display FIAT 500 2018 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2018, Model line: 500, Model: FIAT 500 2018Pages: 224, PDF Size: 3.92 MB
Page 191 of 224

189(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
•Let op bij het openen van de achterklep als er een imperiaal
gemonteerd is.
•Zorg ervoor dat de rugleuningen aan beide zijden goed zijn
vergrendeld om te voorkomen dat deze bij bruusk remmen
naar voren kunnen klappen en zo eventueel de passagiers
kunnen verwonden.
14) IMPERIAAL/SKIDRAGER
•De wettelijke voorschriften betreffende de maximale
afmetingen moeten altijd in acht worden genomen.
•Overschrijd nooit het maximum toegestane draagvermogen,
zie hoofdstuk “Technische gegevens”.
•Verdeel de lading gelijkmatig en houd bij het rijden rekening
met een verhoogde zijwindgevoeligheid.
Controleer na enkele kilometers rijden of de bouten van de
bevestigingspunten nog goed zijn vastgedraaid.
•Verzeker u ervan, voordat u gaat rijden, dat de dwarsstangen
goed gemonteerd zijn.
15) ABS-SYSTEEM – ESC-SYSTEEM
•Het ABS benut zoveel mogelijk de beschikbare grip maar kan
hem niet verhogen. Rijd dus altijd voorzichtig op gladde
weggedeelten en neem geen onnodige risico’s.
•Wanneer het ABS wordt ingeschakeld, is een trilling van het
rempedaal voelbaar. Verlaag de remdruk niet en houd het
rempedaal goed ingetrapt; zo
zorgt het systeem voor de kortste remweg op basis van de
conditie van het wegdek.
•Als het ABS-systeem ingrijpt, dan is de grip van de banden op
het wegdek beperkt. Minder dus snelheid om deze aan de
beschikbare grip aan te passen.
• Een inrijperiode van circa 500 km is vereist om het beste uit
het remsysteem te halen: vermijd tijdens deze periode bruusk,
herhaaldelijk of langdurig remmen. • De ABS, ESC en ASR-systemen kunnen niet de door het
wegdek geboden grip boven de limieten van de natuurkundige
wetten laten toenemen.
• De ABS, ESC, ASR en HBA-systemen kunnen geen ongelukken
voorkomen, waaronder ongelukken wegens overmatige snelheid in
bochten, rijden op wegdek met weinig grip of aquaplaning.
• De capaciteiten van de ABS, ESC, ASR and HBA-systemen
mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden
uitgetest, waardoor de persoonlijke veiligheid en die van anderen
in gevaar komt.
•Bij de inwerkingtreding van de Mechanical Brake Assist kan
geluid hoorbaar zijn.
Dit is een normaal verschijnsel. Houd in elk geval het rempedaal
goed ingetrapt.
•Wanneer alleen het controlelampje
xop het
instrumentenpaneel gaat branden (en op de multifunctionele
display verschijnt tevens een melding voor bepaalde
versies/markten), zet dan de motor onmiddellijk af en neem
contact op met het dichtstbijzijnde dealer van het Fiat
Servicenetwerk. Vloeistoflekken uit het hydraulische systeem
brengen de werking van zowel het normale remsysteem als het
ABS in gevaar.
•Neem nooit onnodige en onverantwoorde risico’s, ook al is de
auto voorzien van de systemen ESC en ASR.
Uw rijstijl moet altijd aangepast zijn aan de conditie van het
wegdek, het zicht en het verkeer. De bestuurder is altijd
verantwoordelijk voor de verkeersveiligheid.
•Ook als het noodreservewiel (daar waar aanwezig) wordt
gebruikt, blijven de ABS-, ASR- en ESC-systemen werken.
Houd steeds rekening met het feit dat het noodreservewiel kleiner
is dan een normaal wiel waardoor de grip minder is.
•Voor een goede werking van de ESP- en ASR-systemen is het
van groot belang de banden van alle wielen van hetzelfde type,
merk en maat zijn en dat ze in perfecte conditie zijn.
