ESP FIAT FULLBACK 2018 Instructieboek (in Dutch)

Page 171 of 332

Toegestane motortoeren
Voorkom terugschakelen op hoge
snelheid; dit zou kunnen leiden tot een
te hoog motortoerental (de naald van
de toerenteller staat in de rode zone) en
beschadiging van de motor.
2WD-modellen
Schakelpunt Maximumsnelheid
1e versnelling 30 km/h
2e versnelling 60 km/h
3e versnelling 100 km/h
4e versnelling 140 km/h
5e versnelling 165 km/h
Gebruik de 5e versnelling alleen als de
voertuigsnelheid dat toelaat, voor een
maximale brandstofbesparing.
4WD-modellen
Voertuigen met Easy Select 4WD
Schakel-
puntMaximumsnelheid
2H, 4H 4L
1e
versnelling30 km/h 10 km/h
2e
versnelling60 km/h 20 km/h
3e
versnelling100 km/h 35 km/h
Schakel-
puntMaximumsnelheid
2H, 4H 4L
4e
versnelling140 km/h 55 km/h
5e
versnelling165 km/h 70 km/h
Voertuigen met Super Select 4WD II
Schakel-
puntMaximumsnelheid
2H, 4H 4L
1e
versnelling30 km/h 10 km/h
2e
versnelling60 km/h 25 km/h
3e
versnelling100 km/h 40 km/h
4e
versnelling145 km/h 55 km/h
5e
versnelling170 km/h 70 km/h
Gebruik de 5e versnelling alleen als de
voertuigsnelheid dat toelaat, voor een
maximale brandstofbesparing.
BELANGRIJK
233)Trap het koppelingspedaal helemaal in
om op de juiste wijze te schakelen. Daarom
is het van fundamenteel belang dat er niets
onder het pedaal ligt: let erop dat de
matten vlak liggen en dat ze de slag van de
pedalen niet hinderen.
BELANGRIJK
109)Zet de versnellingspook niet in zijn
achteruit terwijl het voertuig vooruit rijdt.
Hierdoor zou de versnellingsbak kunnen
beschadigen.
110)Laat uw voet tijdens het rijden niet op
het koppelingspedaal rusten; hierdoor zou
de koppeling vroegtijdig kunnen slijten of
beschadigen.
111)Laat het voertuig niet in de stand "N"
(vrijstand) uitlopen.
112)Gebruik de versnellingspook niet als
een handsteun; dit zou kunnen leiden tot
vroegtijdige slijtage van de schakelvorken
van de versnellingsbak.
113)Een snelle of kleine inschakeling van
de koppeling, terwijl de motor op hoge
toeren draait, leidt tot schade aan de
koppeling en de versnellingsbak, omdat de
tractiekracht te groot is.
114)Druk de versnellingspook niet in als hij
in een andere stand dan "R" (achteruit)
wordt gezet. Als u de versnellingspook altijd
indrukt tijdens het schakelen, zou u de
versnellingspook onbedoeld in de stand "R"
(achteruit) kunnen zetten en een ongeval
en/of schakelfout kunnen veroorzaken.
169

