remlicht OPEL CORSA E 2019 Gebruikershandleiding (in Dutch)
Page 93 of 241
Instrumenten en bedieningsorganen91Nr.Boordinformatie12Auto overbeladen13Compressor oververhit15Derde remlicht defect16Remlicht defect17Koplampverstelling defect18Linker dimlicht defect19Mistachterlicht defect20Rechter dimlicht defect21Zijmarkeringslicht links defect22Zijmarkeringslicht rechts defect23Achteruitrijlicht defect24Kentekenverlichting defect25Richtingaanwijzer linksvoor
defect26Richtingaanwijzer linksachter
defect27Richtingaanwijzer rechtsvoor
defect28Richtingaanwijzer rechtsachter
defect29Controleer remlicht aanhangerNr.Boordinformatie30Controleer achteruitrijlicht
aanhanger31Controleer linker richtingaan‐
wijzer aanhanger32Controleer rechter richtingaan‐
wijzer aanhanger33Controleer mistachterlicht
aanhanger34Controleer achterlicht
aanhanger35Vervang batterij in handzender49Lane Departure Warning werkt
niet53Draai tankdop vast55Uitlaatfilter is vol 3 12756Ongelijke bandenspanning op
vooras57Ongelijke bandenspanning op
achteras58Banden zonder TPMS-
sensoren herkend59Open en sluit portierruit
bestuurderNr.Boordinformatie60Open en sluit portierruit voor‐
passagier65Poging tot diefstal66Laat diefstalalarmsysteem nakijken67Service stuurslot68Service stuurbekrachtiging75Service airconditioning79Vul motorolie bij81Service versnellingsbak82Vervang motorolie binnenkort84Motorvermogen beperkt89Onderhoud spoedig90Remassistentie laten nakijken94Schakel in parkeerstand
voordat u de auto verlaat95Service airbag128Motorkap open134Parkeerhulpstoring, bumper
reinigen
Page 135 of 241
Rijden en bediening133Remmen
Het remsysteem omvat twee onaf‐
hankelijke remcircuits.
Wanneer een remcircuit uitvalt, kan
de auto nog met het andere circuit
worden afgeremd. De remvertraging
wordt echter alleen bereikt wanneer u
het rempedaal stevig intrapt. Hiervoor is aanzienlijk meer kracht nodig. De
remweg wordt langer. Alvorens de rit
te vervolgen, moet u de hulp van een werkplaats.
Bij uitgeschakelde motor verdwijnt de
rembekrachtiging na het een- tot
tweemaal intrappen van het rempe‐
daal. De remwerking wordt hierdoor niet verminderd, maar er is aanzienlijk meer kracht nodig om het rempedaal
te bedienen. Vooral bij het slepen
hiermee rekening houden.
Controlelamp R 3 79.
Antiblokkeersysteem
Het antiblokkeersysteem (ABS) voor‐
komt dat de wielen blokkeren.Zodra een wiel dreigt te blokkeren,
regelt het ABS de remdruk af op het
desbetreffende wiel. De auto blijft ook bij een noodstop bestuurbaar.
De ABS-regeling is merkbaar door
het tikken van het rempedaal en door regelgeluiden.
Voor optimale remwerking het rempe‐
daal tijdens het hele remproces volle‐ dig intrappen, ongeacht het tikken
van het pedaal. De druk op het
rempedaal niet verminderen.
Voordat u wegrijdt, voert het systeem een zelftest uit die u mogelijk kunt
horen.
Controlelamp u 3 80.
Adaptief remlicht Bij het met volle kracht remmen knip‐
peren alle drie de remlichten zolang
de ABS-regeling actief is.Storing9 Waarschuwing
Bij een defect aan het ABS kunnen
de wielen bij krachtig remmen deneiging hebben te blokkeren. De
voordelen van het ABS vallen dan
weg. De auto is bij een noodstop mogelijk niet meer bestuurbaar en kan uitbreken.
