display FIAT 500 2018 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2018, Model line: 500, Model: FIAT 500 2018Pages: 224, PDF Size: 3.92 MB
Page 94 of 224

KENNISMAKING MET DE AUTO
92
Raadpleeg de handleiding van de
mobiele telefoon om alle beschikbare
functies te kennen.
Een nummer kan op de volgende
manieren gebeld worden:
❒ selecteer “Telefoonboek”;
❒ selecteer “Recent”;
❒ selecteer “Kies”;
FAVORIETEN
U kunt tijdens een gesprek een
nummer of een contact (indien al
aanwezig in Contacten) toevoegen aan
de lijst met favorieten door boven aan
het display op een van de vijf grafische
knoppen “Leeg” te drukken. Favorieten
kunnen ook worden beheerd via de
Telefoonboekopties.
BERICHTENLEZER
Het systeem kan de SMS-berichten
die de mobiele telefoon ontvangt
voorlezen.
Om deze functie te gebruiken, moet de
mobiele telefoon de uitwisseling van
tekstberichten via Bluetooth®
ondersteunen.
Als deze functie niet door de telefoon
wordt ondersteund, kan de knop
“Tekst” niet worden gekozen (is grijs). Bij ontvangst van een SMS-bericht,
ziet u op het display een scherm
waarop de opties “Lees”, “Toon”,
“Bellen” of “Negeer” gekozen kunnen
worden. Druk op de grafische knop
“Tekstbericht” voor toegang tot de lijst
van SMS-berichten die door de
mobiele telefoon zijn ontvangen
(de lijst toont een maximum van 60
ontvangen berichten).
OPMERKING Op sommige mobiele
telefoons moet de
tekstberichtennotificatie-optie worden
geactiveerd, om tekstbericht
spraaklezing beschikbaar te maken.
Deze optie is normaalgesproken
beschikbaar op de telefoon, in het
Bluetooth®connecties-menu voor
een apparaad gekoppeld als
Uconnect™. Na het inschakelen van
deze functie op de mobiele telefoon,
moet deze uit- en weer ingeschakeld
worden met het Uconnect™ systeem
om de functie te laten werken.
SMS-BERICHTOPTIES
Er zijn standaard tekstberichten in het
systeemgeheugen opgeslagen die als
antwoord op een ontvangen bericht of
als nieuw bericht verzonden kunnen
worden:
❒ Ja.
❒ Nr.
❒ OK.❒ Ik kan nu niet praten.
❒ Bel me.
❒ Ik bel je straks.
❒ Ik ben onderweg.
❒ Bedankt.
❒ Ik kom te laat.
❒ Zit vast in verkeer.
❒ Begin maar vast.
❒ Waar ben je?
❒ Ben je er al?
❒ Ik heb uitleg nodig.
❒ Ik ben de weg kwijt.
❒ Tot straks.
❒ Ik kom 5 (of 10, 15, 20, 25, 30, 45,
60)* minuten later.
❒ Tot over 5 (of 10, 15, 20, 25, 30,
45, 60)* minuten.
* Gebruik alleen de kiesbare getallen,
anders neemt het systeem het bericht
niet aan.
NIET STOREN-FUNCTIE
Door de grafische knop
“Niet storen” in te drukken, krijgt de
gebruiker alleen meldingen voor
binnenkomende oproepen of
ontvangen SMS-berichten.
De gebruiker kan antwoorden met een
standaard of aangepast bericht door
middel van de instellingen.
Page 96 of 224

KENNISMAKING MET DE AUTO
94
eco:Drive™ display
Druk op de toets eco:Drive™ om van
deze functie gebruik te maken.
Er wordt een scherm weergegeven op
de radio met de 4 indexen:
Acceleratie, deceleratie, snelheid en
schakelen. Deze indexen zijn grijs
totdat het systeem genoeg gegevens
heeft om de rijstijl te analyseren.
Zodra voldoende gegevens
beschikbaar zijn, nemen de indexen op
basis van de beoordeling 5 kleuren
aan: donkergroen (zeer goed),
lichtgroen, geel, oranje en rood (zeer
slecht).
Na langdurige stilstand toont het
display de gemiddelde van de indexen
tot dat moment (de “Gemiddelde
index”), waarna de indexen in realtime
opnieuw kleuren zodra het voertuig
opnieuw gestart wordt.