Page 195 of 224

193
•Mocht het nodig zijn een kind achterstevoren in een kinderzitje
op de passagiersstoel te vervoeren, moeten de front- en
zijairbags aan de passagierszijde worden uitgeschakeld via het
hoofdmenu op het display. Uitschakeling moet worden
gecontroleerd via het waarschuwingslampje dat op het
“centrale deel van het dashboard is gaan branden. Bovendien
moet de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn
geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in
aanraking komt met het dashboard.
•Onjuiste montage van het kinderzitje kan ertoe leiden dat het
beschermingssysteem inefficiënt wordt. Bij een ongeval kan het
kinderzitje loskomen en kan het kind zelfs dodelijk gewond raken.
Houd u, bij het monteren van kinderzitjes voor pasgeborenen of
kinderen, strikt aan de aanwijzingen van de Fabrikant.
•Wanneer het kinderzitje niet in gebruik is, zet het dan vast met
de veiligheidsgordel of met de ISOFIX-bevestigingen, of verwijder
het uit het voertuig. Laat het kinderzitje niet los in het interieur
liggen. Zo kan het in geval van abrupt remmen of een ongeval
geen letsel bij de inzittenden veroorzaken.
•Verplaats de stoel niet als er een kinderzitje is geplaatst:
verwijder altijd eerst het kinderzitje alvorens de stoel anders in te
stellen.
•Zorg er altijd voor dat het borstgedeelte van de
veiligheidsgordel niet onder de armen door of achter de rug van
het kind langs loopt. Bij een ongeval zal de veiligheidsgordel het
kind niet vast kunnen houden, met het risico van zelfs dodelijk
letsel. Daarom moet het kind de veiligheidsgordel altijd correct
omleggen.
•Gebruik één onderste verankeringspunt niet voor de installatie
van meer dan één kinderzitje.25) AIR BAG
•Breng geen stickers of andere voorwerpen op het stuurwiel, op
het dashboard in de zone van de passagiersairbag, op de zijkant
van de dakbekleding en op de stoelen aan. Plaats nooit
voorwerpen (bijv. mobiele telefoons) op het dashboard aan
passagierszijde, omdat deze het correct openen van de
passagiersairbag kunnen hinderen en tevens de inzittenden
ernstig kunnen verwonden.
• ERNSTIG GEVAAR: Plaats NOOIT een kinderzitje tegen de
rijrichting in op de passagiersstoel van auto’s met een actieve
passagiersairbag.
Bij een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en
zelfs de dood van het kind tot gevolg hebben. Het is raadzaam
kinderen altijd in kinderzitjes op de achterbank te vervoeren: bij
een ongeval biedt de achterbank de meeste bescherming.
•Plaats NOOIT een kinderzitje achterstevoren op de
passagiersstoel van auto’s met een actieve passagiersairbag. Bij
een ongeval, hoe klein ook, kan de airbag ernstig letsel en zelfs
de dood van het kind tot gevolg hebben.
•Steun niet met het hoofd, de armen of de ellebogen tegen het
portier, de ruiten of in het gebied van de Hoofdairbag om
mogelijke verwondingen tijdens het opblazen te voorkomen.
Steek nooit het hoofd, de armen of ellebogen uit het raam.
•Als de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en het lampje
¬niet gaat branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er
mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval
kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij
een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, op verkeerde
wijze geactiveerd worden.
Laat het systeem onmiddellijk controleren door het Fiat
Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
Page 196 of 224

BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
194
•Dek de rugleuning van de voorstoelen niet af met extra
kleden als deze uitgerust zijn met zijairbags.
•Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst en
houd niets in de mond (pijp, pen, enz.):
dit kan ernstig letsel veroorzaken als de airbag in werking
treedt.
•Rijd altijd met de handen op de rand van het stuurwiel zodat
de airbag indien nodig ongehinderd opgeblazen kan worden.
Rijd niet met voorover gebogen lichaam. Houd de rug goed
rechtop tegen de rugleuning gedrukt.
