 of 328

WELKOM
Waarschuwing:
dit symbool geeft waarschuwingen weer die u absoluut dient te respecteren omwille van uw veiligheid en die van anderen en om schade aan uw auto te voorkomen.
Informatie:
dit symbool vestigt uw aandacht opaanvullende informatie die u helpt de gebruiksmogelijkheden van uw autooptimaal te benutten.


Bescherming van het
milieu:
dit symbool verschijnt bij adviezen met betrekking tot de bescherming van het milieu.
Verwijzing:
dit symbool ver wijst naar de bladzijde
waar meer informatie over de desbetreffende functie is te vinden.
Wi
j danken u voor uw keuze voor de 208.


Dit instructieboek
je is ontwikkeld om u
in de gelegenheid te stellen onder alle
omstandigheden optimaal gebruik te maken
van de mogelijkheden van uw auto.
In het eerste deel van het boekje is de
belangrijkste informatie samengevat om u inkorte tijd ver trouwd te maken met de bedieningvan uw auto.
Ver volgens komen alle details van uw auto
op het
gebied van comfort, veiligheid enpraktische informatie uitgebreid aan bod, zodat
u en uw passagiers maximaal van de auto
kunnen genieten.
Uw auto kan, a
fhankelijk van het
uitrustingsniveau en de specifieke kenmerken
voor het land waarvoor uw auto bestemdis, slechts van een deel van de in dit boekje
vermelde uitrustingen zijn voorzien.

Page 5 of 328

.
.
Inhoud
Richtingaanwijzers 121
Alarmknipperlichten 121
Urgence-oproep of Assistance-oproep 122
Claxon 122
ESP 123
Veiligheidsgordels 126
Airbags 129
Kinderzitjes 133
ISOFIX-kinderzitjes 139
Kinderbeveiliging 142
Veiligheid
Bandenreparatieset 143
Wiel verwisselen 149
Een lamp vervangen 156
Zekering ver vangen 163
12V-accu 169
Eco-mode 172
Wisserbladen ver vangen 173
Slepen van de auto 174
Trekken van een aanhanger 176
Allesdragers monteren 178
Onderhoudstips 179
Accessoires 180
Praktische informatie
Motorkap 183
Benzinemotoren 184
Dieselmotoren 185
Brandstoftank 186
Vulpistoolrestrictie (diesel) 188
Brandstoftank leeg (diesel) 190
Niveaus controleren 191
Controles 194
Onderhoud
Benzinemotoren 196
Gewichten (benzine) 198
Dieselmotoren 201
Gewichten (diesel) 203
Afmetingen 206
Identifi catie 207
Technische gegevens
Urgence-oproep of Assistance-oproep 209
Touchscreen 211
Autoradio / Bluetooth 271
Autoradio 297
Audio en telematica
Visuele index
Index

Page 32 of 328

30
Controle tijdens het rijden
ControlelampjeStatusOorzaakActies / Opmerkingen
Dynamischestabiliteitscontrole(CDS/ASR)
knippert. De CDS-/ASR-regeling is actief. Deze functie verbetert de aandrijving en zorgt voor een betere koersstabiliteit.
permanent.Storing in het CDS-/ASR-systeem,
tenzij deze is uitgeschakeld (toets ingedrukt en verklikkerlampje van de
toets brandt).Laat het s
ysteem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Zelfdiagnose motorpermanent. Er is een storing in de emissieregeling. Het controlelampje moet doven als de motor wordt gestart.Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of eengekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.
knippert. Er is een storin
g in het motormanagementsysteem. Kans op beschadiging van de katalysator.
Laat dit controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Laag brandstofniveaupermanent, met de
wijzer in het rodegebied. Als het lamp
je gaat branden zit er nog ongeveer 5 literbrandstof in dertank.
Vanaf dit moment worden delaatste liters brandstof in de tank aangesproken.Ga zo snel mo
gelijk tanken om te voorkomen dat umet een lege tank strandt. Dit controlelampje gaat elke keer na het aanzetten
van het contact branden zolang er niet voldoende
brandstof getankt is.
Inhoud brandstoftank: ongeveer 50 liter.rRijd nooit door tot de tank helemaal leeg is,hierdoor kunnen het emissieregelsysteem en het
injectiesysteem beschadigd raken.
Antiblokkeersysteem (ABS)permanent. Er is een storing in het antiblokkeersysteem.De normale remwerking blijft behouden.
Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg
zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.

