ABS FIAT 500 2018 Instructieboek (in Dutch)
Page 17 of 224
15
EBD STORING (kleurendisplay)
Wanneer de waarschuwingslampjes bij draaiende motor tegelijk gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem of
is het systeem niet beschikbaar. In dit geval kunnen de achterwielen bij hard remmen plotseling blokkeren waardoor de
auto begint te slippen.
Bij sommige versies verschijnt een speciaal bericht op het display.
Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats van het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
x
>x
>
SNELHEIDSLIMIET OVERSCHREDEN (Kleurendisplay – voor bepaalde versies/markten)
Het symbool wordt weergegeven op het display samen met een speciaal bericht en een geluidssignaal, wanneer het
voertuig de snelheidslimiet overschrijdt in het setupmenu (bijv. 120 km/h).
120
PASSAGIERSAIRBAG/ZIJAIRBAGS UITGESCHAKELD
Het lampje geeft de status aan van de passagiersairbagbescherming. Als het lampje uit is, is de airbag van de passagier
actief: gebruik het Setup Menu om deze zijairbag uit te schakelen (in dat geval gaat de led branden). Wanneer de motor
wordt gestart (sleutel in stand MAR), brandt het waarschuwingslampje gedurende ongeveer 8 seconden, als ten minste 5
seconden na de vorige uitschakeling zijn verstreken. Als dit niet het geval is, neem dan contact op met het
Fiat Servicenetwerk.
Als de motor binnen 5 seconden opnieuw wordt in-/uitgeschakeld, kan het waarschuwingslampje gedoofd blijven.
Controleer in dit geval de correcte werking van het lampje, zet de motor af, wacht minstens 5 seconden en start de motor weer.
Het controlelampje kan met verschillende lichtsterkte branden, afhankelijk van de voertuigcondities.
De lichtsterkte kan ook tijdens dezelfde sleutelcyclus variëren.
““
ESCESC
ASR-SYSTEEM AFGESLOTEN (Kleurendisplay)
Het symbool gaat samen met een speciaal bericht op het kleurendisplay branden wanneer het ASR-systeem is
uitgeschakeld met behulp van de ASR-OFF knop op het dashboard. Tegelijkertijd gaat de led in de knop branden.
VV
ABS STORING
Het lampje gaat branden wanneer de contactsleutel naar de stand MAR wordt gedraaid, maar het moet even later doven.
Het lampje gaat branden, bij sommige versies verschijnen er een bericht en een symbool op het display, als het systeem
niet doeltreffend of niet beschikbaar is. In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar met uitsluiting van het
ABS-systeem.
Rijd zeer voorzichtig wendt u zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk.
>>
Page 50 of 224
KENNISMAKING MET DE AUTO
48
Noodremmen
Bij het remmen in noodsituaties gaan
de alarmknipperlichten automatisch
branden, evenals de controlelampjes
enop het instrumentenpaneel.
De lichten gaan automatisch uit
wanneer het noodremmen ophoudt.
MISTLAMPEN
VOOR/ACHTER
(voor bepaalde versies/markten)
Met het dimlicht ingeschakeld, knop
A fig. 49 als volgt gebruiken om de
mistlampen/mistachterlichten in te
schakelen:
❒ een keer indrukken: mistlampen
aan, lampje
5verschijnt op
instrumentenpaneel;
48DVDF0S0180c
❒ twee keer indrukken:
mistachterlampen aan, lampje
4
verschijnt op instrumentenpaneel;
❒ drie keer indrukken: mistlampen
voor/achter uit.
MISLAMPEN ACHTER
(voor bepaalde versies/markten)
Met het dimlicht ingeschakeld, knop
B fig. 49 als volgt gebruiken om de
mistlampen/mistachterlichten in te
schakelen: Het lampje
4op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Druk nogmaals op de knop om de
lichten uit te schakelen.
