reset Hyundai Kona 2018 Handleiding (in Dutch)
Page 251 of 540
4-10
Multimediasysteem
(7) PRESET
• In de radiomodus: naar de volgende/vorige pagina met
voorkeuzezenders.
(8) INSTELLINGEN/KLOK
• Toegang tot de instellingen voor display, geluid, datum / tijd,Bluetooth, systeem en
uitschakelen display.
• Door de toets ingedrukt te houden kan de datum/tijd wordeningesteld.
(9) MENU
• Weergeven van beschikbare extra menu's op het huidige scherm.
(10) BACK
• Terug naar het vorige scherm. (11) AFSTEM knop
• Draaien om door de zenders/
muziekstukken te navigeren.
• Indrukken om een item te selecteren.
(12) [1]~ [6] (voorkeuzezenders)
• In de radiomodus: voorkeuzezenders
opslaan/afspelen.
• Selecteren/openen van op hetscherm weergegeven numerieke
menu's.
Page 256 of 540
4-15
Multimediasysteem
4
Radio
FM/AM (met RDS (indien van toepassing))
Schakelen tussen FM en AM
• Druk op de toets [RADIO] van het
audiosysteem om te schakelen tussen FM en AM.
Zenders zoeken
Druk op de toets [SEEK/TRACK]om
zenders te zoeken.
Voorkeuzezenders
Er kunnen maximaal 36 veelbeluisterde
zenders worden opgeslagen.
1. Houd het gewenste nummer van 1 tot en met 36 ingedrukt. Hierdoor
wordt de zender onder dat
nummer opgeslagen.
Als er nog niets onder dat nummer
is opgeslagen, kunt u de zender
onder dat nummer opslaan door er
simpelweg even op te drukken.
2. Druk, om een zender op te slaan onder nummer 7 of hoger, op de toets [PRESET] om de
vorige/volgende pagina te openen
en sla op.
Druk in de lijst op de gewenste
voorkeuzezender om naar deze
zender te luisteren.
Menu
Druk op de toets [MENU]en
selecteer de gewenste functie.
• Lijst: Er wordt een overzicht weergegeven van alle beschikbare
zenders op de huidige locatie van
de auto. Druk op de toets om de
gewenste zender te selecteren.
• Verkeersberichten (TA): In- of uitschakelen van de weergave van
de verkeersinformatie.
• Scannen: Elke beschikbare zender is telkens vijf seconden te horen.
• Geluidsinstellingen: Degeluidsinstellingen kunnen worden
gewijzigd.
Page 257 of 540
4-16
Multimediasysteem
DAB/FM (met DAB)
Schakelen tussen DAB/FM en AM
• Druk op de toets[RADIO]van het
audiosysteem om te schakelen
tussen DAB/FM en AM.
Zenders zoeken
Druk op de toets [SEEK/TRACK]om
zenders te zoeken.
Voorkeuzezenders
Er kunnen maximaal 36
veelbeluisterde zenders wordenopgeslagen.
1. Houd het gewenste nummer van 1 tot en met 36 ingedrukt. Hierdoor
wordt de zender onder dat
nummer opgeslagen. Als er nog
niets onder dat nummer is
opgeslagen, kunt u de zender
onder dat nummer opslaan door er
simpelweg even op te drukken.
2. Druk, om een zender op te slaan onder nummer 7 of hoger, op detoets [PRESET] om de
vorige/volgende pagina te openen
en sla op.
Druk in de lijst op de gewenste
voorkeuzezender om naar deze
zender te luisteren.
Menu
Druk op de toets [MENU]en
selecteer de gewenste functie.
• Lijst: Er wordt een overzicht weergegeven van alle beschikbare
zenders op de huidige locatie van
de auto. Druk op de toets om de
gewenste zender te selecteren.
• Verkeersberichten (TA): In- of uitschakelen van de weergave van
de verkeersinformatie.
• Regio: In- of uitschakelen van het automatisch schakelen tussen
regionale zenders.
• Geluidsinstellingen: De geluidsinstellingen kunnen worden
gewijzigd.
• Scannen: Elke beschikbare zender is telkens vijf seconden te horen.
• FM handmatig instellen: Handmatig zoeken naar
frequenties.
Page 263 of 540
4-22
Multimediasysteem
•De iPod®
nano (5e generatie) wordt
mogelijk niet herkend als de batterij
bijna leeg is. Laad hem ver genoeg
op voordat u hem gebruikt.
• De volgorde bij het zoeken of afspelen van muziekstukken op de
iPod ®
kan verschillen van de
volgorde op het audiosysteem.
• Als de iPod ®
als gevolg van een
interne storing niet werkt, reset dan
de iPod ®
(raadpleeg de handleiding
van uw iPod ®
).
