air conditioning Lancia Thema 2012 Instructieboek (in Dutch)

Page 176 of 324

binnen één seconde nadat het huidige
nummer is begonnen.
Wanneer u de schakelaar tweemaal
naar boven of naar beneden drukt,
wordt het tweede nummer afgespeeld;
bij driemaal het derde, enz.
De drukknop midden op de tuimel-
schakelaar aan de linkerkant heeft
geen functie voor een cd-speler voor
één cd. Als de auto echter is uitgerust
met een cd-speler met cd-wisselaar,
kunt u met de middelste drukknop de
volgende beschikbare cd in de speler
selecteren.
ONDERHOUD VAN CD/DVD-SCHIJFJES
Neem de volgende voorzorgsmaatre-
gelen om uw cd's en dvd's in goede
conditie te houden:
1. Houd de cd aan de rand vast en
zorg dat u het oppervlak niet aan-raakt.
2. Als er vlekken op de cd zijn, moet u
het oppervlak met een zachte doek
schoonmaken en vegen van het mid-
den naar de richting van de rand.3. Geen papier of plakband op de cd
aanbrengen; krassen van de cd ver-mijden.
4. Gebruik geen oplosmiddelen, zoals
benzine, terpentijn, schoonmaakmid-
delen of antistatische sprays.
5. Bewaar de cd in de houder na het afspelen.
6. De cd niet aan direct zonlicht blootstellen.
7. De cd niet bewaren op een plaats
waar het te heet kan worden. OPMERKING:
Als u op problemen stuit bij het
afspelen van een bepaalde disc,
kan er sprake zijn van een bescha-
diging (bijvoorbeeld krassen, ge-
deeltelijke verwijdering van de re-
flecterende laag, een haar, vocht of
dauw op de disc). De disc kan ech-
ter ook te groot zijn of een beveili-
gingscode hebben. Probeer eerst
een goede disc af te spelen, voordat
u de cd-speler ter reparatie aan-biedt.
RADIOWEERGAVE EN
MOBIELE TELEFOONS
Onder bepaalde omstandigheden kan
een ingeschakelde mobiele telefoon in
uw auto de radio storen. Deze situatie
kunt u verhelpen door de antenne van
de mobiele telefoon te verplaatsen.
Dit probleem is niet schadelijk voor de
radio. Wanneer de radio nog steeds
niet naar tevredenheid werkt nadat de
antenne is verplaatst, is het raadzaam
de radio zachter of uit te zetten wan-
neer de mobiele telefoon in gebruik is.
KLIMAATREGELING
Het systeem voor airconditioning en
verwarming is ontworpen voor een
optimaal interieurcomfort onder alle
weersomstandigheden. Dit systeem
kan worden bediend met hetzij de be-
dieningsorganen van de automatische
klimaatregeling op het instrumenten-
paneel of via het scherm van het
Uconnect Touch™ systeem.
Wanneer het Uconnect Touch™ sys-
teem in een bepaalde modus (Radio,
Player, Settings, More, enz.) staat,
worden de temperatuurinstellingen
170

Page 177 of 324

voor de bestuurder en passagier aan
de bovenzijde van het scherm weerge-geven.
ALGEMEEN OVERZICHT
Toetsen
De toetsen bevinden zich in het mid-
den van het instrumentenpaneel on-
der het Uconnect Touch™ scherm. Schermtoetsen
Schermtoetsen bevinden zich op het
Uconnect Touch™ display.Beschrijving van de toetsen enschermtoetsen
1. AC toets
Druk deze toets kort in om de huidige
instelling van de airconditioning
(A/C) te wijzigen, het indicatielampje
brandt wanneer de A/C is ingescha-
keld (ON). Deze functie zorgt ervoor
dat de automatische werking wordt
veranderd in handmatige bediening
en dat de AUTO-indicator uitgaat.2. Recirculatieknop
Druk deze toets kort in om de huidige
instelling te wijzigen, het indicatie-
lampje brandt wanneer de functie isingeschakeld.
3. Aanjagerschakelaar
De aanjagerschakelaar wordt gebruik
om de hoeveelheid lucht te regelen,
die door het klimaatsysteem stroomt.
De schakelaar heeft zeven standen.
Als u het aanjagertoerental wijzigt,
schakelt de automatische bediening
over op handmatige bediening. Het
toerental kan als volgt met de toetsen
of schermtoetsen worden ingesteld:
Toets
Het aanjagertoerental neemt toe wan-
neer u de schakelaar vanuit de laagste
stand rechtsom draait. Het aanjager-
toerental neemt af wanneer u de scha-
kelaar linksom draait.
Automatische klimaatregeling —
toetsen
Uconnect Touch™ systeem 8.4
Automatische temperatuurregeling — schermtoetsen
171

