display Alfa Romeo MiTo 2015 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2015, Model line: MiTo, Model: Alfa Romeo MiTo 2015Pages: 280, PDF Size: 8.53 MB
Page 136 of 280

STARTEN EN RIJDEN
DE MOTOR STARTEN
STARTPROCEDURE VOOR
BENZINEVERSIES
(uitgezonderd Turbo TwinAir versies)
Ga als volgt te werk:
❒trek de handrem aan en zet de versnellingsbak in de vrijstand;
❒trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal aan te
raken;
❒draai de contactsleutel naar AVV en laat deze los zodra de motor
start.
BELANGRIJK
❒Als de motor niet bij de eerste poging start, draai dan de
contactsleutel naar de stand STOP alvorens de procedure
te herhalen.
❒Als, met de contactsleutel in de stand MAR, het
waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel (of het
symbool op het display) samen met het waarschuwingslampje
blijft branden, draai dan de sleutel naar STOP en weer terug
naar MAR; als het waarschuwingslampje blijft branden, probeer het
dan met de andere sleutels die bij de auto zijn geleverd. Neem
contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk als de motor nog
steeds niet gestart kan worden.
❒Laat de contactsleutel nooit in de MAR stand bij afgezette motor.Starten van de motor bij Turbo TwinAir versies
Ga als volgt te werk:
❒Trek de handrem aan en plaats de versnellingspook in z'n vrij of
trap het koppelingspedaal volledig in als een andere versnelling dan
de vrijstand is ingeschakeld;
❒draai de contactsleutel naar AVV en laat deze los zodra de motor
start.
OpmerkingAls de motor niet bij de eerste poging start, draai dan
de contactsleutel naar de stand STOP en herhaal de startprocedure
door de versnellingspook in z'n vrij te plaatsen en het
koppelingspedaal volledig in te drukken.
BELANGRIJK
❒Als, met de contactsleutel in de stand MAR, het
waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel (of het
symbool op het display) samen met het waarschuwingslampje
blijft branden, draai dan de sleutel naar STOP en weer terug
naar MAR; als het waarschuwingslampje blijft branden, probeer het
dan met de andere sleutels die bij de auto zijn geleverd. Neem
contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk als de motor nog
steeds niet gestart kan worden.
❒Laat de contactsleutel nooit in de MAR stand bij afgezette motor.
132
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 137 of 280

STARTPROCEDURE VOOR
DIESELVERSIES
Ga als volgt te werk:
❒trek de handrem aan en zet de versnellingsbak in de vrijstand;
❒draai de contactsleutel naar MAR: de waarschuwingslampjes
enop het instrumentenpaneel (of het symbool op het
display) gaan branden;
❒wacht tot de waarschuwingslampjes (of het symbool op het display)
uit gaan;
❒trap het koppelingspedaal volledig in zonder het gaspedaal aan te
raken;
❒draai de contactsleutel naar AVV zodra het waarschuwingslampje
dooft. Als te lang wordt gewacht, is het werk van de
voorgloeibougies tevergeefs. Laat de sleutel los zodra de motor start.
Als het waarschuwingslampjena het starten of na
langdurig "aanzwengelen" 1 minuut knippert, duidt dit op
een defect van de gloeibougies. Als de motor start kan
de auto zoals gewoonlijk gebruikt worden, maar moet zo snel
mogelijk contact worden opgenomen met het Alfa Romeo
Servicenetwerk.
Het is gevaarlijk om de motor in afgesloten ruimten te
laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en
produceert kooldioxide, koolmonoxide en andere
giftige gassen.
Tijdens de eerste gebruiksperiode adviseren wij om
overmatige belasting van de auto te voorkomen
(bijvoorbeeld hard accelereren, lang rijden met de
maximumsnelheid, abrupt remmen, enz.).
Laat de contactsleutel nooit in de stand MAR staan als de
motor is afgezet, zodat de accu niet onnodig wordt
ontladen.
Onthoud dat de rembekrachtiging en de elektrische
stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is
gestart; om die reden is meer kracht benodigd voor
de bediening van het rempedaal en het stuur.
Probeer de motor nooit te starten door het voertuig te
duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden.
Hierdoor kan de katalysator worden beschadigd.
DE GESTARTE MOTOR OPWARMEN
Ga als volgt te werk:
❒rijd langzaam weg en laat de motor bij gemiddelde toerentallen
draaien zonder bruusk te accelereren;
❒verlang de eerste kilometers niet de maximale prestaties van de
auto. Wacht tot de wijzer van de koelvloeistoftemperatuurmeter
begint te bewegen.
133
WEGWIJS IN UW
AUTO
VEILIGHEID
STARTEN EN
RIJDEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD EN
ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 241 of 280

