ESP FIAT 500 2018 Instructieboek (in Dutch)
Page 109 of 224
107
GESCHIKTHEID VAN DE PASSAGIERSSTOELEN
VOOR HET GEBRUIK VAN UNIVERSELE
KINDERZITJES
De Fiat 500 voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EG-richtlijn inzake de
montage van kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen in de auto
overeenkomstig de volgende tabel:
GroepGewichts
groepVoor passagier ()
Airbag aanAirbag uitAchter passagier
Groep 0, 0+ up to 13 kg X U U
Groep 1 9-18 kg X U
Groep 2 15-25 kg U U U
Groep 3 22-36 kg U U U
U = geschikt voor kinderzitjes van de “Universele” categorie overeenkomstig de Europese EEG-
R44-norm voor de aangegeven “Groepen”.
X = Kinderzitje ongeschikt voor kinderen in deze gewichtscategorie.
(
) BELANGRIJK: Plaats NOOIT kinderzitjes achterstevoren op de voorstoel
met een ingeschakelde airbag aan passagierszijde. Schakel de respectievelijke airbag uit om een
achterstevoren gericht kinderzitje te plaatsen
(zie instructies in de paragraaf “Aanvullend veiligheidssysteem
(SRS) - Airbag”).
MONTAGE VAN EEN
ISOFIX-
KINDERZITJE 24)
Het voertuig is uitgerust met
ISOFIX-bevestigingsbeugels, een
nieuwe standaard die het monteren van
een kinderzitje snel, eenvoudig en veilig
maakt.
Met het ISOFIX-systeem kunt u het
ISOFIX-kinderzitje monteren zonder
gebruik van de veiligheidsgordels van
de auto maar door dit rechtstreeks vast
te maken aan de stoel met behulp van
de drie bevestigingspunten in de auto.
Traditionele kinderzitjes kunnen worden
geplaatst naast ISOFIX kinderzitjes op
verschillende stoelen in hetzelfde
voertuig.
Page 156 of 224
ONDERHOUD EN ZORG
154
PERIODIEKE
CONTROLES
39) 22) 4)
Elke 1.000 km of vóór een lange reis
controleren en eventueel bijvullen:
❒ niveau motorkoelvloeistof;
❒ niveau remvloeistof;
❒ niveau ruitensproeiervloeistof;
❒ conditie en spanning banden;
❒ werking verlichting (koplampen,
richtingaanwijzers,
alarmknipperlichten, etc.);
❒ werking ruitenwissers/-sproeiers en
stand/slijtage wisserbladen
voor/achter;
Elke 3.000 km controleren en
eventueel bijvullen: motorolieniveau.
Het gebruik van PETRONAS
LUBRICANTS producten wordt
aanbevolen, omdat deze speciaal voor
Fiat auto’s zijn ontworpen en
geproduceerd (zie tabel “Inhouden” in
het hoofdstuk “Technische gegevens”).
ZWAAR GEBRUIK
VAN DE AUTO
Wanneer het voertuig hoofdzakelijk
gebruikt wordt voor één van de
volgende bijzonder ruwe
omstandigheden:
❒ trekken van aanhanger of caravan;
❒ stoffige wegen;
❒ talrijke korte ritten (minder dan 7-8
km) en bij buitentemperaturen onder
het vriespunt;
❒ de motor vaak stationair draait of
lange afstanden worden gereden bij
lage snelheden of als de auto lang
niet wordt gebruikt;
dan moeten de volgende controles
vaker worden uitgevoerd dan is
aangegeven in het Geprogrammeerd
Onderhoudsschema:
❒ remblokken van schijfremmen vóór
op conditie en slijtage controleren;
❒ Sloten van motorkap en achterklep
op aanwezigheid van vuil
controleren, schoonmaken en
mechanismen smeren;❒ Visueel de toestand controleren
van: motor, versnellingsbak,
overbrenging, leidingen en slangen
(uitlaat- brandstof - remmen),
rubber onderdelen
(hoezen, balgen, bussen enz.);
❒ laadtoestand accu en niveau
accuvloeistof (elektrolyt)
controleren;
❒ conditie van aandrijfriemen
hulporganen visueel controleren;
❒ motorolie en oliefilter controleren en
zo nodig vervangen;
❒ pollenfilter controleren en zo nodig
vervangen;
❒ luchtfilter controleren en eventueel
vervangen.