Opnemen en overzetten van
reisgegevens
De reisgegevens worden opgeslagen
in het systeemgeheugen en
overgebracht door middel van een
geschikt geconfigureerde USB-
geheugenstick of via de app
Uconnect™ LIVE. Op die manier kunt u de geschiedenis
van de verzamelde gegevens, met een
volledige analyse van de
routegegevens en van uw rijstijl,
weergeven.
Ga voor meer informatie naar
www.DriveUconnect.eu.
my:Car
Met my:Car kunt u de “gezondheid”
van uw voertuig bewaken.
my:Car kan storingen in realtime
detecteren en de gebruiker informeren
wanneer het onderhoudsinterval
verlopen is. Druk op de knop “my:Car”
om van deze toepassing gebruik te
maken.
Op het display verschijnt een scherm
met de “care:Index” sectie, waarin alle
gedetailleerde informatie over de status
van het voertuig wordt getoond. Druk
op de knop
“Actieve waarschuwingen” om de
informatie (indien aanwezig) over de
storingen van het voertuig te tonen die
het branden van een
waarschuwingslampje tot gevolg
hadden.Apple CarPlay en
Android Auto
(voor bepaalde versies/markten)
Met de applicaties Apple CarPlay en
Android Auto kunt u uw smartphone
veilig en intuïtief in de auto gebruiken.
U kunt deze gebruiken door gewoon
een compatibele smartphone op de
USB-aansluiting aan te sluiten, waarna
de content van de telefoon
automatisch op het display van het
Uconnect™-systeem verschijnt.
Informatie over de compatibiliteit van
uw smartphone is te vinden op de
volgende websites:
https://www.android.com/intl/it_it/auto/
en http://www.apple.com/it/ios/carplay/.
Als de smartphone correct via de USB-
aansluiting met de auto is verbonden, zal
het symbool van Apple CarPlay of
Android Auto getoond worden in plaats
van de knop in het hoofdmenu.
Android Auto – app-configuratie
Download eerst de applicatie Android
Auto op uw smartphone vanuit de
Google Play Store.
De applicatie is compatibel met
Android 5.0 (Lollipop) en latere versies.
Page 97 of 224

95
Om Android Auto te kunnen
gebruiken, moet de smartphone via
een USB-kabel met de auto zijn
verbonden.
Bij de eerste verbinding die tot stand
wordt gebracht, moet u de
instellingsprocedure op de smartphone
doorlopen. Deze procedure kan alleen
worden uitgevoerd als de auto
stilstaat.
Apple CarPlay – app-configuratie
Apple CarPlay is compatibel met de
iPhone 5 of recentere modellen en het
besturingssysteem iOS 7.1 of nieuwere
versies hiervan.
Voordat Apple CarPlay kan worden
gebruikt, moet Siri worden
ingeschakeld via Instellingen
Algemeen Siri op de smartphone.
Om Apple CarPlay te kunnen
gebruiken, moet de smartphone via
een USB-kabel met de auto zijn
verbonden.
OPMERKING Voor de activering van
Apple CarPlay/Android Auto of
sommige functies kan het nodig zijn
handelingen op de smartphone uit te
voeren. Voltooi indien nodig de stap op
uw apparaat (smartphone).Interactie
Na de instellingsprocedure zal de
applicatie automatisch op het
Uconnect™-systeem draaien als uw
smartphone met de USB-aansluiting in
de auto is verbonden.
U kunt Apple CarPlay en Android Auto
bedienen met de bedieningstoetsen op
het stuur (de knop
}) lang indrukken),
met de (draai)knop SCROLL TUNE om
te selecteren en te bevestigen of met
het touchscreen van het Uconnect™-
systeem.
Navigatie
Met Apple CarPlay en Android Auto
kan de gebruiker ervoor kiezen het
navigatiesysteem op zijn smartphone
te gebruiken.
Als de modus "Nav" van het systeem
al is ingeschakeld, zal een
waarschuwingspop-up op het display
van het Uconnect™-systeem
verschijnen als een apparaat op de
auto wordt aangesloten waarop een
navigatiesessie wordt uitgevoerd.
De pop-up biedt de gebruiker de
mogelijkheid te kiezen tussen de
systeemnavigatie en navigatie met de
smartphone.