• Afhankelijk van de softwareversie kan de iPod ®
mogelijk niet met het
systeem worden gesynchroniseerd.
Als de media wordt verwijderd of
losgekoppeld voordat deze is
herkend, keert het systeem mogelijk
niet terug naar de voorgaande
modus (iPod ®
kan niet worden
opgeladen).
• Andere kabels dan die van 1 meter die met iPod ®
-/iPhone ®
-producten
worden meegeleverd, worden
mogelijk niet herkend.
• Wanneer er andere muziek-apps op uw iPod ®
worden gebruikt, werkt
de synchroniseerfunctie van het
systeem mogelijk niet door een
storing in de iPod ®
-applicatie.iPod®
(1) Herhalen
Druk op de toets [1]om het herhalen
in en uit te schakelen.
(2) Willekeurige
Druk op de toets [2]om het afspelen
in willekeurige volgorde in en uit te
schakelen.
(3) Lijst
Druk op de toets [3]om een lijst van
alle muziekstukken te bekijken.
Afspelen
Sluit uw iPod ®
aan op de USB-
aansluiting, druk op de toets [MEDIA] en selecteer [iPod].
Naar een ander muziekstuk gaan
Druk op de toets [SEEK/TRACK]om
het vorige of volgende muziekstuk af te spelen. Houd de toets [SEEK/TRACK]
ingedrukt om het muziekstuk dat op
dat moment wordt afgespeeld terug
of vooruit te spoelen.
Zoek muziekstukken door aan de knop TUNE te draaien en druk op de
knop om af te spelen.
Page 277 of 540
4-36
Multimediasysteem
Bluetooth
Druk op de toets [SETUP/CLOCK]
Selecteer [Bluetooth].
• Aansluitingen: Regel het koppelen en wissen van en verbinding
maken met en het verbreken van
de verbinding met Bluetooth ®
-
apparaten.
• Prioriteit autom. Verbinding: Stel de verbindingsprioriteit in vanBluetooth ®
-apparaten wanneer de
auto wordt gestart.
• Prioriteit autom. Verbinding: Contacten kunnen worden
gedownload vanaf aangeslotenBluetooth ®
-apparaten.
• Bluetooth-spraakaanwijzigingen: Afspelen of dempen van
gesproken aanwijzingen voor het
koppelen van, verbinding maken
met en storingen in Bluetooth ®
-
apparaten. Informatie
• Wanneer gekoppelde apparaten worden gewist, worden de
oproepgeschiedenis en de contacten
van het apparaat die in het
audiosysteem zijn opgeslagen,
gewist.
• Bij Bluetooth ®
-verbindingen met
een lage verbindingsprioriteit duurt
het mogelijk even voordat de
verbinding tot stand wordt
gebracht.
• Er kunnen alleen contacten worden gedownload van het Bluetooth ®
-
apparaat dat op dat moment is
aangesloten.
• Als er geen Bluetooth ®
-apparaat is
aangesloten, kan de toets
"Contacten actualiseren" niet
worden gebruikt.
• Als Slowaaks of Hongaars de ingestelde taal is, wordt
stembegeleiding via Bluetooth niet
ondersteund.
Systeem
Druk op de toets [SETUP/CLOCK]
van het audiosysteem Selecteer [
systeem].
• Taal/Language: wijzig de taal.
• Standaard: reset het audiosysteem.
Informatie
Het systeem wordt teruggezet naar de
standaardwaarden en alle opgeslagen
gegevens en instellingen gaan
verloren.
Weergave Uit
U kunt het scherm uitschakelen
terwijl het audiosysteem in werking
is, om schitteringen te voorkomen.
Druk op de toets [SETUP/CLOCK]
van het audiosysteem Selecteer
[Weergave Uit].
Informatie
Gebruik 'Screensaver' om de
informatie in te stellen die wordt
weergegeven wanneer het systeem
wordt uitgeschakeld.