Page 174 of 332

Standen versnellingspook
"P" PARKEREN
In deze stand is de versnellingsbak
vergrendeld om te voorkomen dat het
voertuig in beweging komt. De motor
kan vanuit deze stand worden gestart.
"R" ACHTERUIT
Deze stand is om achteruit te rijden.
116)
"N" VRIJSTAND
In deze stand is de versnellingsbak
uitgeschakeld. Deze stand is dezelfde
als de vrijstand van een
handgeschakelde versnellingsbak en
dient alleen te worden gebruikt als het
voertuig langere tijd stilstaat tijdens het
rijden, in bijv. een file.
117) 118) 119)
"D" VOORUIT
Deze stand wordt meestal in de stad en
op de weg gebruikt. De versnellingsbak
verandert automatisch van versnelling,afhankelijk van de weg- en
rijomstandigheden.
120)
Sport modus
Als het voertuig nu stilstaat of rijdt, de
sportmodus kan worden geselecteerd
door de versnellingspook zachtjes
vanuit de stand "D" (vooruit) in de
handmatige schakelingang te duwen.
Duw de versnellingspook zachtjes terug
in de hoofdingang (B), om terug te
schakelen naar de stand "D".
In de sportmodus kan snel en
eenvoudig worden geschakeld door de
versnellingspook naar voren en naar
achteren te bewegen. Op voertuigen
met schakelpeddels kunnen de
schakelpeddels ook worden gebruikt
om te schakelen. In tegenstelling tot bij
een handgeschakelde versnellingsbak,
kan met de sportmodus van versnelling
worden veranderd terwijl het gaspedaal
is ingetrapt.
Opmerking Als uw voertuig is uitgerust
met schakelpeddels kunt u in de
sportmodus ook met de
schakelpeddels schakelen als de
versnellingspook in de hoofdingang
staat. Bovendien kunt u op een van de
volgende manieren terugschakelen naar
werking in stand "D". Als naar stand "D"
wordt geschakeld, verandert de
weergave van de stand van de
versnellingspook naar "D" (vooruit).
Trek schakelpeddel "+"
(opschakelen) langer dan 2 seconden
naar u toe.
Breng het voertuig tot stilstand.
Duw de versnellingspook vanuit de
stand "D" (vooruit) in de handmatige
ingang (A) en duw de versnellingspook
weer terug naar de hoofdingang (B).
Opschakelen +
De versnellingsbak schakelt bij iedere
bediening één versnelling omhoog.
Terugschakelen —
De versnellingsbak schakelt bij iedere
bediening één versnelling omlaag.
121) 122) 123)
Opmerking Er kunnen maar
5 vooruitversnellingen worden
geselecteerd. Zet de versnellingspook
in "R" (achteruit) of "P" (parkeren) om
het voertuig, respectievelijk, in zijn
achteruit of in de parkeerstand te
zetten.
266AHA103592
267AHA106056
172
STARTEN EN RIJDEN

Page 175 of 332

Opmerking Om een goed rendement te
behouden, zou de versnellingsbak
kunnen weigeren op te schakelen als
de versnellingspook of de
schakelpeddels bij bepaalde
voertuigsnelheden naar de "+"
(opschakelen) worden bewogen.
Bovendien zou de versnellingsbak, om
een te hoog motortoerental te
voorkomen, kunnen weigeren terug te
schakelen als de versnellingspook of de
schakelpeddels bij bepaalde
voertuigsnelheden naar de "—"
(terugschakelen) worden bewogen. Als
dit gebeurt, klinkt er een zoemer om
aan te geven dat er niet wordt
teruggeschakeld.
Opmerking Naarmate het voertuig
vaart minder, wordt automatisch
teruggeschakeld. Als het voertuig tot
stilstand komt, wordt automatisch naar
de 1e versnelling geschakeld.
Opmerking Duw de versnellingspook
naar voren naar de stand "+"
(opschakelen), als u op een gladde weg
optrekt. Hierdoor schakelt de
versnellingsbak naar de 2e versnelling,
die beter geschikt is om soepel weg te
rijden op een gladde weg. Duw de
versnellingspook naar de stand "—"
(terugschakelen) om terug te schakelen
naar de 1e versnelling.
Opmerking Als de
transmissieolietemperatuur van de
automatische versnellingsbak te hoog
is, wordt de beschermingsfunctie
ingeschakeld. In dit geval zou deversnellingsbak kunnen weigeren op te
schakelen als de versnellingspook of de
schakelpeddels in de sportmodus naar
de "+" (opschakelen) worden bewogen
of kan automatisch terugschakelen.
Aaduiding sportmodus
In de sportmodus wordt de momenteel
geselecteerde stand aangeduid door
het weergegeven indicatielampje (A) op
het instrumentenpaneel.
Als er een storing in de
automatische versnellingsbak
optreedt
Als de weergave van de stand van
de versnellingspook knippert
Als de weergave van de stand van de
versnellingspook knippert tijdens het
rijden, zou er sprake kunnen zijn van
een storing in de automatische
versnellingsbak.Opmerking Indicatielampje "A" knippert
alleen als de positieschakelaar van de
automatische versnellingsbak defect is.
Dit gebeurt niet onder normale
rijomstandigheden.
124)
Als het waarschuwingslampje van
de transmissieolietemperatuur van
de automatische versnellingsbak
gaat branden
Als de transmissieolietemperatuur van
de automatische versnellingsbak te
hoog wordt, gaat het
waarschuwingslampje van de
transmissieolietemperatuur van de
automatische versnellingsbak branden
en kan er een zoemer afgaan. Normaal
gesproken, gaat het
waarschuwingslampje branden
wanneer de contactsleutel naar de
stand "ON" wordt gedraaid of de
bedieningsmodus op "ON" wordt gezet
268AHA103619
269AH3100245
173