•Laat na diefstal of poging tot diefstal, vandalisme of
overstromingen het airbagsysteem door het Fiat
Servicenetwerk controleren.
•Als de contactsleutel in stand MAR staat of wanneer de
motor is uitgezet, kunnen de airbags ook geactiveerd worden
als de auto door een andere auto wordt aangereden. Daarom
mag, wanneer de passagiersairbag is ingeschakeld, en ook al
staat de auto stil, GEEN tegen de rijrichting in gemonteerd
kinderzitje op de voorstoel gemonteerd worden.
Als bij een botsing de airbag wordt opgeblazen, kan dit leiden
tot ernstig letsel en zelfs tot de dood van het kind. Daarom
moet de passagiersairbag altijd uitgeschakeld worden als een
kinderzitje tegen de rijrichting in gemonteerd wordt op de
voorste passagiersstoel.
Bovendien moet de voorste passagiersstoel
zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen
dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het
dashboard. Schakel de passagiersairbag onmiddellijk weer in
als het kinderzitje is verwijderd. Onthoud tevens dat als de sleutel in de stand STOP staat, bij een
ongeval geen enkel veiligheidssysteem (airbags of
gordelspanners) geactiveerd wordt. In dat geval duidt de
uitgebleven activering niet op een storing van het systeem.
•Reinig de stoelen niet met water of stoom onder druk (met de
hand of in een automatisch wasapparaat).
• De activeringsdrempel van de frontairbag is hoger dan die van
de gordelspanners. Bij aanrijdingen die tussen deze twee
drempelwaarden liggen, treden alleen de gordelspanners in
werking.
•Hang geen harde voorwerpen aan de kledinghaken of de
steunhandgrepen.
•De airbag vervangt niet de veiligheidsgordels, maar verhoogt
hun doeltreffendheid. Omdat de frontairbags niet worden
ingeschakeld bij frontale botsingen bij lage snelheden, zijdelingse
botsingen, botsingen achterop en over de kop slaan, worden de
inzittenden in die gevallen uitsluitend door de veiligheidsgordels
beschermd, die dus altijd gedragen moeten worden.
•In sommige versies gaat in het geval van een storing van de led
“(bevindt zich op de plaat van het instrumentenpaneel), het
lampje ¬op het instrumentenpaneel branden en worden de
airbags aan de passagierszijde uitgeschakeld.
•Storing van het
¬waarschuwingslampje wordt aangeduid door
de inschakeling van het symbool storing airbag en een speciaal
bericht op het display van het instrumentenpaneel (of, bij
bepaalde versies, door de inschakeling van een knipperend
waarschuwingslampje voor een algemene storing).
In dat geval kan het lampje
¬mogelijk geen storingen in de
veiligheidssystemen aangeven. Laat het systeem onmiddellijk
controleren door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
Page 198 of 224

BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
196
In dergelijke gevallen kan het lampje ¬mogelijk geen storingen in
de veiligheidssystemen aangeven. Laat het systeem controleren
door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
•Het knipperend
èwaarschuwingslampje aan duidt op
mogelijke ¬waarschuwingslampjesfouten. In dergelijke gevallen
kan het lampje ¬mogelijk geen storingen in de
veiligheidssystemen aangeven. Laat het systeem onmiddellijk
controleren door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
Wanneer het lampje
vtijdens het rijden gaat branden (bij
sommige versies verschijnt ook een melding op de display), zet
dan de motor onmiddellijk af en neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
•Wanneer het vwaarschuwingslampje (of v, voor bepaalde
versies/markten) gaat branden, moet de afgewerkte motorolie zo
spoedig mogelijk, en elk geval binnen 500 km nadat het lampje voor het
eerst gaat branden, worden ververst. Het niet naleven van deze
instructie kan leiden tot ernstige beschadiging van de motor en de
garantie ongeldig maken. Vergeet niet dat het branden van dit lampje
niets te maken heeft met het oliepeil in de motor. Voeg dus absoluut
geen motorolie toe als het lampje begint te knipperen.
