alarm MAZDA MODEL 6 2017 Handleiding (in Dutch)

Page 148 of 842

3–59
Alvorens te gaan rijden
Beveiligingssysteem
*Bepaalde modellen.
Buiten werking stellen
Het systeem wordt buiten werking
gesteld wanneer het contact met behulp
van de correcte geprogrammeerde
sleutel op ON gezet wordt. Het
beveiligingssysteemindicatielampje gaat
gedurende ongeveer 3 seconden branden
en gaat dan uit. Als de motor niet met de
correcte sleutel gestart kan worden en
het beveiligingssysteemindicatielampje
blijft branden of knipperen, het volgende
proberen:
Zorg er voor dat de sleutel zich binnen het
werkingsbereik voor signaaloverdracht
bevindt. Zet het contact uit en start
vervolgens de motor opnieuw. Neem
contact op met een of¿ ciële Mazda
reparateur indien de motor na 3 pogingen
of meer niet start.
OPMERKING
  Indien het
beveiligingssysteemindicatielampje
tijdens het rijden voortdurend blijft
knipperen, de motor niet stopzetten.
Ga naar een of¿ ciële Mazda
reparateur en laat het lampje daar
controleren. Als u de motor stop zet
terwijl het indicatielampje knippert,
zult u de motor niet opnieuw kunnen
starten.
  Aangezien bij reparatie van het start-
blokkeersysteem de elektronische
codes opnieuw ingesteld worden, zijn
de sleutels nodig. Breng alle sleutels
naar een of¿ ciële Mazda reparateur
zodat deze geprogrammeerd kunnen
worden.
Anti-diefstal
beveiligingssysteem (Met
inbraaksensor)
*
Als het anti-diefstal beveiligingssysteem
bespeurt dat iemand op een onjuiste wijze
toegang probeert te krijgen tot de auto
of als de inbraaksensor beweging binnen
in de auto bespeurt, hetgeen tot gevolg
kan hebben dat de auto of de inhoud
er van wordt gestolen, waarschuwt een
alarm de omgeving voor een abnormale
situatie door het laten klinken van de
sirene en het laten knipperen van de
waarschuwingsknipperlichten.

Het systeem zal niet functioneren als
dit niet op de juiste wijze in staat van
paraatheid is gebracht. Wanneer u de auto
verlaat, dient u de procedure van het in
staat van paraatheid brengen dus correct te
volgen.
Inbraaksensor
De inbraaksensor maakt gebruik van
ultrasonische golven voor het bespeuren
van beweging binnen in de auto en laat
in het geval van inbraak in de auto een
waarschuwingsalarm afgaan.

De inbraaksensor bespeurt bepaalde
vormen van beweging binnen in de
auto, echter deze kan ook reageren op
gebeurtenissen buiten de auto, zoals
bijvoorbeeld trillingen, harde geluiden,
wind en luchtstromen.


Page 150 of 842

3–61
Alvorens te gaan rijden
Beveiligingssysteem
*Bepaalde modellen.
OPMERKING
  Als de accu uitgeput raakt terwijl het
anti-diefstal beveiligingssysteem in
staat van paraatheid is, zal de sirene
geactiveerd worden en zullen de
waarschuwingsknipperlichten gaan
knipperen wanneer de accu geladen
of vervangen wordt.
  Wanneer de sirene klinkt en de
waarschuwingsknipperlichten
knipperen kan de achterklep/het
kofferdeksel niet worden geopend.
In staat van paraatheid brengen
van het systeem
1. De ramen en het schuifdak * goed
sluiten.
OPMERKING
Ook als een raam of het schuifdak * is
open blijven staan, kan het systeem in
staat van paraatheid gebracht worden,
echter zelfs het gedeeltelijk open laten
staan van de ramen en het schuifdak
*
kan een uitnodiging zijn tot diefstal, en
wind die in de auto blaast zou het alarm
kunnen activeren.
De functie van de inbraaksensor kan ook
geannuleerd worden.
Zie Annuleren van de inbraaksensor op
pagina 3-62 .
2. Zet het contact op OFF.
3. Zorg er voor dat de motorkap,
de portieren en de achterklep/het
kofferdeksel gesloten zijn.
4. Druk op de vergrendeltoets op
de zender of vergrendel het
bestuurdersportier vanaf de buitenzijde
met de hulpsleutel.
De waarschuwingsknipperlichten
zullen eenmaal knipperen.
(Met geavanceerde afstandbediende
portiervergrendelingsfunctie)
Druk op een verzoekschakelaar.

Het veiligheidsindicatielampje in het
instrumentenpaneel gaat gedurende
20 seconden tweemaal per seconde
knipperen.