Page 34 of 328

32
Controle tijdens het rijden
ControlelampjeStatusOorzaakActies / Opmerkingen
Airbagstijdelijk. Het lampje brandt gedurende enkele seconden en dooft als het contact
wordt aangezet. Het lamp
je moet doven zodra de motor wordt gestart.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of eengekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.
permanent.Er is een storing in een van de airbags of de pyrotechnische gordelspanners.L
aat dit controleren door het PEUGEOT- netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Stuurbekrachtigingpermanent. Er is een storing met betrekking tot
de stuurbekrachtiging. Rijd voorzichtig en met lage snelheid.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Veiligheidsgordel(s)niet vastgemaakt of weerlosgemaaktt
permanent, enknipper t ver volgensin combinatie met een
in volume toenemend geluidssignaal.
Een van de veiligheidsgordels is niet
vastgemaakt of weer losgemaakt. Trek aan de gordel en klik de gesp vast in de
gesphouder.

Page 66 of 328

64
!
Comfort
Als de buitenspiegels zijn ingeklapt met behulp van de schakelaar A , worden ze niet automatischuitgeklapt als de auto wordt ontgrendeld. Treknogmaals de schakelaar A
naar achteren om de Abuitenspiegels uit te klappen.


Het automatisch in- en uitklappen van debuitenspiegels kan worden gedeactiveerd door het PEUGEOT-netwerk of door eengekwalificeerde werkplaats.
Klap de buitenspiegels in als u uw autoin een automatische autowasstraat laat
wassen.
Inklappen
- Automatisch: vergrendel de auto met de afstandsbediening of de sleutel.
- Handmatig: trek bij aangezet contact deschakelaar Anaar achteren.
Uitklappen
- Automatisch: ontgrendel de auto met deafstandsbediening of de sleutel.
- Handmatig: trek bij aangezet contact deschakelaar Anaar achteren.

Automatisch dimmende binnenspiegel

Dankzij een sensor die de hoeveelheid licht die
vanaf de achterzijde van de auto op de spiegel
valt meet, gaat de binnenspiegel geleidelijk en
automatisch over van de dag- in de nachtstand. Verstelbare spiegel voor het zicht recht achter
de auto.
De binnenspiegel is voorzien van een
nachtstand waardoor de spiegel donkerder
wordt en de bestuurder minder hinder ondervindt
van de koplampverlichting van achteropkomend
verkeer, zon ... (antiverblindingsstand).





Binnenspiegel



Binnenspiegel met handbediende
dag-/nachtstand

Verstellen
)
Stel de spiegel af als deze in de dagstand staat.



Dag-/nachtstand
)
Trek aan het hendeltje om de spiegel in de
nachtstand te zetten. ) Duw het hendeltje naar voren om despiegel terug te zetten in de dagstand.



Zodra de achteruitversnelling wordtingeschakeld, wordt de spiegel in dedagstand gezet voor een maximaal zicht naar achteren.

Om veiligheidsrdenen moeten de spiegels zo zijn ingesteld dat de "dode hoek" zo klein mogelijk is.

Page 96 of 328

94
Rijden
Handmatig schakelen
)Selecteer de stand M om sequentieel
te
sc
hakelen tussen de vier versnellingen. )Duw de selectiehendel naar het symbool +om één versnelling op te schakelen. )Trek de selectiehendel naar het symbool - om één versnelling terug te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnellingkan alleen als de snelheid van de auto enhet toerental van de motor dit toestaan,anders wordt er tijdelijk overgegaan op de automatische bediening.

Op het instrumentenpaneel verdwijnt
de aanduiding Den verschijnen
achtereenvolgens de ingeschakelde
versnellingen.

Onjuiste waarde bij handmatigebediening
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is ingeschakeld
(de selectiehendel bevindt zich
tussen twee standen in).



Parkeren van de auto

Voordat u de motor afzet, kunt u de selectiehendel in de stand P
of N
bewegen om de neutraalstand te selecteren.
Trek in beide gevallen de handrem aan om de auto stil te zetten.


