sensor CITROEN C5 2014 Instructieboekjes (in Dutch)

Page 156 of 333

IX
154
RIJDEN
LANE DEPARTURE
WARNING SYSTEM (LDWS)
Dit systeem registreert wanneer de
bestuurder onvrijwillig een rijstrook-
markering (doorgetrokken of onder-
broken streep) overschrijdt.
Op basis van de signalen van sen-
soren in de voorbumper wordt de be-
stuurder gewaarschuwd als de auto
de markering overschrijdt (bij een
wagensnelheid hoger dan 80 km/h).

Dit systeem werkt optimaal op snel-
wegen en autowegen.


Activering



)
Druk op de knop: het lampje gaat
branden.



Uitschakelen



)
Druk opnieuw op de knop: het
lampje gaat uit.
De status van het systeem blijft na
het afzetten van het contact in het
geheugen opgeslagen.


Detectie

U wordt gewaarschuwd door het
trillen van de zitting van de bestuur-
dersstoel:


- rechts: als de rechter rijstrook-
markering wordt overschreden,

- links: als de linker rijstrookmar-
kering wordt overschreden.
Als de richtingaanwijzer is ingescha-
keld, en ongeveer 20 seconden nadat
deze is uitgeschakeld, wordt er geen
enkele waarschuwing gegeven.
Het is mogelijk dat een waarschu-
wing wordt gegeven bij het over-
schrijden van een pijl op de weg
of een niet-offi ciële markering (bijv.
graffi ti).


Storing

In het geval van een storing gaat dit
controlelampje branden vergezeld
van een geluidssignaal en een mel-
ding op het display.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats. Het Lane Departure Warning
System is een hulpmiddel voor de
bestuurder, die desondanks waak-
zaam moet blijven en verantwoor-
delijk is.

Er kunnen storingen in de detectie
optreden:


- als de sensoren vuil zijn (mod-
der, sneeuw, ...),

- als de rijstrookmarkeringen
weggesleten zijn,

- als er weinig contrast is tussen
het wegdek en de markeringen.

Page 158 of 333

IX
156
RIJDEN

Werking

U hebt een beschikbare parkeerplek
ontdekt:


)
Druk op de schakelaar A
om de
functie te selecteren.

)
Schakel de richtingaanwijzer aan
de zijde van de parkeerplek in.

)
Rijd tijdens de meting langs de
parkeerplek, met een snelheid
van minder dan 20 km/h, en be-
reid u voor op het inparkeren.
Het systeem meet nu de afmetingen
van de plek.

)
Het systeem geeft de moeilijk-
heidsgraad voor het inparkeren
aan met een melding op het
display van het instrumentenpa-
neel, vergezeld van een geluids-
signaal.

)
Afhankelijk van de melding die
het systeem geeft, kunt u de par-
keermanoeuvre al dan niet uit-
voeren. De functie kan de volgende meldin-
gen weergeven:

Inparkeren JA


Inparkeren moeilijk


Inparkeren NEE
De functie wordt automatisch uitge-
schakeld:


- bij het inschakelen van de ach-
teruitversnelling,

- bij het afzetten van het contact,

- als geen meting nodig is,

- vijf minuten na het selecteren
van de functie,

- als gedurende langer dan een
minuut met meer dan 70 km/h
wordt gereden.
Als de zijdelingse afstand tussen
uw auto en de parkeerplek te groot
is, bestaat de kans dat het systeem
geen meting uitvoert.
De functie blijft na een berekening
ingeschakeld en kan dus meerdere
parkeermogelijkheden achter elkaar
bepalen.
Zorg ervoor dat de sensoren bij
slecht weer en in de winter niet be-
dekt worden door vuil en sneeuw.
Tijdens het bepalen van de beschik-
bare ruimte wordt de parkeerhulp
vóór uitgeschakeld.
Laat het systeem bij een storing
controleren door het CITROËN-
netwerk of een gekwalifi ceerde
werkplaats.

Page 159 of 333

IX
157
RIJDEN
De parkeerhulp is een hulpmid-
del voor de bestuurder die deson-
danks waakzaam moet blijven en
verantwoordelijk is. PARKEERHULP VOOREN/OF ACHTER METGRAFISCHE WEERGAVE EN GELUIDSSIGNALEN

Dit systeem bestaat uit afstands-
sensoren die zijn aangebracht in de
voor- en/of achterbumper.
Het systeem waarschuwt de be-
stuurder voor elk obstakel (persoon,
auto, boom, hek, …) dat zich achter
de auto bevindt. Het waarschuwt u
echter niet voor objecten die zich di-
rect onder de bumper bevinden.
Paaltjes, pionnen bij wegwerkzaamhe-
den of gelijksoortige voorwerpen wor-
den waargenomen bij aanvang van de
manoeuvre, maar niet meer wanneer
de auto te dicht genaderd is.
Het systeem wordt ingeschakeld
:


