cruise control OPEL ADAM 2017 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2017, Model line: ADAM, Model: OPEL ADAM 2017Pages: 249, PDF Size: 7.36 MB
Page 13 of 249

Kort en bondig111Elektrische ruitbediening .......30
2 Buitenspiegels ......................28
3 Cruise control .....................145
Snelheidsbegrenzer ............147
4 Zijdelingse luchtroosters .....126
5 Richtingaanwijzers,
lichtsignaal, dimlicht en
grootlicht ............................. 113
Omgevingsverlichting ......... 116
Parkeerlichten .....................113
Knoppen voor Driver
Information Center ................92
6 Instrumenten ........................ 82
7 Bedieningselementen van
infotainment ......................... 74
8 Driver Information Center ...... 92
9 Voorruitenwisser, wis-/
wasinstallatie voor,
achterruitenwisser, wis-/
wasinstallatie achter .............. 75
10 Centrale vergrendeling .........22
Stadsmodus ........................ 144
Brandstofkeuzeschakelaar ...83Eco-knop voor Stop/Start-
systeem ............................... 131
Traction Control-systeem ...142
Elektronische
stabiliteitsregeling ...............143
Parkeerhulp ........................ 148
Stoelverwarming ...................39
Verwarmd stuurwiel ..............74
11 Colour-Info-Display ..............98
Graphic-Info-Display .............98
12 Alarmknipperlichten ...........112
Controlelamp airbag-
deactivering .......................... 88
Controlelamp
veiligheidsgordel
voorpassagier ......................87
13 Status-LED alarmsysteem ...26
14 Middelste luchtroosters ......126
15 Zijdelingse luchtroosters
passagierszijde ...................126
16 Handschoenenkastje ...........53
17 Verwarming en ventilatie ....118
18 Stekkerdoos .......................... 80
19 AUX-ingang, USB-ingang .....1020 Keuzehendel,
versnellingsbak ..................135
21 Handrem ............................. 141
22 Contactslot met stuurslot ...129
23 Claxon .................................. 75
Bestuurdersairbag ...............45
24 Ontgrendelingshandgreep
motorkap ............................ 169
25 Stuurwiel instellen ................74
26 Lichtschakelaar ..................110
Koplampverstelling ............112
Mistachterlicht ....................113
Zekeringhouder ..................187
Helderheid van instrumen‐
tenverlichting ....................... 114
Helderheid van
omgevingslicht ...................114
Page 75 of 249

Instrumenten en bedieningsorganen73Instrumenten en
bedieningsorganenBedieningsorganen ......................74
Stuurwielverstelling ...................74
Stuurbedieningsknoppen ...........74
Verwarmd stuurwiel ...................74
Claxon ....................................... 75
Wis-/wasinstallatie voorruit ........75
Wis-/wasinstallatie achterruit .....77
Buitentemperatuur .....................77
Klok ........................................... 78
Elektrische aansluitingen ...........80
Inductief opladen .......................80
Aansteker .................................. 81
Asbakken ................................... 81
Waarschuwingslampen, meters
en controlelampen .......................82
Instrumentengroep ....................82
Snelheidsmeter ......................... 82
Kilometerteller ........................... 82
Dagteller .................................... 82
Toerenteller ............................... 82
Brandstofmeter .......................... 83
Brandstofkeuzeschakelaar ........83
Koelvloeistoftemperatuurme‐ ter ............................................. 83Service-display.......................... 84
Controlelampen ......................... 85
Richtingaanwijzer ......................87
Gordelverklikker ........................87
Airbag en gordelspanners .........88
Airbag-deactivering ...................88
Laadsysteem ............................. 88
Storingsindicatielamp ................89
Service-indicatie ........................89
Rem- en koppelingssysteem .....89
Pedaal intrappen .......................89
Antiblokkeersysteem (ABS) .......90
Opschakelen ............................. 90
Stuurbekrachtiging ....................90
Ultrasoonparkeerhulp ................90
Elektronische stabiliteitsregeling UIT ..............90
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem ....90
Bandenspanningscontrolesys‐ teem ......................................... 91
Motoroliedruk ............................. 91
Te laag brandstofpeil .................91
Startbeveiliging .......................... 92
Rijverlichting .............................. 92
Grootlicht ................................... 92
Mistachterlicht ........................... 92
Cruise control ............................ 92
Portier open ............................... 92Informatiedisplays........................92
Driver Information Center ..........92
Colour-Info-Display ....................98
Graphic-Info-Display ..................98
Boordinformatie ........................... 99
Geluidssignalen .......................101
Batterijspanning .......................102
Persoonlijke instellingen ............102
Telematicaservice ......................105
OnStar ..................................... 105
Page 76 of 249