Page 161 of 224
159
Ga hiervoor als volgt te werk: maak de
stekker A fig. 142 (door het indrukken
van knop B) van de sensor C voor
bewaking van de accustatus op de
minklem D van de accu los. Deze
sensor mag nooit van de accu
losgemaakt worden, behalve als de
accu wordt vervangen.
BELANGRIJK Wacht, nadat de
contactsleutel naar STOP is gedraaid
en het bestuurdersportier is gesloten,
minstens een minuut voordat u de
elektrische voeding van de accu
loskoppelt en vervolgens weer aansluit
142DVDF0S0157c
ACCU
39) 24) 3)
Het voertuig is voorzien van een
onderhoudsarme accu: onder normale
gebruiksomstandigheden hoeft er niet
bijgevuld te worden met elektrolyt en
gedestilleerd water.
ACCULADING EN
ELEKTROLYTNIVEAU
CONTROLEREN
De werkzaamheden moeten
uitgevoerd worden zoals beschreven in
dit Instructieboek en uitsluitend door
gespecialiseerd personeel.
Het bijvullen mag uitsluitend door
gespecialiseerd personeel bij een Fiat
Servicenetwerk worden verricht.
DE ACCU VERVANGEN
Vervang indien nodig de accu door
een andere originele accu met
dezelfde specificaties.
Als de accu vervangen wordt door
een accu met andere specificaties,
dan zijn de onderhoudsintervallen die
in het “Onderhoudsschema” van dit
hoofdstuk zijn vermeld, niet meer
geldig.
Volg de aanwijzingen van de fabrikant
van de accu voor het onderhoud.
STILSTAND VAN HET
VOERTUIG
(VOERTUIGEN MET
START&STOP
SYSTEEM)
Als het voertuig enige tijd niet gebruikt
wordt (of als de accu wordt
vervangen), moet speciale aandacht
besteed worden aan het loskoppelen
van de stroomvoorziening van de
accu.
Page 162 of 224
ONDERHOUD EN ZORG
160
WIELEN EN
BANDEN39)
Controleer voor een lange reis en elke
twee weken de spanning van de
banden en het ruimtebesparende
reservewiel. Deze controle moet bij
koude banden worden uitgevoerd.
Het is normaal dat de spanning tijdens
het rijden toeneemt. Zie voor de
correcte bandenspanning de paragraaf
“Wielen” in het hoofdstuk
“Technische gegevens”.
Onjuiste spanning leidt tot abnormale
slijtage van de banden fig. 143:
A Normale spanning: gelijkmatige
slijtage van het loopvlak.
B Te lage spanning: overmatige
slijtage aan de zijkanten van het
loopvlak.
C te hoge spanning: overmatige
slijtage in het midden van het loopvlak.
Banden moeten worden vervangen
wanneer de profieldiepte van het
loopvlak minder dan 1,6 mm bedraagt.
Neem in elk geval de wettelijke
voorschriften van het land waarin wordt
gereden in acht.
BELANGRIJK
❒ Voorkom indien mogelijk bruusk
remmen, hard optrekken en harde
stoten tegen stoepranden, kuilen en
andere obstakels. Lang rijden op
een slecht wegdek kan de banden
beschadigen;
❒ controleer de banden regelmatig op
scheuren in de wangen,
oneffenheden of onregelmatige
slijtage op het loopvlak.
Ga, indien nodig, naar een Fiat
Servicepunt;
❒ rijd nooit met een te zwaar beladen
auto: dit kan ernstige beschadiging
van banden en velgen veroorzaken;
❒ stop onmiddellijk bij een lekke band
en verwissel het wiel om
beschadiging van de band, de velg,
de wielophanging en de
stuurinrichting te voorkomen;
❒ banden verouderen, ook als ze
weinig gebruikt zijn. Scheurtjes in
het loopvlak en op de wangen
betekenen dat de band verouderd
is. Laat de banden in elk geval door
gespecialiseerd personeel
controleren als ze langer dan 6 jaar
onder de auto zijn gemonteerd.