INLEIDING .................................................................................... 239
TIPS ........................................................................................... 239
TECHNISCHE GEGEVENS .......................................................... 240
BASIC LEVEL SYSTEEM ............................................................... 240
SNELGIDS .................................................................................... 241
ALGEMENE FUNCTIES ................................................................ 242
RADIOFUNCTIES ........................................................................ 243
CD-FUNCTIES ............................................................................ 243
BEDIENINGSTOETSEN OP STUURWIEL ......................................... 244
ALGEMENE INFORMATIE .............................................................. 245
FUNCTIES EN INSTELLINGEN ........................................................ 24
INSCHAKELING AUTORADIO ..................................................... 247
UITSCHAKELING AUTORADIO .................................................... 247
RADIOFUNCTIES KIEZEN ............................................................ 247
CD-FUNCTIE KIEZEN .................................................................. 247
GEHEUGENFUNCTIE AUDIOBRON ............................................. 247
VOLUMEREGELING .................................................................... 247
MUTE/PAUSE FUNCTIE (volume op nul stellen) ............................. 247
GELUIDSINSTELLINGEN .............................................................. 248
TOONREGELING (lage/hoge tonen) ............................................ 248
BALANSREGELING ..................................................................... 248
FADERREGELING ........................................................................ 249
LOUDNESSFUNCTIE ................................................................... 249
PRESET/USER/CLASSIC/ROCK/JAZZ FUNCTIES .......................... 249
FUNCTIE USER EQ SETTINGS ...................................................... 250
MENU ....................................................................................... 25
AF SWITCHING functie .............................................................. 250
TRAFFIC INFORMATION functie .................................................. 251
REGIONAL MODE functie .......................................................... 252
MP3 DISPLAY functie ................................................................... 252SPEED VOLUME functie .............................................................. 252
RADIO ON VOLUME functie ........................................................ 253
TELEFOONFUNCTIE ................................................................... 253
AUX OFFSET functie .................................................................... 253
RADIO OFF functie .................................................................... 254
SYSTEM RESET functie ................................................................. 254
VOORBEREIDING VOOR INBOUW TELEFOON............................ 254
DIEFSTALBEVEILIGING ................................................................ 254
RADIO (TUNER) ............................................................................ 256
INLEIDING ................................................................................. 256
KEUZE GOLFBAND..................................................................... 256
VOORKEUZETOETSEN ............................................................... 256
OPSLAG VAN LAATST BELUISTERDE STATION .............................. 256
AUTOMATISCHE AFSTEMMING .................................................. 256
HANDMATIGE AFSTEMMING ..................................................... 257
AUTOSTORE FUNCTIE ................................................................ 257
ONTVANGST VAN NOODBERICHTEN ........................................ 257
EON FUNCTIE (Enhanced Other Network) .................................... 258
STEREO-UITZENDINGEN ............................................................ 258
CD-SPELER.................................................................................... 258
INLEIDING ................................................................................. 258
KEUZE VAN DE CD-SPELER ......................................................... 258
INBRENGEN/UITWERPEN VAN DE CD........................................ 2
DISPLAY-INFORMATIE ................................................................. 259
KEUZE VAN NUMMER (vooruit/achteruit) .................................... 260
SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN VAN NUMMERS...................... 260
PAUZE-FUNCTIE ......................................................................... 260
CD MP3-SPELER ............................................................................ 260
INLEIDING ................................................................................. 260
MP3 WERKING .......................................................................... 260
237
AUTORADIO
REGISTER
7
059
Page 242 of 280

KEUZE VAN MP3-SESSIES OP HYBRIDE DISKS ............................. 261
DISPLAY-INFORMATIE ................................................................. 261
KEUZE VAN VOLGENDE/VORIGE MAP ....................................... 262
STRUCTUUR VAN DE MAPPEN .................................................... 262
AUX ............................................................................................. 263
INLEIDING ................................................................................. 263AUX MODUS ............................................................................. 263
PROBLEEMOPLOSSING ................................................................. 264
ALGEMEEN ................................................................................ 264
CD-SPELER ................................................................................. 264
LEZEN VAN MP3-BESTAND ......................................................... 264
238
AUTORADIO
Page 249 of 280

