ESP Alfa Romeo Brera/Spider 2009 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2009, Model line: Brera/Spider, Model: Alfa Romeo Brera/Spider 2009Pages: 263, PDF Size: 3.91 MB
Page 180 of 263

178
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDEN
ALGEMENE AANWIJZINGEN
❒Als een lamp niet brandt, controleer dan
eerst of de zekering niet doorgebrand is,
voordat u de lamp vervangt: zie voor de
plaats van de zekeringen de paragraaf „Ze-
keringen vervangen” in dit hoofdstuk;
❒controleer voordat u een lamp vervangt of
de contacten niet zijn geoxideerd;
❒vervang een defecte lamp door een exem-
plaar van hetzelfde type en vermogen;
❒als u een gloeilamp in de koplamp hebt ver-
vangen, controleer dan om veiligheidsre-
denen altijd of de afstelling nog goed is.
BELANGRIJKAan de binnenzijde kan de
koplamp een beetje beslagen zijn: dit duidt niet
op een defect, maar is een natuurlijk ver-
schijnsel dat veroorzaakt wordt door een lage
temperatuur en de luchtvochtigheidsgraad, en
verdwijnt snel als de koplampen worden inge-
schakeld. De aanwezigheid van druppels aan
de binnenzijde van de koplamp duidt daaren-
tegen op het binnendringen van water: wend
u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
LAMP VERVANGEN
Modificaties en reparaties
aan de elektrische installa-
tie die niet juist en zonder rekening
te houden met de technische speci-
ficaties van het systeem worden uit-
gevoerd, kunnen storingen en
brandgevaar veroorzaken.
OPGELET
Door de hoge voedings-
spanning mogen defecte
gasontladingslampen (Bixenon)
uitsluitend door gespecialiseerd per-
soneel worden vervangen: levens-
gevaar! Wend u zich tot het Alfa
Romeo Servicenetwerk.
OPGELET
Halogeenlampen bevatten
gas onder druk. Als de lamp
stuk gaat, dan kunnen glasdeeltjes
wegspringen.
OPGELET
Halogeenlampen mag u uit-
sluitend aanraken op het
metalen gedeelte. Als u de bol met
uw vingers aanraakt, zal de lichtop-
brengst van de lamp teruglopen en
kan ook de levensduur beperkt wor-
den. Als de bol per ongeluk wordt
aangeraakt, reinig de bol dan met
een met wasbenzine bevochtigde
doek en laat de lamp drogen.
OPGELET
Page 185 of 263

183
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDENRichtingaanwijzers op flanken
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk
gaan:
❒druk om de lamp te verwijderen het lam-
penglas naar de achterzijde van de auto,
zodat de bevestigingsveer wordt samen-
gedrukt A-Afb. 27. Maak de voorzijde
los en verwijder de unit;
❒draai de lamphouder B-Afb. 28linksom
en verwijder deze uit het lampenglas C.
A0G0163mAfb. 27A0G0164mAfb. 28
Werk voorzichtig, zodat de
carrosserie en het lampen-
glas niet worden beschadigd.
Door de hoge voedings-
spanning mogen defecte
gasontladingslampen (Bixenon) uit-
sluitend door gespecialiseerd per-
soneel worden vervangen: levens-
gevaar! Wend u zich tot het Alfa
Romeo Servicenetwerk.
OPGELET
Groot-/dimlicht met
gasontladingslampen (Bixenon)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
❒verwijder de lamp Den vervang deze;
❒plaats de lamphouder Bin het lampenglas
Cen plaats de unit; controleer of de be-
vestigingsverA-Afb. 27goed vastzit.
Page 187 of 263

185
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDENAchteruitrijverlichting/
mistachterlicht
Het achteruitrijlicht en het mistachterlicht be-
vinden zich in de achterste lichtunit; ze bevin-
den zich respectievelijk één links en de andere
rechts van de auto al naargelang de rijrichting.
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk
gaan:
❒de bagageruimte en het deksel openen zo-
als eerder aangegeven (zie Afb. 30);
❒draai de lamphouder A-Afb. 32, verwij-
der de lamp en vervang de lamp Ben ver-
vang deze;
❒monteer de lamphouder en controleer of
de borging goed vastzit; controleer boven-
dien de juiste stand van de lamp (naar de
buitenzijde van de unit gericht).
A0G0040mAfb. 32A0G0229mAfb. 34
Standlichten/remlichten
Binnen de achterste lichtunit zijn twee lampen
voor de stand-/remlichten aanwezig.
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk
gaan:
❒de bagageruimte en het deksel openen zo-
als eerder aangegeven (zie Afb. 30);
❒draai de lamphouder A-Afb. 33, of
A-Afb. 34, verwijder de lamp Ben ver-
vang deze;
A0G0170mAfb. 33
❒monteer de lamphouder en controleer of
de borging goed vastzit; controleer boven-
dien de juiste stand van de lamp (naar de
buitenzijde van de unit gericht).
Page 208 of 263

