sport mode MAZDA MODEL 6 2017 Handleiding (in Dutch)

Page 199 of 842

4–20
Tijdens het rijden
Motor start/stop
OPMERKING
De keuzehendel wordt bediend terwijl de motor is gestopt (automatische transmissie)
Als de motor gestopt is en de keuzehendel vanuit de stand D of M (niet in blokkeermodus
voor tweede versnelling) verplaatst wordt naar de stand N of P, herstart de motor niet
wanneer het rempedaal wordt losgelaten. De motor herstart als het rempedaal nogmaals
wordt ingetrapt of de keuzehendel naar de stand D, M (niet in blokkeermodus voor tweede
versnelling) of R wordt verplaatst. (Houd met het oog op de veiligheid wanneer de motor
gestopt is tijdens het verplaatsen van de keuzehendel altijd het rempedaal ingetrapt.)
 
 (Europees model)  Als de keuzehendel vanuit de stand D of M (niet in blokkeermodus voor tweede
versnelling) naar de stand N of P wordt verplaatst en de veiligheidsgordel van de
bestuurder wordt losgemaakt en het bestuurdersportier wordt geopend, herstart de
motor niet. Start de motor met behulp van de normale methode.
  (Behalve Europees model)  Als de keuzehendel vanuit de stand D of M (niet in blokkeermodus voor tweede
versnelling) naar de stand N of P wordt verplaatst en de veiligheidsgordel van de
bestuurder wordt losgemaakt en het bestuurdersportier wordt geopend, herstart de
motor.

De accupolen zijn losgekoppeld
Het is mogelijk dat vlak na het loskoppelen van de accupolen de motor niet meteen
wordt gestopt. Ook als de accu wordt vernieuwd moeten de i-stop functies gecontroleerd
worden. Raadpleeg een deskundige reparateur, bij voorkeur een of¿ ciële Mazda
reparateur.


Page 203 of 842

4–24
Tijdens het rijden
Motor start/stop
i-stop waarschuwingslampje (Oranje)/i-stop indicatielampje (Groen)

Voor een veilig en comfortabel gebruik van de auto controleert het i-stop systeem
constant de handelingen van de bestuurder, de omgeving binnen en buiten de auto,
alsmede de bedrijfstoestand van de auto en informeert met behulp van het i-stop
waarschuwingslampje (oranje) en het i-stop indicatielampje (groen) de bestuurder over
diverse voorzorgsmaatregelen en waarschuwingen.
OPMERKING
Bij voertuigen uitgerust met de middendisplay, wordt de bedrijfstoestand van het i-stop
systeem getoond in de brandstofverbruikcontroledisplay.
Zie Bedrijfstoestanddisplay op pagina 4-119 .
i-stop waarschuwingslampje (oranje)
Wanneer het lampje brandt
 




 Het lampje gaat branden wanneer het contact op ON wordt gezet en gaat uit wanneer de
motor gestart wordt.
 


 Het lampje gaat branden wanneer de i-stop OFF schakelaar wordt ingedrukt en het
systeem wordt uitgeschakeld.
 


 Het lampje gaat branden als de motor gestopt is en de volgende handelingen worden
uitgevoerd. In dergelijke gevallen herstart de motor om veiligheidsredenen niet
automatisch. Start de motor met behulp van de normale methode.
 

 
 De motorkap geopend wordt.


 
 (Europees model) 
 De veiligheidsgordel van de bestuurder is losgemaakt en het bestuurdersportier wordt
geopend.
 

 
 (Behalve Europees model) 


 
 (Handgeschakelde versnellingsbak) 
 Wanneer de versnellingshendel in een andere stand dan neutraal staat, de
veiligheidsgordel van de bestuurder wordt losgemaakt en het bestuurdersportier wordt
geopend.
 

 
 (Automatische transmissie) 
 Wanneer de keuzehendel in de stand D of M (niet in blokkeermodus voor tweede
versnelling) staat, de veiligheidsgordel van de bestuurder wordt losgemaakt en het
bestuurdersportier wordt geopend.