ALGEMENE INFORMATIE
De autoradio biedt de volgende functies:
Radio
❒PLL-tuner met FM/AM/MW golfbanden;
❒RDS (Radio Data System) met TA-functie (verkeersinformatie) - TP
(verkeersprogramma's) - EON (Enhanced Other Network) - REG
(regionale programma's);
❒AF: zoeken naar alternatieve frequenties in RDS;
❒voorbereiding voor noodberichten;
❒automatisch/handmatig afstemmen op stations;
❒FM Multipath detector;
❒handmatige opslag van 30 stations: 18 op FM-golfband (6 op
FM1, 6 op FM2, 6 op FMT), 12 op MW-golfband (6 op MW1,
6 op MW2);
❒automatische opslag (AUTOSTORE-functie) van 6 stations op
betreffende FM-golfband;
❒SPEED VOLUME functie (behalve uitvoeringen met Bose HI-FI
systeem): automatische snelheidsafhankelijke volumeregeling;
❒automatische Stereo/Mono selectie.CD-speler
❒Directe keuze van de CD;
❒Keuze van nummer (vooruit/achteruit);
❒Nummers snel vooruit-/terugspoelen;
❒Functie CD-display: weergave van CD-naam en verstreken tijd
vanaf begin van het nummer;
❒Afspelen van audio CD, CD-R en CD-RW.
Multimedia CD's bevatten naast audiotracks ook
tracks met gegevens. Het afspelen van dit type
CD kan ruis met een zodanig volume
veroorzaken, dat niet alleen de verkeersveiligheid in
gevaar komt, maar ook de eindversterker en de
speakers beschadigd kunnen raken.
245
AUTORADIO
Page 250 of 280

MP3 CD-speler
❒Functie MP3-Info (ID3-TAG);
❒Keuze van map (vorige/volgende);
❒Keuze van nummer (vooruit/achteruit);
❒Nummers snel vooruit-/terugspoelen;
❒Functie MP3-Display: weergave van mapnaam, ID3-TAG
informatie, verstreken tijd vanaf het begin van het nummer,
bestandsnaam;
❒Afspelen van audio- of gegevens-CD, CD-R en CD-RW.
Audiogedeelte
❒Mute/Pause functie;
❒Soft-Mute functie;
❒Loudness functie (behalve uitvoeringen met Bose HI-FI systeem);
❒Grafische 7-bands equalizer (behalve uitvoeringen met Bose
HI-FI systeem);
❒Gescheiden regeling hoge/lage tonen;
❒Balansregeling linker/rechter kanalen.AUX-gedeelte
(voor bepaalde uitvoeringen/markten, waar aanwezig)
❒Selectie AUX-bron;
❒AUX Offset functie: afstelling volume van draagbaar apparaat
op dat van een van de andere bronnen;
❒Draagbare speler afspelen.
246
AUTORADIO
Page 252 of 280

Wanneer het volumeniveau wordt gewijzigd met de hiervoor
bestemde toetsen, dan wordt de Mute-functie uitgeschakeld en het
volume ingesteld op het nieuwe gekozen niveau.
Bij geactiveerde Mute-functie, wordt deze genegeerd wanneer
verkeersinformatie binnenkomt (als de TA-functie is geactiveerd) of
als een alarmbericht wordt ontvangen. De functie wordt weer
ingeschakeld wanneer het bericht beëindigd is.
GELUIDSINSTELLINGEN
De functies die in het audiomenu gekozen kunnen worden,
veranderen afhankelijk van de context: AM/FM/CD/AUX (voor
bepaalde versies/markten).
Druk kortstondig op de AUDIO toets om de audiofuncties te
veranderen.
Na de eerste druk op de AUDIO toets, toont de display de waarde
van het bass-niveau voor de op dat moment ingeschakelde bron
(bijv. bij gebruik van FM, toont de display het opschrift "FM Bass
+2").
Gebruik de
oftoets om door de menufuncties te lopen.
Gebruik voor het wijzigen van de instelling van de gekozen functie
de
oftoets. De huidige status van de gekozen functie
verschijnt op de display.
De functies waarin het menu voorziet zijn:
❒BASS (regeling van lage tonen);
❒TREBLE (regeling hoge tonen);
❒BALANCE (regeling balans rechts/links);
❒FADER (regeling balans voor/achter);
❒LOUDNESS (inschakeling/uitschakeling LOUDNESS functie);❒EQUALISER (activering en selectie van in de fabriek ingestelde
equalizerniveaus);
❒USER EQUALISER (persoonlijke equalizerinstelling).
TOONREGELING (lage/hoge tonen)
Ga als volgt te werk:
❒Gebruik de
oftoets om “Bass” of “Treble” in het AUDIO-
menu in te stellen;
❒druk op de
oftoets om de lage of hoge tonen te
verhogen/verlagen.
Door kortstondig op de toetsen te drukken, zullen de niveaus in
stappen veranderen. Door ze langer ingedrukt te houden, zullen
de niveaus sneller veranderen.
BALANSREGELING
Ga als volgt te werk:
❒Gebruik de
oftoets om de "Balance" in het AUDIO-menu
in te stellen;
❒druk op de
toets om het volume van de rechter speakers te
verhogen of op de
toets om het volume van de linker
speakers te verhogen.
Door kortstondig op de toetsen te drukken, zullen de niveaus in
stappen veranderen. Door ze langer ingedrukt te houden, zullen
de niveaus sneller veranderen.
Kies de waarde "
0" om de audio-uitgangen rechts en links
op dezelfde waarde in te stellen.
248
AUTORADIO
Page 253 of 280

