air conditioning Alfa Romeo 156 2003 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2003, Model line: 156, Model: Alfa Romeo 156 2003Pages: 291, PDF Size: 3.73 MB
Page 88 of 291

87
BELANGRIJKGa voor maximale
verwarming als volgt te werk:
– draai knop ( A) rechtsom in de uiter-
ste stand (maximale temperatuur);
– zet draaiknop ( B) op AUTO.
Op deze manier wordt snel een maxi-
male temperatuur verkregen met een
maximale luchtopbrengst (zie (*) bij de
tabel Functies van de automatisch gere-
gelde airconditioning).
Het verdient aanbeveling om de aircon-
ditioning slechts zeer kort of alleen bij
zeer lage temperaturen maximaal te la-
ten verwarmen. Hierdoor wordt een te
sterke verwarming van het interieur voor-
komen.VERWARMING
Ga voor het instellen van de gewenste
temperatuur als volgt te werk:
– Zet knop (A) voor de temperatuurre-
geling in de gewenste stand.
– Draai knop (B ) voor de luchtop-
brengst:
–op de gewenste snelheid om de
luchttoevoer te regelen
–in stand AUTO voor automatische
werking van de aanjager.
– Draaiknop (C ) regeling luchtverde-
ling:
µLuchtstroom naar de bovenste lucht-
roosters in het midden en aan de zijkant,
naar de luchtroosters in het midden en uit
de uitstroomopeningen aan de zijkant en
achter en de uitstroomopeningen in de
beenruimten (bij een koele of koude bui-
tentemperatuur).
wV oor verwarming van de beenruim-
ten (bij een zeer koude buitentemperatuur).
≤Luchtstroom verdeeld over voor-
r uit/zijruiten voor en de beenruimten
(om het beslaan van de voorruit en de
zijruiten voor te voorkomen).
Page 89 of 291

88
AUTOMATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING
(•) Alleen als het systeem is ingesteld volgens de aanwijzingen in de paragr\
aaf “Automatische of handmatige bediening van de compressor”.
(••) Alleen als draaiknop (B) voor regeling van de aanjagersnelheid niet in\
stand 0 staat. (*) Bij een “koude” auto (lage buitentemperatuur, lage interieurtemperatuur en lage koelvloeistoftemperatuur) wordt de luchtopbrengst verminderd tot
35% van de maximale luchtopbrengst, om te voorkomen dat er in het interi\
eur een te grote toevoer is van koude lucht.
(**) De temperatuur van de verspreide lucht staat in relatie tot de koelvloei\
stoftemperatuur.
Uitgevoerde handeling Automatisch geregelde Zichtbare Redenfunctiemelding
Starten van de auto
(contactsleutel in stand MAR)
Ingestelde temperatuur wijzigen
(knop (A) rechtsom/linksom draaien)
Inschakeling recirculatie
(op knop (E)drukken)
Inschakeling functie
MAX--
(knop (C) volledig linksom draaien)
Inschakeling compressor als de
gewenste temperatuur lager of gelijk
is aan de buitentemperatuur (•)
Inschakeling compressor als de
gewenste temperatuur lager of gelijk
is aan de buitentemperatuur (•)
Inschakeling compressor (••)
Inschakeling compressor
Uitschakeling recirculatie
Inschakeling achterruitverwarming
Maximale luchtopbrengst (*)
Maximale luchttemperatuur (**) Lampje op knop (D) brandt
Lampje op knop (D) brandt
Lampjes op de knoppen (D) en
(E) branden
Lampje op knop (D) brandt
Lampje op knop (E) gedoofd
Lampje op knop (( (F) brandtOm de gewenste temperatuur snel te
bereiken en te handhaven
Om de gewenste temperatuur snel te
bereiken en te handhaven
Om het beslaan van de ruiten te
voorkomen
Voor snelle ontwaseming/ontdooiing van
de ruiten
Page 130 of 291