Page 204 of 842

4–25
Tijdens het rijden
Motor start/stop
OPMERKING
De volgende gevallen kunnen duiden op een storing in het systeem. Laat uw auto bij een
deskundige reparateur, bij voorkeur een of¿ ciële Mazda reparateur controleren.


 Het lampje gaat niet branden wanneer het contact op ON wordt gezet. 
 Het lampje blijft branden ook al is tijdens het draaien van de motor de i-stop OFF
schakelaar ingedrukt.
Wanneer het lampje knippert
Het lampje blijft knipperen als er een defect in het systeem is. Laat uw auto bij een
deskundige reparateur, bij voorkeur een of¿ ciële Mazda reparateur controleren.
i-stop indicatielampje (groen)
Wanneer het lampje brandt
 




 Het lampje gaat branden wanneer de motor gestopt is en gaat uit wanneer de motor
herstart.
 


 (Behalve Europees model) 
 Het lampje gaat branden wanneer tijdens het rijden aan de voorwaarden voor het stoppen
van de motor is voldaan.

Wanneer het lampje knippert
 




 (Handgeschakelde versnellingsbak) 
 Het lampje knippert wanneer de motor gestopt is en de keuzehendel naar een andere stand
dan neutraal wordt verplaatst om de bestuurder erop te attenderen dat de motor gestopt is.
  Door het intrappen van het koppelingspedaal herstart de motor automatisch en het lampje
gaat uit.
 


 (Europees model) 
 Het lampje knippert wanneer de motor gestopt is en het bestuurdersportier wordt geopend
om de bestuurder erop te attenderen dat de motor gestopt is. Het lampje gaat uit wanneer
het bestuurdersportier gesloten wordt.
 


 (Behalve Europees model) 


 
 (Automatische transmissie) 
 Het lampje knippert als de auto tot stilstand wordt gebracht maar het rempedaal niet met
voldoende kracht wordt ingetrapt. Trap het rempedaal wat krachtiger in aangezien de
pedaalkracht mogelijk onvoldoende is.




Page 261 of 842

4–82
Tijdens het rijden
Schakelaars en regelaars
*Bepaalde modellen.
Zonder automatische verlichtingsregeling



Schakelaarstand
Contactstand ON ACC of
OFF O N ACC of
OFF O N ACC of
OFF
Koplampen Uit Uit Uit Uit Aan Uit
Dagverlichting
* A a n *1 Uit Uit Uit Uit Uit
Achterlichten
Positielampen
Kentekenplaatlampen Uit Uit Aan Aan Aan Aan
*2
*1 Tijdens het rijden wordt de verlichting ingeschakeld.
*2 Wanneer de verlichting is ingeschakeld blijft deze branden als het contact vanuit ON in een andere stand
wordt gezet. De verlichting wordt uitgeschakeld wanneer het bestuurdersportier wordt geopend of als na het
inschakelen van de verlichting 30 seconden zijn verstreken.




Page 262 of 842

4–83
Tijdens het rijden
Schakelaars en regelaars
*Bepaalde modellen.
Met automatische verlichtingsregeling



Schakelaarstand
Contactstand ON ACC of
OFF O N ACC of
OFF O N ACC of
OFF O N ACC of
OFF
Koplampen Uit Uit
Automatisch *2 Uit Uit Uit Aan Uit
Dagverlichting * A a n *1 Uit Aan *3 Uit Uit Uit Uit Uit
Achterlichten
Positielampen
Kentekenplaatlampen Uit Uit
Automatisch *2 Automatisch *4 Aan Aan Aan Aan *4
*1 Tijdens het rijden wordt de verlichting ingeschakeld.
*2 De verlichting wordt ingeschakeld door de automatische verlichtingsfunctie.
*3 De verlichting wordt ingeschakeld wanneer de auto rijdt en gaat uit wanneer de koplampen door de
automatische verlichtingsfunctie worden ingeschakeld.
*4 Wanneer de verlichting is ingeschakeld blijft deze branden als het contact vanuit ON in een andere stand
wordt gezet. De verlichting wordt uitgeschakeld wanneer het bestuurdersportier wordt geopend of als na het
inschakelen van de verlichting 30 seconden zijn verstreken.




