sensor CITROEN JUMPER 2012 Instructieboekjes (in Dutch)

Page 26 of 182

24
Toegang tot de auto
Als het alarm in de waakfase is, wordt bij
een inbraak gedurende ongeveer
30 seconden de sirene geactiveerd,
waarbij tevens de richtingaanwijzers gaan
knipperen.
Het alarm komt vervolgens terug in de
waakfase, maar het systeem geeft op het
moment dat de auto wordt ontgrendeld door
het snel knipperen van het lampje aan dat
het alarm is afgegaan.
Het alarm gaat tevens af nadat de
elektrische voeding is onderbroken en weer
wordt aangesloten.
Automatisch inschakelen

Volgens land van bestemming: deze functie
wordt ongeveer 2 minuten na het sluiten
van het laatst geopende portier automatisch
ingeschakeld. Druk om te voorkomen dat het
alarm afgaat bij het openen van een portier
nogmaals op de ontgrendelknop van de
afstandsbediening.
Uitschakelen met de sleutel

Ontgrendel de portieren met de sleutel en
stap in de auto. Zet het contact aan; de
identificatie van de sleutelcode zorgt ervoor
dat de sirene stopt .


Uitschakelen met de afstandsbediening

Druk op deze knop (cabine en
sleutel). Het alarmsysteem wordt
uitgeschakeld op het moment dat
de auto wordt ontgrendeld.


Gebruiksvoorschrift


Snel uitschakelen van de sirene als deze
per ongeluk is afgegaan:


- zet het contact aan, de identificatie
van de sleutelcode zorgt ervoor dat de
sirene stopt,

- druk op de ontgrendelknop (cabine en
sleutel) van de afstandsbediening.
Als u de auto wilt vergrendelen zonder het
alarmsysteem in te schakelen, vergrendel
de auto dan met de sleutel in het slot
(bijvoorbeeld om de auto te wassen).
Bij het ontgrendelen van de auto met
de afstandsbediening wordt de sirene
automatisch uitgeschakeld.
ALARM

Het INBRAAKALARM van uw auto (volgens
uitvoering) bestaat uit een omtrekbeveiliging
met sensoren op de portieren, deuren en
motorkap en op de elektrische voeding.

Het systeem bevat bovendien een
sirene en een van buitenaf zichtbaar
verklikkerlampje, dat de drie
werkingsfasen van het alarm aangeeft:


- alarm aan (in waakfase): het rode
lampje knippert,

- alarm uit (niet in waakfase): het lampje
is uit,

- alarm is afgegaan (inbraak
gedetecteerd): het rode lampje knippert
snel bij het ontgrendelen van de auto.


Inschakelen van het alarm

Controleer eerst of alle portieren goed zijn
gesloten.
Druk op het hangslot om het
alarm in te schakelen. De
beveiliging wordt na enkele
seconden ingeschakeld.

Page 45 of 182

43
3
ERGONOMIE EN COMFOR
T
Stuurkolomschakelaars
AUTOMATISCHE VERLICHTING
Inschakelen
Draai de ring in de afgebeelde
stand. Als het contact wordt
afgezet, wordt de verlichting
automatisch uitgeschakeld.
Dek de lichtsensor in het midden van
de voorruit niet af.

FOLLOW ME HOME


Contact afgezet of contact in de stand
STOP.
Zet binnen 2 minuten na het afzetten van
de motor het contact in de stand STOP of
verwijder de sleutel uit het contact.
Trek de lichtschakelaar naar het stuurwiel
toe.
Het verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat
branden.
Telkens als u de lichtschakelaar
naar het stuurwiel toe trekt, wordt
de duur van de follow-me-home verlichting
met 30 seconden verlengd. De maximale
duur bedraagt ongeveer 3 minuten. Zodra
de ingestelde duur is verstreken, wordt de
verlichting automatisch uitgeschakeld.
Houd de schakelaar langer dan 2 seconden
naar het stuurwiel toe getrokken om de
functie uit te schakelen.
De functie "follow me home" (volgens
uitvoering) zorgt ervoor dat, als u de auto
verlaat, de dimlichten nog gedurende de
ingestelde tijd blijven branden (bijvoorbeeld
op een parkeerterrein).