Vergeet ook niet het reservewiel
zorgvuldig te laten controleren;❒ Monteer in geval van vervanging
altijd nieuwe banden en vermijd
banden waarvan de herkomst
dubieus is;
❒ Bij de vervanging van een band
moet ook een nieuw ventiel worden
voorzien;
❒ Om een gelijkmatige slijtage van
voor- en achterbanden te
garanderen, wordt geadviseerd de
banden elke 10-15 duizend
kilometer van as te verwisselen;
houd de banden aan dezelfde zijde
van het voertuig gemonteerd om te
voorkomen dat de draairichting
wordt omgekeerd.
❒ vermijd het rijden met gedeeltelijk of
volledig lege banden want dit kan de
veiligheid in gevaar brengen en de
banden onherstelbaar beschadigen.
143DVDF0S0158c
Page 174 of 224
TECHNISCHE GEGEVENS
172
0.9 TwinAir 60 pk 5½Jx14H2-ET35 175/65 R14 82T 175/65 R14 82Q (M+S)
5½Jx14H2-ET35 175/65 R14 86T 175/65 R14 82Q (M+S)
4.00Bx14 ET43 135x80 R14 84M
6Jx15H2-ET35 185/55 R15 82H 185/55 R15 82Q (M+S)
6½Jx16H2-ET35 195/45 R16 84H 195/45 R16 84Q (M+S)
0.9 TwinAir 65 pk 5½Jx14H2-ET35 175/65 R14 82 T 175/65 R14 82Q (M+S)
5½Jx14H2-ET35 175/65 R14 82 T 175/65 R14 82Q (M+S)
4.00Bx14 ET43 135x80 R14 84M
0.9 TwinAir 80 pk 6Jx15H2-ET35 185/55 R15 82H 185/55 R15 82Q (M+S) 4.00Bx14 ET43 135x80 R14 84P
0.9 TwinAir 85 pk 6½Jx16H2-ET35 195/45 R16 84H 195/45 R16 84Q (M+S) 4.00Bx14 ET43 135x80 R14 80P (*)
0.9 TwinAir105 pk 6Jx15H2-ET35 185/55 R15 82H 185/55 R15 82Q (M+S) 4.00Bx14 ET43 135x80 R14 84P
6½Jx16H2-ET35 195/45 R16 84H 195/45 R16 84Q (M+S) 4.00Bx14 ET43 135x80 B14 80P
VersiesVelgenGemonteerde
bandenWinterbandenReservewiel
WIELEN30) 32) 40) 44) 15)
VelgBand
4.00Bx14 ET43 135x80 B14 84M4.00Bx14 ET43 135x80 B14 84M (**)
Voor bepaalde versies/markten Lichtmetalen velgen Niet geschikt voor sneeuwkettingen
(*) Alleen voor 0.9 TwinAir 80 pk-versies (**) Behalve de 0.9 TwinAir 80 pk-versie
VELGEN EN BANDEN
Lichtmetalen of geperste stalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Alle typegoedgekeurde banden zijn op het kentekenbewijs
vermeld.
BELANGRIJK Bij verschillen tussen de informatie in dit instructieboek en het logboek is het logboek bepalend.
Voor de rijveiligheid moeten alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en type.
BELANGRIJK Monteer geen binnenbanden in tubeless banden.
WIELUITLIJNING
Totale toespoor voor 0,5 ± 1 mm De waarden gelden voor een rijdende auto.
Page 187 of 224
185
RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN HET VOERTUIG AAN
HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR
Al jaren zet FCA zich volledig in voor de bescherming van het milieu via de continue verbetering van de productieprocessen
en de realisatie van producten die steeds “eco-compatibeler” zijn. Om de klanten de best mogelijke service te garanderen in
overeenstemming met de milieuwetgeving en conform de Europese richtlijn 2000/53/EG inzake de behandeling van
voertuigen aan het einde van hun levensduur, biedt FCA haar klanten de mogelijkheid hun auto aan het einde van zijn
levensduur zonder extra kosten in te leveren. De Europese richtlijn bepaalt namelijk dat het voertuig kan worden ingeleverd
zonder kosten voor de laatste houder of eigenaar als het voertuig geen of een negatieve marktwaarde heeft.