Page 302 of 842

4–123
Tijdens het rijden
Drive-selectie
*Bepaalde modellen.
Drive-selectie *
Drive-selectie is een systeem dat de drive-stand van de auto overschakelt. Wanneer de
sportstand is geselecteerd, geeft de auto bij de bediening van het gaspedaal een krachtigere
respons. Dit zorgt voor een extra snelle acceleratie, wat nodig kan zijn voor het veilig
uitvoeren van manoeuvres zoals het wisselen van rijbaan, het oprijden van snelwegen of het
inhalen van andere voertuigen.
OPGELET
Gebruik de sportstand niet bij het rijden op gladde wegen zoals natte of met sneeuw
bedekte wegen. Dit kan slippen van de banden veroorzaken.
OPMERKING
  Wanneer de sportstand wordt geselecteerd, wordt er met hogere motortoerentallen
gereden wat kan leiden tot een hoger brandstofverbruik. Mazda raadt aan dat u bij
normaal rijden de sportstand uitschakelt.
  Onder de volgende omstandigheden kan de drive-stand niet worden overgeschakeld: 



 ABS/TCS/DSC is in bedrijf



 Het Mazda Radar Cruise Control (MRCC) systeem/kruissnelheidsregelaar is
ingeschakeld.
 


 Het stuurwiel wordt abrupt gedraaid.


Page 304 of 842

4–125
Tijdens het rijden
i-ACTIV AWD
*Bepaalde modellen.
i-ACTIV AWD werking *
Het 4WD systeem zorgt voor uitstekende
rijeigenschappen op wegen die met
sneeuw of ijs overdekt zijn, bij het rijden
door zand en modder, alsmede bij het
rijden op steile hellingen of op overige
gladde ondergrond.
Systeemdefecten of bedrijfstoestanden
worden aangeduid door een
waarschuwing.
Zie Waarschuwingsindicatie/
waarschuwingslampjes op pagina 4-55 .
WAARSCHUWING
Laat nooit een wiel doorspinnen dat
niet met de grond in aanraking is:
Het laten doorspinnen van een wiel
dat niet met de grond in aanraking
is doordat de auto vast is komen te
zitten of in een greppel is geraakt, is
gevaarlijk. Het aandrijfaggregaat kan
ernstig beschadigd worden, hetgeen
tot een ongeluk kan leiden of zelfs
oververhitting, olielekkage en brand
kan veroorzaken.
Rijden met 4WD
Deze auto is niet bestemd voor off-road
rijden of voor het rijden van rally's.
Probeer niet over oneffen of met stenen
overdekt terrein te rijden of riviertjes te
doorwaden.
Alhoewel deze auto uitgerust is met 4WD,
dient het accelereren, de besturing en het
gebruik van de remmen op dezelfde wijze
plaats te vinden als bij een auto die niet
over 4WD beschikt en dient de nadruk
steeds op veilig rijden gericht te zijn.
Banden en sneeuwkettingen
De toestand van de banden is van grote
invloed op de prestaties van de auto.
Bovendien dient u ter voorkoming van
beschadiging van het aandrijfmechanisme
op de volgende punten te letten:
Banden
 




 Bij het vernieuwen van banden dienen
altijd alle voor- en achterbanden
tegelijkertijd vernieuwd te worden.
 


 Alle banden dienen van dezelfde maat,
constructie en fabricage te zijn en dienen
hetzelfde pro¿ elpatroon te hebben.
Besteed speciale aandacht bij het
monteren van sneeuwbanden of andere
soorten winterbanden.
 