Page 178 of 324

Schermtoets — Uconnect Touch™
systeem 8.4
Gebruik het kleine pictogram om het
aanjagertoerental te verlagen en het
grote pictogram om dit toerental te
verhogen. De aanjager kan ook wor-
den geselecteerd door op de balk van
de aanjager tussen de iconen te druk-ken.
4. Knop Ontdooien vóór
Druk kort op deze knop om in plaats
van de huidige ingestelde luchtstroom
de modus Ontdooien in te schakelen.
De indicator brandt wanneer deze
functie is ingeschakeld. Door het in-
schakelen van deze functie, schakelt
de ATC in de handbediende modus.
Wanneer de modus Ontdooien wordt
geselecteerd, kan het aanjagertoeren-
tal toenemen. Als de ontdooi modus,
voor, wordt uitgeschakeld, schakelt
de airconditioning de vorige modusin.5. Knop Ontdooien achter
Druk op deze knop om de achterruit-
verwarming en de buitenspiegelver-
warming in te schakelen (voor be-
paalde uitvoeringen/markten). Een
indicator brandt wanneer de achter-
ruitverwarming is ingeschakeld. De
achterruitverwarming wordt na onge-
veer 10 minuten automatisch uitge-schakeld.
LET OP!
Als er geen acht wordt geslagen op
deze waarschuwingen, kan er
schade optreden aan de verwar-mingselementen.
 Wees voorzichtig bij het schoon-
maken van de binnenkant van de
achterruit. Gebruik geen schu-
rende schoonmaakmiddelen om
de binnenzijde van de ruit te rei-
nigen. Gebruik een zachte doek en
een zacht zeepsopje en wrijf even-
wijdig aan de verwarmingsele-
menten. U kunt stickers verwijde-
ren met warm water.
(Vervolgd)
LET OP!(Vervolgd)
 Gebruik geen schrapers, scherpe
voorwerpen of schurende schoon-
maakmiddelen om de binnenzijde
van de ruit te reinigen.
 Zorg ervoor dat alle voorwerpen
zich op veilige afstand van de ruitbevinden.
6. Temperatuurregelknop
passagiers OMHOOG
Biedt de passagiers een onafhanke-
lijke temperatuurregeling. Druk deze
toets om de ingestelde temperatuur teverhogen. OPMERKING:
Als deze toets wordt ingedrukt ver-
andert de Sync modus automa-
tisch in exit Sync.
7. Temperatuurregelknop
passagiers OMLAAG
Biedt de passagiers een onafhanke-
lijke temperatuurregeling. Druk deze
toets om de ingestelde temperatuur teverlagen.
172