•Pas de rijsnelheid aan de verkeers- en weersomstandigheden aan en
neem de wegenverkeerswetgeving in acht. De motor afzetten terwijl het
DPF lampje brandt is toegestaan, maar het meermaals onderbreken van
het regeneratieproces kan leiden tot voortijdig kwaliteitsverlies van de
motorolie. Daarom wordt steeds aanbevolen te wachten tot het lampje
is gedoofd alvorens de motor af te zetten, zoals hiervoor is beschreven.
Voltooi het DPF-regeneratieproces niet terwijl het voertuig stil staat.
•Water in het brandstofcircuit kan het inspuitsysteem ernstig
beschadigen en een onregelmatige werking van de motor
veroorzaken. Als het lampje gaat branden of het
E-symbool gaat
aan (bij bepaalde versies verschijnt ook een bericht op het
display), neem dan zo snel mogelijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk om het systeem te laten aftappen. Als het lampje
onmiddellijk na het tanken gaat branden, kan het zijn dat er tijdens
(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
29) AANHANGERS TREKKEN
•De ABS waarmee de auto is uitgerust heeft geen controle
over het remsysteem van de aanhanger. Wees dus bijzonder
voorzichtig op gladde wegen.
•Breng, onder geen enkele voorwaarde, wijzigingen aan het
remsysteem van het voertuig aan om het remsysteem van de
aanhanger te regelen.
Het remsysteem van de aanhanger moet volledig onafhankelijk
zijn van het hydraulisch systeem van de auto.
30) WINTERBANDEN
De maximumsnelheid voor winterbanden met de indicatie
“Q” is 160 km/h; 190 km/h voor winterbanden met de indicatie
“T” en 210 km/h voor winterbanden met de indicatie”H”.
De snelheidsbeperkingen moeten echter altijd worden
gerespecteerd.
31) LAMPJES EN BERICHTEN
•Wanneer het lampje
xtijdens het rijden gaat branden (bij
sommige versies verschijnt ook een bericht op het display), zet
dan de motor onmiddellijk af en neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
•Als de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en het lampje
¬gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er
mogelijk een storing in de veiligheidssystemen;
in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet
geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt
aantal gevallen, op verkeerde wijze geactiveerd worden. Laat
het systeem onmiddellijk controleren door het Fiat
Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
•Er wordt een faut in het
¬waaarschuwingslampje
aangegeven, overeenkomstig met de versie, door het ¬symbool dat op het display verschijnt of doordat het èwaarschuwingslampje gaat knipperen.
Page 203 of 224

201
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
44) TECHNISCHE SPECIFICATIES – RIM PROTECTOR
BANDEN (MET VELGBESCHERMERS)
Indien op de stalen velgen met integrale wieldeksels (met
veerbevestiging) aftersales-banden met velgbeschermers worden
gemonteerd, dan mogen de wieldeksels NIET worden gemonteerd.
Het gebruik van ongeschikte banden en wieldeksels kan leiden tot
een plotselinge afname van de bandenspanning.
45) LPG •Let wel dat in sommige landen (inclusief Italië) wettelijke
beperkingen gelden voor het parkeren/stallen van auto’s die rijden
op gas dat dichter is dan zuurstof; LPG valt onder deze categorie.
•Schakel niet om tussen de twee werkingsmethodes
(benzine/LPG) tijdens het starten van de motor.
•Het LPG-toevoersysteem is uitgerust met een
“verbruiksfunctie” die verbonden is met het led-display van het
LPG-niveau op de schakelaar; deze functie wordt alleen
ingeschakeld nadat er een aanzienlijke variatie in het
brandstofniveau is gedetecteerd.
Het wordt dus aanbevolen bij de eerstvolgende tankbeurt de
tank volledig met LPG te vullen om een “nauwkeurigere”
indicatie van het niveau te verkrijgen.
•Als er gaslucht wordt waargenomen, schakel dan over van
werking op LPG naar werking op benzine en ga onmiddellijk
naar een Fiat Servicepunt om het voertuig te laten controleren
en eventuele systeemstoringen uit te sluiten.