35 70 105 140 175
●
●
●
●●
●
●●
●●
●
●●●●●
●●●●●
●●
●●●●●
●●●●●
●●●●●
x 1000 km
Aandrijfriem (en) voor hulporganen vervangen
Distributieriem vervangen (uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE) (*)
Distributieriem vervangen (dieseluitvoeringen) (*)
Bougies vervangen (uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE)
Bougies vervangen (3.2 JTS en 2.2 JTS Selespeed)
Brandstoffilter vervangen (dieseluitvoeringen)
Luchtfilterelement vervangen
Olie haakse overbrenging vervangen (uitvoeringen 3.2 JTS 4x4)
Motorolie verversen en oliefilter vervangen (uitvoeringen 3.2 JTS en 2.2 JTS Selespeed)
(of elke 24 maanden)
Motorolie verversen en oliefilter vervangen (uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE) (**)
(of elke 12 maanden)
Motorolie en oliefilter vervangen (dieseluitvoeringen met DPF) (**)
(of elke 24 maanden)
Motorolie en oliefilter vervangen (uitvoeringen zonder DPF)
(of elke 24 maanden)
Remvloeistof vervangen (of elke 24 maanden)
Pollenfilter vervangen (of elke 24 maanden)
Functionele controle opening/sluiting, visuele controle afdichtringen,
controle van de grip van de ruiten op de pakking van de kap
en eventuele afstelling (of elke 18 maanden)
Controle oliepeil pomp hydraulische installatie kap en eventueel
het herstel ervan (of elke 12 maanden)
(*) Ongeacht de kilometerstand moet de distributieriem bij zware bedrijfsomstandigheden (koude klimaten, gebruik in stadsverkeer, langdurig stationair draaien) elke 4 jaar
worden vervangen of in ieder geval om de 5 jaar.
(**) De motorolie en het oliefilter moeten worden vervangen bij een brandend waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel (zie het hoofdstuk “Lampjes en berichten”)
of in ieder geval om de 24 maanden.
Als de auto vooral in stadsverkeer wordt gebruikt, moeten de motorolie en het motorfilter elke 12 maanden worden vervangen.
206
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDEN
Page 210 of 263

208
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDEN
NIVEAUS
CONTROLEREN
Zie voor de hoeveelheden het hoofdstuk Tech-
nische gegevens.
1.Motorolie – 2.Accu
3.Remvloeistof – 4.Ruitensproeiervloeistof
5.Motorkoelvloeistof
6.Olie van stuurbekrachtiging
Afb. 1 – Uitvoering 1750 TURBO BENZINE
2
4
1 6
53
A0G0306m
Rook nooit tijdens werk-
zaamheden in de motor-
ruimte: er kunnen licht ontvlambare
gassen aanwezig zijn; brandgevaar.
OPGELET
Let op. Tijdens het bijvullen
mogen de vloeistoffen met
verschillende specificaties
niet gemengd worden: als de speci-
ficaties van de vloeistoffen verschil-
len, kan de auto ernstig beschadigd
worden.
Afb. 1/a – Uitvoering 2.2 JTS SelespeedA0G0161m
Page 213 of 263

