ESP MAZDA MODEL 6 2019 Handleiding (in Dutch)

Page 388 of 991

:$$56&+8:,1*
Controleer altijd visueel de directe omgeving alvorens daadwerkelijk uw auto in de achteruit
te zetten:
Het systeem is enkel bedoeld om u bij het achteruitrijden te helpen op achteropkomende
voertuigen te controleren. Als gevolg van bepaalde beperkingen ten aanzien van de werking
van dit systeem, bestaat de kans dat de dodehoekmonitor (BSM)
waarschuwingsindicatielampjes niet of met vertraging knipperen alhoewel er zich een
voertuig achter uw auto bevindt. Neem het als bestuurder altijd tot uw verantwoordelijkheid
te controleren op achteropkomend verkeer.
OPMERKING
xIn de volgende gevallen gaat het dodehoekmonitor (BSM) OFF indicatielampje branden
en wordt de werking van het systeem stopgezet. Laat de auto zo spoedig mogelijk bij een
officiële Mazda-dealer inspecteren als het dodehoekmonitor (BSM) OFF indicatielampje
blijft branden.
xEr heeft zich een probleem in het systeem voorgedaan, inclusief de dodehoekmonitor
(BSM) waarschuwingsindicatielampjes.
xEr is een grote afwijking ontstaan in de montagepositie van een radarsensor (achter).
xEr heeft zich een grote hoeveelheid sneeuw of ijs verzameld op de achterbumper nabij
een radarsensor (achter).
xRijden gedurende langere perioden op met sneeuw bedekte wegen.
xDe temperatuur in de buurt van de radarsensoren is buitengewoon hoog als gevolg van
het langdurig rijden op hellingen tijdens de zomer.
xDe accuspanning is afgenomen.
xOnder de volgende omstandigheden kunnen de radarsensoren (achter) geen grote
objecten bespeuren of kunnen deze moeilijk bespeurd worden.
xDe rijsnelheid bij het achteruitrijden is ongeveer 10 km/h of hoger.
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 390 of 991

0D]GD5DGDU&UXLVH&RQWURO 05&& V\VWHHP
+HW05&&V\VWHHPUHJHOWGHYROJDIVWDQG
DOQDDUJHODQJGHULMVQHOKHLGPHWEHKXOSYDQHHQ
UDGDUVHQVRU YRRU GLHGHDIVWDQGWHQRS]LFKWHYDQHHQYRRUOLJJHQGYRHUWXLJPHHW]RGDWGH
EHVWXXUGHUKHWJDVSHGDDORIKHWUHPSHGDDOQLHWFRQVWDQWKRHIWWHJHEUXLNHQ