74Instrumenten en bedieningsorganenBedieningsorganenStuurwielverstelling
Hendel omlaagbewegen, stuurwiel
instellen, hendel omhoogbewegen en
vergrendelen.
Stuurwiel uitsluitend bij stilstaande
auto en ontgrendeld stuurslot verstel‐ len.
Stuurbedieningsknoppen
U kunt het infotainment-systeem, de
cruise control en een gekoppelde mobiele telefoon bedienen met de
knoppen op het stuurwiel.
Meer informatie staat in de handlei‐
ding van het infotainment-systeem.
Bestuurdersondersteuningssyste‐
men 3 145.
Verwarmd stuurwiel
Druk op * om verwarming te active‐
ren. De activering wordt aangeduid
door de LED in de toets.
Page 89 of 249

Instrumenten en bedieningsorganen87Controlelampen in de
middenconsole
Overzicht
ORichtingaanwijzer 3 87XGordelverklikker 3 87vAirbags en gordelspanners
3 88VAirbag deactiveren 3 88pLaadsysteem 3 88ZStoringsindicatielamp 3 89gLaat auto spoedig nakijken
3 89RRem- en koppelingssysteem
3 89-Pedaal intrappen 3 89uAntiblokkeersysteem (ABS)
3 90[Opschakelen 3 90cStuurbekrachtiging 3 90rUltrasoonparkeerhulp 3 90nElektronische stabiliteitsrege‐
ling UIT 3 90bElektronische stabiliteitsrege‐
ling en Traction Control-
systeem 3 90wBandenspanningscontrolesys‐
teem 3 91IMotoroliedruk 3 91YTe laag brandstofpeil 3 91dStartbeveiliging 3 928Buitenverlichting 3 92CGrootlicht 3 92rMistachterlicht 3 92mCruise control 3 92hPortier open 3 92
Richtingaanwijzer
O brandt of knippert groen.
Brandt kort De parkeerlichten worden ingescha‐keld.
Knippert Een richtingaanwijzer of de alarm‐knipperlichten worden geactiveerd.
Snel knipperen: richtingaanwijzer of
bijbehorende zekering kapot.
Gloeilamp vervangen 3 175, zeke‐
ringen 3 184.
Richtingaanwijzers 3 113.
Gordelverklikker
Gordelverklikker op de
voorstoelen
X van de bestuurdersstoel brandt of
knippert rood op de toerenteller.
Page 94 of 249

92Instrumenten en bedieningsorganenTanken 3 162.
Katalysator 3 134.
Startbeveiliging
d knippert geel.
Storing in de startbeveiliging. De
motor kan niet worden gestart.
Rijverlichting
8 brandt groen.
De rijverlichting is ingeschakeld
3 110.
Grootlicht
C brandt blauw.
Brandt bij ingeschakeld grootlicht of bij lichtsignaal 3 111.
Mistachterlicht
r brandt geel.
Het mistachterlicht is ingeschakeld 3 113.Cruise control
m brandt wit of groen.
Brandt wit
Het systeem is ingeschakeld.
Brandt groen De cruise control is actief.
Cruise control 3 145.
Portier open
h brandt rood.
Een portier of de achterklep staat open.Informatiedisplays
Driver Information Center
Het Driver Information Center is
ondergebracht in de instrumenten‐
groep.
Het wordt geleverd als Midlevel-
display of Uplevel-display.
Midlevel-display
Aanduiding van: ● algemene kilometerteller
● dagteller
● controlelampen
Page 130 of 249

128Rijden en bedieningRijden en bedieningRijtips......................................... 128
Controle over de auto ..............128
Sturen ...................................... 129
Starten en bediening .................129
Nieuwe auto inrijden ................129
Contactslotstanden ..................129
Vertraagde uitschakeling stroom .................................... 129
Motor starten ........................... 130
Uitrol-brandstofafsluiter ...........130
Stop/Start-systeem ..................131
Parkeren .................................. 133
Uitlaatgassen ............................. 134
Katalysator .............................. 134
Handgeschakelde versnellings‐
bak ............................................. 135
Geautomatiseerde versnellings‐ bak ............................................. 136
Versnellingsbakdisplay ............136
Motor starten ........................... 136
Keuzehendel ........................... 137
Handgeschakelde modus ........139
Elektronische rijprogramma's ..139
Storing ..................................... 139Remmen.................................... 140
Antiblokkeersysteem ...............140
Handrem .................................. 141
Remassistentie ........................141
Hellingrem ............................... 141
Rijregelsystemen .......................142
Traction Control .......................142
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) ...................................... 143
Stadsmodus ............................ 144
Bestuurdersondersteuningssys‐
temen ......................................... 145
Cruise control .......................... 145
Snelheidsbegrenzer ................147
Parkeerhulp ............................. 148
Blindehoeksysteem .................158
Brandstof ................................... 160
Brandstof voor benzinemotoren .....................160
Brandstof voor rijden op LPG ..160
Tanken .................................... 162
Brandstofverbruik - CO 2-uitstoot
........................... 165Rijtips
Controle over de autoNooit met afgezette motor rijden
In deze toestand werken veel syste‐
men niet (bijv. rembekrachtiging,
stuurbekrachtiging). Wanneer u op
deze manier rijdt, vormt u een gevaar
voor uzelf en anderen.
Alle systemen werken tijdens een
Autostop.
Stop-startsysteem 3 131.
Stationair aanjagen Als het nodig is om de accu op teladen wegens een probleem met de
accu, moet het vermogen van de
dynamo worden vergroot. Dit kan
door stationair aanjagen, wat moge‐
lijk hoorbaar is.
Er verschijnt een bericht op het Uple‐
vel-display.
Pedalen Om de pedalen ongehinderd te
kunnen bedienen geen matten onder
de pedalen leggen.
Page 147 of 249