Voor de kosteloze inlevering van het voertuig aan het einde van zijn levensduur kunt u als u een andere auto gaat
aanschaffen, zich tot een van onze dealers of tot een door FCA goedgekeurd inzamelings- en verwerkingsbedrijf wenden.
Deze bedrijven zijn zorgvuldig geselecteerd en bieden kwaliteitsservice voor de inzameling, verwerking en recycling van
afgedankte auto’s met respect voor het milieu.
Voor meer informatie over deze inzamelings- en verwerkingsbedrijven kunt u zich wenden tot een FCA Servicepunt, het
telefoonnummer in het garantieboekje bellen of naar de websites van de verschillende merken van FCA gaan.
Page 191 of 224
189(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
•Let op bij het openen van de achterklep als er een imperiaal
gemonteerd is.
•Zorg ervoor dat de rugleuningen aan beide zijden goed zijn
vergrendeld om te voorkomen dat deze bij bruusk remmen
naar voren kunnen klappen en zo eventueel de passagiers
kunnen verwonden.
14) IMPERIAAL/SKIDRAGER
•De wettelijke voorschriften betreffende de maximale
afmetingen moeten altijd in acht worden genomen.
•Overschrijd nooit het maximum toegestane draagvermogen,
zie hoofdstuk “Technische gegevens”.
•Verdeel de lading gelijkmatig en houd bij het rijden rekening
met een verhoogde zijwindgevoeligheid.
Controleer na enkele kilometers rijden of de bouten van de
bevestigingspunten nog goed zijn vastgedraaid.
•Verzeker u ervan, voordat u gaat rijden, dat de dwarsstangen
goed gemonteerd zijn.
15) ABS-SYSTEEM – ESC-SYSTEEM
•Het ABS benut zoveel mogelijk de beschikbare grip maar kan
hem niet verhogen. Rijd dus altijd voorzichtig op gladde
weggedeelten en neem geen onnodige risico’s.
•Wanneer het ABS wordt ingeschakeld, is een trilling van het
rempedaal voelbaar. Verlaag de remdruk niet en houd het
rempedaal goed ingetrapt; zo
zorgt het systeem voor de kortste remweg op basis van de
conditie van het wegdek.
•Als het ABS-systeem ingrijpt, dan is de grip van de banden op
het wegdek beperkt. Minder dus snelheid om deze aan de
beschikbare grip aan te passen.
• Een inrijperiode van circa 500 km is vereist om het beste uit
het remsysteem te halen: vermijd tijdens deze periode bruusk,
herhaaldelijk of langdurig remmen. • De ABS, ESC en ASR-systemen kunnen niet de door het
wegdek geboden grip boven de limieten van de natuurkundige
wetten laten toenemen.
• De ABS, ESC, ASR en HBA-systemen kunnen geen ongelukken
voorkomen, waaronder ongelukken wegens overmatige snelheid in
bochten, rijden op wegdek met weinig grip of aquaplaning.
• De capaciteiten van de ABS, ESC, ASR and HBA-systemen
mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden
uitgetest, waardoor de persoonlijke veiligheid en die van anderen
in gevaar komt.
•Bij de inwerkingtreding van de Mechanical Brake Assist kan
geluid hoorbaar zijn.
Dit is een normaal verschijnsel. Houd in elk geval het rempedaal
goed ingetrapt.
•Wanneer alleen het controlelampje
xop het
instrumentenpaneel gaat branden (en op de multifunctionele
display verschijnt tevens een melding voor bepaalde
versies/markten), zet dan de motor onmiddellijk af en neem
contact op met het dichtstbijzijnde dealer van het Fiat
Servicenetwerk. Vloeistoflekken uit het hydraulische systeem
brengen de werking van zowel het normale remsysteem als het
ABS in gevaar.
•Neem nooit onnodige en onverantwoorde risico’s, ook al is de
auto voorzien van de systemen ESC en ASR.
Uw rijstijl moet altijd aangepast zijn aan de conditie van het
wegdek, het zicht en het verkeer. De bestuurder is altijd
verantwoordelijk voor de verkeersveiligheid.