Raadpleeg voor het instellen van
de gevoeligheid van de sensor het
gedeelte "Mode" van rubriek 4.

De automatische verlichting (volgens
uitvoering) zorgt er bij een geringe
lichtsterkte van de omgeving voor dat
automatisch het dimlicht wordt ingeschakeld.
Bij mist of sneeuwval kan de lichtsensor
voldoende licht waarnemen en zullen
de lichten niet automatisch worden
ingeschakeld. Schakel het dimlicht indien
nodig zelf in.
De verlichting wordt uitgeschakeld als
de lichtsterkte van de omgeving weer
voldoende is.

Page 47 of 182

45
3
ERGONOMIE EN COMFOR
T
Stuurkolomschakelaars
RUITENWISSERSCHAKELAAR Constant wissen met lage snelheid:
2 standen omlaag.
Dek de regensensor, die zich aan de
bovenzijde van de voorruit bevindt,
niet af.
Zet het contact af als de auto gewassen
wordt in een wasstraat of schakel de stand
voor automatisch wissen uit.
Ruiten- en koplampsproeiers

Trek de hendel naar u toe, de
ruitensproeiers treden in werking in
combinatie met het tijdelijk inschakelen van
de ruitenwissers.
De koplampsproeiers treden gelijktijdig
met de ruitensproeiers in werking als de
dimlichten zijn ingeschakeld.
Ruitenwissers vóór
De ruitenwissers werken uitsluitend als het
contact in de stand MAR
staat.
De schakelaar heeft vijf standen:
Ruitenwissers uit.
Intervalstand:
1 stand omlaag.
In deze stand is het mogelijk
4 snelheden te kiezen door aan de
ring te draaien:


- zeer lang interval,

- lang interval,

- normaal interval,

- snel interval.


Automatische ruitenwissers metregensensor

De snelheid van de automatische ruitenwissers
(volgens uitvoering) wordt automatisch
aangepast aan de hoeveelheid neerslag.
Automatisch wissen: 1 stand omlaag. Bij
het selecteren van deze stand maken de
ruitenwissers één slag. Als het contact afgezet
is geweest, moet de functie opnieuw worden
geactiveerd.
Als deze stand is geselecteerd, is het mogelijk
de gevoeligheid van de regensensor te
verhogen door aan de ring te draaien.
Gebruiksvoorschrift
Controleer bij vorst vóór het inschakelen
van de ruitenwissers of de ruitenwissers vrij
kunnen bewegen.
U kunt in de uitsparingen van de voorbumper
staan om eventuele opeengehoopte sneeuw
aan de onderzijde van de voorruit en op de
ruitenwissers te verwijderen.

Raadpleeg voor het vervangen van
wisserbladen in de rubriek 8 het
gedeelte “Wisserbladen vervangen”.

Raadpleeg voor het bijvullen van het
reservoir in de rubriek 7 het gedeelte
"Niveaus". Constant wissen met hoge snelheid:
3 standen omlaag.
Eén keer wissen: trek de schakelaar naar
het stuurwiel toe.

Page 78 of 182



Mode

76



Menu...


Druk
op...


Submenu...


Druk
op...


Selecteer...


Bevestig
en stop


Om...



1

Geluidssignaal
snelheid
(Speed)


ON



Verhogen



Het geluidssignaal op het moment
dat de ingestelde snelheid wordt
overschreden te activeren/
deactiveren en de snelheid in te
stellen. Verlagen
OFF

2

Sensor
koplampen



Verhogen

De gevoeligheid van de
lichtsensor in te stellen (1 tot 3).
Verlagen

3

Activeren
Trip B



Activeren

Een tweede traject “Trip B” weer
te geven.
Deactiveren

4

Tijd instellen
(Hour)

Uren/minuten

Verhogen

De tijd in te stellen .
Verlagen


Weergave uren

24

De weergave van de uren op het
klokje te selecteren.
12

5

Datum
instellen

Jaar/Maand/
Dag
Activeren

De datum in te stellen.
Deactiveren

6

Radio
weergeven



ON

De naam van het radiostation
weer te geven.
OFF

7
Autoclose


Tijdens het
rijden
ON

Het automatisch vergrendelen van
de schuifdeuren vanaf
20 km/h te activeren/deactiveren. OFF