Rijden en bediening145De stadsmodus blijft actief tijdens een
Autostop, maar werkt alleen waan‐
neer de motor draait.
Stop-startsysteem 3 131.
Deactivering Druk op B; de LED in de toets dooft
en er verschijnt een bericht op het
Driver Information Center.
Elke keer bij het starten van de motor
wordt de stadsmodus gedeactiveerd.
Storing
In geval van een systeemstoring licht c op en verschijnt er een bericht op
het Driver Information Center.
Boordinformatie 3 99.
Systeemkalibratie
Als de controlelampjes c en b tege‐
lijkertijd oplichten, moet de stuurbe‐
krachtiging worden gekalibreerd. Dit
kan bijv. nodig zijn na het verdraaien
van het stuurwiel met één slag met
uitgeschakeld contact. Schakel het
contact in dit geval in en draai het
stuurwiel één keer geheel naar beide kanten door.
Roep de hulp van een werkplaats in
als de controlelampjes c en b na het
kalibreren niet doven.Bestuurdersondersteu‐
ningssystemen9 Waarschuwing
Bestuurdersondersteuningssyste‐
men zijn ontwikkeld om de
bestuurder te ondersteunen en
niet om zijn aandacht te vervan‐
gen.
De bestuurder aanvaardt de volle‐
dige verantwoordelijkheid
wanneer hij de auto bestuurt.
Wanneer bestuurdersondersteu‐
ningssystemen worden gebruikt,
altijd op de huidige verkeerssitua‐
tie letten.
Cruise control
De cruise control kan snelheden
tussen ca. 30 km/u en de topsnelheid van de auto opslaan en aanhouden.
Tijdens het bergop- en bergafwaarts
rijden kan van de opgeslagen snelhe‐
den worden afgeweken.
Page 148 of 249

146Rijden en bedieningOm veiligheidsredenen kan de crui‐
secontrol pas worden ingeschakeld
nadat het rempedaal eenmaal inge‐
trapt is. Activeren in de eerste
versnelling is niet mogelijk.
De cruise control niet inschakelen
wanneer het aanhouden van een constante snelheid onverstandig is.
Bij auto's met een handgeschakelde
versnellingsbak kunt u de geautoma‐
tiseerde cruise control in de automa‐
tische en de handmatige modus acti‐
veren.
Controlelamp m 3 92.
Inschakelen
Druk op m; de controlelamp m op de
instrumentengroep brandt wit.
Activering Accelereer tot de gewenste snelheid
en draai het stelwiel naar SET/-, de
huidige snelheid wordt opgeslagen
en vastgehouden. De controlelamp
m in de instrumentengroep brandt
groen. U kunt het gaspedaal loslaten.
Het is mogelijk te versnellen door gas
te geven. Na het loslaten van het
gaspedaal wordt opnieuw de opge‐
slagen snelheid aangehouden.
De cruise control blijft ingeschakeld tijdens het schakelen.
Snelheid verhogen Houd, terwijl de cruise control actief
is, het stelwiel naar RES/+ gedraaid
of draai het meermaals kort naar
RES/+ : de snelheid loopt continu of in
kleine stappen op.
U kunt ook tot de gewenste snelheid
accelereren en deze opslaan door het
stelwiel naar SET/- te draaien.
Snelheid verlagen
Houd, terwijl de cruise control actief
is, het stelwiel naar SET/- gedraaid of
draai het meermaals kort naar SET/-:
de snelheid neemt continu of in kleine stappen af.
Deactivering
Druk op y; de controlelamp m op de
instrumentengroep brandt wit. De
cruise control is gedeactiveerd. De
laatst opgeslagen snelheid blijft voor
later hervatten van de snelheid in het geheugen.
Page 149 of 249