- zodra de achteruitversnelling
wordt ingeschakeld,

- bij vooruitrijden met een snelheid
lager dan 10 km/h.
Dit wordt aangegeven door een ge-
luidssignaal en/of door de weergave
van de auto op het multifunctionele
display.
De afstand tot het obstakel wordt
aangegeven door:


- geluidssignalen, die elkaar snel-
ler opvolgen naarmate de auto
dichter bij het obstakel komt,

- een grafi sche weergave op het
multifunctionele display, met
blokjes die steeds dichter bij de
auto komen.
De plaats van het obstakel wordt
aangegeven door de luidsprekers
die het geluidssignaal weergeven
(voor/achter en links/rechts).
Als de auto minder dan ongeveer
30 centimeter van het obstakel ver-
wijderd is, is het geluidssignaal con-
tinu hoorbaar en/of verschijnt het
symbool "Gevaar", afhankelijk van
het type multifunctioneel display.
De parkeerhulp wordt uitgescha-
keld
:


- als de achteruit wordt uitgescha-
keld,

- als bij het vooruitrijden de wagen-
snelheid hoger dan 10 km/h is,

- als de auto langer dan 3 seconden
stilstaat.
Deactiveren


)
Druk op de toets A
. Het verklik-
kerlampje gaat branden en het
systeem is volledig uitgescha-
keld.
Het systeem zal automatisch wor-
den uitgeschakeld bij het trekken van
een aanhangwagen of de montage
van een fi etsendrager (auto uitgerust
met een door CITROËN aanbevolen
trekhaak of fi etsendrager).

Page 160 of 333

IX
158
RIJDEN

Activeren

Zorg ervoor dat de sensoren in de
winter of bij slecht weer niet bedekt
zijn met modder, ijs of sneeuw. Als
de sensoren vuil zijn, wordt dit bij
het inschakelen van de achteruitver-
snelling aangegeven door een ge-
luidssignaal (lange piep).
Als de wagensnelheid lager is dan
10 km/h, kunnen door sommige
geluiden (motorfi ets, vrachtwagen,
wegwerkzaamheden, ...) de geluids-
signalen van de parkeerhulp onno-
dig worden geactiveerd.


)
Druk nogmaals op de toets A
.
Het verklikkerlampje gaat uit en
het systeem is weer ingeschakeld.
ACHTERUITRIJCAMERA (TOURER)


De achteruitrijcamera wordt automa-
tisch geactiveerd wanneer de ver-
snellingsbak in de achteruit staat.
De beelden van de camera worden
in kleur weergegeven op het scherm
van het navigatiesysteem.

De afstand tussen de blauwe stre-
pen correspondeert met de breedte
van uw auto zonder de buitenspie-
gels.
De blauwe strepen geven de rijrich-
ting van de auto weer.
De rode steep geeft een ruimte van
30 cm direct achter de achterbum-
per van uw auto weer. Het geluids-
signaal wordt continu hoorbaar als
een obstakel binnen deze ruimte
komt.
De groene strepen geven een af-
stand van circa 1 en 2 meter weer
achter de achterbumper van uw
auto.

Maak de achteruitrijcamera regel-
matig schoon met een spons of
een zachte doek.

Page 165 of 333

AFTAPPEN VAN HET
BRANDSTOFFILTER

Afdekkap


Afdekkap verwijderen


Aftappen van water uit het
brandstoffilter
Tap het systeem regelmatig af (bij
elke keer dat de motorolie wordt
ververst).
Draai de aftapplug of de sensor wa-
ter in brandstof aan de onderzijde
van het brandstoffi lter los om het
water weg te laten lopen.
Laat het water geheel weglopen.
Draai vervolgens de aftapplug of
de sensor water in brandstof weer
vast.

HDi 115-, HDi 160- en V6 HDi 240-
motor



)
Trek de afdekkap omhoog om
deze te verwijderen.

HDi 140-motor



)
Verwijder de afdekkap door deze
eerst bij punt 3
los te maken en
vervolgens bij punt 1
en 4

.


)
Maak de kap bij punt 2
los door
deze naar u toe te trekken en
vervolgens op te tillen.
Terugplaatsen


)
Maak de kap als eerste bij punt
2
weer vast.

)
Beweeg de kap omlaag en ge-
lijktijdig naar het midden toe.

)
Maak de kap bij de punten 3
en
4
vast door deze omlaag en iets
naar achteren te drukken.

)
Maak de kap bij punt 1
vast door
deze omlaag te drukken.