De gebruiker kan zijn keuze altijd
wijzigen door het gewenste
navigatiesysteem te openen en een
nieuwe bestemming te kiezen.Setting “AutoShow
smartphonedisplay bij verbinding”
Via de Uconnect™-
systeeminstellingen kan de gebruiker
ervoor kiezen het scherm van de
smartphone weer te geven op het
display van het Uconnect™-systeem,
zodra de smartphone via de
USB-aansluiting wordt aangesloten.
Als deze functie is ingesteld, zal de
applicatie Apple CarPlay of Android
Auto, telkens als via USB een
verbinding wordt gemaakt,
automatisch op het radioscherm
worden gedraaid.
De optie "AutoShow
smartphonedisplay bij verbinding"
is te vinden in het "Display"-submenu.
Standaard is deze functie
ingeschakeld.
OPMERKINGEN
❒ Bluetooth®is uitgeschakeld als
Apple CarPlay wordt gebruikt
❒ Bluetooth®blijft ingeschakeld als
Android Auto wordt gebruikt
❒ De dataverbinding hangt af van het
abonnement voor de smartphone.
❒ Deze informatie kan aan wijzigingen
onderhevig zijn afhankelijk van het
besturingssysteem van de
smartphone.
Page 98 of 224

KENNISMAKING MET DE AUTO
96
Apple CarPlay en Android Auto
verlaten
Als de applicatie CarPlay is
ingeschakeld, hebt u nog steeds
toegang tot de inhoud van het
Uconnect™-systeem door de
bediening te gebruiken die op het
display beschikbaar en zichtbaar is.
Om terug te keren naar de inhoud van
het Uconnect™-systeem als de
applicatie Android Auto is
ingeschakeld, moet de laatste optie op
de systeembalk van Android Auto
worden geselecteerd en daarna "Terug
naar Uconnect".
Om de sessie van Apple CarPlay of
Android Auto te beëindigen, moet de
smartphone fysiek van de
USB-aansluiting worden losgemaakt.
INSTELLINGEN
Druk op de toets Instellingen op het
display om het hoofdmenu Instellingen
weer te geven.
OPMERKING De weergegeven
menu-items hangen van de versie af.
Het menu bestaat indicatief uit de
volgende onderwerpen:
❒ Taal;
❒ Weergave;
❒ Meeteenheid;
❒ Spraakopdrachten;❒ Klok & Datum;
❒ Veiligheid & Hulp bij rijden
(voor bepaalde versies/markten);
❒ Portieren+Vergrendeling;
❒ Opties uitschakeling motor;
❒ Audio;
❒ Telefoon/Bluetooth®;
❒ Configuratie Radio;
❒ Terug naar standaardinstellingen;
❒ Persoonlijke gegevens wissen.
NAVIGATIE
(alleen Uconnect 7” HD
Nav LIVE)
Druk op de knop “Nav” om de kaart
voor navigatie weer te geven op het
display.
OPMERKING: Het volume van het
navigatiesysteem kan alleen worden
aangepast tijdens de navigatie als er
gesproken aanwijzingen zijn
ingeschakeld.
Hoofdnavigatiemenu
Tik in de navigatieweergave op de
hoofdmenuknop om het menu te
openen.
❒
“Zoek”: selecteer deze knop om te
zoeken naar een adres, een plaats of
een POI (Point Of Interest), en plan
vervolgens een route naar de locatie.
❒ Selecteer de “Huidige route” om de
geplande route te bewerken of te
verwijderen.
❒ U kunt “Mijn plaatsen” gebruiken
om een verzameling nuttige of
favoriete adressen te maken.
De volgende items zijn altijd
beschikbaar in “Mijn plaatsen”:
“Thuis” en “Recente
bestemmingen”.
❒ Selecteer de “Parkeer” knop om
parkeerplaatsen te vinden.
❒ Selecteer de “Weer” of
“Waarschuwingen voor flitsers”
knop om informatie over het weer te
krijgen om de positie van de flitsers
te zien.
OPMERKING De functies “Weer” en
“Waarschuwingen voor flitsers” zijn
alleen actief als TomTom Services is
geactiveerd. Anders wordt de knop
grijs weergegeven en is de functie niet
beschikbaar.
❒ Selecteer “Benzinestation” om
tankstations te vinden.