129
BESCHERMING VAN
HET MILIEU
Bij het ontwerp en de productie is niet
alleen rekening gehouden met traditione-
le aspecten, zoals prestaties en veilig-
heid, maar is er ook veel aandacht be-
steed aan de groeiende milieuproblemen.
T ANKKLEPJE OPENEN IN
NOODGEVALLEN
Als het niet lukt het tankklepje met hen-
del (A-fig. 147) te openen, trek dan
aan het koordje (A-fig. 149) rechts in
de bagageruimte.
P4U00137
fig. 149
P4U00420
fig. 148 Kom niet dicht bij de
vulopening met open
vuur of een brandende
sigaret: brandgevaar. Houd uw hoofd ook niet dichtbij
de vulopening om te voorkomen
dat u schadelijke dampen inademt.
De materiaalkeuze en de technische
systemen en speciale voorzieningen zijn
het resultaat van inspanningen die er op
gericht zijn om de vervuiling van het
milieu drastisch terug te dringen. Uw auto
voldoet dan ook aan de strengste inter-
nationale milieunormen.
GEBRUIK VAN MILIEU-
VRIENDELIJKE MATERIALEN
Geen enkel onderdeel van de auto be-
vat asbest. De vulling van de stoelen en
de handbediende airconditioning bevatten
geen CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen),
het gas dat waarschijnlijk de oorzaak is
van het gat in de ozonlaag.
De kleurstoffen en de corrosiewerende
behandeling van de bouten en moeren
zijn niet schadelijk voor het milieu; ze be-
vatten dus geen lucht- en bodemveront-
reinigend cadmium en/of chroom.
Page 138 of 291

137
van het verwarmings- en ventilatiesys-
teem of van de airconditioning.– Rijd nooit van een helling af met een
afgezette motor: u kunt dan niet op de
motor afremmen en de rem- en stuurbe-
krachtiging werken niet, waardoor u met
meer kracht op de rem moet trappen en
aan het stuur moet draaien.
– Parkeer bij pech de auto in de berm,
schakel de waarschuwingsknipperlichten
in en plaats de gevarendriehoek op de
wettelijk verplichte afstand. U dient zich
altijd aan de geldende verkeerswetgeving
te houden.
IN HET DONKER RIJDEN
Rijden in het donker vergt veel meer
concentratie, zowel fysiek als psychisch.
Hierna volgen enkele tips voor het rijden
in het donker:
– Rijdt extra voorzichtig, beperk zono-
dig de snelheid, vooral op onverlichte we-
gen.
– Bewaar een veilige afstand, groter
dan overdag, tot de auto’s die voor u rij-
den. Het is moeilijk om de snelheid van
andere auto’s te schatten als alleen de
lichten te zien zijn. –
Stop bij de eerste tekenen van sla-
perigheid en ga pas weer rijden na vol-
doende rust. Doorrijden levert gevaar op
voor uzelf en voor anderen.
– Controleer of de koplampen goed
staan afgesteld. Als ze te laag staan,
wordt het zicht verminderd. Als ze te
hoog staan, kunnen ze andere wegge-
bruikers hinderen.
– Gebruik het grootlicht alleen buiten
de bebouwde kom en als u zeker weet
dat u andere weggebruikers niet hindert.
– Doof het grootlicht (indien ingescha-
keld) als u een tegenligger ziet en pas-
seer met dimlicht.
– Zorg dat de koplampen en de achter-
lichten altijd schoon zijn.
ONDER SLECHTE WEERSOM-
STANDIGHEDEN RIJDEN
Regen en mist kunnen gevaarlijk zijn als
de rijstijl niet wordt aangepast aan de
weersomstandigheden. Hierna volgen en-
kele tips voor het rijden onder slechte
weersomstandigheden:
– Op natte wegen is de wrijving tussen de
banden en het wegdek aanzienlijk minder.
Hierdoor is de remweg aanmerkelijk langer en de grip in de bochten minder.Beperk de
snelheid en bewaar een grotere afstand van
de auto’s die voor u rijden.
– Zware regenval en mist beperken het
zicht. Schakel daarom ook overdag, over-
eenkomstig de wettelijke voorschriften, het
dimlicht in, vooral om uzelf beter zichtbaar
te maken.
– Rijd niet met hoge snelheid door plas-
sen: u kunt de controle over de auto ver-
liezen (“aquaplaning”).
– Zorg dat bij een beperkt zicht de ruiten
niet beslaan. Stel de bedieningsknoppen van
het ventilatiesysteem in, zoals is beschreven
in het hoofdstuk “Wegwijs in uw auto”.
– Controleer regelmatig de conditie van
de ruitenwisserbladen.
– Vermijd, indien mogelijk, het rijden in
dichte mist. Mocht u toch de weg op moe-
ten, rijd dan uiterst voorzichtig en met aan-
gepaste snelheid. Vermijd inhalen.
– Als u plotseling moet stoppen (bij een
defect, door sterke vermindering van het
zicht, enz.), tracht dan toch buiten de rij-
strook te stoppen. Zet vervolgens de
waarschuwingsknipperlichten aan en, zo
mogelijk, de dimlichten.
Page 146 of 291