Page 151 of 842

3–62
Alvorens te gaan rijden
Beveiligingssysteem
*Bepaalde modellen.
5. Na 20 seconden is het systeem volledig
in staat van paraatheid.
OPMERKING
  Het anti-diefstal beveiligingssysteem
kan ook in staat van paraatheid
gebracht worden door het
activeren van de automatische
hervergrendelfunctie terwijl
alle portieren, de achterklep/het
kofferdeksel en de motorkap gesloten
zijn.
 Zie Zender op pagina 3-5 .   Het systeem wordt buiten werking
gesteld wanneer binnen 20
seconden na het indrukken van de
vergrendeltoets een van de volgende
handelingen wordt uitgevoerd:
 


 Ontgrendelen van een van de
portieren
 


 Openen van een van de portieren.



 Openen van de motorkap.



 Wanneer het contact op ON wordt
gezet.
  Voor het opnieuw in staat van
paraatheid brengen van het systeem,
de procedure voor het in staat
van paraatheid brengen nogmaals
uitvoeren.
  Wanneer de portieren vergrendeld
worden door het indrukken van de
vergrendeltoets op de zender terwijl
het anti-diefstalbeveiligingssysteem
in staat van paraatheid is, zullen
de waarschuwingsknipperlichten
eenmaal knipperen om aan te
geven dat het systeem in staat van
paraatheid is.
Annuleren van de inbraaksensor
Als het anti-diefstal beveiligingssysteem
in staat van paraatheid gebracht is wanneer
er sprake is van een van onderstaande
omstandigheden, de inbraaksensor
annuleren om te voorkomen dat het alarm
onnodig geactiveerd wordt.
(Inbraaksensor)




 Wanneer de auto wordt achtergelaten
terwijl er zich een beweegbaar object,
passagiers of huisdieren in bevinden.
 


 Wanneer u een voorwerp in de auto
achterlaat dat heen en weer kan rollen,
zoals bijvoorbeeld wanneer de auto
bij transport op een schuin aÀ opende,
onstabiele ondergrond geplaatst wordt.
 


 Wanneer kleine voorwerpen/accessoires
in de auto zijn opgehangen, kleding
aan een kledinghaak is opgehangen of
andere voorwerpen zijn aangebracht die
gemakkelijk binnen in de auto kunnen
bewegen.
 


 Bij het parkeren op een plaats waar
zich sterke trillingen of harde geluiden
voordoen.
 


 Bij het gebruik van een hogedruk of
automatische autowasinstallatie.
 


 Wanneer voortdurend schokken
en trillingen van hagel of donder
en bliksem op de auto worden
overgebracht.
 


 Portieren vergrendeld worden terwijl
een raam of het schuifdak * is open
blijven staan.
 


 Een extra verwarming of apparaat dat
luchtstromen en trillingen produceert
in gebruik is, terwijl het anti-diefstal
beveiligingssysteem in staat van
paraatheid gebracht is.



Page 153 of 842

3–64
Alvorens te gaan rijden
Beveiligingssysteem
*Bepaalde modellen.
Stopzetten van het
waarschuwingsalarm
Een geactiveerd alarm kan uitgeschakeld
worden met gebruik van een van
onderstaande methodes:
 


 Indrukken van de ontgrendeltoets of de
kofferdekseltoets (Sedan) op de zender.
 


 Starten van de motor met de
startdrukknop.
 


 (Met geavanceerde afstandbediende
portiervergrendelingsfunctie)



 
 Indrukken van een verzoekschakelaar
op de portieren.
 

 
 Indrukken van de elektrische
achterklep-/kofferdekselopener
wanneer u de sleutel meedraagt.


De waarschuwingsknipperlichten zullen
tweemaal knipperen.
Anti-diefstal
beveiligingssysteem
(Zonder inbraaksensor)
*
Als het anti-diefstal beveiligingssysteem
bespeurt dat iemand op een onjuiste
wijze toegang probeert te krijgen
tot de auto, hetgeen tot gevolg kan
hebben dat de auto of de inhoud er
van wordt gestolen, waarschuwt het
alarm de omgeving voor een abnormale
situatie door het laten klinken van de
claxon en het laten knipperen van de
waarschuwingsknipperlichten.

Het systeem zal niet functioneren als
dit niet op de juiste wijze in staat van
paraatheid is gebracht. Wanneer u de auto
verlaat, dient u de procedure van het in
staat van paraatheid brengen dus correct te
volgen.
Werking
Gevallen waarbij het systeem wordt
ingeschakeld
De claxon worden met
tussenpozen ingeschakeld en de
waarschuwingsknipperlichten zullen
gedurende ongeveer 30 seconden
knipperen wanneer het systeem door een
van onderstaande oorzaken in werking
wordt gesteld:
 


 Ontgrendelen van een portier met de
sleutel of een binnenvergrendelknop.
 


 Open forceren van een portier,
de motorkap of de achterklep/het
kofferdeksel.
 