46
) SYSTEMEN VOOR DE BESCHERMING VAN HET MILIEU
•Onder normale gebruiksomstandigheden worden de katalysator
en het dieselroetfilter (DPF) zeer heet. Parkeer het voertuig dus
niet op licht ontvlambaar materiaal (bijv. gras, droge bladeren,
dennennaalden enz.) om het gevaar van brand te voorkomen.
47) MULTIMEDIA
•Volg de voorziene veiligheidsvoorschriften, want anders
kunnen de inzittenden ernstig gewond raken of kan het systeem
beschadigd raken. •Als het volume te hoog staat, kan dat gevaarlijk zijn.
Stel het volume zo af dat omgevingsgeluiden (bijv. claxons,
ambulances, politievoertuigen enz.) nog hoorbaar zijn.
•Indien aanwezig, my:Car app is niet bedoeld om
instructieboekje van de eigenaar van het voertuig te vervangen.
•Voer geen andere handelingen tijdens de installatie uit en wacht
tot de bewerking is afgerond om een correcte werking van de
radio te verzekeren.
48) iTPMS-SYSTEEM
•Als het systeem een spanningsafname van een of meer banden
aangeeft, wordt geadviseerd om de spanning van alle vier de
banden altijd te controleren.
•Het iTPMS ontslaat de bestuurder niet van de verplichting om
de bandenspanning elke maand te controleren en mag niet
beschouwd worden als vervanging voor het onderhoud of een
veiligheidssysteem.
•De bandenspanning moet bij koude banden gecontroleerd
worden. Als de bandenspanning om welke reden dan ook bij warme
banden moet worden gecontroleerd, dan mag de spanning niet
worden verlaagd, ook wanneer de gemeten waarde hoger is dan de
voorgeschreven spanningswaarde. Controleer de bandenspanning
nadien nogmaals bij koude banden.
•Het iTPMS-systeem waarschuwt niet bij een plotselinge afname
van de bandenspanning (bijvoorbeeld bij een klapband). In dit
geval de auto stoppen door voorzichtig
te remmen en abrupt sturen te vermijden.
•Het systeem waarschuwt alleen dat de bandenspanning laag
is: het is niet in staat om de banden op te pompen.
•Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik,
verlaagt de duur van het loopvlak en kan het vermogen om de
auto op veilige manier te besturen beïnvloeden.
Page 205 of 224

203
•Gebruik nooit alcohol, benzine, chemische producten,
reinigingsmiddelen, vlekkenverwijderaars, was, oplosmiddelen
en “was- en polijstmiddelen”.
•Spoel zeepresten onmiddellijk af om vlekken en kringen te
voorkomen. Herhaal de handeling indien nodig.
•Onmiddellijk afspoelen en deze handeling zo nodig herhalen.
Als u het vouwdak weer waterdicht wilt maken, de instructies
op de verpakking van het door u gekozen waterdichtmakende
product strikt opvolgen om optimale resultaten te behalen.
•De rubberen pakkingen van het vouwdak mogen uitsluitend
met water gereinigd worden. Als opgemerkt wordt dat deze
droog of kleverig zijn, breng dan talkpoeder aan of gebruik
producten voor de verzorging van rubber (siliconenspray).
7) IMPERIAAL/SKIDRAGER
Het gebruik van dwarsstangen bovenop de stangen in de
lengte verhindert het gebruik van het schuifdak, omdat dit,
tijdens het openen, interfereert met de stangen. Bedien het
schuifdak dus niet als er dwarsstangen gemonteerd zijn.
8) EOBD-SYSTEEM
Als de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en het lampje
Ugaat niet branden of blijft branden/knipperen tijdens het
rijden (en er verschijnt ook een melding op de display, voor
bepaalde versies/markten), neem dan zo snel mogelijk contact
op met het Fiat Servicenetwerk. De werking van het
Uwaarschuwingslampje kan gecontroleerd worden door de
verkeerspolitie met de juiste uitrusting.