 Gebruik geen banden waarvan het
pro¿ el versleten is tezamen met normale
banden.
 


 Inspecteer de luchtdruk van de banden
bij de voorgeschreven intervallen,
stel deze af op de voorgeschreven
bandenspanning en initialiseer het
bandenspanningcontrolesysteem.
  Zie Initialiseren van het
bandenspanningcontrolesysteem op
pagina 4-252 .

OPMERKING
Controleer voor de correcte
bandenspanning het
bandenspanningslabel dat aan het frame
van het bestuurdersportier bevestigd is.
 


 Zorg ervoor dat de auto uitgerust is
met de oorspronkelijke velgen van de
voorgeschreven maat, op alle wielen.
Bij 4WD is het systeem gecalibreerd
met als uitgangspunt dat alle vier wielen
dezelfde afmetingen hebben.



Page 619 of 842

5–162
Interieurvoorzieningen
Interieuruitrusting
*Bepaalde modellen.
Instapverlichtingssysteem
Wanneer het instapverlichtingssysteem
in werking is, gaat de plafondverlichting,
de instapverlichtingen en de
omgevingsverlichting
* onder de volgende
omstandigheden branden:
 
 Het bestuurdersportier is ontgrendeld
nadat het contact op OFF is gezet.
 

 Het contact is op OFF gezet terwijl alle
portieren gesloten zijn.
 





OPMERKING

 (Plafondlampen)  Het systeem van de
instapverlichting werkt wanneer de
plafondverlichtingschakelaar in de
stand DOOR staat.
  De verlichtingstijd verschilt
afhankelijk van het gebruik.
  Accubesparing  Als het contact op OFF is gezet en
een interieurverlichting is blijven
branden, gaat de verlichting na
ongeveer 30 minuten automatisch
uit om uitputting van de accu te
voorkomen.
  De werking van het systeem van
de instapverlichting kan gewijzigd
worden.
 Zie Gebruikersinstellingen op pagina
9-15 .
Stekkerbussen voor
accessoires
Gebruik uitsluitend originele Mazda
accessoires of daaraan gelijkwaardige met
een stroomverbruik van niet meer dan 120
W (12 V gelijkstroom, 10 A).
Het contact dient op ACC of ON te staan.
Voor


Midden




Page 763 of 842

7–46
Als er zich een probleem voordoet
Waarschuwings-/indicatielampjes en waarschuwingszoemers
*Bepaalde modellen.
Signaal Waarschuwing


(Oranje)
K E Y
waarschuwingsindicatie
* “Storing in Keyless systeem” wordt getoond
Dit bericht wordt getoond als er een probleem is met de geavanceerde afstandbediende
portiervergrendeling & startdrukknopsysteem.
Raadpleeg een deskundige reparateur, bij voorkeur een of¿ ciële Mazda reparateur.
OPGELET
Als het bericht wordt aangegeven of het startdrukknopindicatielampje (oranje)
knippert, bestaat de kans dat de motor niet start. Als de motor niet gestart kan
worden, deze proberen te starten met behulp van de noodprocedure voor het starten
van de motor en de auto zo spoedig mogelijk door een deskundige reparateur, bij
voorkeur een of¿ ciële Mazda reparateur laten inspecteren.
Zie Noodbediening voor het starten van de motor op pagina 4-13 .
“Zet contactslot op UIT” wordt getoond
Dit bericht wordt getoond wanneer het bestuurdersportier wordt geopend zonder het
contact uit te zetten.
“Sleutel niet gevonden” wordt getoond
Dit bericht wordt getoond wanneer een van de volgende handelingen wordt uitgevoerd
wanneer de sleutel buiten het werkingsbereik is of zich op plaatsen in de cabine bevindt
waar de sleutel moeilijk bespeurd kan worden.
De startdrukknop wordt ingedrukt terwijl het contact uit staat
Het contact wordt aan gezet
Alle portieren zijn gesloten zonder dat het contact is uitgezet