Page 197 of 332

BELANGRIJK
239)Als u probeert uw vastgelopen
voertuig vrij te krijgen door schommelen,
controleer dan of de omgeving rondom het
voertuig vrij is van personen en objecten.
De schommelbeweging zou ertoe kunnen
leiden dat het voertuig plotseling naar
voren of naar achteren schiet, waardoor
mensen of objecten in de buurt letsel of
schade op zouden kunnen lopen.
240)Ga recht omhoog. Probeer steile
hellingen niet schuin op te rijden.
241)Als het voertuig tractie verliest, laat
dan het gaspedaal los en draai het
stuurwiel zorgvuldig afwisselend naar links
en naar rechts om weer een goede tractie
te krijgen.
242)Rijd niet schuin een steile helling af.
Rijd zo recht mogelijk de helling af.
WAARSCHUWINGEN
VOOR GEBRUIK VAN
VOERTUIGEN MET
VIERWIELAAN-
DRIJVING
Banden en wielen
Aangezien het aandrijfkoppel op alle
vier de wielen kan worden uitgeoefend,
worden de prestaties van het voertuig
bij gebruik van de vierwielaandrijving
enorm beïnvloed door de toestand van
de banden.
Let goed op de banden.
Monteer de gespecificeerde banden
op alle wielen. Raadpleeg "Banden en
wielen".
Zorg voor een geschikte
bandenspanning, naargelang de
belading. Raadpleeg
"Bandenspanning".
Zorg ervoor dat alle aangebrachte
wielen dezelfde maat hebben en van
hetzelfde type zijn. Vervang alle banden,
als een van de banden vervangen moet
worden.
Alle banden dienen te worden
gewisseld, zodra het verschil in slijtage
tussen de voor- en achterbanden
waarneembaar is.
Als er een verschil in slijtage tussen de
banden is, kunnen geen goede
voertuigprestaties verwacht worden.
Raadpleeg “Banden wisselen”.
Controleer regelmatig de
bandenspanning.
150)
Slepen
Als het voertuig gesleept moet worden,
raden we u aan dit door een Fiat
Servicepunt of een commerciële
sleepdienst te laten doen. Vervoer het
voertuig in de volgende gevallen met
een sleepwagen.
De motor draait, maar het voertuig
rijdt niet of de motor maakt vreemde
geluiden.
Uit een inspectie van de onderkant
van het voertuig blijkt dat er olie of een
andere vloeistof lekt.
Probeer het voertuig niet te slepen als
een wiel vastzit in een greppel. Neem
voor hulp contact op met het Fiat
Servicenetwerk of een commerciële
sleepdienst.
Sleep uw voertuig uitsluitend
voorzichtig zelf en volgens de
instructies opgegeven in "Slepen", als
geen sleephulp van een Fiat
Servicepunt of een commerciële
sleepdienst beschikbaar is.
Opmerking De voorschriften voor het
slepen kunnen per land verschillen. We
raden u aan de voorschriften van het
gebied waar u met uw voertuig rijdt na
te leven.
195