49DVDF0S0181c
ABS SYSTEEM 15)
Dit systeem, dat deel uitmaakt van het
remsysteem, voorkomt het blokkeren
of slippen van een of meerdere wielen
op alle wegdekomstandigheden en
ongeacht de kracht van de
remwerking, zodat de auto ook tijdens
paniekremmen onder controle
gehouden kan worden, waardoor de
remafstand wordt geoptimaliseerd.
IN WERKING TREDING
VAN HET SYSTEEM
De bestuurder kan merken wanneer
het ABS in werking treedt omdat het
rempedaal iets pulseert en het systeem
meer geluid maakt: dit is volkomen
normaal wanneer het systeem in
werking treedt.
Page 142 of 224
NOODGEVALLEN
140
ACHTERUITRIJLICHT/MI
STACHTER LICHT
Ga als volgt te werk om de lamp te
vervangen:
❒ Werk van binnenin de bumper op
de tabs A fig. 122 en verwijder de
vastgeklemde toegangsklep;
❒ maak de stekker A-fig. 123 los;
❒ draai de lamphouder B fig. 123
linksom en verwijder hem;
❒ verwijder de lamp en vervang hem;
❒ herplaats de lamp/lamphouderunit
B door deze rechtsom te draaien
122DVDF0S0207c
❒ plaats de stekker A weer terug;
❒ monteer weer het klepje en
controleer of het goed vastzit.
DERDE REMLICHT
Ga als volgt te werk om de lamp te
vervangen:
❒ verwijder de twee beschermdoppen
en draai de twee
bevestigingsschroeven A fig. 124
los;
❒ verwijder de unit;
❒ maak de stekker B fig. 125 los;
❒ druk op de borginrichting C en open
de lamphouder;
123DVDF0S0208c
❒ verwijder de vastgeklemde lamp en
vervang hem;
❒ sluit de lamphouder en controleer of
de borginrichting correct
vergrendeld is;
❒ draai de twee
bevestigingsschroeven vast en
monteer de beschermdoppen weer.
124DVDF0S0124c
125DVDF0S0125c
Page 191 of 224
189(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
•Let op bij het openen van de achterklep als er een imperiaal
gemonteerd is.
•Zorg ervoor dat de rugleuningen aan beide zijden goed zijn
vergrendeld om te voorkomen dat deze bij bruusk remmen
naar voren kunnen klappen en zo eventueel de passagiers
kunnen verwonden.
14) IMPERIAAL/SKIDRAGER
•De wettelijke voorschriften betreffende de maximale
afmetingen moeten altijd in acht worden genomen.
•Overschrijd nooit het maximum toegestane draagvermogen,
zie hoofdstuk “Technische gegevens”.
•Verdeel de lading gelijkmatig en houd bij het rijden rekening
met een verhoogde zijwindgevoeligheid.
Controleer na enkele kilometers rijden of de bouten van de
bevestigingspunten nog goed zijn vastgedraaid.
•Verzeker u ervan, voordat u gaat rijden, dat de dwarsstangen
goed gemonteerd zijn.
15) ABS-SYSTEEM – ESC-SYSTEEM
•Het ABS benut zoveel mogelijk de beschikbare grip maar kan
hem niet verhogen. Rijd dus altijd voorzichtig op gladde
weggedeelten en neem geen onnodige risico’s.
•Wanneer het ABS wordt ingeschakeld, is een trilling van het
rempedaal voelbaar. Verlaag de remdruk niet en houd het
rempedaal goed ingetrapt; zo
zorgt het systeem voor de kortste remweg op basis van de
conditie van het wegdek.
•Als het ABS-systeem ingrijpt, dan is de grip van de banden op
het wegdek beperkt. Minder dus snelheid om deze aan de
beschikbare grip aan te passen.
• Een inrijperiode van circa 500 km is vereist om het beste uit
het remsysteem te halen: vermijd tijdens deze periode bruusk,
herhaaldelijk of langdurig remmen. • De ABS, ESC en ASR-systemen kunnen niet de door het
wegdek geboden grip boven de limieten van de natuurkundige
wetten laten toenemen.