 9ROJDIVWDQGUHJHOLQJ5HJHOLQJYDQGHDIVWDQGWXVVHQXZDXWRHQKHWYRRUOLJJHQGH
YRHUWXLJGDWGRRUKHW05&&V\VWHHPLVJHGHWHFWHHUG
$OVXZDXWRKHWYRRUOLJJHQGHYRHUWXLJGLFKWHUEHJLQWWHQDGHUHQRPGDWELMYRRUEHHOGKHW
YRRUOLJJHQGHYRHUWXLJSORWVHOLQJDIUHPWZRUGWWHJHOLMNHUWLMGHHQZDDUVFKXZLQJVJHOXLGHQ
HHQZDDUVFKXZLQJVLQGLFDWLHRSGHGLVSOD\JHDFWLYHHUGRPXWHZDDUVFKXZHQYROGRHQGH
DIVWDQGWXVVHQGHYRHUWXLJHQWHEHZDUHQ
'HYROJHQGHULMVQHOKHGHQNXQQHQLQJHVWHOGZRUGHQ
x (XURSHVHPRGHOOHQ
2QJHYHHUNPKWRWNPK
x %HKDOYH(XURSHVHPRGHOOHQ
2QJHYHHUNPKWRWNPK
*HEUXLNKHW05&&V\VWHHPRSVQHOZHJHQHQRYHULJHDXWRZHJHQZDDUELMQLHWYHHO
KHUKDDOGHDFFHOHUDWLHHQVQHOKHLGVPLQGHULQJYHUHLVWLV
:$$56&+8:,1*
Vertrouw niet volledig op het MRCC systeem en rijd altijd voorzichtig:
Het MRCC systeem is bedoeld om de bestuurder te ontlasten en hoewel een constante
rijsnelheid wordt aangehouden, of specifieker, er overeenkomstig de rijsnelheid een constante
afstand wordt aangehouden tussen uw auto en het bespeurde voorliggende voertuig, heeft
het systeem detectiebeperkingen afhankelijk van het soort voorliggende voertuig en de
conditie ervan, de weersomstandigheden en de verkeerssituatie. Verder is het mogelijk dat het
systeem niet in staat is voldoende af te remmen om een botsing met het voorliggende
voertuig te vermijden als het voorliggende voertuig plotseling afremt of een ander voertuig in
de rijstrook snijdt, waardoor een ongeluk veroorzaakt kan worden. Controleer altijd de
veiligheid van de omgeving en trap het rempedaal of gaspedaal in terwijl u een veiliger
afstand aanhoudt ten opzichte van voorliggende voertuigen of tegenliggers.
Gebruik het MRCC systeem niet op de volgende plaatsen. Anders kan dit een ongeluk tot
gevolg hebben:
¾Wegen met scherpe bochten en met druk verkeer waar er onvoldoende ruimte is tussen de
voertuigen. Wegen waar veelvuldig en herhaaldelijk geaccelereerd en afgeremd moet
worden (rijden onder deze omstandigheden met gebruik van het MRCC systeem is niet
mogelijk).
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(

%HSDDOGHPRGHOOHQ

Page 392 of 991

xU rijdt met dezelfde snelheid als het voorliggende voertuig.
xDirect nadat het MRCC systeem is ingesteld.
xWanneer het gaspedaal wordt ingetrapt of direct nadat het gaspedaal is losgelaten.
xEen ander voertuig snijdt in de rijstrook.
xDe volgende objecten worden niet als fysieke objecten herkend.
xVoertuigen die naderen vanuit tegenovergestelde richting
xVoetgangers
xStilstaande objecten (stilstaande voertuigen, obstakels)
xAls een voorliggend voertuig met buitengewoon lage snelheid rijdt, bestaat de kans dat
het systeem dit niet correct bespeurt.
xTijdens het rijden met volgafstandregeling, het systeem niet instellen op tweewielige
voertuigen zoals motorfietsen en fietsen.
xGebruik het MRCC systeem niet onder omstandigheden waarbij de waarschuwingen voor
korte volgafstand veelvuldig geactiveerd worden.
xTijdens het rijden met volgafstandregeling, laat het systeem uw auto accelereren en
snelheid minderen overeenkomstig de snelheid van het voorliggende voertuig. Als het
echter voor een rijstrookverandering noodzakelijk is te accelereren of als het
voorliggende voertuig plotseling afremt waardoor u het voertuig snel dicht nadert,
accelereren met behulp van het gaspedaal of snelheid minderen met behulp van het
rempedaal afhankelijk van de omstandigheden.
xTerwijl het MRCC systeem in gebruik is, wordt dit niet geannuleerd als de keuzehendel
(automatische transmissie)/versnellingshendel (handgeschakelde versnellingsbak)
gebruikt wordt en vindt bedoeld afremmen op de motor niet plaats. Als
snelheidsvermindering vereist is, de instelling voor de rijsnelheid verlagen of het
rempedaal intrappen.
xDe remlichten branden terwijl het automatisch afremmen van het MRCC systeem in
werking is, echter het is mogelijk dat deze niet branden wanneer de auto op een aflopende
helling rijdt met de ingestelde rijsnelheid of met constante snelheid rijdt en een
voorliggend voertuig volgt.
xHet waarschuwingslampje (oranje) van het MRCC systeem gaat branden wanneer er een
defect is in het systeem.
Zie “Contact opnemen met een officiële Mazda-reparateur en de auto laten inspecteren”
op pagina 7-53.
x(Met afstelbare snelheidsbegrenzer (ASL))
De volgafstandregeling kan uitgeschakeld worden en het systeem kan overgeschakeld
worden op enkel afstelbare snelheidsbegrenzer (ASL).
Zie Afstelbare snelheidsbegrenzer (ASL) op pagina 4-241.
x(Met Intelligente snelheidsondersteuning (ISA))
De volgafstandregeling kan uitgeschakeld worden en het systeem kan overgeschakeld
worden op enkel intelligente snelheidsondersteuning (ISA).
Zie “Intelligente snelheidsondersteuning (ISA)” op pagina 4-250.
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 396 of 991