Storing
Als bij aangezet contact dit
verklikkerlampje gaat branden in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingsmelding op het display, duidt dit
op een storing in de versnellingsbak.
In dit geval werkt de versnellingsbak met eennoodprogramma en blijft de 3e versnelling ingeschakeld. U kunt dan een hevige schokvoelen bij het selecteren van Rvanuit de stand P , of PRvanuit de stand N. Dit beschadigt de
versnellingsbak niet.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhankelijk van
de geldende snelheidslimiet).
Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

Als het motortoerental te laag of te hoog is,
knippert de geselecteerde versnelling enkele
seconden en ver volgens wordt de werkelijk
ingeschakelde versnelling weergegeven.
Er kan elk moment van de stand D (rijden in deautomatische stand) naar de stand M
(rijden in
de handbediende stand) worden geschakeld.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest de
versnellingsbak automatisch de stand M1.De programma's Sport en Sneeuw kunnen niet
worden ingeschakeld in de handbediende stand.

De automatische versnellingsbak kanbeschadigd raken:


- als u gelijktijdig het gas- en hetrempedaal intrapt,

- als u, wanneer de accu geen stroom lever t, de selectiehendelgeforceerd in de stand P
of eenandere stand zet.
Als u langere tijd stilstaat met draaiende
motor (files...), kunt u, om brandstof te besparen, de selectiehendel in de standN
zetten en de handrem aantrekken.


Als de selectiehendel niet in de stand P
staat, verschijnt bij hetopenen van het bestuurdersportier of na ongeveer 45 seconden een waarschuwingsmelding op het display.)Zet de selectiehendel in de stand P
;
de melding verdwijnt.

Page 125 of 328

123
6
Veiligheid
Elektronisch stabiliteitsprogramma dat de
volgende systemen omvat:


- het antiblokkeersysteem (ABS) en de elektronische remdrukregelaar (EBD),

- noodremassistentie (AFU),

- de antislipregeling (ASR),

- de dynamische stabiliteitscontrole (CDS).





























Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
Begrippen
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar (EBD)
Deze systemen zorgen tijdens het remmen voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto en voor een betere controle in bochten,
vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen in het geval van een noodstop.
De EBD verdeelt de remdruk over de wielen.
Noodremassistentie (AFU)
Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de
optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat
de remafstand kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld als hetrempedaal snel wordt ingetrapt en zorgt ervoor dat de benodigde bedieningskracht wordt
verminderd en de effectiviteit van het remmenwordt vergroot.

Antislipregeling (ASR)

De ASR past de aandrijfkracht aan om het
doorspinnen van de wielen te voorkomen
via de remmen van de aan
gedreven wielen en de motor. De ASR zorgt ook voor meer koersstabiliteit bij het accelereren.

Dynamische stabiliteitscontrole (CDS)

De CDS houdt de vier wielen in de gaten en
grijpt, als de koers van de auto afwijkt van
de door de bestuurder gewenste richting,automatisch in via de remmen van een of
meerdere wielen en het motorkoppel om de
auto voor zover mogelijk weer in de juiste koers
te brengen.

Page 128 of 328

126
Veiligheid
Veiligheidsgor dels
Veiligheidsgordels vóór
Vastmaken
)
Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.)
Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door even aan de riem te trekken.



Losmaken
)
Druk op de rode knop van de gordelsluiting.)
Houd de gordel vast ter wijl deze zich oprolt.

De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien vaneen pyrotechnische gordelspanner en eenspankrachtbegrenzer.
Deze systemen zorgen voor extra bescherming van
de bestuurder en passagier bij frontale en zijdelingseaanrijdingen. Bij een krachtige aanrijding zorgen
de pyrotechnische gordelspanners ervoor dat de
veiligheidsgordels stevig tegen de lichamen van de
inzittenden worden getrokken.
De pyrotechnische gordelspanners zijn actief zodra het contact wordt aangezet.
De spankrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee
de gordel tegen het lichaam van de inzittendengetrokken wordt en bevordert daarmee de veiligheid.



Hoogteverstelling (5-deurs)
)Knijp de knop A
in en schuif deze omlaagom het bevestigingspunt lager te plaatsen. )Schuif de knop A
omhoog om het
bevestigingspunt hoger te plaatsen.