❒ Selecteer de grafische knop
“TomTom Services” om de
activeringsstatus te bekijken van de
volgende diensen (inschrijving
vereist): “Verkeersinformatie”,
“Flitsers”, “Weer”, “Online zoeken”.
Page 104 of 224

VEILIGHEID
102
Druk op knop C fig. 67 om de riem los
te laten.
Begeleid de gordel tijdens het
teruglopen, zodat hij niet draait.
De oprolautomaat kan blokkeren als
het voertuig op een steile helling staat:
dit is normaal.
Bovendien blokkeert de oprolautomaat
als de gordel snel word uitgetrokken of
bij hard remmen, botsingen en bij
bochten die op hoge snelheid worden
genomen.
De achterbank is voorzien van
driepuntsveiligheidsgordels met
oprolautomaat.
OPMERKING Leg de achterste
veiligheidsgordels om zoals getoond in
fig. 68.
67DVDF0S041c
BELANGRIJK Als de
achterbankleuning na het neerklappen
weer in de normale stand wordt
geplaatst, controleer dan of de
veiligheidsgordels zodanig geplaatst
zijn dat ze klaar voor gebruik zijn.
SBR-SYSTEEM
(voor bepaalde versies/markten)
Het SBR-systeem waarschuwt de
passagiers op de voorstoel en
achterbank (voor bepaalde
versies/markten) als hun
veiligheidsgordel niet is omgelegd. Het
systeem signaleert niet vastgemaakte
veiligheidsgordels met visuele
waarschuwingen
(waarschuwingslampjes branden op
het instrumentenpaneel en
pictogrammen op het display) en een
geluidssignaal (zie de volgende
paragrafen).
68DVDF0S0056c
OPMERKING Neem contact op met
het Fiat Servicenetwerk om dit
geluidssignaal permanent te laten
uitschakelen. Het geluidssignaal kan te
allen tijde via het display van het Set-
up-menu weer ingeschakeld worden.
Werking controlelampje
veiligheidsgordels
Het systeem waarschuwt de
bestuurder en de passagier op de
voorstoel als hun veiligheidsgordel niet
is vastgemaakt, als volgt:
❒ knipperend
gedurende circa 100 seconden.
❒ zodra de cyclus klaar is, blijft het
lampje constant branden totdat de
veiligheidsgordels omgelegd zijn.
VOORAANSPANNERS
Het voertuig is uitgerust met
veiligheidsgordels voor met
gordelspanners, die bij een heftige
frontale botsing perfecte aansluiting
garanderen van de veiligheidsgordels
aan het lichaam van de inzittende
voordat de blokkeringswerking begint.
Page 119 of 224

117
Knieairbag oor bestuurder
(voor bepaalde versies/markten)
(C-fig. 82)
Deze bestaat uit een onmiddellijk
opblaasbaar kussen dat in een
speciale ruimte onder de onderste
afschermkap van de stuurkolom is
geplaatst, op kniehoogte: deze airbag
biedt extra bescherming bij een frontale
botsing.
82DVDF0S054c
Uitschakeling van de airbags aan
passagierszijde: frontairbag en
zijairbag
(voor bepaalde versies/markten)
Als een kind in een kinderzitje dat
achterstevoren op de voorstoel is
geplaatst vervoerd moet worden,
schakel dan de frontairbag en de
zijairbag aan passagierszijde uit (voor
bepaalde markten/versies).
Het
“lampje in het midden van het
dashboard blijft continu branden tot de
front- en zijairbag aan passagierszijde
weer worden ingeschakeld
(voor bepaalde versies/markten).
Voor het handmatig uitschakelen van
de passagiersairbags (front- en
zijairbags, voor bepaalde
versies/markten) wordt verwezen naar
de paragraaf “Multifunctioneel display”
in het hoofdstuk “Kennismaking met de
auto”.
ZIJ-AIRBAGS
(Zijairbags - Hoofdairbags)25)
Om de bescherming van de
inzittenden in geval van een
flankbotsing te vergroten, is de auto
uitgerust met in de stoel gemonteerde
zijairbags (voor bepaalde
versies/markten) en hoofdairbag
(voor bepaalde versies/markten).
Zijairbags beschermen de inzittenden
bij middelzware/zware zijdelingse
aanrijdingen, door de airbag tussen de
inzittende en de interieurdelen van de
zijdelingse structuur van het voertuig
op te blazen.