Page 215 of 332

als over een stuk weg wordt gereden waar
het aantal rijstroken toe-/afneemt of waar
meerdere rijstroken elkaar kruisen; als de
rijstrook is gemarkeerd met dubbele of
andere speciale lijnen; als over een
slingerweg of ruig terrein wordt gereden;
als over een gladde weg bedekt met
regenwater, sneeuw, ijs, enz. wordt
gereden; als ergens wordt gereden waar
de lichtomstandigheden plotseling
veranderen, zoals de in- of uitgang van een
tunnel; als scherpe bochten worden
genomen; als het wegdek het licht
reflecteert dat afkomstig is van de
tegengestelde richting van de rijrichting; als
het voertuig slingert als over drempels of
andere onregelmatigheden in het wegdek
wordt gereden; als de verlichting van de
koplampen niet voldoende is omdat de
koplampen vuil, verslechterd of verkeerd
gericht zijn; als het voertuig teveel naar één
kant helt door een zware belading of een
verkeerde bandenspanning; als de
koplampen van tegemoetkomend verkeer
in de LDW-camera schijnen; als het
voertuig is uitgerust met andere banden
dan de standaardbanden (zelfs bij
overmatig versleten banden en tijdelijke
reservewielen), sneeuwtractiesystemen
(sneeuwkettingen), of ongespecificeerde
componenten, zoals een aangepaste
ophanging; als de voorruit is bedekt met
regenwater, sneeuw, stof, enz.160)Volg de onderstaande instructies om
ervoor te zorgen dat de LDW goed blijft
werken: houd altijd de voorruit schoon;
vermijd harde stoten of grote druk op de
LDW-camera. Probeer de camera niet te
demonteren; manipulatie of verwijdering
van de LDW-camera is onder geen beding
toegestaan. De camera is in de fabriek
nauwkeurig gericht; plak geen stickers en
dergelijke op het gebied van de voorruit
voor de lens van de LDW-camera; gebruik
alleen ORIGINELE onderdelen voor de
vervanging van de wisserbladen.ACHTERUITKIJK-
CAMERA
(indien aanwezig)
De achteruitkijkcamera is een systeem
waarmee het zicht achter het voertuig
op een scherm van het
multicommunicatiesysteem (MCS), het
Smartphone Link Display Audio of het
DISPLAY AUDIO wordt weergegeven.
260) 261) 262)
161)
Blikveld van de achteruitkijkcamera
Het blikveld van de achteruitkijkcamera
is beperkt tot het gebied dat in de
afbeeldingen wordt weergegeven. De
camera kan niet beide zijden en de
onderkant van de achterbumper, enz.
weergeven. Controleer voordat u
achteruitrijdt de veiligheid rondom het
voertuig.
343AHA103707
213

Page 221 of 332

ERA GLONASS
(waar aanwezig)
ERA-GLONASS is een systeem
ontworpen om de ernst van ongelukken
te beperken. De locatie en
voertuiginformatie wordt uitgezonden
vanaf het systeem naar de
alarmcentrale in het geval van een
ongeluk of plotselinge ziekte, en de
alarmcentrale regelt dat er
noodvoertuigen komen waar nodig.
263) 264) 265) 266)
Opmerking Dit systeem rapporteert
naar de alarmcentrale, maar regelt niet
rechtstreeks een noodvoertuig of pas
voor de pechhulpdienst. Dit systeem
helpt met een noodoproep voor een
verkeersongeluk of plotselinge ziekte,
maar heeft geen functie om de
inzittenden te helpen.
Doorstroming van de noodoproepA — Rode lamp
B — Groene lamp
A — Afdekking
D — SOS-schakelaar
E — Microfoon
F — Portierspeaker (alleen
passagiersstoel voor)
267)
1 — Na het instellen van de
contactschakelaar of de
werkingsmodus op “ON”, gaan het
rode lampje (A) en het groene lampje (B)
ongeveer 10 seconden branden.
Ongeveer 10 seconden nadat de
lampjes zijn uitgegaan, gaat het
systeem in de stand-bystatus.
268) 269) 270)
2 — Het systeem werkt als volgt.Automatisch Rapport:wanneer het
voertuig een botsing boven een
bepaald niveau krijgt.
Opmerking Afhankelijk van het niveau
of de hoek van de botsing kan het zijn
dat het systeem niet werkt.
Handmatig Rapport:wanneer u de
afdekking opent (C) en drukt op de
SOS-schakelaar (D).
271)
164)
Opmerking Druk alleen op de
SOS-schakelaar in geval van nood
zoals een ongeluk of plotselinge ziekte.
Wanneer er om geen noodlijdende
reden, uit baldadigheid een
noodvoertuig is opgeroepen, kan het
zijn dat de toepasbare kosten in
rekening worden gebracht.
3 - Het groene lampje gaat branden en
het systeem belt de alarmcentrale.
272)
4 — Het groene lampje knippert
langzaam en de locatie en
voertuiginformatie wordt naar de
alarmcentrale verstuurd.
5 — Wanneer het groene lampje
verandert van knipperend naar een
permanente verlichtingsstatus en de
zoemer klinkt een keer, is een gesprek
met een operator van de alarmcentrale
beschikbaar.
273) 274)352AH3101138
353AHA114143
219