5LMVWDWXV0XOWLLQIRUPDWLHGLVSOD\
$FWLYH'ULYLQJ'LVSOD\
7\SH$ 7\SH%
7LMGHQVKHWULMGHQPHWFRQ(
VWDQWHVQHOKHLG
7LMGHQVKHWULMGHQPHW
YROJDIVWDQGUHJHOLQJ
OPMERKING
xAls een voorliggend voertuig wordt bespeurd tijdens het rijden met constante snelheid,
wordt de voorliggend-voertuig indicatie getoond en wordt de volgafstandregeling
uitgevoerd. Wanneer een voorliggend voertuig niet langer wordt bespeurd, wordt de
voorliggend-voertuig indicatie uitgeschakeld en schakelt het systeem terug naar rijden
met constante snelheid.
xVolgafstandregeling is niet mogelijk als het voorliggende voertuig sneller rijdt dan de
ingestelde snelheid. Stel het systeem af op de gewenste rijsnelheid met behulp van het
gaspedaal.
x(Europees model)
Bij verandering naar een inhaalrijstrook en gebruik van de richtingaanwijzer, levert het
systeem automatisch meer acceleratie als dit bepaalt dat meer acceleratie vereist is. Let
tijdens het rijden goed op de weg vóór u omdat u het voorliggende voertuig te dicht zou
kunnen naderen.
,QVWHOOHQYDQGHDIVWDQGWXVVHQYRHUWXLJHQWLMGHQVYROJDIVWDQGUHJHOLQJ
'HDIVWDQGWXVVHQYRHUWXLJHQZRUGWNRUWHULQJHVWHOGWHONHQVZDQQHHUGHVFKDNHODDUZRUGW
LQJHGUXNW'HDIVWDQGWXVVHQYRHUWXLJHQZRUGWODQJHULQJHVWHOGGRRUKHWLQGUXNNHQYDQGH
VFKDNHODDU'HDIVWDQGWXVVHQYRHUWXLJHQNDQLQJHVWHOGZRUGHQRSQLYHDXVODQJPLGGHQ
NRUWHQH[WUHHPNRUWHDIVWDQG
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 406 of 991

OPMERKING
xMRCC met Stop & Go-functie detecteert de volgende zaken niet als fysieke voorwerpen.
xVoertuigen die naderen vanuit tegenovergestelde richting.
xVoetgangers
xStilstaande objecten (stilstaande voertuigen, obstakels)
xAls een voorliggend voertuig met buitengewoon lage snelheid rijdt, bestaat de kans dat
het systeem dit niet correct bespeurt.
xTijdens het rijden met volgafstandregeling, het systeem niet instellen op detectie van
tweewielige voertuigen zoals motorfietsen en fietsen.
xGebruik MRCC met Stop & Go-functie niet onder omstandigheden waarbij de
waarschuwingen voor korte volgafstand veelvuldig geactiveerd worden.
xTijdens het rijden met volgafstandregeling, laat het systeem uw auto accelereren en
snelheid minderen overeenkomstig de snelheid van het voorliggende voertuig. Als het
echter voor een rijstrookverandering noodzakelijk is te accelereren of als het
voorliggende voertuig plotseling afremt waardoor u het voertuig snel dicht nadert,
accelereren met behulp van het gaspedaal of snelheid minderen met behulp van het
rempedaal afhankelijk van de omstandigheden.
xTerwijl MRCC met Stop & Go-functie in gebruik is, wordt het systeem niet geannuleerd
als de keuzehendel gebruikt wordt en vindt bedoeld afremmen op de motor niet plaats. Als
snelheidsmindering vereist is, de ingestelde snelheid verlagen of het rempedaal intrappen.
xBij het starten van de motor of onmiddellijk na het wegrijden met de auto kan het
werkingsgeluid van de automatische rem hoorbaar zijn, dit duidt echter niet op een defect.
xDe remlichten branden terwijl het automatisch afremmen van MRCC met Stop &
Go-functie in werking is, echter het is mogelijk dat deze niet branden wanneer de auto op
een aflopende helling rijdt met de ingestelde rijsnelheid of met constante snelheid rijdt en
een voorliggend voertuig volgt.
▼'LVSOD\LQGLFDWLH0D]GD5DGDU&UXLVH&RQWUROPHW6WRS *RIXQFWLH 05&&
PHW6WRS *RIXQFWLH
'HLQVWHOOLQJVVWDWXVHQGHEHGLHQLQJVYRRUZDDUGHQYDQ05&&PHW6WRS *RIXQFWLH
ZRUGHQDDQJHJHYHQLQGHPXOWLLQIRUPDWLHGLVSOD\HQGH$FWLYH'ULYLQJ'LVSOD\
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 411 of 991