Als de zijairbags niet worden
opgeblazen bij andere soorten
ongevallen (botsingen opzij, achterop,
over de kop slaan enz.), betekent dit
niet dat het systeem slecht
functioneert.
Page 124 of 224

STARTEN EN RIJDEN
122
ECO-stand
De ECO-stand, die de werking van de
versnellingsbak optimaliseert, kan
alleen worden ingeschakeld in de
automatische modus.
U schakelt deze stand in door op de
knop E (afb. 88) te drukken naast de
versnellingspook (1.2 8V-versies), of op
de knop ECO (afb. 89) op het
dashboard (0.9 TwinAir 85 pk-versies).
Als de ECO-stand actief is, ziet u op
het display de gekozen versnelling en
de woorden AUTO en ECO.
Het systeem selecteert nu de meest
geschikte versnelling, afhankelijk van de
voertuigsnelheid, het motortoerental en
de intensiteit waarmee het gaspedaal
wordt ingetrapt, met als doel het
brandstofverbruik te beperken.
89DVDF0S0193c
❒ Als u de peddels op het stuur wilt
gebruiken, moet de
versnellingspook A-(afb. 88) in de
middelste stand staan, tussen
+ en –.
Opschakelen: duw de rechterpeddel
+ naar het stuur.
Terugschakelen:
duw de linkerpeddel – naar het stuur.
OPMERKING Op- of terugschakelen
mag alleen worden gedaan als het
motortoerental dit toestaat.
OPMERKING Bedien, voor een juist
gebruik van het systeem, het pedaal
uitsluitend met de rechtervoet.
91DVDF0S0195c
SPORT-stand
(1.4 16V-versies – voor bepaalde
versies/markten)
Bij deze versies kan de bestuurder ook
de SPORT-stand kiezen.
Er wordt dan een sportieve rijstijl
mogelijk door een andere afstelling van
de versnellingsbak, de regeleenheid
van de motor en de stuurinrichting.
Deze stand kan worden geactiveerd
door het indrukken van de knop
SPORT (afb. 90) op het dashboard.
SCHAKELPEDDELS
(voor bepaalde versies/markten)
afb. 91
De verschillende versnellingen kunnen
opeenvolgend worden gekozen via de
schakelpeddels op het stuur.
90DVDF0S0194c
Page 125 of 224

123
SPEED LIMITER
(voor bepaalde versies/markten)
Met deze voorziening wordt de
snelheid van het voertuig beperkt tot
waarden die door de bestuurder
ingesteld kunnen worden.
De maximumsnelheid kan zowel bij
rijdend als bij stilstaand voertuig
worden ingesteld. De minimumsnelheid
die ingesteld kan worden is 30 km/h.
Wanneer het systeem actief is, hangt
de snelheid van het voertuig van de
druk op het gaspedaal af, tot de
geprogrammeerde snelheidslimiet
wordt bereikt (zie paragraaf
"Snelheidslimiet programmeren").
HET SYSTEEM
INSCHAKELEN
Om het systeem in te schakelen, ring C
(fig. 92) naar de positie.
92DVDF0S0210c
Wanneer het apparaat is ingeschakeld,
wordt dit aangeduid door het
symbool dat wordt getoond op het
display samen met de laatst ingestelde
snelheid (fig. 93, 94).
93DVDF0S0224c
94DVDF0S0214c
SNELHEIDSLIMIET
PROGRAMMEREN
Schakel de speed limiter in door ring C
naar de positie te draaien.
De snelheidslimiet kan
geprogrammeerd worden zonder het
systeem in te hoeven schakelen.
Om een snelheidswaarde hoger dan
weergegeven op te slaan.
Draai ring B fig. 92 naar boven
(SET + positie). Bij het loslaten van ring
B, neemt de snelheid met 1 km/h toe.
Door het in de SET + positie te
houden, neemt de snelheid
voortdurend toe in stappen van 5
km/u.
Om een snelheidswaarde lager dan
weergegeven op te slaan.
Draai ring B omlaag (SET- positie).
Bij het loslaten van ring B, neemt de
snelheid met 1 km/h af. Door het in de
SET - positie te houden, neemt de
snelheid voortdurend af in stappen van
5 km/u.