Page 223 of 332

Lijst indicatielampjes
Situatie Rode lamp Groene lamp Oorzaak Oplossing
Bij het
instellen van
contactschakelaar
of de
werkmodus
op “ON”Gaat branden
(voor tenminste
10 seconden)Gaat branden
(voor tenminste
10 seconden)De systeemcontrole is in gangWacht een tijdje. De indicatielampjes gaan uit
wanneer de systeemcontrole compleet is. Als het
rode lampje en/of het groene lampje niet gaan
branden, is er een mogelijke fout in het systeem.
Laat uw voertuig in dit geval nakijken bij een Fiat
Servicnetwerk
Ongeveer
20 seconden
na het
instellen van
de
contactschakelaar
of de
werkmodus
op “ON”Dooft het Dooft het Het systeem werkt normaal —
Branden Dooft hetEr is een mogelijke fout in het
systeem of de accu kan leeg zijnLaat uw voertuig onmiddellijk nakijken bij een Fiat
Servicnetwerk
Terwijl de
noodoproep
geactiveerd
wordtDooft hetKnippert (bij
een interval
van
0,5 seconden)Het systeem belt het
noodcallcentre—
Dooft hetKnippert (bij
een interval
van
2 seconden)Het systeem stuurt de locatie en
de voertuiginformatie naar het
noodcallcentre—
Dooft het BrandenEen gesprek met een operator
van het noodcallcentre is
beschikbaarBevestig aan beide zijden de gegevens van de
noodoproep met de operator van het
noodcallcentre. Als het groene lampje nog niet dooft
nadat de noodoproep is beëindigd, laat het systeem
dan inspecteren door een Fiat Servicenetwerk
Wanneer de
noodoproep
is misluktGaat branden
(voor tenminste
60 seconden)Dooft het De noodoproep is misluktMaak nog een noodoproep, of regel direct een
noodvoertuig of service voor pech onderweg met de
dichtstbijzijnde openbare telefoon, etc.
221

Page 225 of 332

6 - Wanneer het groene lampje uit gaat,
is de testmodus voltooid.
BELANGRIJK
263)In het land of gebied waar er geen
alarmcentrale van ERA-GLONASS is, of
waar de noodoproep radiogolf niet normaal
kan worden uitgezonden of ontvangen,
werkt het systeem niet. In dit geval moet
onmiddellijk een noodvoertuig of
wegservice worden geregeld met een
mobiele telefoon, etc.
264)Als er een noodgeval is en u ruikt de
brandstof of u ruikt iets wat niet goed is,
blijf dan niet in de auto zitten, maar vlucht
meteen naar een veilige plek.
265)Terwijl u wacht op redding na de
noodoproep, onderneem actie om andere
ongelukken te voorkomen, zoals voor- of
achterbotsingen met het volgende voertuig
en vlucht naar een veilige plek.
266)In de volgende gevallen moet
onmiddellijk een noodvoertuig worden
geregeld of een wegdienst met een
mobiele telefoon, etc.1-Wanneer het
systeem niet werkt door een botsing, etc. 2
- Wanneer het voertuig op de plaats staat
waar radiogolven niet kunnen worden
uitgezonden en ontvangen (bijvoorbeeld
binnen, in een parkeergarage, berggebied,
in een tunnel, etc.).3-Wanneer de lijn
naar de alarmcentrale bezet is en de
oproep is niet bereikbaar voor de
alarmcentrale.267)Verwijder of installeer de
bovengenoemde delen niet. Dit kan
mislukking van contact of uitrusting
veroorzaken, en het kan zijn dat het
systeem niet normaal werkt.
268)Als het rode lampje en/of het groene
lampje niet gaan branden nadat de
contactschakelaar of de werkingsmodus
op “ON” is gezet, is er een mogelijke fout in
het systeem. Laat het systeem nakijken bij
een Fiat Servicepunt.
269)Als het rode lampje blijft branden of
weer gaat branden na ongeveer
20 seconden nadat de contactschakelaar
of de werkingsmodus op “ON” is gezet, is
er een mogelijke fout in het systeem of kan
de accu voor exclusief gebruik van de
ERA-GLONASS leeg zijn. De levensduur
van de accu is ongeveer 3 jaar. Laat het
systeem onmiddellijk inspecteren. of laat
de accu vervangen bij een Fiat
Servicenetwerk.
270)Wanneer het systeem niet in stand-by
staat, is het niet in werking. Wanneer u
rijdt, zorg er dan voor te controleren dat
het systeem in stand-by staat.
271)Alvorens op de SOS-schakelaar te
drukken, het voertuig stoppen op een
veilige plek. Als u er tijdens het rijden aan
werkt, wordt uw aandacht voor de
omgevingsomstandigheden onvoldoende
en kan ongelukken veroorzaken.272)Als de rode lamp als volgt gaat
branden, regel dan meteen een
noodvoertuig of hulp bij pech onderweg
met een mobiele telefoon, etc.1-Wanneer
het rode lampje blijft branden (er is een
mogelijke fout in het systeem).2-Wanneer
het rode lampje 60 seconden blijft branden
(het voertuig kan zich op een plaats
bevinden waar radiogolven niet kunnen
worden verzonden of ontvangen).
273)Vervang de speakers niet. Als ze
worden vervangen, kan het zijn dat het
zoemgeluid of de stem van de operator bij
de alarmcentrale niet te horen is. Als de
speakers vervangen moeten worden door
een defect, etc. bevelen we aan een fiat
Servicenetwerk te raadplegen.
274)Er kan een fout optreden tussen het
werkelijke punt van het rapport en het punt
dat gerapporteerd werd in de
alarmcentrale. Bevestig allebei het punt van
het rapport en het voorwerp via het
telefoongesprek met de operator van de
alarmcentrale.
275)Als er controleresultaten niet normaal
zijn, gaat het rode lampje branden
(gedurende ongeveer 5 seconden) en klinkt
de zoemer 3 keer. In dit geval is er een
mogelijke fout in het systeem. Laat het
systeem onmiddellijk nakijken bij een Fiat
Servicepunt.
223