ONDERHOUD
163
ONDERHOUD

Page 194 of 333

XI
192
PRAKTISCHE INFORMATIE

Zekeringtabel



Zekeringnr.





Stroomsterkte




Functie




G29



-

Niet gebruikt


G30



5 A

Verwarmde buitenspiegels


G31



5 A

Regen-/lichtsterktesensor


G32



5 A

Waarschuwingslampjes niet-vastgemaakte autogordels


G33



5 A

Elektrochrome spiegels


G34



20 A

Blinderingspaneel (sedan)


G35



5 A

Instapverlichting voorpassagier - Verstelling buitenspiegel aan passagierszijde


G36



30 A

Elektrisch bediende achterklep (Tourer)


G37



20 A

Stoelverwarming vóór


G38



30 A

Elektrisch bediende bestuurdersstoel


G39



30 A

Elektrisch bediende passagiersstoel - Hifi -versterker


G40



3 A

Voedingsaansluiting aanhangermodule

ZEKERINGKAST B



Zekeringnr.




Stroomsterkte



Functie




G36



15 A

Automatische 6-versnellingsbak


5 A

Automatische 4-versnellingsbak


G37



10 A

Appèlverlichting - Diagnoseaansluiting


G38



3 A

ESP


G39



10 A

Hydraulische vering


G40



3 A

Remlichtschakelaar

Page 195 of 333

XI
193
PRAKTISCHE INFORMATIE
ZEKERINGKAST C



Zekeringnr.




Stroomsterkte




Functie




F1



15 A

Achterruitenwisser (Tourer)


F2



30 A

Relais vergrendeling en supervergrendeling


F3



5 A

Airbags


F4



10 A

Automatische versnellingsbak - Module extra verwarming (Diesel) - Elektrochrome spiegels


F5



30 A

Ruitbediening voor - Open dak - Instapverlichting voorpassagier - Verstelling buitenspiegel
aan passagierszijde


F6



30 A

Ruitbediening achter


F7



5 A

Verlichting make-upspiegel - Verlichting dashboardkastje - Plafonniers - Zaklamp (Tourer)


F8



20 A

Autoradio - CD-wisselaar - Bedieningstoetsen op het stuurwiel - Display -
Bandenspanningcontrole - Computer elektrisch bediende achterklep


F9



30 A

Aansteker - 12V-aansluiting vóór


F10



15 A

Alarm - Bediening op het stuurwiel, verlichting en ruitenwissers


F11



15 A

Contactslot met circuit lage stroomsterkte


F12



15 A

Elektrisch bediende bestuurdersstoel - Instrumentenpaneel - Waarschuwingslampjes
niet-vastgemaakte autogordels - Bediening airconditioning


F13



5 A

BSM - Onderbrekingsrelais pomp hydraulische vering - Voeding van de airbagcomputer


F14



15 A

Regen-/lichtsterktesensor - Parkeerhulp - Elektrisch bediende passagiersstoel -
Aanhangermodule - Computer hifi -versterker - Handsfree kit - Lane departure warning
System


F15



30 A

Relais vergrendeling en supervergrendeling


F17



40 A

Achterruitverwarming - Verwarmde buitenspiegels


FSH



SHUNT

TRANSPORT- EN OPSLAGSHUNT

Page 317 of 333

I
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
2

Controlelampje



brandt



Oorzaak



Acties / Opmerkingen








Dynamische
stabiliteitscontrole



(CDS/ASR)


knippert. De CDS-/ASR-regeling is
actief. Deze functie verbetert de aandrijving en
zorgt voor een betere koersstabiliteit als
de wielen te weinig grip hebben of de auto
uit de koers dreigt te raken.

permanent. Storing in het CDS-/ASR-
systeem. Laat het systeem controleren door
het CITROËN-netwerk of door een
gekwalifi ceerde werkplaats.






Bandenspanning
te laag



permanent. De bandenspanning van een
of meerdere wielen is te laag. Controleer zo snel mogelijk de
bandenspanning.
De controle dient bij voorkeur bij koude
banden te worden uitgevoerd.

+


knipperend
en vervolgens
permanent, in
combinatie met het
verklikkerlampje
Service.
Het controlesysteem voor
de bandenspanning is
defect of de sensor van een
van de wielen wordt niet
gedetecteerd. De bandenspanning wordt niet meer
gecontroleerd.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of een gekwalifi ceerde
werkplaats.




Uitschakeling
van de
automatische
werking
van de
elektrische
parkeerrem


permanent. De functies "automatisch
aantrekken" (bij het
afzetten van de motor) en
"automatisch vrijzetten" zijn
uitgeschakeld of werken niet. Activeer de functie (volgens land van
bestemming) via het confi guratiemenu
van de auto of raadpleeg het CITROËN-
netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats
als de parkeerrem niet meer automatisch
wordt aangetrokken of vrijgezet.
Raadpleeg voor meer informatie over de
elektrische parkeerrem de desbetreffende
rubriek.