Page 129 of 328

127
6
Veiligheid
Veiligheidsgordels
achter
De zitplaatsen achter zijn voorzien van een
driepuntsveiligheidsgordel met op de buitenste zitplaatsen een spankrachtbegrenzer. Als het contact wordt aan
gezet, gaat
dit controlelampje branden om aan
te geven dat de bestuurder en/of
voorpassagier zijn gordel nog niet heeft vastgemaakt.
Als de snelheid hoger is dan 20 km/h, knipperthet controlelampje gedurende 2 minuten incombinatie met een steeds sterker wordendgeluidssignaal. Na deze 2 minuten blijft hetcontrolelampje branden zolang de bestuurder en/of voorpassagier zijn veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt.

Controlelampje veiligheidsgordel
losgemaakt/niet vastgemaakt(op instrumentenpaneel)
Vastmaken
)
Trek aan de gordel en steek de gesp in degordelsluiting.)
Controleer of de gordel goed is
vastgemaakt door even aan de riem te
trekken.

Losmaken
)
Druk op de rode knop van de gordelsluiting. )Houd de gordel vast terwijl deze zich oprolt. )
Breng bij de veiligheidsgordels van
de buitenste zitplaatsen de gesp naar de bovenzijde van de rugleuning om
te voorkomen dat de gesp tegen de
zijbekleding klappert.
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel (op instrumentenpaneel)

Als een achterpassagier zijngordel losmaakt, gaat dit
waarschuwingslampje branden.
Als de snelheid hoger is dan 20 km/h,
knipper t het waarschuwingslampje gedurende
twee minuten in combinatie met een steedssterker wordend geluidssignaal. Na deze
twee minuten blijft het waarschuwingslampje
branden zolang de achterpassagiers hungordels niet hebben vastgemaakt.

Page 130 of 328

128
Veiligheid



Alvorens te gaan rijden dient de bestuurder te controleren of alle passagiers hunveiligheidsgordel goed hebben omgedaan en
vastgemaakt. Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al betreft het een korte rit.
Draai de gespen van de veiligheidsgordels niet om; de gordels zijn dan niet voldoendeeffectief.
De veiligheidsgordels zijn voorzien van een oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengtevan de gordel automatisch wordt aangepast aan de lichaamsbouw van de gebruiker. Degordel wordt automatisch opgerold als deze niet wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het gebruik van de gordel of deze goed is opgerold.
De heupgordel moet zo laag mogelijk op het bekken worden geplaatst. De schoudergordel moet langs het holle gedeelte van de schouder worden geplaatst. De oprolautomaten zijn voorzien van een automatische blokkeerinrichting die in werking treedt bij een aanrijding, een noodstop of het over de kop slaan van
de auto. U kunt de blokkeerinrichtingdeblokkeren door stevig aan de riem te trekken en deze weer los te laten, zodat de riem weer een stukje wordt opgerold.
Voorschriften voor kinderen
Maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan 1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje.
De veiligheidsgordel mag door niet meer danéén persoon gedragen worden. Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het rijden.

Voor een ef fec tieve wer king van deveiligheidsgordel:


- dient deze strak om het lichaam teworden gedragen,

- moet deze in een vloeiende bewegingnaar voren worden getrokken, zonder dat de gordel gedraaid raakt,

- mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen,

- mag deze geen beschadigingen of rafelsvertonen,

- mag er om te voorkomen dat de gordel niet goed werkt, niets aan worden gewijzigd.
Vanwege de wettelijkeveiligheidsvoorschriften moetenwerkzaamheden en controles aan de veiligheidsgordels worden uitgevoerd door het PEUGEOT-netwerk of eengekwalificeerde werkplaats, die tevens voor de garantie zorgt en de werkzaamheden volgens de voorschriften uitvoert.
Laat de veiligheidsgordels van uw autoregelmatig controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats,vooral als de gordels beschadigingen vertonen.
Reinig de veiligheidsgordels met zeepsopof een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij het PEUGEOT- net wer k .
Controleer na het neerklappen of verstellen van een stoel of de achterbank of de gordel zich opde juiste plaats bevindt en goed is opgerold.
Bij aanrijdingen
De gordelspanners kunnen, afhankelijk van de aard en de kracht van de aanrijding
, vóór en onafhankelijk van de airbags afgaan. Het activeren van de gordelspanners gaatgepaard met wat onschadelijke rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem isgeïntegreerd.In alle gevallen gaat het verklikkerlampje van de airbag branden. Laat het systeem na een aanrijdingcontroleren en eventueel vervangen door het PEUGEOT- net wer k of een gekwalificeerde werkplaats.

Page:   1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 ... 50 next >