Rijden en bediening147Automatisch uitschakelen:● De rijsnelheid is lager dan ca. 30 km/u.
● De rijsnelheid met meer dan 25 km/u onder de ingestelde
snelheid daalt.
● Het rempedaal wordt bediend.
● Het koppelingspedaal wordt een aantal seconden ingedrukt.
● De keuzehendel is in N.
● Het motortoerental is in een zeer
laag bereik.
● Het Traction Control-systeem of elektronische stabiliteitsregeling
is actief.
● Als u tegelijkertijd op RES/+ drukt
en het rempedaal intrapt, wordt
de cruise control gedeactiveerd
en wordt de opgeslagen snelheid gewist.
Opgeslagen snelheid hervatten Draai het stelwiel naar RES/+ bij een
snelheid boven 30 km/u. De opgesla‐
gen snelheid wordt nu overgenomen.Uitschakelen
Druk op m; de controlelamp m op de
instrumentengroep gaat uit. De
opslagen snelheid wordt gewist.
Via L voor het activeren van de snel‐
heidsbegrenzer of het uitschakelen
van het contact wordt ook de cruise control uitgeschakeld en wordt de
opgeslagen snelheid gewist.
Snelheidsbegrenzer
De snelheidsbegrenzer voorkomt dat
de auto een vooraf ingestelde snel‐
heidslimiet overschrijdt.
De maximumsnelheid kan worden
ingesteld op snelheden hoger dan 25 km/u tot maximaal 200 km/h.
De bestuurder kan alleen accelereren tot de vooraf ingestelde snelheid. Bijhet afrijden van hellingen zijn afwij‐
kingen van de snelheidslimiet moge‐
lijk.
Als het systeem geactiveerd is, wordt de ingestelde snelheidslimiet op het
Driver Information Center weergege‐
ven.Activering
Druk op L. Als de cruise control
eerder geactiveerd was, wordt deze
uitgeschakeld als de snelheidsbe‐
grenzer wordt geactiveerd en de
controlelamp m dooft.
Ingestelde snelheidslimiet Accelereer tot de gewenste snelheid
en draai het stelwiel kort naar SET/-:
de huidige snelheid wordt als snel‐
heidslimiet opgeslagen. De snel‐
heidslimiet verschijnt op het Driver
Information Center.
Page 150 of 249

148Rijden en bediening
Snelheidslimiet wijzigenAls de snelheidsbegrenzer geacti‐
veerd is, het stelwiel naar RES/+
draaien om te verhogen of naar
SET/- om de gewenste snelheidsli‐
miet te verlagen.
Snelheidslimiet overschrijden
Wanneer de maximumsnelheid wordt overschreden zonder dat de bestuur‐
der dit heeft gedaan, knippert de snel‐ heid in het Driver Information Center
en klinkt er een waarschuwingstoon.
In noodgevallen is het mogelijk de
snelheidslimiet te overschrijden door
het gaspedaal stevig in te trappen, tot
bijna tegen de aanslag. In dit geval
klinkt er geen waarschuwingstoon.
Gaspedaal loslaten en de functie
snelheidsbegrenzing wordt na het
bereiken van een lagere snelheid dan
de snelheidslimiet opnieuw geacti‐
veerd.
Deactivering Druk op y: snelheidsbegrenzer
wordt gedeactiveerd en de snelheid van de auto is niet meer begrensd.
De opgeslagen maximumsnelheid
staat tussen haakjes op het Driver
Information Center.
Ook verschijnt er een bijbehorend
bericht op het Uplevel-display.
Snelheidslimiet hervatten Draai het stelwiel naar RES/+. De
opgeslagen maximumsnelheid wordt bereikt en staat zonder haakjes op
het Driver Information Center.Uitschakelen
Druk op L, de indicatie van de snel‐
heidslimiet in het Driver Information
Center dooft. De opslagen snelheid
wordt gewist.
Door via m de cruise control te acti‐
veren wordt de snelheidsbegrenzer
ook gedeactiveerd en de opgeslagen snelheid gewist.
Door het contact uit te schakelen
wordt de snelheidsbegrenzer ook
gedeactiveerd maar de snelheidsli‐
miet wordt opgeslagen voor de
volgende activering van de snelheids‐ begrenzer.
Parkeerhulp Parkeerhulp achter9 Waarschuwing
De bestuurder is geheel verant‐
woordelijk voor het inparkeren.
Controleer bij het achteruitrijden en het gebruik van de parkeerhulp achter de zone rondom de auto.