Leef de wetten en regels van het land waar u in rijdt na.
9) PORTIEREN
Verzeker u ervan de sleutel mee te nemen nadat een portier of
de achterklep is vergrendeld, om te voorkomen dat de sleutel
zelf in het voertuig wordt opgesloten. Als de sleutel binnen is
opgesloten, kan hij alleen teruggekregen worden met de
bijgeleverde tweede sleutel.10) MULTIMEDIA
• Maak het glas van het frontpaneel en display alleen schoon met
een zachte, schone, droge, anti-statische doek.
Reinigings- en polijstmiddelen kunnen het oppervlak beschadigen.
Gebruik nooit alcohol, benzine en afgeleide producten.
• Gebruik het display niet als basis voor steunen met zuignappen
of kleefmiddelen voor externe navigatiesystemen, smartphones of
dergelijke apparaten.
11) DIESELBRANDSTOF TANKEN
Voertuigen met een dieselmotor mogen uitsluitend getakt worden
in overeenstemming met de Europese EN 590-norm.
Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor
onherstelbaar beschadigen en derhalve de garantie, door de
veroorzaakte schade, ongeldig maken. Als per ongeluk andere
brandstofsoorten worden getankt, mag de motor niet gestart
worden. Ledig de tank. Als de motor ook maar heel kort heeft
gewerkt, moet behalve de tank het complete
brandstoftoevoercircuit geledigd worden.
12) VEILIGHEIDSGORDELS - GORDELSPANNERS
Werkzaamheden die leiden tot stoten, trillingen of plaatselijke
verhitting in de zone rondom de gordelspanners (meer dan 100°C
gedurende ten hoogste 6 uur) kunnen de gordelspanners
beschadigen of in werking doen treden. Neem contact op met een
dealer van het Fiat Servicenetwerk voor eventuele werkzaamheden
aan deze componenten.
13) DE MOTOR STARTEN EN AFZETTEN
• Tijdens de eerste gebruiksperiode adviseren wij om overmatige
belasting van de auto te voorkomen (bijvoorbeeld buitensporige
acceleraties, lang rijden op toptoeren, buitensporig intens
remmen, enz.) zodra de motor is gestart.
• Laat de contactsleutel nooit in de stand MAR staan als de
motor is afgezet, zodat de accu niet onnodig wordt ontladen.
VEILIGHEID VAN HET VOERTUIG
(GAAT DOOR) (DOORGEGAAN)
Page 206 of 224

BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
204(GAAT DOOR)
• Als het waarschuwingslampje mna het starten of na
langdurig “aanzwengelen” 60 seconden knippert, duidt dit op
een defect van de gloeibougies.
Als de motor start kan de auto normaalgebruikt worden, maar
moet men zo snel mogelijk naar een Fiat Servicepunt gaan.
• Probeer de motor nooit te starten door de auto te duwen, te
slepen of van een helling af te laten rijden. Hierdoor kan
brandstof in de katalysator terechtkomen die hierdoor
onherstelbaar beschadigd wordt.
• Gebruik nooit een accusnellader om de motor te starten,
aangezien deze de elektronische systemen kan beschadigen, met
name de regeleenheden van de ontsteking en de brandstoftoevoer.
• Verbind de startkabel niet met de minklem (–) van de lege
accu. De afgegeven vonk kan explosie van de accu tot gevolg
hebben en ernstige schade veroorzaken.
Gebruik alleen het specifieke massapunt; gebruik geen
andere blootgestelde metalen onderdelen.
• Even snel gas geven voordat de motor wordt uitgezet heeft
geen enkel nut, verspilt brandstof en is, vooral voor motoren
met turbocompressor, schadelijk.
14) GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGSBAK MANUAL EN
DUALOGIC
• Rijd niet met de hand op de versnellingspook aangezien de
uitgeoefende druk, hoe licht ook, na verloop van tijd kan leiden
tot slijtage van de interne onderdelen van de versnellingsbak.