,QVWHOOHQYDQGHVQHOKHLG
 6WHOGHULMVQHOKHLGDIRSGHJHZHQVWHLQVWHOOLQJPHWEHKXOSYDQKHWJDVSHGDDO
 9ROJDIVWDQGUHJHOLQJEHJLQWZDQQHHUGH6(7
RI6(7VFKDNHODDUZRUGWLQJHGUXNW
'HLQJHVWHOGHVQHOKHLGHQGHDIVWDQGWXVVHQYRHUWXLJHQGLVSOD\JHYXOGPHWZLWWHOLMQHQ
ZRUGWJHWRRQG7HJHOLMNHUWLMGVFKDNHOWGHKRRIGLQGLFDWLH ZLW YDQ05&&PHW6WRS
*RIXQFWLHRYHUQDDUGHLQVWHOLQGLFDWLH JURHQ YDQ05&&PHW6WRS *RIXQFWLH
5LMVWDWXV,QGLFDWLHRSPXOWLLQIRUPDWLHGLVSOD\
,QGLFDWLHRS$FWLYH'ULYLQJ
'LVSOD\
7\ S H  $ 7\ S H  %
7LMGHQVKHW
ULMGHQPHW
FRQVWDQWH
VQHOKHLG
7LMGHQVKHW
ULMGHQPHW
YROJDIVWDQG(
UHJHOLQJ
OPMERKING
xAls een voorliggend voertuig wordt bespeurd tijdens het rijden met constante snelheid,
wordt de voorliggend-voertuig indicatie getoond en wordt de volgafstandregeling
uitgevoerd. Wanneer een voorliggend voertuig niet langer wordt bespeurd, wordt de
voorliggend-voertuig indicatie uitgeschakeld en schakelt het systeem terug naar rijden
met constante snelheid.
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 422 of 991