• De ABS, ESC, ASR en HBA-systemen kunnen geen ongelukken
voorkomen, waaronder ongelukken wegens overmatige snelheid in
bochten, rijden op wegdek met weinig grip of aquaplaning.
• De capaciteiten van de ABS, ESC, ASR and HBA-systemen
mogen nooit op onverantwoorde en gevaarlijke wijze worden
uitgetest, waardoor de persoonlijke veiligheid en die van anderen
in gevaar komt.
•Bij de inwerkingtreding van de Mechanical Brake Assist kan
geluid hoorbaar zijn.
Dit is een normaal verschijnsel. Houd in elk geval het rempedaal
goed ingetrapt.
•Wanneer alleen het controlelampje
xop het
instrumentenpaneel gaat branden (en op de multifunctionele
display verschijnt tevens een melding voor bepaalde
versies/markten), zet dan de motor onmiddellijk af en neem
contact op met het dichtstbijzijnde dealer van het Fiat
Servicenetwerk. Vloeistoflekken uit het hydraulische systeem
brengen de werking van zowel het normale remsysteem als het
ABS in gevaar.
•Neem nooit onnodige en onverantwoorde risico’s, ook al is de
auto voorzien van de systemen ESC en ASR.
Uw rijstijl moet altijd aangepast zijn aan de conditie van het
wegdek, het zicht en het verkeer. De bestuurder is altijd
verantwoordelijk voor de verkeersveiligheid.
•Ook als het noodreservewiel (daar waar aanwezig) wordt
gebruikt, blijven de ABS-, ASR- en ESC-systemen werken.
Houd steeds rekening met het feit dat het noodreservewiel kleiner
is dan een normaal wiel waardoor de grip minder is.
•Voor een goede werking van de ESP- en ASR-systemen is het
van groot belang de banden van alle wielen van hetzelfde type,
merk en maat zijn en dat ze in perfecte conditie zijn.
Page 198 of 224
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
196
In dergelijke gevallen kan het lampje ¬mogelijk geen storingen in
de veiligheidssystemen aangeven. Laat het systeem controleren
door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
•Het knipperend
èwaarschuwingslampje aan duidt op
mogelijke ¬waarschuwingslampjesfouten. In dergelijke gevallen
kan het lampje ¬mogelijk geen storingen in de
veiligheidssystemen aangeven. Laat het systeem onmiddellijk
controleren door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
Wanneer het lampje
vtijdens het rijden gaat branden (bij
sommige versies verschijnt ook een melding op de display), zet
dan de motor onmiddellijk af en neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
•Wanneer het vwaarschuwingslampje (of v, voor bepaalde
versies/markten) gaat branden, moet de afgewerkte motorolie zo
spoedig mogelijk, en elk geval binnen 500 km nadat het lampje voor het
eerst gaat branden, worden ververst. Het niet naleven van deze
instructie kan leiden tot ernstige beschadiging van de motor en de
garantie ongeldig maken. Vergeet niet dat het branden van dit lampje
niets te maken heeft met het oliepeil in de motor. Voeg dus absoluut
geen motorolie toe als het lampje begint te knipperen.
•Pas de rijsnelheid aan de verkeers- en weersomstandigheden aan en
neem de wegenverkeerswetgeving in acht. De motor afzetten terwijl het
DPF lampje brandt is toegestaan, maar het meermaals onderbreken van
het regeneratieproces kan leiden tot voortijdig kwaliteitsverlies van de
motorolie. Daarom wordt steeds aanbevolen te wachten tot het lampje
is gedoofd alvorens de motor af te zetten, zoals hiervoor is beschreven.
Voltooi het DPF-regeneratieproces niet terwijl het voertuig stil staat.