• Neem zo snel mogelijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk in geval van een storing in de versnellingsbak
om het systeem te laten controleren.
• Houd de hand niet langer op de versnellingspook dan strikt
noodzakelijk is voor het schakelen of voor de Auto/Manual
bediening.
• Door onjuist gebruik van de peddels (peddels naar het
dashboard geduwd) kunnen deze afbreken.• Om de werking van de koppeling te sparen mag men het
gaspedaal niet gebruiken om de auto stil te houden (bijv.):
bij stilstand op een helling); de koppeling kan dan oververhit en
beschadigd raken; gebruik in dit geval het rempedaal en bedien
het gaspedaal alleen als u gereed bent om weg te rijden.
• Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk als de berichten
op het display niet verdwijnen.
15) SNEEUWKETTINGEN
• Beperk de snelheid wanneer er sneeuwkettingen zijn
gemonteerd; overschrijd de 50 km/h niet.
• Bedien het gaspedaal uiterst voorzichtig als sneeuwkettingen
gemonteerd zijn; voorkom of beperk het risico op doorslippen van
de aandrijfwielen die breuk van de ketting en bijgevolg
beschadiging van de carrosserie of de mechanische onderdelen
kunnen veroorzaken.
• Vermijd kuilen, trottoirbanden en stoepen en rijd geen lange
stukken op sneeuwvrije wegen om de auto en het wegdek niet te
beschadigen.
16) STOPCONTACT
Het stopcontact is geschikt voor accessoires met een maximum
vermogen van 180 W (maximum stroomverbruik 15 A).
17) DIESELFILTER
Water in het brandstofcircuit kan het inspuitsysteem ernstig
beschadigen en een onregelmatige werking van de motor
veroorzaken.
Als het lampje of het symbool
Eop het kleurendisplay gaat
branden, neem dan onmiddellijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk om het systeem te laten aftappen.
VEILIGHEID VAN HET VOERTUIG
(DOORGEGAAN)
Page 217 of 224

215
KENNISMAKING MET DE AUTO
Dashboard ......................................................................7
Instrumentenpaneel .........................................................9
– Versies met multifunctioneel display...............................9
– Versies met kleurendisplay...........................................10
– Lampjes en berichten.............................................11-23
Displaypaneel.................................................................24
– Multifunctioneel displaypaneel......................................24
– Kleurendisplaypaneel...................................................24
– Instellingenmenu..........................................................24
– Tripcomputer............................................................. 25
– Tijd instellen.................................................................25
– Uitschakeling passagiersairbag en zijairbag
voor.............................................................................26
Service (Geprogrammeerd onderhoud)...........................26
– Hoogteregeling koplampen..........................................27
– Banden resetten..........................................................27
Sleutels......................................................................... 27
– Code-card................................................................. 27
– Mechanische sleutel ...................................................27
– Sleutel met afstandsbediening ....................................27
Het Fiat Code systeem...................................................28
Opstarttoestel ................................................................28
– Stuurslot .....................................................................29
Zitplaatsen .....................................................................29– Voorstoelen ................................................................29
– Hoofdsteunen .............................................................30
Stuurwiel .......................................................................31
AchteruitkijksSpiegels ....................................................31
– Binnenspiegel .............................................................31
– Elektrisch dimbare binnenspiegel.................................31
– Binnenspiegels............................................................32
Handmatige klimaatregeling............................................32
– Luchtrecirculatie ........................................................33
Automatische klimaatregeling ........................................33
– Automatische werking.................................................34
– Luchtrecirculatie ........................................................34
Buitenverlichting ............................................................35
– Dagverlichting..............................................................35
– Dimlicht/stadslicht........................................................35
– Grootlicht ....................................................................35
– Richtingaanwijzers.......................................................35
– Parkeerlichten..............................................................35
– Rijbaanwisselfunctie.....................................................34
– Functie Follow Me Home.............................................34
– Auto functie ................................................................36
Ruiten reinigen ...............................................................37
– Ruitenwissers..............................................................37
– Achterruitwisser ..........................................................38
INHOUD