FADERREGELING
Ga als volgt te werk:
❒Gebruik de
oftoets om de "Fader" in het AUDIO-menu in
te stellen;
❒druk op de
toets om het volume van de achterste speakers te
verhogen of op de
knop om het volume van de voorste
speakers te verhogen.
Door kortstondig op de toetsen te drukken, zullen de niveaus in
stappen veranderen. Door ze langer ingedrukt te houden, zullen
de niveaus sneller veranderen.
Kies de waarde "
0" om de audio-uitgangen achter en voor
op dezelfde waarde in te stellen.
LOUDNESSFUNCTIE
De loudnessfunctie verbetert het geluidsvolume wanneer naar een
laag volume wordt geluisterd, door de bassen en de hoge tonen te
versterken.
Kies voor het inschakelen/uitschakelen van de functie, de instelling
Loudness in het AUDIO-menu m.b.v. de
oftoets.
De toestand van de functie (in- of uitgeschakeld) wordt enige
seconden op de display getoond door het opschrift “Loudness On”
of "Loudness Off”.
PRESET/USER/CLASSIC/ROCK/JAZZ
FUNCTIES
(equalizer inschakelen/uitschakelen)
De ingebouwde equalizer kan in- of uitgeschakeld worden.
Wanneer de equalizerfunctie is uitgeschakeld, kunnen uitsluitend
de audio-instellingen "Bass" (lage tonen) en "Treble" (hoge tonen)
geregeld worden, terwijl als de functie is ingeschakeld tevens de
geluidscurven geregeld kunnen worden.
Kies voor het uitschakelen van de equalizer, de "EQ Preset" functie
met de
oftoets.
Gebruik voor het inschakelen van de equalizer de
oftoets
om een van de instellingen te kiezen:
❒"FM/AM/CD...EQ User" (instelling van 7 equalizerbanden die
door de gebruiker veranderd kunnen worden);
❒"Classic" (vooraf ingestelde equalizerinstelling voor optimaal
geluid van klassieke muziek);
❒"Rock" (vooraf ingestelde equalizerinstelling voor optimaal
geluid van rock- en popmuziek);
❒"Jazz" (vooraf ingestelde equalizerinstelling voor optimaal
geluid van jazzmuziek).
Wanneer een van de equalizerinstellingen ingeschakeld is, licht het
opschrift “EQ” op.
249
AUTORADIO
Page 254 of 280

FUNCTIE USER EQ SETTINGS
(equalizerinstellingen alleen als de USER-instelling
gekozen is)
Selecteer voor een persoonlijke equalizerinstelling met de
of
toets "User" en druk op de MENU-toets.
Op de display verschijnt een grafiek met 7 staafjes, waarbij elk
staafje een frequentie voorstelt.
Kies het te veranderen staafje met de
oftoets; het gekozen
staafje begint te knipperen en kan geregeld worden met de
of
toets.
Druk opnieuw op de AUDIO-toets om de instelling op te slaan. De
display toont de op dat moment ingeschakelde bron, gevolgd door
de tekst "USER". Als bijvoorbeeld “FM” wordt gebruikt, toont de
display de tekst “FM EQ User”.
MENU
Functies menutoetsen
Druk kortstondig op de MENU-toets voor het inschakelen van de
MENU-functie. De display toont het eerste instelbare menu-item
(AF) ("AF Switching On" op de display).
Gebruik de
oftoets om door de menufuncties te lopen.
Gebruik voor het wijzigen van de instelling van de gekozen functie
de
oftoets.
De huidige status van de gekozen functie verschijnt op de display.
De functies waarin het menu voorziet zijn:
❒AF SWITCHING (ON/OFF);
❒TRAFFIC INFORMATION (ON/OFF);
❒REGIONAL MODE regionale programma's (ON/OFF);❒MP3 DISPLAY (CD MP3 display-instellingen);
❒SPEED VOLUME (automatische snelheidsafhankelijke
volumeregeling);
❒RADIO ON VOLUME (in/-uitschakeling limiet radiovolume);
❒SPEECH VOLUME (regeling telefoonvolume) (voor bepaalde
versies/markten);
❒AUX OFFSET (afstelling volume van draagbaar apparaat op dat
van een van de andere bronnen)(voor bepaalde
versies/markten);
❒RADIO OFF (uitschakelwijze);
❒SYSTEM RESET
Druk opnieuw op de MENU-toets om de Menufunctie uit te
schakelen.
OpmerkingDe instellingen AF SWITCHING, TRAFFIC
INFORMATION en REGIONAL MODE zijn alleen bij FM mogelijk.
AF SWITCHING functie
(zoeken alternatieve frequenties)
De autoradio kan op twee verschillende manieren werken in het
RDS-systeem:
❒"AF Switching On": zoeken naar alternatieve frequenties
ingeschakeld (de letters "AF" verschijnen op de display);
❒"AF Switching Off": zoeken naar alternatieve frequenties niet
ingeschakeld.
Ga als volgt te werk om de functie in- en uit te schakelen:
❒druk op de MENU-toets en kies “AF Switching On”;
❒druk op de
oftoets om de functie in/uit te schakelen.
250
AUTORADIO
Page 255 of 280