Page 180 of 324

Vloermodus
Er stroomt lucht naar binnen
via de roosters in de vloer. Een
geringe hoeveelheid lucht
stroomt via de openingen voor
voorruit- en zijruitontwaseming.  Mix modus
De lucht stroomt via de vloer-
openingen en de roosters voor
ontwaseming van voor- en zij-
ruiten. Deze ventilatiestand kunt u
het beste gebruiken bij koud weer of
sneeuw.  Stand ontdooien/ontwasemen
De lucht stroomt via de roosters
voor ontwaseming van de voor-
en zijruiten. Gebruik de ont-
dooimodus met maximale tempera-
tuursinstelling om zo snel mogelijk de
voorruit en de zijruiten te ontdooien.
Wanneer de modus Ontdooien wordt
geselecteerd, kan het aanjagertoeren-
tal toenemen. 13. SYNC
Druk op de schermtoets Sync om te
schakelen tussen Sync functie aan en
uit. De Sync indicator brandt wan-
neer deze functie is ingeschakeld.
Sync wordt gebruikt om de tempera-
tuurinstelling aan passagierszijde en
achterin te synchroniseren met die
aan bestuurderszijde. Als de tempera-
tuurinstelling aan passagierszijde
wordt gewijzigd terwijl Sync actief is,
zal deze functie automatisch wordenuitgeschakeld.
FUNCTIES VAN DE
KLIMAATREGELING
A/C (airconditioning)
Met de toets voor de airconditioning
(A/C) kan de gebruiker het aircondi-
tioningsysteem handmatig in- of uit-
schakelen. Als de airconditioning is
ingeschakeld, stroomt via de lucht-
roosters koele, droge lucht de cabine
in. Druk voor een lager brandstofver-
bruik op de A/C toets om de aircondi-
tioning uit te schakelen en stel met de
hand de het toerental van de aanjager
en luchtverdeling in.OPMERKING:
 Wanneer zich wasem of condens
vormt op de voorruit of zijra-
men, kiest u de ontdooimodus
en verhoogt u de aanjagersnel-heid.
 Als de airco niet zo goed werkt als u verwacht, controleert u of
de voorzijde van de airco-
condensor (vóór de radiator) is
verstopt door vuil of insecten.
Maak schoon door voorzichtig
water te spuiten vanaf de achter-
zijde van de radiator en door de
condensor heen. Beschermhoe-
zen kunnen de luchtstroom door
de condensor hinderen, waar-
door de prestaties van de airco
terug kunnen lopen.
Recirculatie Wanneer de buitenlucht
rook, onprettige luchtjes of
veel vocht bevat, of wan-
neer een snelle koeling ge-
wenst is, kunt u de binnenlucht laten
circuleren door de recirculatietoets in
te drukken. Wanneer deze toets gese-
lecteerd is brandt de recirculatie-174

Page 182 of 324

andere snelheid wordt gekozen. Zo
kunnen de voorste inzittenden de
luchthoeveelheid regelen die in het
voertuig circuleert en de "AUTO"
modus opheffen.
De gebruiker kan ook de richting van
de luchtstroom kiezen door een van de
beschikbare modi in te stellen. De
werking van de A/C en luchtrecircu-
latie kan ook handmatig worden ge-
selecteerd in Manual operation.
AANWIJZINGEN VOOR BEDIENING OPMERKING:
Zie de tabel aan het eind van dit
hoofdstuk voor de juiste instellin-
gen voor de verschillende weers-omstandigheden.
Rijden in de zomer
Het motorkoelsysteem in auto's met
airconditioning moet worden be-
schermd met een antivriesmiddel van
uitstekende kwaliteit om een goede
bescherming te bieden tegen roestvor-
ming en oververhitting van de motor.
Een oplossing van 50% ethyleenlycol
(antivries) en 50% water wordt aan-
bevolen. Raadpleeg "Onderhouds-procedures" in het onderhoudsboekje
van uw auto voor het kiezen van de
juiste koelvloeistof.
Rijden in de winter
Het gebruik van de circulatiefunctie
tijdens de wintermaanden is af te ra-
den, daardoor kunnen de ruiten ge-
makkelijk beslaan. Stalling
Wanneer u de auto stalt, of minstens
twee weken lang niet meer gebruikt
(bijv. bij vakantie), laat het aircosys-
teem dan bij stationair toerental vijf
minuten lang draaien in de buiten-
lucht bij een hoge aanjagersnelheid.
Zo krijgt het systeem voldoende sme-
ring en is de kans op schade aan de
aircocompressor miniem wanneer u
het systeem weer start. Ruitontwaseming
Het beslaan van de voorruit aan de
binnenzijde is snel te verhelpen door
de keuzeschakelaar op Ontwasemen
te zetten. Met de stand Ontwasemen/
Vloerventilatie kunt u de voorruit hel-
der houden en daarnaast zorgen voor
voldoende verwarming. Als u last
krijgt van beslagen zijruiten, kunt u
de aanjagersnelheid verhogen. Bij
zacht maar regenachtig of vochtig
weer kunnen de autoruiten aan de
binnenzijde gemakkelijk beslaan. OPMERKING:
 Circulatie van lucht zonder air-
conditioning mag niet lang wor-
den gebruikt, omdat dan de rui-
ten kunnen beslaan.
 De automatische klimaatrege- ling (ATC) past automatisch de
klimaatinstellingen aan om het
beslaan van de voorruit te ver-
minderen of te voorkomen.
Luchtinlaat buiten
Zorg dat de luchtinlaat, pal voor de
voorruit, niet wordt verstopt door
achtergebleven bladeren e.d. Wan-
neer bladeren achterblijven in de
luchtinlaat wordt de luchtstroming
belemmerd; wanneer ze in de lucht-
kamer terechtkomen kunnen de wa-
terafvoeren verstopt raken. Zorg in de
wintermaanden dat de luchtinlaat
niet wordt afgedekt door ijs of sneeuw.
176