¾Auto rijdt op andere wegen dan snelwegen of hoofdwegen.
¾Wanneer de bandenspanning niet op de voorgeschreven druk is afgesteld.
¾Wanneer banden van een andere dan de voorgeschreven maat worden gebruikt, zoals een
noodreservewiel.
23*(/(7
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht zodat het LAS en LDWS systeem normaal
kan functioneren.
¾Geen wijzigingen aan de vering aanbrengen.
¾Gebruik altijd velgen van het voorgeschreven type en formaat voor de voor- en
achterwielen. Raadpleeg een deskundige reparateur, bij voorkeur een officiële
Mazda-reparateur, voor het vervangen van de banden.
OPMERKING
xWanneer de richtingaanwijzerhendel wordt bediend om van rijstrook te veranderen, wordt
het LAS en LDWS systeem automatisch uitgeschakeld. Het LAS en LDWS systeem wordt
weer operationeel wanneer de richtingaanwijzerhendel wordt teruggezet en het systeem
witte (gele) rijstrookstrepen bespeurt terwijl met de auto normaal binnen de rijstrook
wordt gereden.
xAls het stuurwiel, het gaspedaal of het rempedaal abrupt worden bediend en de auto dicht
in de buurt van een witte (gele) streep komt, bepaalt het systeem dat de bestuurder van
rijstrook verandert en wordt de werking van het LAS en LDWS systeem tijdelijk
uitgeschakeld. Het LAS en LDWS systeem wordt weer operationeel wanneer het systeem
witte (gele) rijstrookstrepen bespeurt terwijl met de auto normaal binnen de rijstrook
wordt gereden.
xAls de auto binnen een korte periode van tijd bij herhaling van de rijstrook afwijkt,
bestaat de kans dat het LAS en LDWS systeem niet functioneert.
xHet LAS en LDWS systeem functioneert niet wanneer witte (gele) rijstrookstrepen niet
worden bespeurd.
xOnder de volgende omstandigheden bestaat de kans dat het LAS en LDWS systeem de
witte (gele) rijstrookstrepen niet correct kan bespeuren en dat het systeem niet normaal
functioneert.
xAls een voorwerp dat op het instrumentenpaneel geplaatst is in de voorruit weerkaatst
wordt en door de camera wordt opgenomen.
xWanneer er zware bagage in de bagageruimte of op de achterzitting is geplaatst en de
auto overhelt.
xWanneer de bandenspanning niet op de voorgeschreven druk is afgesteld.
xWanneer andere banden dan conventionele banden zijn gemonteerd.
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 425 of 991

OPMERKING
Wanneer alleen een rijstrookstreep (geel)
aan de linker- of rechterkant wordt
gedetecteerd, gaat de indicatie van het
LAS en LDWS systeem in de Active
Driving Display uit.
Bespeurt alleen aan de
linker- of rechterzijdeBespeurt zowel aan de
linker- als rechterzijde
Bespeurt alleen aan de
linker- of rechterzijdeBespeurt zowel aan de
linker- als rechterzijde
(Grijs) (Wit) Geen indicatie Active Driving Display
Multi-informatiedisplay
Wanneer de indicatie in de Active Driving
Display is uitgeschakeld via de
gebruikersinstellingen, wordt de indicatie
van het LAS en LDWS systeem in de
multi-informatiedisplay grijs weergegeven
en gaat het systeem over naar standby.
+HW/$6HQ/':6V\VWHHPJDDWLQGH
YROJHQGHJHYDOOHQRYHUQDDU
VWDQGE\VWDWXV
x+HWV\VWHHPNDQGHZLWWH JHOH
ULMVWURRNVWUHSHQQLHWEHVSHXUHQ
x'HULMVQHOKHLGLVPLQGHUGDQRQJHYHHU
NPK
x+HW$%67&6'6&LVLQEHGULMI
x+HW'6&LVXLWJHVFKDNHOG
$OVGH'6&ZRUGWXLWJHVFKDNHOGWHUZLMO
KHWV\VWHHPRSHUDWLRQHHOLVNOLQNWHUHHQ
ZDDUVFKXZLQJV]RHPHUHQJDDWKHW
V\VWHHPRYHUQDDUGHVWDQGE\WRHVWDQG
x'HDXWRPDDNWHHQVFKHUSHERFKW
x+HWUHPSHGDDOZRUGWLQJHWUDSW
x+HWVWXXUZLHOZRUGWDEUXSWJHGUDDLG
x:DQQHHUGHULMVWURRNEXLWHQJHZRRQ
VPDORIEUHHGLV
OPMERKING
x(Wanneer het tijdstip van de
besturingshulpfunctie is ingesteld op
“Laat”)
xHet LAS en LDWS systeem
functioneert niet totdat het systeem
witte (gele) rijstrookstrepen aan de
linker of rechterzijde bespeurt.
xWanneer het systeem een witte (gele)
rijstrookstreep enkel aan één zijde
bespeurt, zal het systeem de
besturingshulpfunctie en de
waarschuwing niet activeren voor de
rijstrookstreep aan de zijde die niet
bespeurd wordt. De
besturingshulpfunctie en de
waarschuwing zijn enkel voor de
rijstrookafwijking aan de zijde die
bespeurd wordt.
x(Wanneer het tijdstip van de
besturingshulpfunctie is ingesteld op
“Vroeg”)
xWanneer het tijdstip van de
besturingshulpfunctie is ingesteld op
“Vroeg”, functioneert het LAS en
LDWS systeem niet totdat het systeem
links en rechts witte (gele)
rijstrookstrepen bespeurt. Het tijdstip
van de besturingshulpfunctie werkt
alleen onder de “Laat” conditie
wanneer het systeem een witte (gele)
rijstrookstreep aan de linker- of de
rechterzijde bespeurt.
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 426 of 991