•Ook als het noodreservewiel (daar waar aanwezig) wordt
gebruikt, blijven de ABS-, ASR- en ESC-systemen werken.
Houd steeds rekening met het feit dat het noodreservewiel kleiner
is dan een normaal wiel waardoor de grip minder is.
•Voor een goede werking van de ESP- en ASR-systemen is het
van groot belang de banden van alle wielen van hetzelfde type,
merk en maat zijn en dat ze in perfecte conditie zijn.
Page 198 of 224
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
196
In dergelijke gevallen kan het lampje ¬mogelijk geen storingen in
de veiligheidssystemen aangeven. Laat het systeem controleren
door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
•Het knipperend
èwaarschuwingslampje aan duidt op
mogelijke ¬waarschuwingslampjesfouten. In dergelijke gevallen
kan het lampje ¬mogelijk geen storingen in de
veiligheidssystemen aangeven. Laat het systeem onmiddellijk
controleren door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
Wanneer het lampje
vtijdens het rijden gaat branden (bij
sommige versies verschijnt ook een melding op de display), zet
dan de motor onmiddellijk af en neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
•Wanneer het vwaarschuwingslampje (of v, voor bepaalde
versies/markten) gaat branden, moet de afgewerkte motorolie zo
spoedig mogelijk, en elk geval binnen 500 km nadat het lampje voor het
eerst gaat branden, worden ververst. Het niet naleven van deze
instructie kan leiden tot ernstige beschadiging van de motor en de
garantie ongeldig maken. Vergeet niet dat het branden van dit lampje
niets te maken heeft met het oliepeil in de motor. Voeg dus absoluut
geen motorolie toe als het lampje begint te knipperen.
•Pas de rijsnelheid aan de verkeers- en weersomstandigheden aan en
neem de wegenverkeerswetgeving in acht. De motor afzetten terwijl het
DPF lampje brandt is toegestaan, maar het meermaals onderbreken van
het regeneratieproces kan leiden tot voortijdig kwaliteitsverlies van de
motorolie. Daarom wordt steeds aanbevolen te wachten tot het lampje
is gedoofd alvorens de motor af te zetten, zoals hiervoor is beschreven.
Voltooi het DPF-regeneratieproces niet terwijl het voertuig stil staat.
•Water in het brandstofcircuit kan het inspuitsysteem ernstig
beschadigen en een onregelmatige werking van de motor
veroorzaken. Als het lampje gaat branden of het
E-symbool gaat
aan (bij bepaalde versies verschijnt ook een bericht op het
display), neem dan zo snel mogelijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk om het systeem te laten aftappen. Als het lampje
onmiddellijk na het tanken gaat branden, kan het zijn dat er tijdens
(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
29) AANHANGERS TREKKEN
•De ABS waarmee de auto is uitgerust heeft geen controle
over het remsysteem van de aanhanger. Wees dus bijzonder
voorzichtig op gladde wegen.
•Breng, onder geen enkele voorwaarde, wijzigingen aan het
remsysteem van het voertuig aan om het remsysteem van de
aanhanger te regelen.
Het remsysteem van de aanhanger moet volledig onafhankelijk
zijn van het hydraulisch systeem van de auto.
30) WINTERBANDEN
De maximumsnelheid voor winterbanden met de indicatie
“Q” is 160 km/h; 190 km/h voor winterbanden met de indicatie
“T” en 210 km/h voor winterbanden met de indicatie”H”.
De snelheidsbeperkingen moeten echter altijd worden
gerespecteerd.
31) LAMPJES EN BERICHTEN
•Wanneer het lampje
xtijdens het rijden gaat branden (bij
sommige versies verschijnt ook een bericht op het display), zet
dan de motor onmiddellijk af en neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
•Als de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en het lampje
¬gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er
mogelijk een storing in de veiligheidssystemen;
in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet
geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt
aantal gevallen, op verkeerde wijze geactiveerd worden. Laat
het systeem onmiddellijk controleren door het Fiat
Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
•Er wordt een faut in het
¬waaarschuwingslampje
aangegeven, overeenkomstig met de versie, door het ¬symbool dat op het display verschijnt of doordat het èwaarschuwingslampje gaat knipperen.