Page 126 of 224

STARTEN EN RIJDEN
124
INSCHAKELING/UITSCHA
KELING SYSTEEM
Het systeem inschakelen:
❒ druk op de
A knop (CANC/RES) fig. 92 en houd
deze ingedrukt, of
❒ als de voertuigsnelheid tussen de 30
tot 130 km/h ligt, draai dan ring B
omhoog of omlaag.
De functie wordt geactiveerd met de
huidige snelheid ingesteld als de
snelheidslimiet. Wanneer het apparaat
is ingeschakeld, wordt dit aangeduid
door het symbool dat wordt
getoond op het display samen met de
laatst ingestelde snelheid.
Het systeem uitschakelen:
druk op de CANC/RES A knop fig. 92.
Uitschakeling van het apparaat wordt
aangeduid door de instelling die
vervangen wordt door het woord
CANC.
Het systeem uitschakelen:
❒ druk op de
A knop (CANC/RES) fig. 92 en houd
deze ingedrukt, of
❒ als de voertuigsnelheid tussen de 30
tot 130 km/h ligt, draai dan ring B
omhoog of omlaag.
DE GEPROGRAMMEERDE
SNELHEID
OVERSCHRIJDEN
Als het gaspedaal volledig wordt
ingetrapt, kan de geprogrammeerde
snelheid overschreden worden, ook als
het systeem is ingeschakeld
(bijv. om in te halen).
Het systeem is uitgeschakeld tot de
snelheid onder de ingestelde limiet
zakt, daarna wordt het weer
automatisch ingeschakeld.
KNIPPEREN VAN DE
GEPROGRAMMEERDE
SNELHEID
In de volgende gevallen gaat de
geprogrammeerde snelheid knipperen:
❒ wanneer het gaspedaal volledig is
ingetrapt en het voertuig de
geprogrammeerde snelheid heeft
overschreden;
❒ inschakeling van het systeem na het
instellen van een limiet lager dan de
werkelijke snelheid van het voertuig;
(met geluidswaarschuwing);
❒ wanneer het apparaat de
voertuigsnelheid niet kan beperken
door de helling van de weg
(met geluidswaarschuwing);
❒ in het geval van een abrupte
acceleratie.
HET SYSTEEM
UITSCHAKELEN
Om het systeem uit te schakelen, ring
C fig. 92 naar de 0 positie draaien.
Automatisch uitschakelen van
systeem
Het systeem wordt automatisch
uitgeschakeld in geval van een
systeemstoring. Neem in dat geval
contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
AUTOMATISCH
RESETTEN VAN DE
INGESTELDE SNELHEID
Met de Speed Limiter ingeschakeld en
door op de knop A CANC/RES fig. 92
te drukken bij een hogere snelheid dan
de ingestelde waarde, zal het
motorkoppel worden beperkt zoals
vereist om die waarde te bereiken,
indien deze waarde niet bereikt is
binnen 20 seconden na het indrukken
van de knop.
Page 127 of 224

125
ELEKTRONISCHE
CRUISE CONTROL
(voor bepaalde versies/markten)
Dit is een elektronisch geregeld
hulpsysteem waarmee de gewenste
rijsnelheid gehandhaafd kan worden,
zonder het gaspedaal in te hoeven
trappen.
Het systeem kan gebruikt worden bij
een snelheid van meer dan 30 km/h op
lange, droge en rechte wegen met
weinig veranderingen in de
rijomstandigheden (bijv. snelwegen).
Het gebruik van de cruisecontrol wordt
dus niet aanbevolen op buitenwegen
met druk verkeer. Gebruik hem niet in
de stad.
HET SYSTEEM
INSCHAKELEN
38)
Om het systeem in te schakelen, ring C
fig. 95 naar de (cruise control symbool
hieronder) positie draaien.
Wanneer het apparaat is ingeschakeld,
wordt dit aangeduid door het
symbool op het display (fig. 96, 97).
95DVDF0S0210c
96DVDF0S0213c
Het systeem kan niet worden
ingeschakeld in de 1e of in de
achteruitversnellingen:
aangeraden wordt om hem in de 3e of
hogere versnelling te zetten.
BELANGRIJK Het is gevaarlijk het
systeem ingeschakeld te houden als
het niet gebruikt wordt. Er bestaat een
risico van per ongeluk inschakelen en
de controle over het voertuig te
verliezen vanwege onverwachte
overmatige snelheid.
97DVDF0S0223c