i
i
i
Page 280 of 540
5
ISG (Idle stop & go) .............................................5-51Activeren van het ISG-systeem...................................5-51
In de volgende gevallen wordt het automatisch
starten tijdelijk uitgeschakeld......................................5-54
Deactiveren van het ISG-systeem .............................5-55
Storing ISG-systeem ......................................................5-55
Deactiveren van accusensor ........................................5-55
In drive-stand geïntegreerd regelsysteem.......5-57
Blind-spot collision warning-systeem (BCW) .5-60 BCW (Blind-Spot Collision Warning-systeem) .........5-61
RCCW (Waarschuwing botsing kruisend
verkeer achterkant)........................................................5-63
Detectiesensor .................................................................5-65
Beperkingen van het system .......................................5-66
Forward collision-avoidance assist (FCA)- type
met sensorfusie (radar voor + camera voor) .5-68 Systeeminstelling en -activering.................................5-68
FCA-waarschuwingsmelding en systeemregeling...5-70
FCA-sensor .......................................................................5-72
Storing in het systeem...................................................5-74
Beperkingen van het systeem .....................................5-75 Lane keeping assist-systeem (LKA) .................5-81
Werking LKA .....................................................................5-82
Waarschuwingslampje en -melding............................5-86
Beperkingen van het systeem .....................................5-87
Wijzigen functie LKA-systeem ....................................5-88
Driver attention warning-systeem (DAW) .......5-89 Systeeminstelling en -
activering Systeeminstelling .........................................5-89
Resetten van het systeem ............................................5-90
Systeem standby .............................................................5-91
Storing in het systeem...................................................5-91
Snelheidsbegrenzingssysteem ...........................5-93 Bediening snelheidsbegrenzer .....................................5-93
Cruise control .......................................................5-95 Werking cruise control ..................................................5-95
Rijden onder speciale rijomstandigheden ......5-101 Rijden onder moeilijke omstandigheden .................5-101
Op eigen kracht lostrekken van de auto ...............5-101
Vloeiend nemen van bochten ....................................5-102
Rijden in het donker ....................................................5-102
Rijden in de regen ........................................................5-103
Doorwaden van water .................................................5-104
Rijden met hoge snelheden........................................5-104
Verkleinen van de kans op over de kop slaan ......5-104
Page 368 of 540
5-90
Rijden met uw auto
• De bestuurder kan zijn rijgedragbekijken op het LCD-display.
Het DAW-scherm verschijnt als u
de tab ASSIST-modus ( )
selecteert op het LCD-display als
het systeem geactiveerd is. (Zie
voor meer informatie “Instellingen
LCD-display” in hoofdstuk 3.)
• Het aandachtsniveau van de bestuurder wordt weergegeven op
een schaal van 1 - 5. Hoe lager het
niveau, hoe onoplettender de
bestuurder is.
• Het niveau wordt lager als de bestuurder gedurende een
bepaalde periode geen pauzeneemt. • Het niveau wordt hoger als de
bestuurder gedurende een
bepaalde periode oplettend rijdt.
• Als de bestuurder het systeem inschakelt tijdens het rijden,
worden "Vorige pauze" en het
niveau weergegeven.
Neem een pauze
• De melding "Neem een pauze"verschijnt op het LCD-display en er
klinkt een waarschuwingssignaal
om de bestuurder voor te stellen
een pauze te nemen als het
aandachtsniveau van debestuurder lager is dan 1. • Het Driver Attention Warning-
systeem (DAW) stelt de bestuurder
niet voor een pauze te nemen als
de totale reisduur korter is dan 10
minuten.
Resetten van het systeem
• Het laatste pauzetijdstip wordtingesteld op 00:00 en het
aandachtsniveau van de
bestuurder wordt ingesteld op 5
(zeer oplettend) als de bestuurder
het Driver Attention Warning-
systeem (DAW) reset.
• Het Driver Attention Warning- systeem (DAW) reset het laatste
pauzetijdstip op 00:00 en het
aandachtsniveau van de
bestuurder op 5 in de volgende
situaties.
- De motor is uitgeschakeld.
- De bestuurder maakt zijnveiligheidsgordel los en opent
vervolgens het bestuurdersportier.
- De auto staat gedurende ten minste.
• Het Driver Attention Warning- systeem (DAW) gaat weer werken
als de bestuurder weer gaat rijden.