Page 199 of 224
197(GAAT DOOR)
het tanken water in de tank terecht is gekomen: zet de motor
onmiddellijk uit en neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
• Als het systeem een spanningsafname van een bepaalde
band aangeeft, wordt geadviseerd om de spanning van alle vier
de banden te controleren. Het iTPMS ontslaat de bestuurder
niet van de verplichting om de bandenspanning elke maand te
controleren en mag niet beschouwd worden als vervanging
voor het onderhoud of een veiligheidssysteem. De
bandenspanning moet bij koude banden gecontroleerd worden.
Als de bandenspanning om welke reden dan ook bij warme
banden moet worden gecontroleerd, dan mag de spanning niet
worden verlaagd, ook wanneer de gemeten waarde hoger is
dan de voorgeschreven spanningswaarde. Controleer de
bandenspanning nadien nogmaals bij koude banden.
• Het iTPMS-systeem waarschuwt niet bij een plotselinge
afname van de bandenspanning (bijvoorbeeld bij een klapband).
Breng in dergelijke gevallen het voertuig tot stilstand en
voorkom bruuske stuurbewegingen.
Het systeem waarschuwt alleen dat de bandenspanning laag is:
het is niet in staat om de banden op te pompen. Een te lage
bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik, verkort de
levensduur van het loopvlak en kan het vermogen om de auto
op veilige manier te besturen beïnvloeden.
32) EEN WIEL VERVANGEN
•Het noodreservewiel (voor bepaalde versies/markten) is
specifiek voor de auto; monteer het niet op andere auto’s
en monteer ook geen noodreservewielen van andere auto’s op
uw auto. Gebruik het noodreservewiel alleen in noodgevallen.
Gebruik het nooit langer dan strikt noodzakelijk en rijd nooit
harder dan 80 km/h.
•Op het noodreservewiel is een oranje sticker aangebracht
waarop de belangrijkste waarschuwingen over het gebruik en
de betreffende beperkingen zijn vermeld.
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
Deze sticker mag nooit verwijderd of afgedekt worden.
Op de sticker staan de volgende aanwijzingen in vier talen:
“Waarschuwing! Alleen voor tijdelijk gebruik! max. 80 km/h!
Vervang het noodreservewiel zo snel mogelijk door het standaard
wiel. Dek deze aanwijzingen niet af.” Monteer nooit een
wieldeksel op het noodreservewiel.
•Als het gemonteerde velgtype wordt vervangen (lichtmetalen in
plaats van stalen velgen of vice versa), moeten ook alle
wielbouten worden vervangen door bouten met een lengte die
geschikt is voor het velgtype.
•Waarschuw de andere weggebruikers voor de stilstaande auto
conform de plaatselijke wettelijke voorschriften:
alarmknipperlichten, gevarendriehoek enz. Alle inzittenden
moeten de auto verlaten, vooral als de auto zwaar beladen is.
Passagiers moeten op een veilige afstand van het verkeer
wachten terwijl het wiel wordt verwisseld. Blokkeer de wielen met
blokken of andere geschikte voorwerpen als de auto op een
helling of een slecht wegdek stilstaat.
•De rijeigenschappen van de auto kunnen veranderen als een
ruimtebesparend reservewiel wordt gebruikt. Vermijd bruusk
optrekken en remmen, scherpe stuurbewegingen en snelle bochten.
De levensduur van het noodreservewiel is ongeveer 3000 km.
Hierna moet het noodreservewiel vervangen worden door een nieuw
exemplaar met identieke eigenschappen. Monteer nooit een
standaard band op de velg van een ruimtebesparend reservewiel.
Zorg ervoor dat het verwisselde wiel zo snel mogelijk wordt
gerepareerd en gemonteerd. Het gebruik van twee of meer
ruimtebesparende reservewielen is verboden.
Smeer de schroefdraad van de wielbouten niet met vet voordat
ze gemonteerd worden: ze kunnen hierdoor losraken.