Bij ingeschakelde functie, stemt de radio automatisch af op het
station met het sterkste signaal dat hetzelfde programma uitzendt.
Tijdens het rijden kan men naar hetzelfde station blijven luisteren
zonder dat op een andere frequentie afgestemd hoeft te worden
als men in een ander gebied komt.
Vanzelfsprekend moet het beluisterde station ontvangen kunnen
worden in het gebied waardoor men rijdt.
Als de AF-functie is ingeschakeld, verschijnt op de display het
opschrift "AF".
Als de AF-functie is ingeschakeld en de radio kan het afgestemde
station niet meer ontvangen, dan activeert de radio het
automatische zoeken en verschijnt het bericht "FM Search" op de
display (alleen bij autoradio's van hoog niveau).
Als de AF-functie is uitgeschakeld, blijven de resterende RDS-
functies, zoals de weergave van de naam van het station, altijd
actief.
De AF-functie kan alleen op FM-golfbanden geactiveerd worden.
TRAFFIC INFORMATION functie
(verkeersinformatie)
Sommige stations op de FM-golfband (FM1, FM2 en FMA) zenden
ook verkeersinformatie uit. In dit geval verschijnt het opschrift "TA"
op de display.
Ga als volgt te werk om deze functie in- en uit te schakelen:
❒druk kortstondig op de MENU-toets en kies “Traffic info”;
❒druk op de
oftoets om de functie in/uit te schakelen.
Als de TA-functie is ingeschakeld, licht op de display het pictogram
"TA" op.OpmerkingAls de TA-functie ingeschakeld is bij een andere
audiobron dan de Tuner (Radio) (CD, MP3, telefoon of
Mute/Pause), dan kan de autoradio het automatische zoeken in
werking stellen, waardoor het mogelijk is dat bij het opnieuw
inschakelen van de Tuner (Radio) de afgestemde frequentie anders
is dan wat eerder was ingesteld.
Met de TA-functie is het volgende mogelijk:
❒zoeken naar uitsluitend RDS-stations op de FM-golfband die
verkeersinformatie kunnen uitzenden;
❒verkeersinformatie ontvangen ook als de CD-speler werkt;
❒verkeersinformatie ontvangen op een vooraf ingesteld
minimumvolume, ook als het radiovolume uit staat.
OpmerkingIn sommige landen zijn er radiostations die ook bij
ingeschakelde TP-functie geen verkeersinformatie uitzenden (het
pictogram "TP" verschijnt op de display).
Als de radio is afgestemd op een station op de AM-golfband en de
TA-functie wordt geactiveerd, dan stemt hij af op het laatst
gekozen station op de FM1-golfband.
Het volume waarmee de verkeersinformatie wordt uitgezonden is
afhankelijk van het luistervolume:
❒luistervolume lager dan 5: volume verkeersinformatie op 5 (vaste
waarde);
❒luistervolume hoger dan 5: volume verkeersinformatie gelijk aan
luistervolume +1.
Als het volume tijdens een verkeersbericht wordt gewijzigd, dan
wordt het niveau niet op de display getoond; het nieuwe niveau
wordt alleen tijdens dit verkeersbericht aangehouden.
Terwijl verkeersinformatie wordt ontvangen, verschijnt het opschrift
“TRAFFIC INFORMATION” op de display.
251
AUTORADIO