•Water in het brandstofcircuit kan het inspuitsysteem ernstig
beschadigen en een onregelmatige werking van de motor
veroorzaken. Als het lampje gaat branden of het
E-symbool gaat
aan (bij bepaalde versies verschijnt ook een bericht op het
display), neem dan zo snel mogelijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk om het systeem te laten aftappen. Als het lampje
onmiddellijk na het tanken gaat branden, kan het zijn dat er tijdens
(GAAT DOOR)
PERSOONLIJKE VEILIGHEID
(DOORGEGAAN)
29) AANHANGERS TREKKEN
•De ABS waarmee de auto is uitgerust heeft geen controle
over het remsysteem van de aanhanger. Wees dus bijzonder
voorzichtig op gladde wegen.
•Breng, onder geen enkele voorwaarde, wijzigingen aan het
remsysteem van het voertuig aan om het remsysteem van de
aanhanger te regelen.
Het remsysteem van de aanhanger moet volledig onafhankelijk
zijn van het hydraulisch systeem van de auto.
30) WINTERBANDEN
De maximumsnelheid voor winterbanden met de indicatie
“Q” is 160 km/h; 190 km/h voor winterbanden met de indicatie
“T” en 210 km/h voor winterbanden met de indicatie”H”.
De snelheidsbeperkingen moeten echter altijd worden
gerespecteerd.
31) LAMPJES EN BERICHTEN
•Wanneer het lampje
xtijdens het rijden gaat branden (bij
sommige versies verschijnt ook een bericht op het display), zet
dan de motor onmiddellijk af en neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
•Als de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid en het lampje
¬gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er
mogelijk een storing in de veiligheidssystemen;
in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet
geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt
aantal gevallen, op verkeerde wijze geactiveerd worden. Laat
het systeem onmiddellijk controleren door het Fiat
Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
•Er wordt een faut in het
¬waaarschuwingslampje
aangegeven, overeenkomstig met de versie, door het ¬symbool dat op het display verschijnt of doordat het èwaarschuwingslampje gaat knipperen.
Page 208 of 224
BELANGRIJKE INFORMATIE EN AANBEVELINGEN
206(GAAT DOOR)
25) PARKEERSENSOREN
• De sensor moet vrij zijn van modder, vuil, sneeuw of ijs om
het systeem te laten werken. Zorg ervoor dat ze tijdens het
reinigen niet gekrast of beschadigd worden. Vermijd het
gebruik van droge, ruwe of harde doeken. De sensoren
moeten met schoon water worden gewassen, waaraan
eventueel autoshampoo is toegevoegd.
Wanneer speciale reinigingsapparaten worden gebruikt, zoals
stoomreinigers of hogedrukreinigers, reinig dan de sensoren
zeer snel en houd de straal op minstens 10 cm afstand.
• Voor werkzaamheden aan de bumper in de buurt van de
sensoren, dient u zich uitsluitend tot het Fiat Servicenetwerk te
wenden. Werkzaamheden aan de bumper die niet goed
worden uitgevoerd, kunnen de werking van de sensoren in
gevaar brengen.
26) UITGEWERKTE MOTOROLIE
Om motorschade te voorkomen, wordt geadviseerd de
motorolie te verversen wanneer het rode
vlampje aangaat,
of het gele vlampje vast gaat branden (voor bepaalde versies/markten).
Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk.
27) CARROSSERIE
• Vermijd het wassen met rollen en/of borstels in
autowasstraten. Gebruik voor het wassen van het voertuig,
uitsluitend met de hand, pH-neutrale reinigingsmiddelen;
afdrogen met een vochtige zeem. Schuur- en/of polijstmiddelen
mogen niet gebruikt worden om het voertuig schoon te maken.
• Vogelpoep moet zo snel en zo goed mogelijk verwijderd
worden, omdat hierin bijzonder agressieve zuren aanwezig zijn. • Vermijd (indien mogelijk) om het voertuig onder bomen te
parkeren; verwijder plantaardige harsen onmiddellijk omdat deze,
als ze drogen, alleen verwijderd kunnen worden met schuur- en/of
polijstmiddelen die ten zeerste afgeraden worden omdat ze de
karakteristieke matheid van de lak kunnen aantasten.