 Wanneer de motorkap met behulp van
de motorkapontgrendelhendel wordt
geopend.
 


 Het contact op ON zetten zonder de
startdrukknop te gebruiken.



Page 156 of 842

3–67
Alvorens te gaan rijden
Beveiligingssysteem
Stopzetten van het
waarschuwingsalarm
Een geactiveerd alarm kan uitgeschakeld
worden met gebruik van een van
onderstaande methodes:
 


 Indrukken van de ontgrendeltoets of de
kofferdekseltoets (Sedan) op de zender.
 


 Starten van de motor met de
startdrukknop.

(Met geavanceerde afstandbediende
portiervergrendelingsfunctie)




 Indrukken van een verzoekschakelaar op
de portieren.
 


 Indrukken van de elektrische
achterklep-/kofferdekselopener wanneer
u de sleutel meedraagt.

De waarschuwingsknipperlichten zullen
tweemaal knipperen.


Page 216 of 842

4–37
Tijdens het rijden
Instrumentengroep en display
Huidige brandstofverbruikmodus
Deze stand geeft het huidige
brandstofverbruik aan, berekend op
basis van de verbruikte brandstof en de
afgelegde afstand.

Het huidige brandstofverbruik wordt
berekend en zal elke 2 seconden worden
getoond.
(Europees model)


(Behalve Europees model)


Wanneer u de snelheid heeft teruggebracht
tot ongeveer 5 km/h, zal - - - L/100 km op
de display worden aangegeven.
Kompasmodus
Tijdens het rijden wordt de rijrichting
van de auto getoond in een van de acht
hoofdrichtingen.

(Europees model)


(Behalve Europees model)


Rijsnelheidsalarm
In deze modus wordt de huidige instelling
voor het rijsnelheidsalarm getoond. U kunt
de instelling van de rijsnelheid waarbij de
waarschuwing wordt gegeven veranderen.
OPMERKING
De display van het rijsnelheidsalarm
wordt gelijktijdig geactiveerd met het
klinken van de pieptoon. De ingestelde
rijsnelheid knippert herhaalde malen.
(Europees model)


(Behalve Europees model)


Het rijsnelheidalarm kan worden ingesteld
met behulp van de middendisplay.
OPMERKING
  Stel de rijsnelheid altijd in
overeenkomstig de wetgeving van
het land/de stad waarin de auto
wordt gebruikt. Controleer daarnaast
altijd de rijsnelheid door naar de
snelheidsmeter te kijken.
  De rijsnelheidsalarmfunctie kan
ingesteld worden tussen 30 en 250
km/h.


Page 217 of 842

4–38
Tijdens het rijden
Instrumentengroep en display
*Bepaalde modellen.
Multi-informatiedisplay *

INFO schakelaar Multi-informatiedisplay

De multi-informatiedisplay toont de volgende informatie.
 


 Kilometerteller



 Dagteller



 Motorkoelvloeistoftemperatuurmeter



 Brandstofmeter



 Buitentemperatuur



 Afstand die met voorradige brandstof kan worden afgelegd



 Gemiddeld brandstofverbruik



 Huidige brandstofverbruik



 Onderhoudsmonitor



 Dodehoekmonitor (BSM) display



 Display van afstandherkenninghulpsysteem (DRSS)



 Display van Mazda Radar Cruise Control (MRCC) systeem



 Rijstrookafwijkingwaarschuwingssysteem (LDWS) display



 Rijstrookassistent (LAS) en het rijstrookafwijkingwaarschuwingssysteem (LDWS)
display
 


 Display van kruissnelheidsregelaar



 Kompasweergave



 Rijsnelheidsalarm



 Waarschuwingsbericht


Page 227 of 842

4–48
Tijdens het rijden
Instrumentengroep en display
*Bepaalde modellen.
Rijsnelheidsalarm *
In deze modus wordt de huidige instelling voor het rijsnelheidsalarm getoond.
U kunt de instelling van de rijsnelheid waarbij de waarschuwing wordt gegeven veranderen.
OPMERKING
De display van het rijsnelheidsalarm wordt gelijktijdig geactiveerd met het klinken van de
pieptoon. De ingestelde rijsnelheid knippert herhaalde malen.


Het rijsnelheidsalarm kan worden ingesteld met behulp van de INFO schakelaar.
OPMERKING
  Stel de rijsnelheid altijd in overeenkomstig de wetgeving van het land/de stad waarin
de auto wordt gebruikt. Controleer daarnaast altijd de rijsnelheid door naar de
snelheidsmeter te kijken.
  De rijsnelheidsalarmfunctie kan ingesteld worden tussen 30 en 250 km/h.
Het rijsnelheidalarm kan worden ingesteld aan de hand van onderstaande procedure.