145
ALGEMENE OPMERKINGEN
ONDERHOUD VAN DE AUTODoelmatig onderhoud is een beslissen-
de factor voor een lange levensduur, de
beste prestaties en een zo zuinig moge-
lijk gebruik van de auto.Laat daarom de
bougies, de vloeistofniveaus, de lucht-
/brandstoffilters, de inspuitventielen,
enz, regelmatig controleren en even-
tueel afstellen, zoals in het onderhouds-
schema is aangegeven.
Banden
Controleer regelmatig, ten minste één
keer per maand, de spanning van de
banden. Als de spanning te laag is,
wordt de weerstand groter en neemt
het verbruik toe. Bovendien slijten hier-
door de banden sneller en verslechtert
de wegligging van de auto, waardoor
de veiligheid in gevaar kan worden ge-
bracht.
Overbodige bagage
Rijd niet met een te zwaar beladen
bagageruimte. Het gewicht van de auto
(vooral in stadsverkeer) en de wieluit-
lijning hebben grote invloed op het brand-
stofverbruik en de stabiliteit. Imperiaal/skidrager
Ve rw ijder de imperiaal of skidrager als
u deze niet meer gebruikt. Ze vermin-
deren de aërodynamica van de auto,
waardoor het brandstofverbruik toe-
neemt. Gebruik voor het vervoer van
volumineuze voorwerpen bij voorkeur
een aanhanger.
Stroomverbruikers
Gebruik de elektrische installaties al-
leen als u ze nodig hebt. De achter-
r uitverwarming, de verstralers, de rui-
tenwissers en de aanjager van het
ventilatie-/verwarmingssysteem vra-
gen veel stroom, waardoor het brand-
stofverbruik toeneemt (tot aan 25% in
stadsverkeer).
Airconditioning
De airconditioning gebruikt zeer veel
energie, waardoor de motor zwaar
wordt belast en het brandstofverbruik
sterk toeneemt (met gemiddeld 20%).
Gebruik wanneer de buitentemperatuur
het toelaat bij voorkeur de functies van
het ventilatiesysteem. Aërodynamische accessoires
Het gebruik van niet goedgekeurde
aërodynamische accessoires kan de aëro-
dynamica negatief beïnvloeden, waardoor
het brandstofverbruik zal toenemen.
RIJSTIJL
Het starten
Laat de motor als de auto stilstaat, niet
warmdraaien met stationair toerental en
ook niet met een hoog toerental: onder
deze omstandigheden warmt de motor
veel langzamer op, terwijl het verbruik en
de schadelijke uitlaatgasemissie toene-
men. Het is beter om rustig weg te rijden
en geen hoge toerentallen te gebruiken.
Op deze manier warmt de motor sneller
op.
Page 210 of 291

209
STOF-/POLLENFILTER
(uitvoeringen met airconditioning)Het filter filtert de lucht mechanisch en
elektrostatisch als de ruiten zijn gesloten.
Laat het stof-/pollenfilter ten minste één
keer per jaar controleren door de Alfa Ro-
meo-dealer, bij voorkeur aan het begin van
het zomerseizoen.
Als de auto veel in stadsverkeer of over
stoffige wegen rijdt, moet het pollenfilter
vaker worden gecontroleerd dan in het
onderhoudsschema staat aangegeven.
BELANGRIJK Een niet tijdig vervan-
gen filter kan het rendement van de
klimaatregeling aanzienlijk beperken.
ACCU
De accu is “onderhoudsarm”: onder nor-
male gebruiksomstandigheden hoeft het
elektrolyt niet bijgevuld te worden. Con-
troleer echter regelmatig of het elektrolyt
zich tussen het MIN- en MAX-merkteken
op de accu (fig. 40) bevindt.
Bij bepaalde uitvoeringen kan de accu
voorzien zijn van een optische hydrometer
( A-fig. 41) voor de controle van het
elektrolytniveau en de acculading. De accu
is “onderhoudsarm” en uitgerust met een
controlemeter; onder normale gebruiksom-
standigheden is het niet nodig gedestil-
leerd water bij te vullen. Daarom moet de
P4U00324
fig. 40
Wij raden u aan om de
condens te laten aftap-
pen bij de Alfa Romeo-
dealer omdat deze beschikt over
de uitrusting voor het op milieu-
vriendelijke wijze en conform de
wettelijke bepalingen, verwerken
van milieuverontreinigende pro-
ducten. Als het niveau van het
elektrolyt zich onder het MIN-
merkteken bevindt, dient u zich
tot de Alfa Romeo-dealer te wen-
den.
juiste werking ervan regelmatig gecontro-
leerd worden m.b.v. de optische controle-
meter op het deksel van de accu. De me-
ter moet een donkere kleur hebben en
een groen middenstuk.
Als de meter daarentegen een heldere
lichte kleur heeft, of donker gekleurd is
zonder groen middenstuk, dient u contact
op te nemen met de Alfa Romeo-dealer.
P4U00325
fig. 41
AB
Page 252 of 291