Page 228 of 332

6. Start de motor van het voertuig met
de hulpaccu, laat de motor enkele
minuten stationair draaien en start
vervolgens de motor van het voertuig
met de leeggelopen accu.
Opmerking Druk op voertuigen met het
Start&Stop-systeem op de
uitschakelaar van het "Start&Stop
OFF"-systeem om het systeem uit te
schakelen en te voorkomen dat de
motor automatisch af wordt gezet
voordat de accu volledig is geladen.
Raadpleeg "Uitschakelen"
7. Ontkoppel de kabels, nadat de
motor is gestart, in omgekeerde
volgorde en laat de motor enkele
minuten draaien.
Opmerking Als het voertuig wordt
gebruikt voordat de accu volledig is
geladen, kan een soepele werking van
de motor niet gegarandeerd worden en
zou het ABS-waarschuwingslampje
kunnen gaan branden. Raadpleeg
"Antiblokkeersysteem (ABS)".
BELANGRIJK
276)Voer de juiste procedures uit volgens
de onderstaande instructies, om de motor
met behulp van startkabels en een ander
voertuig te starten. Onjuiste procedures
zouden tot brand of explosies, of
beschadiging van de voertuigen kunnen
leiden.
277)Zorg ervoor dat er geen vonken,
sigaretten en vlammen in de buurt van de
accu komen, want die kunnen leiden tot
een explosie.
278)Probeer de motor niet te starten door
het voertuig te duwen of te trekken.
Hierdoor zou uw voertuig kunnen
beschadigen.
279)Controleer het andere voertuig. Het
moet voorzien zijn van een 12 V-accu. Als
het andere systeem geen 12 V-systeem is,
kan kortsluiting leiden tot beschadiging van
beide voertuigen.
280)Gebruik geschikte kabels voor de
accugrootte, om oververhitting van de
kabels te voorkomen.
281)Controleer de startkabels vóór gebruik
op schade en roest.
282)Draag altijd oogbescherming als u in
de buurt van de accu werkt.
283)Houd de accu buiten bereik van
kinderen.
284)Zet van tevoren de motor van beide
voertuigen af. Zorg ervoor dat de kabels of
uw kleding in de ventilator of aandrijflijn
kunnen komen. Dit zou kunnen leiden tot
persoonlijk letsel.285)Gebruik geen startkabels, als de
accuvloeistof niet zichtbaar is of bevroren
lijkt te zijn! Een accu kan scheuren of
ontploffen als de temperatuur onder het
vriespunt is of als de accu niet tot het juiste
peil is gevuld.
286)Elektrolyt is corrosief verdund
zwavelzuur. Als het elektrolyt (accuzuur) in
aanraking komt met uw handen, ogen,
kleding of het gelakte oppervlak van uw
voertuig, spoel deze dan grondig met
water. Als het elektrolyt in uw ogen komt,
spoel uw ogen dan onmiddellijk grondig uit
en zoek direct medische hulp.
287)Zorg ervoor dat de kabels op de
aangegeven plaatsen (weergegeven in de
afbeelding) worden aangesloten. Als de
kabels direct op de minpool (−) van de
accu worden aangesloten, kunnen de
ontvlambare gassen die door de accu
worden gegenereerd, vlam vatten en
ontploffen.
288)Sluit bij verbinding van de startkabels
de pluspool (+) niet aan op de minpool (−).
Hierdoor zouden vonken kunnen ontstaan,
waardoor de accu zou kunnen ontploffen.
289)Zorg ervoor dat de startkabel niet in
de koelventilator of andere draaiende delen
in de motorruimte komt.
290)Zorg ervoor dat de motor van het
hulpvoertuig blijft draaien.
291)Accuvloeistof is giftig en corrosief:
vermijd contact met huid en ogen. Het
opladen van de accu moet worden
uitgevoerd in een goed geventileerde
ruimte, ver van open vuur en vonken:
brand- en ontploffingsgevaar.
357AHA102061
226
NOODGEVALLEN