Page 242 of 324

Koelsysteem
Doe het volgende om het risico op
oververhitting van de motor of de ver-
snellingsbak te beperken:
Rijden in stadsverkeer
Als u regelmatig kort stilstaat, zet dan
de versnellingsbak in neutraal en ver-
hoog het stationair toerental.
Rijden op de snelweg
Minder snelheid.
Airco
Schakel de airconditioning tijdelijkuit. TREKHAAKBEVESTIGING
Uw auto heeft extra apparatuur nodig
om veilig en efficiënt een aanhanger te
kunnen trekken. De trekhaak moet
aan uw auto zijn bevestigd met be-
hulp van de speciale bevestigingspun-
ten aan het autochassis. In de vol-
gende afbeelding ziet u de correcte
bevestigingspunten. Andere appara-
tuur, zoals stabilisatoren, hulprem-
men en extra brede spiegels, zijn
eveneens verplicht, of worden in ieder
geval ten zeerste aanbevolen.
Bevestigingspunten trekhaak enoverhanglengte
A 638,9 mm
B 746,1 mm
C 831,1 mm
D (max. over- hang) 1161,5 mm
E 535,3 mm
F 520,3 mm
SLEPEN ACHTER EEN CAMPER
Slepen achter een camper (met vier
wielen aan de grond of met een dolly)is NIET TOEGESTAAN . Dit voertuig
mag alleen gesleept worden (achter
een ander voertuig) op een aanhang-
wagen met alle vier de wielen VANde
grond.
LET OP!
Wanneer dit voertuig in strijd met de
bovenvermelde voorschriften wordt
getrokken, kan er ernstige beschadi-
ging van de versnellingsbak optre-
den. Dergelijke schade wordt niet
gedekt door de beperkte garantie
van een nieuw voertuig.
236

Page 265 of 324

7
ONDERHOUD VAN UW AUTO
 MOTORCOMPARTIMENT — 3,6 L . . . . . . . . . . . 262
 MOTORCOMPARTIMENT — 3,0L DIESEL . . . . . 263
 BOORDDIAGNOSESYSTEEM — OBD II . . . . . . . 264
 VERVANGINGSONDERDELEN . . . . . . . . . . . . . 264
 ONDERHOUDSPROCEDURES . . . . . . . . . . . . . . 264  MOTOROLIE – BENZINEMOTOR . . . . . . . . . . 265
 MOTOROLIE – DIESELMOTOR . . . . . . . . . . . 265
 SYNTHETISCHE MOTOROLIE . . . . . . . . . . . 265
 ADDITIEVEN VOOR MOTOROLIE . . . . . . . . . 266
 AFVOEREN VAN AFGEWERKTEMOTOROLIE EN FILTERS . . . . . . . . . . . . . . . 266
 Motoroliefilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 266
 LUCHTREINIGINGSFILTER BENZINEMOTOR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 266
 ONDERHOUDSVRIJE ACCU . . . . . . . . . . . . . 266
 ONDERHOUD VAN DE AIRCONDITIONING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 267
 Aircoluchtfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 268
 SMEREN VAN CARROSSERIEDELEN . . . . . . 269
 WISSERBLADEN VOORRUITWISSERS . . . . . 269
 RUITENSPROEIERVLOEISTOF BIJVULLEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 270
259