MOTOROLIEVERBRUIK
De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat\
het motorolieverbruik pas na de eerste 5000 ÷ 6000 km stabiliseert.
BELANGRIJK Het motorolieverbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto.
251
ELEKTRISCHE INSTALLATIE
1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTDSelespeed Q-System
Spanning van de
elektr. installatie 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt
Capaciteit accu 50 Ah 50 Ah 60 Ah 60 Ah 70 Ah*** 70 Ah*** 50 Ah 70 Ah
(60 Ah)* (60 Ah)* 60 Ah**
Dynamo 85 A 85 A 100 A 100 A 120 A 120 A 85 A 100 A
(100 A)** (100 A)** (100 A)** (120 A)
•
(100 A)•
(*) Voor bepaalde landen/uitvoeringen
(**) Voor uitvoeringen met airconditioning
(***) Vanwege de beschikbare ruimte moet de accu een hoogte hebben van 175 mm
(
•)Voor uitvoeringen met hulpverwarming
Modificaties of reparaties aan het elektrische systeem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specifica-
ties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaa\
r veroorzaken.
Page 270 of 291

269
Aansteker . . . . . . . . . . . . . . . . 113
ABS (antiblokkeersysteem)
- Algemene aanwijzingen . . . . . 139
-W erking . . . . . . . . . . . . . . . . 122
Accessoires monteren . . . . . . . . . 263
Accu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209
- Niveau elektrolyt (accu met optische
hydrometer) . . . . . . . . . . . . . 210
- Opladen . . . . . . . . . . . . . . . . 211
- Starten met hulpaccu . . . . . . . 174
- Tips voor een lange levensduur . 212
Achterklep (SW) . . . . . . . . . . . . 224
- Sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . 225
Achterruitsproeier . . . . . . . . . . . . 224
Achterruitsproeier (SW)
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 223
-W isserblad vervangen . . . . . . . 223
Achterruitverwarming . . . . . . . . .24-79-84
Achterruitwisser (SW) . . . . . . . . . 223
Achteruitkijkspiegel . . . . . . . . . . 16-46
Achteruitrijlichten
- Gloeilamp vervangen . . . . . . .161-235 Achterwielophanging (automatische
niveauregeling) (SW) . . . . . . . 234
Afmetingen van de auto . . . . . . .244-245
Afstandsbediening centrale portiervergrendeling . . . . . . . . 15-38
Airbags voor en zijkant . . . . . . . . 58
- Airbag passagierszijde . . . . . . . 59
- Airbag voor . . . . . . . . . . . . . . 58
- Airbag zijkant (side bag - window bag)61
- Algemene aanwijzingen . . . . . 62
- Uitschakeling airbag passagierszijde 60
Airconditioning . . . . . . . . . . . . . . 81
Airconditioning, automatisch . . . . 81
Alarm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13-34
Alarmknipperlichten . . . . . . . . . . 23-90
Alfa 156 Sportwagon . . . . . . . . . 219
Alfa Romeo CODE . . . . . . . . . . . 11-28
Allesdragers (SW) . . . . . . . . . . . 234
Antiblokkeersysteem (ABS)
-W aarschuwingen . . . . . . . . . . 139
-W erking . . . . . . . . . . . . . . . . 122
Armsteun achter (skiluik) . . . . . . 45-221 Asbak
-
Achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
-V oor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Auto reinigen
- Buitenkant . . . . . . . . . . . . . . 216
- Interieur . . . . . . . . . . . . . . . . 217
- Motorruimte . . . . . . . . . . . . . 217
Auto langere tijd stallen . . . . . . . 149
-W eer in gebruik nemen . . . . . . 149
Automatisch niveauregeling op achterwielophanging (SW) . . . 234
Automatische versnellingsbak Q-System 104
- Oliepeil controleren . . . . . . . . . 201
Autoradio . . . . . . . . . . . . . . . . .125-234
Bagage vastzetten . . . . . . . . . .119-225
Bagagenetten (SW) . . . . . . . . . . 228
Bagageruimte
- Aanwijzingen voor het vervoer
van bagage . . . . . . . . . . . . . .119-226
- Bagage vastzetten . . . . . . . . .119-225
- Bagagenet (SW) . . . . . . . . . . 228
ALFEBETISCHE INDEX
Page 273 of 291