211
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDEN
MOTOROLIE
Afb. 5: uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE
Afb. 5/a: uitvoeringen 2.2 JTS Selespeed
Afb. 6: uitvoeringen 3.2 JTS
Afb. 7: uitvoering 2.0 JTD
M
Afb. 8: uitvoering 2.4 JTDM
Motoroliepeil controleren
Controleer het oliepeil als de auto op een vlak-
ke ondergrond staat en enige minuten (circa
5) na het uitzetten van de motor.
Verwijder de peilstok Aen maak deze schoon,
plaats vervolgens de stok geheel terug, ver-
wijder de stok en controleer of het peil tussen
hetMIN– en MAX- merkteken op de peil-
stok staat. Het verschil tussen het MIN- en
MAX-merkteken komt overeen met ongeveer
1 liter olie.
Motorolie bijvullen
Als het olieniveau dicht bij of onder het MIN-
merkteken staat, moet via de olievulopening B
motorolie tot aan het MAX-merkteken wor-
den bijgevuld. Het olieniveau mag nooit het
MAX-merkteken overschrijden.
A0G0308mAfb. 5A0G0069mAfb. 6
WAARSCHUWING Als het olieniveau tij-
dens een controle boven het MAX-merkteken
blijkt te staan, wend u zich dan tot het Alfa Ro-
meo Servicenetwerk om het niveau te laten
herstellen.
WAARSCHUWINGNa het bijvullen of het
verversen van de olie, moet u de motor enige se-
conden laten draaien, vervolgens de motor uit-
zetten en na enige minuten het olieniveau con-
troleren.
A0G0307mAfb. 7
A0G0018mAfb. 5/aA0G0300mAfb. 8
Page 216 of 263

REMVLOEISTOF Afb. 13
Controleer of het remvloeistofniveau nog op het
maximum niveau staat. Als vloeistof moet wor-
den bijgevuld, dan raden wij u aan de rem-
vloeistof te gebruiken die staat vermeld in de
tabel „Vloeistoffen en smeermiddelen” (zie het
hoofdstuk „Technische gegevens”).
OPMERKINGMaak de dop van het reser-
voirAen het omringende oppervlak zorgvul-
dig schoon. Wees bij het openen van de dop
bijzonder voorzichtig zodat er geen vuil in het
reservoir komt. Gebruik voor het bijvullen altijd
een trechter met een ingebouwde filterzeef van
maximaal 0,12 mm.
214
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDEN
STUURBEKRACHTIGINGSOLIE
Afb. 11-12
Controleer of het olieniveau maximaal is:
hiervoor moet de auto op een vlakke onder-
grond staan en moet de motor niet draaien
en koud zijn.
A0G0027mAfb. 11 uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE
2.2 JTS Selespeed – 2.4 JTDm
A0G0234mAfb. 12 uitvoeringen 2.0 JTDM– 3.2 JTS
A0G0016mAfb. 13
Controleer of het niveau ter hoogte van het
MAX-merkteken op het reservoir of ter hoog-
te van het bovenste merkteken (maximaal
niveau) op de peilstok onder de dop van het
reservoir.
Als het niveau in het reservoir lager is dan voor-
geschreven, vul dan als volgt bij:
❒start de motor en wacht tot het vloeistof-
niveau in het reservoir is gestabiliseerd;
❒draai bij draaiende motor het stuur een aan-
tal malen geheel naar rechts en naar links;
❒vul bij totdat het vloeistofniveau op het
MAX-merkteken staat en draai de dop
vast.
WAARSCHUWINGWend u zich voor deze
werkzaamheden altijd tot het Alfa Romeo Ser-
vicenetwerk.
Voorkom dat de stuurbe-
krachtigingsolie in contact
komt met de warme delen van de
motor: de olie is licht ontvlambaar.
OPGELET
Page 217 of 263

Voorkom dat de zeer corro-
sieve remvloeistof in con-
tact komt met de lak. Als dit
toch gebeurt, spoel dan onmiddellijk
met water.
215
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDEN
WAARSCHUWINGWend u zich voor deze
werkzaamheden altijd tot het Alfa Romeo Ser-
vicenetwerk.
Periodieke controle van de werking van het
lampje
xop het instrumentenpaneel: als op
dopA(met sleutel in het startsysteem) wordt
gedrukt, moet het lampje gaan branden.
WAARSCHUWINGDe remvloeistof is hy-
groscopisch (trekt water aan). Daarom verdient
het aanbeveling, als de auto overwegend wordt
gebruikt in gebieden met een hoge luchtvoch-
tigheid, de vloeistof vaker te vervangen dan
in het „Geprogrammeerd onderhoudsschema”
staat aangegeven.
De remvloeistof is giftig en
zeer corrosief. Als per on-
geluk remvloeistof wordt gemorst,
moeten de betreffende delen on-
middellijk worden gewassen met
water en neutrale zeep en daarna
met veel water worden afgespoeld.
Roep bij inslikken onmiddellijk de
hulp in van een arts.
OPGELET
Het symbool πop het re-
servoir geeft aan dat het
een synthetische remvloeistof bevat
(en geen minerale remvloeistof).
Het gebruik van minerale vloeistof-
fen moet absoluut worden verme-
den, omdat de rubbers in het rem-
systeem door deze vloeistoffen
worden beschadigd.
OPGELET
LUCHTFILTER/
POLLENFILTER
Laat het luchtfilter of het pollenfilter vervangen
door het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Page 225 of 263