Page 323 of 333

VIII
!!
VEILIGHEID
7






CONTROLESYSTEEM
BANDENSPANNING


Dit systeem controleert automatisch
de bandenspanning tijdens het rij-
den.
Zodra de auto rijdt, controleert het
systeem permanent de spanning
van de vier banden.
In het ventiel van elke band (met
uitzondering van het reservewiel) is
een druksensor gemonteerd.
Het systeem waarschuwt de be-
stuurder zodra het een daling van
de spanning van een of meer ban-
den detecteert.

Het controlesysteem van de ban-
denspanning is een hulpsysteem;
de bestuurder moet waakzaam blij-
ven en blijft verantwoordelijk.
Ondanks de aanwezigheid
van dit systeem dient u maan-
delijks en voor elke lange reis
de bandenspanning (ook die van
het reservewiel) handmatig te
controleren.
Een te lage bandenspanning heeft
een negatief effect op de weglig-
ging, verlengt de remweg en ver-
snelt de bandenslijtage, met name
onder zware omstandigheden
(zware belading, hoge snelheid,
lange rit).

Een te lage bandenspanning
leidt ook tot een hoger brand-
stofverbruik.
De door de fabrikant voor uw
auto aanbevolen banden-
spanning staat vermeld op de
bandenspanningssticker (zie de
rubriek "Identifi catie").
De bandenspanning moet bij "kou-
de" banden worden gecontroleerd
(auto die langer dan 1 uur heeft
stilgestaan of na een traject van
maximaal 10 km met gematigde
snelheid). Is dit niet het geval, ver-
hoog dan de op de sticker vermel-
de waarden met 0,3 bar.

Page 324 of 333

VIII
!
!
8
VEILIGHEID

Waarschuwing te lage bandenspanning


Bij een te lage bandenspan-
ning brandt dit verklikkerlampje
in combinatie met een geluids-
signaal en, afhankelijk van de
uitrusting, in combinatie met de
weergave van een melding.


Als er een afwijking in de ban-
denspanning van één band wordt
geconstateerd, kan deze band wor-
den herkend aan het pictogram of,
afhankelijk van de uitvoering, de
weergegeven melding.


)
Verlaag onmiddellijk de snel-
heid, maak geen bruuske stuur-
bewegingen en rem niet plotse-
ling hard af.

)
Zet uw auto stil zodra de ver-
keerssituatie dit toelaat.

Een lagere bandenspanning
is niet altijd zichtbaar aan
een vervorming van de band.
Beperk u daarom niet alleen tot
een visuele controle.



)
Controleer de spanning van de
vier banden (bij koude banden)
als u over een compressor be-
schikt, bijvoorbeeld die van de
bandenreparatieset.
Rijd voorzichtig met lage snel-
heid verder als u niet direct de
bandenspanning kunt controle-
ren.
of

)
Gebruik in geval van een lekke
band de noodreparatieset of het
reservewiel (volgens uitrusting).

De waarschuwing wordt weerge-
geven zolang de desbetreffende
band(en) niet op spanning is (zijn)
gebracht, is (zijn) gerepareerd of
is (zijn) vervangen.
Het reservewiel (noodreservewiel
of wiel met stalen velg) is niet
voorzien van een sensor.



Storing


Als het verklikkerlampje "te
lage bandenspanning" knip-
pert en vervolgens perma-
nent brandt in combinatie
met het verklikkerlampje
"service", duidt dit op een
storing in het systeem.
In dat geval wordt de bandenspan-
ning niet meer gecontroleerd.


Deze waarschuwing wordt ook weer-
gegeven als een of meerdere wielen
niet zijn voorzien van een sensor
(bijvoorbeeld een noodreservewiel of
een reservewiel met stalen velg).


Raadpleeg het CITROËN-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats
om het systeem te laten controle-
ren of monteer na een lekke band
het wiel met de originele velg, dat is
voorzien van een sensor.

Alle reparaties aan een wiel
dat met dit systeem is uitge-
rust en het vervangen van een
band moeten worden uitgevoerd
door het CITROËN-netwerk of door
een gekwalifi ceerde werkplaats.
Wanneer bij het verwisselen een
wiel is gemonteerd dat niet door
uw auto wordt gedetecteerd (voor-
beeld: montage van winterban-
den), dient het systeem door het
CITROËN-netwerk of door een ge-
kwalifi ceerde werkplaats opnieuw
geïnitialiseerd te worden.

Page:   < prev 1-10 11-20