• Het is niet raadzaam te reinigen met een hogedrukreiniger,
mocht u er toch een gebruiken moet u een minimale afstand van
40 cm aanhouden en het water moet op kamertemperatuur zijn.
28) RUITEN
Gebruik geen onverdunde ruitensproeiervloeistof om de voor- en
achterruit te reinigen; verdun dit met minstens 50% water.
29) LPG
• De auto is uitgerust met een gasvormig LPG-inspuitsysteem dat
speciaal ontworpen is voor deze auto: daarom is het absoluut
verboden de configuratie van het systeem of de componenten
ervan te wijzigen. Het gebruik van andere componenten of
materialen zou kunnen leiden tot een slechte werking en
verminderde veiligheid; neem dus in geval van problemen altijd
contact op met het Fiat Servicenetwerk.
• Het systeem werkt bij temperaturen tussen -20°C en 100°C.
• Volg, om beschadiging aan onderdelen van het LPG-systeem te
voorkomen, wanneer het voertuig wordt gesleept of opgekrikt, de
aanwijzingen op die beschreven zijn in de paragraaf “Slepen van
het voertuig” van het Instructieboek.
• Bij gebruik van een lakoven moet de LPG-tank uit de auto
verwijderd worden en later weer gemonteerd worden door het Fiat
Servicenetwerk.
(DOORGEGAAN)
VEILIGHEID VAN HET VOERTUIG
Page 218 of 224
INHOUD
216
– Regensensor ...............................................................38
– Automatisch wissen ....................................................39
Dak .................................................................................39
– Dak met vast glaspaneel...............................................39
– Schuifdak.....................................................................40
Vouwdak.........................................................................41
Portieren ........................................................................44
Elektrische ruitbediening .................................................45
Bagageruimte............................................................... 45
– Soft-touch handgreep..................................................45
Imperiaal/skidrager .........................................................46
Motorkap .......................................................................47
Bedieningselementen .....................................................47
– Elektrische stuurbekrachtiging Dualdrive ......................47
– ECO-functie ................................................................48
– SPORTfunctie ............................................................48
– Alarmknipperlichten .....................................................48
– Mistlampen/mistachterlicht ....................................48-49
ABS-systeem .................................................................49
ESC-systeem..................................................................49
iTPMS-systeem...............................................................50
Brandstofafsluitsysteem..................................................51
Parkeersensoren ............................................................52
Start&Stop systeem........................................................53
– Werkingsmodus...........................................................54
– Handmatig in en uitschakelen.......................................54
Tanken ..........................................................................54
– Diesel- en benzineversies..............................................54
– LPG-versies.................................................................55 Versie met LPG-systeem.................................................56
– Inleiding .......................................................................56
– Passieve veiligheid / actieve veiligheid...........................56
– LPG-tank.....................................................................57
– Keuze van brandstoftoevoer/ benzine of LPG ...............57
Multimedia.................................................................... 58
– Tips, bedieningen en algemene informatie ....................58
– USB-bron.....................................................................60
– Uconnect™ 3” Radio ................................................. 61
– Uconnect™ 5” Radio / Radionav ............................... 68
– Uconnect™ 7” HD LIVE - HD NAV LIVE...................... 83
Officiële typegoedkeuringen........................................... 98
Mopar® Connect.......................................................... 99
VEILIGHEID
Beschermingssystemen inzittenden...............................101
Veiligheidsgordels en gordelspanners............................101
– Veiligheidsgordels ......................................................101
– SBR systeem..............................................................102
– Gordelspanners .........................................................102
– Krachtbegrenzers ......................................................103
– Algemene waarschuwingen voor het gebruik van de
veiligheidsgordels..................................................... 103
– Onderhoud van de veiligheidsgordels..........................104
Kinderzitjes ...................................................................104
– Veilig kinderen vervoeren ...........................................104
– Een kinderzitje met veiligheidsgordels plaatsen.......... 105