223
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDEN
De juiste wasmethode:
❒verwijder de antenne van het dak als u de
auto in een wastunnel wast, om te voor-
komen dat deze beschadigt;
❒spoel de auto eerst met een waterstraal on-
der lage druk af;
❒was de auto met een zachte spons met een
oplossing van neutrale zeep; spoel daarbij
de spons regelmatig uit;
❒spoel de auto af met schoon water en
droog de auto met warme lucht of een
schone, zachte zeem.
Let bij het drogen vooral op de minder goed
zichtbare delen, zoals portiersponningen, mo-
torkap en achterklep, koplampbehuizingen,
waarin het water makkelijk kan blijven staan.
Het verdient aanbeveling de auto na het was-
sen niet onmiddellijk binnen te zetten, maar de
auto nog even buiten te laten staan, zodat wa-
terresten buiten kunnen verdampen.
Was de auto nooit in de zon of als de motor-
kap nog warm is: de glans van de lak kan
afnemen.
TIPS VOOR HET BEHOUD
VAN DE CARROSSERIE
Lak
De lak heeft behalve een esthetische functie
ook een beschermende functie.
Daarom moeten beschadigingen van de lak-
laag, zoals krassen, onmiddellijk worden bij-
gewerkt om roestvorming te voorkomen. Het
bijwerken dient met de originele lak te worden
uitgevoerd (zie „Plaatje met informatie over de
carrosserielak” in het hoofdstuk „Technische
gegevens”).
Het normale onderhoud van de auto beperkt
zich tot wassen, waarbij de frequentie afhan-
kelijk is van het gebruik van de auto en van
de omgeving. Het is raadzaam de auto vaker
te wassen in gebieden met een sterke lucht-
verontreiniging of bij het rijden over wegen met
strooizout.
Schoonmaakmiddelen ver-
ontreinigen het water. Daar-
om moet de auto bij voor-
keur worden gewassen op een plaats
waar het afvalwater direct wordt op-
gevangen en gezuiverd.
De kunststof carrosseriedelen kunnen op de-
zelfde wijze worden gewassen als de gespoten
carrosseriedelen.
Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien
harsdruppels bij langere inwerking de lak kun-
nen beschadigen, waardoor de kans op roest-
vorming wordt vergroot.
WAARSCHUWINGVogeluitwerpselen die-
nen zo snel en zo goed mogelijk van de lak ver-
wijderd te worden, omdat door de agressieve
bestanddelen de lak kan beschadigen.
Page 226 of 263

224
VEILIGHEID
LAMPJES
EN BERICHTEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STARTEN
EN RIJDEN
Ruiten
Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten
een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel.
Gebruik een schone, zachte doek om krassen
en beschadigingen te voorkomen.
WAARSCHUWINGLet er bij het schoon-
maken van de binnenzijde van de achterruit op
dat de elektrische weerstandsdraden van de
achterruitverwarming niet worden beschadigd.
Veeg voorzichtig in de richting van de draden.Koplampen
Gebruik voor het reinigen van de koplampen
een zachte vochtige doek met water en au-
toshampoo.
WAARSCHUWING Als de koplampglazen
met een droge doek worden gereinigd, kan
dit krassen veroorzaken, waardoor de presta-
ties achteruitgaan. Door het gebruik van op-
losmiddelen worden de koplampglazen dof,
waardoor de prestaties achteruitgaan.
WAARSCHUWINGAls de koplampglazen
worden gereinigd met een waterstraal, houd
deze dan op ten minste 2 cm van de lamp-
glazen.Motorruimte
Het verdient aanbeveling de motorruimte na
het winterseizoen zorgvuldig te laten uitspui-
ten. Hierbij mag de waterstraal niet direct op
de elektronische regeleenheden worden gericht.
Laat deze werkzaamheden verzorgen door een
gespecialiseerd bedrijf.
WAARSCHUWINGVoor het uitspuiten van
de motorruimte moet de contactsleutel zijn uit-
genomen en de motor koud zijn. Controleer na
het reinigen of de verschillende beschermingen
(rubber kappen, deksels enz.) nog op hun
plaats zitten en niet beschadigd zijn.