Page 80 of 182

kmCITY
Parkeerhulp
78
PARKEERHULP ACHTER MET GELUIDSSIGNALEN

Dit systeem (volgens uitvoering) bestaat uit
vier parkeersensoren die zijn aangebracht in
de achterbumper.
Het systeem waarschuwt de bestuurder voor
elk obstakel (persoon, auto, boom, hek, …)
dat zich achter de auto bevindt.
Het waarschuwt u echter niet voor objecten
die zich direct onder de bumper bevinden.
Paaltjes, pionnen bij wegwerkzaamheden
of gelijksoortige voorwerpen worden
waargenomen bij aanvang van de
aanrijmanoeuvre, maar niet meer wanneer
de auto te dicht genaderd is. Inschakelen van de achteruitversnelling
Een geluidssignaal geeft de afstand tot het
obstakel aan. Hoe dichter de auto bij het
obstakel komt, hoe korter de tijd tussen de
geluidssignalen is.
Als de auto minder dan ongeveer
30 centimeter van het obstakel verwijderd is,
is het geluidssignaal continu hoorbaar.
De parkeerhulp is een hulpmiddel voor de
bestuurder die desondanks waakzaam moet
blijven en verantwoordelijk is.
Uitschakelen van de parkeerhulp

Zet de versnellingsbak in de neutraalstand.


Storing in de werking

Raadpleeg het CITROËN-netwerk
als dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Indien uw auto is
voorzien van dit display,
verschijnt een melding.


Gebruiksvoorschrift

Zorg ervoor dat de sensoren in de winter of
bij slecht weer niet bedekt zijn met modder,
ijs of sneeuw.

Page 103 of 182

Airbags
101
5
VEILIGHEI
D
AIRBAGS
De airbags zijn speciaal ontworpen
voor een betere veiligheid van de
inzittenden bij een ernstige aanrijding:
ze vormen een aanvulling op de
werking van de veiligheidsgordels met
gordelkrachtbegrenzers.
De elektronische schoksensoren registreren
een plotselinge vertraging van de auto:
als de drempelwaarde voor het in werking
treden wordt overschreden, worden
de airbags onmiddellijk opgeblazen en
beschermen ze de inzittenden van de auto.
Direct na de aanrijding ontsnapt het gas
zodat noch het zicht, noch het eventueel
verlaten van de auto door de inzittenden
wordt belemmerd. De airbags treden niet in werking bij lichte
aanrijdingen waarbij de veiligheidsgordels
zorgen voor een afdoende bescherming; de
kracht van de aanrijding is afhankelijk van
het soort obstakel en de snelheid van de
auto op dat moment.

De airbags werken alleen als het contact
aan is. Airbags voor

Deze zijn voor de bestuurder in het midden
van het stuurwiel en voor de passagier in
het dashboard aangebracht. Ze worden
tegelijkertijd geactiveerd, behalve als de
airbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.

Het bij het afgaan van de airbags
ontsnappende gas kan enigszins
irriteren.
De knal die bij het afgaan wordt
geproduceerd, kan het gehoor gedurende
een korte periode enigszins verminderen.
Storing airbag voor
Als dit verklikkerlampje gaat
branden, laat het systeem dan
controleren door het
CITROËN-netwerk.

Page 122 of 182

12
0
CONTROLES Luchtfilter en interieurfilter
Een verstopt interieurfilter vermindert de
prestaties van de airconditioning en kan
stankoverlast in het interieur veroorzaken.
Raadpleeg het onderhoudsboekje voor
informatie over het vervangingsinterval van
de filterelementen.
Als de omgeving (veel stof) en de
gebruiksomstandigheden van de auto (veel
stadsverkeer) daartoe aanleiding geven,
moeten de filters twee keer zo vaak worden
vervangen. Raadpleeg in de rubriek 7 het
gedeelte “Onder de motorkap”.