Page 273 of 324

OPMERKING:
De accu bevindt zich onder een
deksel in de kofferruimte. Om de
auto met een hulpaccu te starten,
bevinden zich in de motorruimte
extra aansluitklemmen.WAARSCHUWING!
 Accuvloeistof is een gevaarlijkecorrosieve vloeistof die brand-
wonden of zelfs blindheid kan
veroorzaken. Zorg dat uw ogen,
huid en kleding niet in contact
komen met het accuzuur. Leun
niet over de accu terwijl u de
klemmen aansluit. Wanneer accu-
zuur in de ogen of op de huid spat,
spoel dan onmiddellijk met een
ruime hoeveelheid schoon water.
(Vervolgd)
WAARSCHUWING!(Vervolgd)
 Accugas is brandbaar en explo-
sief. Houd vuur en vonken uit de
buurt van de accu. Gebruik geen
hulpaccu of andere stroombron
van meer dan 12 volt. Zorg dat de
kabelklemmen elkaar niet raken.
 Accupolen en bijbehorende acces-
soires bevatten lood en loodhou-
dende stoffen. Was uw handen na
het werken met accu’s.
 De accu van deze auto is voorzien
van een ontluchtingsslang die niet
mag worden losgekoppeld. De
accu mag alleen door een accu van
hetzelfde type (met ontluchting)
worden vervangen.
LET OP!
 Let er bij het aansluiten van deaccukabels op dat de pluskabel op
de pluspool (+) en de minkabel op
de minpool (-) aangesloten wor-
den. De aansluitpolen zijn gemar-
keerd als positief (+) en negatief
(-) op de accubehuizing. De ka-
belklemmen moeten stevig op de
aansluitpolen zitten en mogen
geen corrosie vertonen.
 Wanneer u een snellader gebruikt
terwijl de accu nog in de auto zit,
koppel dan beide accukabels los
voordat u de lader op de accu
aansluit. Gebruik een snellader
nooit als starthulp.
ONDERHOUD VAN DE AIRCONDITIONING
Voor optimale prestaties kunt u het
aircosysteem het best laten controle-
ren door een erkende dealer aan het
begin van het zomerseizoen. Bij deze
onderhoudsbeurt moeten ook de con-
densorribben worden gereinigd en
moet een bedrijfstest worden uitge-
voerd. Laat ook de spanning van de
aandrijfriem controleren.
Accu, locatie
267

Page 274 of 324

LET OP!
Spoel het systeem van de airconditi-
oning niet met chemicaliën, omdat
daardoor de onderdelen van de air-
conditioning beschadigd kunnen ra-
ken. Dergelijke schade wordt niet
gedekt door de beperkte garantie
van een nieuw voertuig.WAARSCHUWING!
 Gebruik voor uw airco uitsluitenddoor de fabrikant goedgekeurde
compressorsmeermiddelen en
koelmiddelen. Sommige niet-
goedgekeurde koelmiddelen zijn
ontvlambaar, kunnen ontploffen
en ernstig letsel veroorzaken. An-
dere niet-goedgekeurde koelmid-
delen of smeermiddelen kunnen
de werking verstoren en hoge re-
paratiekosten veroorzaken.
(Vervolgd)
WAARSCHUWING!(Vervolgd)
 Het aircosysteem bevat een koel-
vloeistof onder hoge druk. Om
persoonlijk letsel of schade aan
het systeem te voorkomen mag
het bijvullen van koelmiddel, of
andere reparaties waarbij leidin-
gen moeten worden losgekoppeld,
alleen worden uitgevoerd door een
vakbekwame en speciaal opge-
leide monteur.
Koelmiddel terugwinnen enhergebruiken
Het airconditioningsysteem van uw
auto bevat R-134a, een koelmiddel
dat de ozonlaag in de bovenste atmo-
sfeer niet aantast. De fabrikant advi-
seert om het onderhoud aan het air-
conditioningsysteem te laten
uitvoeren door een erkende dealer of
een bedrijf dat beschikt over een in-
stallatie om het koelmiddel op te van-
gen en te recycleren. OPMERKING:
Gebruik alleen vloeibare afdich-
tingsmiddelen voor aircosyste-
men, producten voor het stoppen
van lekken, afdichtingsconditio- ners, compressorolie of koelmid-
delen die goedgekeurd zijn door
de fabrikant. Aircoluchtfilter
Het filter bevindt zich in de luchtin-
laat onder de motorkap, achter een
verwijderbaar paneel in de kap aan de
passagierskant van de auto, naast de
ruitenwissers. Let bij het aanbrengen
van een nieuwe filter op de correctemontagerichting.
1. Verwijder de toegangsklep door de
borgklemmen in te drukken.
2. Maak de beide uiteinden los en til
het filterdeksel op.
Toegangsklep
268