•Er kunnen geen sneeuwkettingen op het noodreservewiel
worden gemonteerd. Dus in geval van een lekke voorband
(aandrijfwiel) en als er sneeuwkettingen gebruikt moeten
worden, moet een achterwiel aan de voorkant worden
Page 200 of 224
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
198
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
gemonteerd en moet het noodreservewiel aan de achterkant
worden gemonteerd. Op die manier kunnen, met twee
normale aandrijfwielen aan de voorkant, sneeuwkettingen
gemonteerd worden om deze noodsituatie op te lossen.
•Als het wieldeksel niet goed gemonteerd is, kan het tijdens
het rijden losraken. Voer nooit werkzaamheden aan het
ventiel uit. Steek nooit gereedschap tussen de velg en de
band. Controleer regelmatig de spanning van zowel de
banden als het ruimtebesparende reservewiel, in
overeenstemming met de spanningswaarden die zijn
aangegeven in het hoofdstuk “Technische gegevens”.
•De krik is een gereedschap dat ontwikkeld en ontworpen is
voor het vervangen van een wiel, als een band lek of
beschadigd raakt, op het voertuig waarbij de krik is geleverd
of bij voertuigen van hetzelfde model. Elk ander gebruik, bijv.
om andere modellen voertuigen of andere dingen op te
krikken, is ten strengste verboden. Gebruik hem nooit voor
onderhoud of reparaties onder het voertuig of om
winterbanden te verwisselen voor zomerbanden of
andersom. Zorg dat u zich nooit bevindt onder het
opgekrikte voertuig. Als er werk onder het voertuig verricht
moet worden, neem dan contact op met het Fiat
Servicenetwerk. Onjuiste plaatsing van de krik kan er toe
leiden dat het voertuig eraf valt: gebruik hem alleen op de
aangegeven plaatsen.
Gebruik de krik niet voor zwaardere lasten dan is aangegeven
op het plaatje op de krik. Start de motor nooit wanneer het
voertuig opgekrikt is. Als het voertuig meer dan noodzakelijk is
opgekrikt, kan alles onstabieler worden, met het risico dat het
voertuig met een harde klap omlaag komt.
Dus, hef het voertuig slechts zo hoog op als nodig is om de
zone van het reservewiel te kunnen bereiken.
33) SNELLE BANDENREPARATIEKIT FIX&GO
• De informatie die vereist is door het voorschrift dat van
toepassing is, staat vermeld op het etiket van de verpakkingvan de Fix&Go kit. Lees het etiket op het busje vóór gebruik,
vermijd oneigenlijk gebruik. De kit dient gebruikt te worden door
volwassenen en mag niet gebruikt worden door kinderen.
BELANGRIJK: Overschrijd de snelheid van 80 km/h niet. Vermijd
abrupt accelereren of remmen. De Fix&Go-kit voorziet in een
tijdelijke reparatie, daarom moet de band zo snel mogelijk
onderzocht en gerepareerd worden door een specialist. Alvorens
de kit te gebruiken, controleren of de band niet buitensporig
beschadigd is en dat de velg in goede conditie is, gebruik de kit
anders niet en bel pechverhelping. Verwijder vreemde
voorwerpen niet uit de band. Laat de compressor niet langer dan
20 minuten achter elkaar aan staan - oververhittingsgevaar.
34) EEN LAMP VERVANGEN
•Wijzigingen of reparaties aan het elektrische systeem die niet
correct zijn uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden
met de technische systeemgegevens, kunnen storingen
veroorzaken die tot brand kunnen leiden.
•In halogeenlampen bevindt zich gas onder druk. Als ze breken,
kunnen er glassplinters wegschieten.
•Wegens het hoge voltage mag een gasontladingslamp (Xenon)
alleen door ervaren personeel vervangen worden: levensgevaar!
Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk.
35) ZEKERINGEN VERVANGEN
•Als de zekering opnieuw doorbrandt, neem dan contact op
met het Fiat Servicenetwerk.
•Vervang een doorgebrande zekering nooit door metalen draden
of ander materiaal.
•Vervang een zekering nooit door een exemplaar met een grotere
stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR.
•Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MIDIFUSE, MAXI-FUSE)
doorbrandt, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk.
•Controleer voordat een zekering wordt vervangen, of de
contactsleutel verwijderd is en of alle stroomverbruikers uitstaan
en/of zijn ontkoppeld.
(GAAT DOOR)