OPDE056063
OPDE056062
■Onoplettend rijgedrag
Page 449 of 540
7
Onderhoud
7
Onderhoud
Motorruimte ............................................................7-3
Onderhoudswerkzaamheden ................................7-4Verantwoordelijkheid van de eigenaar ........................7-4
Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud
uitgevoerd door eigenaar................................................7-4
Door de eigenaar uit te voeren
onderhoudswerkzaamheden ................................7-5 Schema voor door de eigenaar uit te
voerenonderhoudswerk-zaamheden ...........................7-6
Uitleg bij onderhoudsschema ...............................7-7
Motorolie ...............................................................7-10 Motoroliepeil controleren (benzinemotor) ...............7-10
Motorolie verversen en filter vervangen..................7-12
Koelvloeistof .........................................................7-12 Controleren van het koelvloeistofpeil........................7-12
Vervangen van de koelvloeistof ..................................7-14
Rem-/koppelingsvloaeistof ................................7-15 Controle van niveau rem-/koppelingsvloeistof .......7-15
Ruitensproeiervloeistof.......................................7-16 Ruitensproeiervloeistofniveau controleren ..............7-16
Parkeerrem ...........................................................7-17 Controleer de parkeerrem ............................................7-17
Luchtfilter .............................................................7-17 Filter vervangen ..............................................................7-17 Interieurfilter ........................................................7-18
Controle filter .....................................................................718
Filter vervangen ..............................................................7-18
Ruitenwisserbladen ..............................................7-19 Controle bladen ...............................................................7-19
Vervangen van bladen ...................................................7-20
Accu .......................................................................7-22 Voor een optimale werking van de accu...................7-23
Accucapaciteitsticker .....................................................7-24
Accu opladen ....................................................................7-24
Te resetten onderdelen .................................................7-26
Banden en velgen ................................................7-26 Aandacht voor de banden ............................................7-27
Aanbevolen bandenspanning bij koude banden .....7-27
Bandenspanning controleren .......................................7-28
Wielen verwisselen .........................................................7-29
Wielen uitlijnen en balanceren ....................................7-29
Banden vervangen ..........................................................7-30
Velgen vervangen............................................................7-31
Grip .....................................................................................7-32
Onderhoud van banden .................................................7-32
Informatie op de wang van de band ..........................7-32
Banden met een kleine hoogte-/
breedteverhouding ..........................................................7-35
7
Page 474 of 540
7-26
Onderhoud
Te resetten onderdelen
De volgende onderdelen moeten nadat de accu is ontladen of na het
weer aansluiten van de accukabels
mogelijk gereset worden. • Ruit automatisch omhoog/omlaag• Schuifdak
• Tripcomputer
• Verwarmings- en ventilatiesysteem• Geheugen bestuurdersstoel• Klok
• Audiosysteem•Controleer bij het controleren
van de bandenspanning ook
altijd die van het reservewiel.
•Vervang banden die
(ongelijkmatig) versleten of
beschadigd zijn. Versletenbanden kunnen een
verminderde remwerking,
verlies van de controle over
de auto en verminderde
tractie veroorzaken.
•Vervang banden ALTIJD door
banden van dezelfde maat als
de originele banden van deze
auto. Het gebruik van eenandere dan de
voorgeschreven bandenmaat
kan een negatieve invloed
hebben op het rijgedrag en
kan ervoor zorgen dat u de
controle over de auto verliest
of kan invloed hebben op het
antiblokkeersysteem (ABS)
van uw auto, waardoor een
ernstig ongeval kan ontstaan.
BANDEN EN VELGEN
Door bandproblemen kunt u de
controle over de auto verliezen,
waardoor er een ongeval kan
ontstaan. Tref de volgende
voorzorgsmaatregelen om dekans op ERNSTIG LETSEL tebeperken:
•Controleer de bandenspan-
ning maandelijks. Controleerde banden daarnaast op
slijtage en beschadigingen.
•De aanbevolen banden-
spanning bij koude bandenstaat in dit instructieboekje enop het bandenspanningslabel
op de middenstijl aan
bestuurderszijde. Gebruikaltijd een bandenspan-ningsmeter om debandenspanning te meten.
Banden met een te hoge of
een te lage spanning slijten
ongelijkmatig, wat een
negatieve invloed op dehandling heeft.
WAARSCHUWING
Page 486 of 540
7-38
Onderhoud
7. Plaats een nieuwe zekering metdezelfde stroomsterkte en
controleer of hij stevig in de
klemmen zit. Neem contact op met
een officiële HYUNDAI-dealer als de
zekering niet goed vastzit.
Als u geen reservezekering hebt,
kunt u in een noodgeval de zekering
van een ander circuit gebruiken dat
niet nodig is om te kunnen rijden,
bijvoorbeeld van de aansteker, mits
de zekering dezelfde stroomsterkteheeft.
Controleer de zekeringkast in de
motorruimte wanneer de koplampen
of andere elektrische componenten
niet werken en de zekeringen in orde
zijn. Vervang een doorgebrande
zekering door een zekering voor
dezelfde stroomsterkte.Zekeringschakelaar
Zet de zekeringschakelaar altijd instand ON.
Als u de schakelaar in stand OFF
zet, moeten sommige onderdelen,
zoals het audiosysteem en de
digitale klok, worden gereset en
werkt de Smart Key mogelijk nietgoed. Informatie
Als de zekeringschakelaar in stand
OFF staat, verschijnt de melding
"Schakel de FUSE SWITCH in".
(indien van toepassing)
• Zet de zekeringschakelaar tijdens het rijden altijd in stand ON.
• Beweeg de zekeringschakelaar niet herhaaldelijk. De
zekeringschakelaar kan hierdoor
beschadigd raken.
AANWIJZING
i
OOS077027OPDE046119