Page 281 of 324

Als de koelvloeistof (antivries) moet
worden bijgevuld, doet u dit via de
vulopening van het expansiereservoir.
Vul nooit te veel vloeistof bij.
VoorzorgsmaatregelenOPMERKING:
Wanneer u na enkele kilometers
de auto tot stilstand brengt, ziet u
mogelijk waterdamp opstijgen
vanuit de voorzijde van het motor-
ruimte. Dit is meestal het gevolg
van een hoge luchtvochtigheid, of
van regen of sneeuw die op de ra-
diator is achtergebleven en ver-
dampt wanneer de thermostaat-
klep opengaat, zodat er hete
koelvloeistof (antivries) in de radi-
ator kan stromen.
Wanneer bij een inspectie van de mo-
torruimte blijkt dat de radiator en de
slangen geen defecten vertonen, kunt
u gerust met de auto gaan rijden. De
damp zal snel verdwijnen.
 Vul niet te veel vloeistof bij in hetexpansiereservoir.
 Controleer het koelvloeistofgehalte (antivriesgehalte) in de radiator en
in het expansiereservoir. Als de koelvloeistof (antivries) moet wor-
den bijgevuld, moet ook de inhoud
van het expansiereservoir worden
beschermd tegen bevriezing.
 Als u regelmatig koelvloeistof (an- tivries) moet bijvullen of het vloei-
stofpeil in het expansiereservoir
niet daalt wanneer de motor af-
koelt, moet het koelsysteem door
middel van een druktest op lekkage
worden gecontroleerd.
 Zorg altijd voor een concentratie van minimaal 50% motorkoelvloei-
stof (antivries) en gedistilleerd wa-
ter, voor optimale corrosiebescher-
ming van de aluminium onderdelen
van uw motor.
 Controleer of de overloopslangen van de radiator en het expansiere-
servoir niet gedeukt of geblokkeerdzijn.
 Houd de voorzijde van de radiator schoon. Als uw auto is uitgerust met
airconditioning, reinigt u de voor-
zijde van de condensor.
 Vervang nooit de thermostaat voor een zomer- of wintertype. Wanneer
vervanging noodzakelijk is, mag UITSLUITEND het gespecificeerde
type thermostaat worden inge-
bouwd. Andere typen kunnen lei-
den tot onvoldoende prestaties van
de koelvloeistof (antivries), een ho-
ger brandstofverbruik en hogere
emissiewaarden.
REMSYSTEEM
Om altijd optimale remprestaties te
waarborgen, moeten alle onderdelen
van het remsysteem regelmatig wor-
den gecontroleerd. Raadpleeg "On-
derhoudsschema" voor de juiste on-derhoudsintervallen.
WAARSCHUWING!
Rijden met ‘slippend rempedaal’ is
gevaarlijk en kan ongevallen veroor-
zaken. Rijden met de voet op het
rempedaal veroorzaakt abnormaal
hoge remtemperaturen, verhoogt de
slijtage van de remblokken en kan
leiden tot het uitvallen van het rem-
systeem. Dan heeft u in noodgeval-
len niet het volledige remvermogen
tot uw beschikking.
275

Page:   1-10 11-20 next >