1. Druk op de INFO schakelaar op het snelheidsalarmscherm.
2. Selecteer ON en druk op de INFO schakelaar.
3. Stel de rijsnelheid in door het indrukken van de INFO omhoog of omlaag toets en druk
vervolgens op de INFO toets.



Page 237 of 842

4–58
Tijdens het rijden
Instrumentengroep en display
*Bepaalde modellen.
Indicatie/Indicatielampjes
Deze lampjes gaan branden of knipperen om de gebruiker te informeren over de
bedrijfstoestand van het systeem of om een defect te melden.

Signaal Indicatie Pagina


(Groen) * Veiligheidsgordelindicatielampje (Achterzitting) 2-25

* Indicatielampje van de deactiveringsschakelaar van de
voorpassagiersairbag *1 2-55

Beveiligingssysteemindicatielampje *1 3-58


(Wit/Groen) KEY indicatie/indicatielampje 4-6

* Rijsnelheidsalarmindicatie 4-48

Moersleutelindicatie/indicatielampje *1 4-62

* Voorgloei-indicatielampje *1 4-62

* Dieseldeeltjes¿ lterindicatie/indicatielampje *1 4-253


(Blauw) * Indicatielampje voor lage motorkoelvloeistoftemperatuur 4-62

Schakelstandindicatie 4-70

Verlichting-aan indicatie/indicatielampje 4-81

Grootlichtindicatielampje
Koplampen
grootlicht-dimlicht
4-85 ,
Koplamplichtsignaal
4-85
Richtingaanwijzers/Waarschuwingsknipperlichten indicatielampjes
Richtingaanwijzers
en signalen voor
rijbaanverandering
4-91 ,
Waarschuwingsknipperlichten
4-99


Page 342 of 842

4–163
Tijdens het rijden
i-ACTIVSENSE
OPMERKING
  De waarschuwing te hoge snelheid is aanvankelijk op niet-geactiveerd ingesteld.
Verander de instelling in de gebruikersinstellingen als u de waarschuwing te hoge
snelheid wilt activeren.
 


 Uit: De waarschuwing te hoge snelheid wordt niet geactiveerd.



 Alleen weergave van waarschuwing: Het gedeelte rondom het
maximumsnelheidbord knippert 3 maal in oranje en als de rijsnelheid het
weergegeven maximumsnelheidbord blijft overschrijden, stopt de indicatie met
knipperen en licht deze constant op.
 


 Weergave van waarschuwing waarschuwingsgeluid: Het gedeelte rondom het
maximumsnelheidbord knippert 3 maal in oranje en als de rijsnelheid het
weergegeven maximumsnelheidbord blijft overschrijden, stopt de indicatie met
knipperen en licht deze constant op en wordt het waarschuwingsgeluid geactiveerd.
 
 De functie van de waarschuwing te hoge snelheid stopt in de volgende gevallen. 



 De rijsnelheid is lager dan de snelheid van het maximumsnelheidbord dat wordt
weergegeven. (Als de activeringstijd voor de waarschuwing te hoge snelheid in de
gebruikersinstellingen wordt gewijzigd, stopt de functie van de waarschuwing te
hoge snelheid zodra de rijsnelheid lager is dan de gewijzigde rijsnelheid.
 


 Een indicatie voor een maximumsnelheidbord is bijgewerkt en aan de voorwaarden
voor het activeren van de waarschuwing te hoge snelheid is niet voldaan.
 


 Weergave van maximumsnelheidbord stopt. 

 De waarschuwingsindicatie wordt weergegeven op hetzelfde moment dat de
waarschuwing te hoge snelheid wordt geactiveerd als de rijsnelheid de snelheid
aangegeven op het maximumsnelheidbord overschrijdt.
 Zie In de volgende gevallen wordt een waarschuwingszoemer geactiveerd op pagina
7-57 .
  Het verkeersbordherkenningsysteem (TSR) kan een maximumsnelheidbord met een
onderbord herkennen en dit weergeven, echter het kan niet de aanduiding op het
onderbord bepalen (zoals periodieke beperkingen, afslagbeperkingen, einde sectie).
De waarschuwing te hoge snelheid wordt dus geactiveerd wanneer de rijsnelheid het
maximumsnelheidbord dat wordt weergegeven overschrijdt, ook als de voorwaarden
aangegeven op het onderbord niet op de auto van toepassing zijn.
  Als de vooruitrijcamera (FSC) een maximumsnelheidbord weergeeft dat onjuist is
herkend, zal ook als de auto met de wettelijke toegestane snelheid rijdt het alarm te
hoge rijsnelheid geactiveerd worden.
  Voor de waarschuwing te hoge snelheid kunnen de volgende instellingen worden
gewijzigd.
 


 Waarschuwingsgeluid en indicatiepatroon



 Tijdstip waarop de waarschuwing wordt geactiveerd 
 Zie Gebruikersinstellingen op pagina 9-15 .


Page:   1-10 11-20 next >