272
Koplampverstelling . . . . . . . . . . 92
Koppeling
-Olieniveau controleren en bijvullen 204
-T echnische gegevens . . . . . . . . 257
Krik
- Gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . .154-235
- Opmerkingen . . . . . . . . . . . . . 152
Lak (onderhoud) . . . . . . . . . . . 216
Lambdasonde . . . . . . . . . . . . . . 130
Lampen vervangen . . . . . . . . . . . 156
Lichtsterkteregeling instrumentenpaneel 91
Luchtfilter controleren en vervangen 206
Luchtrecirculatie
- Met airconditioning . . . . . . . . . 83
- Zonder airconditioning . . . . . . . 79
Luchtroosters . . . . . . . . . . . . . . 77-78
Luidsprekers . . . . . . . . . . . . . . . 126
Mechanische versnellingsbak
- Oliepeil controleren en olie verversen 198
-T echnische gegevens . . . . . . . . 257
-V ersnellingspook . . . . . . . . . . 93
Milieu (bescherming) . . . . . . . . 129
Ministeriele goedkeuring . . . . . . . 38-279 Mistachterlicht
-
Gloeilamp vervangen . . . . . . .161-235
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 23-90
Mistlampen voor
- Afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . 122
- Gloeilamp vervangen . . . . . . . 160
- Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 23-90
Mobiele telefoon . . . . . . . . . . . . 150
Motor uitzetten . . . . . . . . . . . . . 134
Motor starten
- Benzinemotor . . . . . . . . . . . . 132
- Dieselmotor . . . . . . . . . . . . . . 133
- Motor opwarmen . . . . . . . . . . 133
- Motor uitzetten . . . . . . . . . . . 134
- Noodstart . . . . . . . . . . . . . . . 32-134
- Start-/contactslot . . . . . . . . . . 15-39
Motorcodes . . . . . . . . . . . . . . . 243
Motorkap openen . . . . . . . . . . . . 25-120
Motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . 25-120
Motorkoelsysteem
- Koelvloeistoftemperatuurmeter . 71
-N iveau controleren en bijvullen . 202
-W aarschuwingslampje te hoge
koelvloeistoftemperatuur . . . . . 71
Motorkoelvloeistoftemperatuur . . . 71 Motormanagementsysteem (EOBD) 124
Motorolie
-
Bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . 194
- Filter vervangen . . . . . . . . . . . 197
-N iveau controleren . . . . . . . . . 193
- Oliefilter . . . . . . . . . . . . . . . . 197
-V erbruik . . . . . . . . . . . . . . . . 251
-V erversen . . . . . . . . . . . . . . . 195
Motoroliedruk (lampje) . . . . . . . 72
Motoroliefilter
-V ervangen . . . . . . . . . . . . . . . 197
Motoroliefilter vervangen . . . . . . 197
Motoroliepeilstok . . . . . . . . . . . 193
Motorolieverbruik . . . . . . . . . . . 251
Motorruimte . . . . . . . . . . . . . . . 25-120
Niveau motorkoelvloeistof controleren
en bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . 202
Niveau motorolie controleren . . . . 193
Niveau remvloeistof controleren en bijvullen . . . . . . . . . . . . . . 204
Niveau ruitensproeiervloeistof controleren en bijvullen . . . . . . . . . . . . . . 205
Niveau olie mechanische versnellingsbak controleren . . . . . . . . . . . . . . 198