ECU CITROEN C4 2021 Instructieboekjes (in Dutch)

Page 52 of 244

50
Ergonomie en comfort
De temperatuur wordt niet meer geregeld. Door
de rijwind stroomt er nog wel wat lucht in de
auto.
Automatische airconditioning met
gescheiden regeling
Bij dit systeem wordt het airconditioningssysteem
automatisch ingeschakeld en worden de
temperatuur, luchtstroom en luchtverdeling in het
interieur automatisch geregeld.
Om dit systeem in te stellen, gebruikt u de
centraal geplaatste bedieningselementen of
drukt u op de toets in het menu Airconditioning
van het touchscreen om de pagina met
bedieningselementen weer te geven.


Centraal geplaatste bedieningselementen



Touchscreen
1. Regeling temperatuur links
Airconditioning aan/uit (centrale
bedieningselementen)
2. Regeling temperatuur rechts
Maximale airconditioning (centrale
bedieningselementen)
3. Regeling luchtopbrengst
Automatisch comfortprogramma (centrale
bedieningselementen)
4. Recirculatie van interieurlucht
5. Automatisch programma Zicht
6. Achterruitverwarming 7.
Toegang tot het menu Airconditioning
8. Regeling luchtverdeling
9. Airconditioning aan/uit
10. Automatisch comfortprogramma
11 . Centrale regeling / gescheiden regeling
12. Toegang tot de secundaire pagina
13. Voorverwarming/voorkoeling airco
(afhankelijk van de uitvoering)
14. Selecteren van instellingen voor het
automatische comfortprogramma
(Langzaam/Normaal/Snel).
Dit systeem werkt bij draaiende motor maar
toegang tot de aanjager en bedieningsfuncties
blijft mogelijk bij ingeschakeld contact.
Temperatuurregeling
De bestuurder en voorpassagier kunnen de
temperatuur afzonderlijk en naar eigen wens
instellen.
De weergegeven waarde heeft betrekking op
een bepaald comfortniveau en niet op een
exacte temperatuur.
►

Draai aan knop 1

of 2 of druk op een van de
toetsen 1 of 2 op het touchscreen om de waarde
te verhogen (rood) of verlagen (blauw).
Het is raadzaam het verschil tussen de
instellingen links en rechts niet meer dan 3°C te
laten bedragen.
Automatisch comfortprogramma
Deze automatisch stand zorgt voor optimale
regeling van de temperatuur, luchtopbrengst en
luchtverdeling in het interieur, op basis van het
geselecteerde comfortniveau.
► Druk op draaiknop 3 van de centrale
bedieningselementen of op toets 10 op het
touchscreen om de automatische stand van het
airconditioningssysteem in of uit te schakelen.
Het lampje in de toets gaat branden als het
airconditioningssysteem automatisch werkt.
U kunt de intensiteit van het automatische
comfortprogramma wijzigen door met de toets
OPTIES een van de beschikbare instellingen te
kiezen:
– Soft: voor een aangename en stille werking
door de luchtopbrengst te beperken.
– Normal: voor het beste compromis tussen een
comfortabele temperatuur en een stille werking
(standaardinstelling).
– Fast: voor een stevige en doeltreffende
luchttoevoer.
Om de huidige instelling te wijzigen (aangegeven
door het desbetreffende lampje) drukt u
meerdere keren op toets 14 tot de gewenste
instelling wordt weergegeven.
Gebruik de instellingen " Normal" en "Fast" om
het comfort te waarborgen van de passagiers
achterin.
Deze instelling kan uitsluitend samen met de
automatische stand worden gebruikt. Maar

Page 240 of 244

238
Trefwoordenregister
Opschakelindicator 102–103
Overzicht motoren ~ Motorenoverzicht
196
Overzicht van het verbruik

27
Overzicht zekeringen ~
Zekeringentabel

183, 186
P
Park Assist 141
Parkeerhulp achter
135
Parkeerhulp achter met grafische
weergave en geluidssignalen

135
Parkeerhulpsystemen (algemene
adviezen)

107
Parkeerhulp vóór

135
Parkeerhulp zijkant

136
Parkeerlichten

61–62, 62, 181–182
Persoonlijke instellingen

9
Plafonniers

58–59
Portieren

35
Portieren sluiten

31–32, 35
Post Collision Safety Brake

73
Profielen

229
Programmeerbare verwarming

27, 54
Proximity Keyless Entry and Start

30
Pyrotechnische gordelspanners

76
R
Radar (waarschuwingen) 108
Radio
200–202, 223
Radiozender 200–201, 223–224
RDS
201, 223
Recuperatief remmen (vertragen door
remmen op de motor)

100–101
Regeling luchtopbrengst ~ Aanjager,
regeling

51–52
Regeling luchtverdeling ~
Luchtverdeling

51–52
Regelmatige controles ~ Controles

166–167
Regelmatig onderhoud

108, 166, 168
Regeneratie roetfilter

167
Reinigen (adviezen)

148, 171
Rembekrachtigingsysteem

72–73
Remblokken

167
Remlichten

182
Remmen

167
Remmen

101
Remschijven

167
Remvloeistof

165
Reservewiel

167, 173–174, 177
Reservoir ruitensproeiers ~
Ruitensproeierreservoir

166
Resetten
bandenspanningscontrolesysteem

106
Resetten van het traject

23
Richtingaanwijzers

61, 61–62, 181, 181–182
Rijadviezen

7, 88–89
Rijden

88–89
Rijhulpcamera (waarschuwingen)

108
Rijhulpsystemen (algemene adviezen)

107
Rijstanden

101
Rijstrookcontrolesystemen

72
Rijverlichting

60, 63Roetfilter 167
Ruitensproeiers
66
Ruitensproeiers vóór

66
Ruitenwisserbladen (vervangen)

67–68
Ruitenwisserbladen vervangen

67–68
Ruitenwissers

65
Ruitenwisserschakelaar

65–66
Ruitenwissers vóór

66
S
Schakelaar 90–91
Schakelaars stoelverwarming ~
Stoelverwarming, schakelaars

44
Schuif-/kanteldak

39–40
SCR (Selective Catalytic Reduction)

20, 168
SCR-systeem

20, 168
Selectiehendel

97, 99–100
Selectiehendel (elektrische auto)

100
Selectiehendel handgeschakelde
versnellingsbak ~ Schakelen elektronisch
bediende versnellingsbak

97
Sensoren (waarschuwingen)

108
Serienummer auto

197
Set voor tijdelijke bandenreparatie ~
Bandreparatieset

173–176
Sfeerverlichting

58
Signalering onoplettendheid

134
Slepen

190–192
Slepen van de auto

190–191
Slepen van een auto

190, 192
Sleutel

28, 30, 33–34