Page 237 of 332

EEN BAND
VERVANGEN
302)
166) 167)
Zet uw voertuig op een veilige, vlakke
plek stil, voordat u een band vervangt.
1. Zet het voertuig op een vlakke en
stabiele ondergrond, zonder grind, enz.
2. Zet het voertuig stevig op de
parkeerrem.
3. Draai op voertuigen met een
handgeschakelde versnellingsbak de
contactschakelaar naar de stand
"LOCK" of zet de bedieningsmodus op
"OFF", en zet de versnellingspook in de
stand "R" (achteruit). Zet op voertuigen
met een automatische versnellingsbak
de versnellingspook in de stand "P"
(parkeren) en draai de
contactschakelaar naar de stand
"LOCK" of zet de bedieningsmodus op
"OFF".
4. Schakel de alarmknipperlichten in en
zet een gevarendriehoek, zwaailicht,
enz. op een geschikte afstand van het
voertuig en laat al uw passagiers uit het
voertuig stappen.
5. Plaats wielkeggen of blokken (A)
onder het wiel schuin tegenover de te
vervangen band (B), om te voorkomen
dat het voertuig wegrolt terwijl het
wordt opgekrikt.
303) 304) 305) 306) 307) 308)
Opmerking De wielkeggen die op de
afbeelding worden weergegeven,
worden niet met uw voertuig
meegeleverd. We raden u aan
wielkeggen in uw voertuig te bewaren,
voor als u die nodig hebt.
Opmerking Als geen wielkeggen
beschikbaar zijn, gebruik dan stenen of
andere objecten die groot genoeg zijn
om het wiel op zijn plaats te houden.
6. Bereid de krik, krikhandgreep en
wielmoersleutel voor. Raadpleeg
"Gereedschap, krik en krikhandgreep".
Informatie over het reservewiel
Het reservewiel is opgeborgen onder de
vloer van het laadbed. Controleer
regelmatig de bandenspanning van het
reservewiel en zorg ervoor dat het te
allen tijde klaar is voor gebruik in
noodgevallen.Als het reservewiel op de hoogst
gespecificeerde bandenspanning wordt
gehouden, kan het altijd en onder alle
omstandigheden worden gebruikt
(stadsverkeer/rijden met hoge
snelheid/rijden met ladingen met
verschillende gewichten, enz.).
Het reservewiel verwijderen
1. Zet de krikhandgreep in elkaar.
(Anderhalve cabine) (Raadpleeg
"Gebruik van de krikhandgreep
(anderhalve cabine)".
2. Introduceer de krikhandgreep (A) in
de opening (B) onder de achterklep.
3. Breng de pen (C) op de
krikhandgreep stevig in de houder (D)
van de reservewielhouder aan.
385AHA102162
386AHA102263
235

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 60 next >