(Rood)
(Brandt)
K E Y
waarschuwingslampje
* In het geval van een defect in het afstandbediende portiervergrendelingssysteem, gaat
het lampje continu branden.
OPGELET
Als het sleutelwaarschuwingslampje brandt of het startdrukknopindicatielampje
(oranje) knippert, bestaat de kans dat de motor niet start. Als de motor niet gestart
kan worden, deze proberen te starten met behulp van de noodprocedure voor
het starten van de motor en de auto zo spoedig mogelijk door een deskundige
reparateur, bij voorkeur een of¿ ciële Mazda reparateur laten inspecteren.
Zie Noodbediening voor het starten van de motor op pagina 4-13 .

Beveiligingssysteemindicatielampje
Als de motor niet met de correcte sleutel gestart kan worden en het
beveiligingssysteemindicatielampje blijft branden of knipperen, het volgende proberen:
Zorg er voor dat de sleutel zich binnen het werkingsbereik voor signaaloverdracht
bevindt. Zet het contact uit en start vervolgens de motor opnieuw. Neem contact op met
een deskundige reparateur, bij voorkeur een of¿ ciële Mazda reparateur indien de motor
na 3 pogingen of meer niet start.


Page 775 of 842

7–58
Als er zich een probleem voordoet
Waarschuwings-/indicatielampjes en waarschuwingszoemers
*Bepaalde modellen.
Waarschuwingszoemer voor
veiligheidsgordel
V o o r z i t t i n g
Als de rijsnelheid hoger is dan ongeveer
20 km/h en de veiligheidsgordel
van de bestuurder of voorpassagier
niet is vastgemaakt, klinkt continu
een waarschuwingspieptoon. Als
de veiligheidsgordel dan nog niet is
vastgemaakt, zal de pieptoon eenmaal
stoppen en dan gedurende ongeveer
90 seconden doorgaan. De pieptoon
stopt nadat de veiligheidsgordel van de
bestuurder of voorpassagier is vastgemaakt.
OPMERKING
  Door het plaatsen van
zware voorwerpen op de
voorpassagierszitting kan de
veiligheidsgordelwaarschuwingsfunctie
van de voorpassagierszitting
geactiveerd worden, afhankelijk van het
gewicht van het voorwerp.
  Geen extra zitkussen op de
voorpassagierszitting plaatsen en
gebruiken om er voor te zorgen dat
de voorpassagiergewichtsensor juist
kan functioneren. De kans bestaat
dat de sensor niet goed functioneert
omdat het extra zitkussen de werking
van de sensor zou kunnen hinderen.
  Wanneer een klein kind op
de voorpassagierszitting
zit, is het mogelijk dat de
waarschuwingszoemer niet werkt.
Achterzitting
*
De waarschuwingszoemer klinkt enkel als
een veiligheidsgordel wordt losgemaakt
nadat deze is vastgemaakt.
Waarschuwingszoemtoon voor
niet-uitgeschakeld contact (STOP)
Europese modellen
Als het bestuurdersportier geopend wordt
terwijl het contact op ACC staat, klinkt er
6 maal een pieptoon in het interieur om
de bestuurder op de hoogte te stellen dat
het contact niet op OFF (STOP) is gezet.
In deze toestand zal het afstandbediende
portiervergrendelingssysteem niet
functioneren, kan het voertuig niet
vergrendeld worden en zal de accu
uitgeput raken.
Behalve Europese modellen


Als het bestuurdersportier geopend wordt
terwijl het contact op ACC staat, klinkt er
continu een pieptoon in het interieur om
de bestuurder op de hoogte te stellen dat
het contact niet op OFF (STOP) is gezet.
In deze toestand zal het afstandbediende
portiervergrendelingssysteem niet
functioneren, kan het voertuig niet
vergrendeld worden en zal de accu
uitgeput raken.


Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 next >