Handgeschakelde versnellingsbak

Laat het niveau controleren volgens het
onderhoudsschema van de constructeur.
Raadpleeg de bladzijden in het
onderhoudsboekje, die betrekking
hebben op de motoruitvoering van uw
auto, voor het laten controleren van
de belangrijkste niveaus en bepaalde
onderdelen volgens het onderhoudsschema
van de constructeur.
Gebruik uitsluitend door CITROËN
aanbevolen producten of gelijkwaardige
kwaliteitsproducten.
Om de werking van belangrijke organen
zoals het remsysteem te optimaliseren,
worden door CITROËN specifieke producten
geselecteerd en aangeboden.
Vanwege de kans op beschadiging van het
elektrisch systeem is het reinigen van de
motorruimte met een hogedrukreiniger niet
toegestaan.
Handrem

Als de handrem een te grote slag heeft
of als het systeem minder goed werkt,
moet de handrem zelfs tussen twee
onderhoudscontroles worden afgesteld.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk.


Aftappen van water in het brandstoffilter

Als dit lampje gaat branden, moet
het brandstoffilter worden afgetapt.
Om te voorkomen dat het lampje
gaat branden kan het filter ook op
regelmatige basis worden afgetapt,
bijvoorbeeld bij een onderhoudsbeurt.
Draai de aftapplug of de sensor water in
brandstoffilter aan de onderzijde van het filter los.
Ga door met aftappen tot al het water uit het filter
is weggelopen. Draai vervolgens de aftapplug of
de sensor weer vast.
De HDi-motoren zijn technologisch geavanceerde
motoren. Laat werkzaamheden aan deze motoren
altijd uitvoeren door gekwalificeerde technici van
het CITROËN-netwerk.


Accu

Laat uw accu voor de winter door het
CITROËN-netwerk controleren.
Remblokken

De slijtage van de remblokken is sterk
afhankelijk van de rijstijl, vooral bij
stadsverkeer en veel korte ritten. Hierdoor kan
het noodzakelijk blijken om de remblokken
vaker, tussen twee onderhoudscontroles door,
te laten controleren.
Als het remvloeistofniveau te laag is, kan dit
behalve door lekkage van het remsysteem
ook veroorzaakt worden door slijtage van de
remblokken.
Slijtage remschijven/-trommels

Raadpleeg voor meer informatie over de
controle van uw remschijven/-trommels het
CITROËN-netwerk.


Oliefilter

Vervang het oliefilterelement regelmatig,
volgens het onderhoudsschema.

Page 138 of 182



Zekering vervangen
136

ZEKERINGEN DASHBOARD (BESTUURDERSZIJDE)

- Verwijder de schroeven en kantel de zekeringkast omlaag om bij de zekeringen te komen.


Zekering


A (Ampère)


Functie



12


7,5
Dimlicht rechts


13


7,5
Dimlicht links


31


5
Voeding relais


32


7,5
Verlichting plafonnier


33


20
Sensor accu


34


20
Interieurverlichting minibus - alarmknipperlichten


36


10
Autoradio - Diagnoseaansluiting - Sirene alarm - Bediening programmeerbare standkachel - Bediening
airconditioning - Tachograaf - Accu


37


7,5
Remlichtschakelaar - Derde remlicht - Instrumentenpaneel


38


20
Bediening centrale vergrendeling


42


5
Elektronische eenheid en sensor ABS - Sensor ASR - Sensor ESP - Remlichtschakelaar


43


20

Motor ruitenwissers vóór


47


20
Motor ruitbediening bestuurderszijde


48


20
Motor ruitbediening passagierszijde


49


5
Autoradio - Schakelaars cockpit


50


7,5
Elektronische eenheid airbags en gordelspanners


51


5
Tachograaf - Snelheidsregelaar - Bediening airconditioning - Achteruitrijlichten - Sensor water in brandstof
(diesel)


53


7,5
Instrumentenpaneel


89


-
Niet gebruikt


90


7,5
Grootlicht links


91


7,5
Grootlicht rechts


92


7,5
Mistlamp links


93


7,5
Mistlamp rechts