xDe besturingshulpfunctie wordt
uitgevoerd zodat de auto om en nabij
het midden van de rijstrook blijft
rijden, echter, afhankelijk van
omstandigheden zoals bochten in de
weg, hellingsgraad, golvingen en
rijsnelheid, bestaat de kans dat het
systeem de auto niet bij het midden
van de rijstrook kan houden.
xAls de bestuurder zijn of haar handen
van het stuurwiel afneemt (het stuurwiel
niet vasthoudt), wordt het
waarschuwingsgeluid geactiveerd en
wordt een alarmmelding aangegeven in
de multi-informatiedisplay of de Active
Driving Display.

Active Driving Display Multi-informatiedisplay
Als u het stuurwiel licht vasthoudt, is het
mogelijk dat het systeem afhankelijk van
de rijomstandigheden bespeurt dat u het
stuurwiel heeft losgelaten (het stuurwiel
niet langer vasthoudt) ook al is dit niet
het geval en dat er een bericht in de
multi-informatiedisplay of de Active
Driving Display verschijnt.
xHet tijdstip waarbij de
rijstrookafwijkingswaarschuwing wordt
geactiveerd en de besturingshulpfunctie
wordt uitgevoerd varieert.
xDe volgende instellingen voor het LAS
en LDWS systeem kunnen worden
gewijzigd. Zie “Veiligheidsuitrusting”
op pagina 9-16.
xBesturingshulpfunctie in werking/
buiten werking
xUitschakelgevoeligheid
(waarschijnlijkheid van
besturingshulp)
5LMVWURRNVWUHSHQGLVSOD\
:DQQHHUKHW/$6HQ/':6V\VWHHP
YDQXLWGHVWDQGE\VWDQGRSHUDWLRQHHO
ZRUGWZRUGHQGHULMVWURRNVWUHSHQ
ZHHUJHJHYHQLQGHPXOWLLQIRUPDWLHGLVSOD\
HQGH$FWLYH'ULYLQJ'LVSOD\,QGH
GLVSOD\YDQGHULMVWURRNVWUHSHQGLHGH
EHGULMIVWRHVWDQGDDQJHHIWYHUDQGHUWGH
NOHXUYDQGHULMVWURRNVWUHSHQGLHZRUGHQ
EHVSHXUGQDDUZLW
6WDQGE\VWDWXV
Multi-informatiedisplay
Active Driving Display
7LMGHQVKHWULMGHQ
L$&7,96(16(


Page 428 of 991

OPMERKING
xNa de handeling bestaat de kans dat de
werking van het LAS en LDWS systeem
gedurende maximaal 5 seconden wordt
onderbroken totdat de rijstrookstrepen
bespeurd worden.
xOnder de volgende omstandigheden
wordt waarschuwing/
besturingshulpfunctie automatisch door
het LAS en LDWS systeem geannuleerd.
xDe bestuurder neemt zijn/haar handen
van het stuurwiel af.
(Het LAS en LDWS systeem is bedoeld
om de bestuurder bij de bediening van
het stuurwiel te assisteren, en de
werking ervan wordt automatisch
hervat wanneer de bestuurder het
stuurwiel vastpakt.)
xDe DSC OFF schakelaar wordt
ingedrukt om de DSC te annuleren.
%HVWXULQJVKXOSIXQFWLH8,7 EXLWHQ
ZHUNLQJ
'HEHVWXULQJVKXOSIXQFWLHYRRUKHW/$6HQ
/':6V\VWHHPNDQZRUGHQLQJHVWHOGRS
EXLWHQZHUNLQJ 2)) 
=LH

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 61-70 ... 70 next >