Oorzaak van de storing onmiddellijk
door een werkplaats laten verhelpen.
Page 162 of 241
160Verzorging van de autoVerzorging van de
autoAlgemene informatie ..................161
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 161
Auto stallen .............................. 161
Verwerking van sloopauto .......162
Controle van de auto .................162
Werkzaamheden uitvoeren .....162
Motorkap ................................. 162
Motorolie .................................. 163
Koelvloeistof ............................ 164
Sproeiervloeistof ......................165
Remmen .................................. 166
Remvloeistof ............................ 166
Accu ........................................ 166
Wisserblad vervangen .............168
Gloeilamp vervangen .................168
Halogeenkoplampen ...............168
Xenonkoplampen ....................171
Mistlampen voor ......................172
Richtingaanwijzers voor ..........172
Achterlichten ............................ 173
Zijrichtingaanwijzers ................175
Derde remlicht ......................... 176Kentekenverlichting .................176
Binnenverlichting .....................176
Elektrisch systeem .....................177
Zekeringen .............................. 177
Zekeringenkast in motorruimte 178
Zekeringenkast instrumentenpaneel ................180
Boordgereedschap ....................181
Gereedschap ........................... 181
Velgen en banden .....................182
Winterbanden .......................... 182
Aanduidingen op banden ........183
Bandenspanning .....................183
Bandenspanningscontrolesys‐ teem ....................................... 184
Profieldiepte ............................ 189
Van banden- en velgmaat veranderen ............................. 189
Wieldoppen ............................. 190
Sneeuwkettingen .....................190
Bandenreparatieset .................191
Wiel verwisselen ......................196
Reservewiel ............................. 197
Starthulp gebruiken ...................200
Trekken ...................................... 202
Auto slepen ............................. 202
Andere auto slepen .................203Verzorging van uiterlijk ..............204
Verzorging exterieur ................204
Verzorging interieur .................206
Page 176 of 241
174Verzorging van de auto
5. Verwijder de volgende gloeilam‐pen door ze iets naar binnen te
drukken en linksom te draaien:
Achterlicht/remlicht ( 1)
Richtingaanwijzer ( 2)
6. Plaats de lamp in de lamphouder en draai deze rechtsom. Plaats de
lamphouder in het lamphuis.
Breng het lamphuis met de borg‐
pennen in de uitsparingen van de
carrosserie aan en draai de kunst‐ stof bevestigingsmoeren vanuit
de binnenkant van de bagage‐
ruimte vast.
Sluit het deksel en klik het vast.
Achteruitrijlicht / mistachterlicht
De achteruitrijlichten zitten in het
rechter lamphuis in de achterklep en
het mistachterlicht zit in het linker
lamphuis in de achterklep.
De beschrijving voor het vervangen
van gloeilampen is bij beide lichten identiek.
1. Verwijder de schroef uit de achter‐
klep.
2. Haal het lamphuis iets naar buiten
en trek het vervolgens uit de
achterklep.
3. Draai de lamphouder om hem et verwijderen.
Page 178 of 241
176Verzorging van de auto4. Breng de lamphouder aan endraai deze rechtsom.
5. Steek de linkerkant van de lamp erin, schuif deze naar links en
steek de rechterkant erin.
Derde remlicht
LED's door een werkplaats laten
vervangen.
Kentekenverlichting
1. Plaats een schroevendraaier in de uitsparing van de afdekking,
duw naar de zijkant en maak de
veer los.
2. Lamp naar beneden toe verwijde‐
ren, hierbij niet aan de kabel trek‐ ken.
3. Draai de lamphouder linksom uit het lamphuis.
4. Trek de lamp uit de lamphouderen vervang deze.
5. Steek de lamphouder in het lamp‐
huis en draai deze rechtsom.
6. Steek de lamp in de bumper totdat
deze vastklikt.
Binnenverlichting
Laat de volgende lampjes vervangen
in een werkplaats:
● interieurverlichting, leeslampjes
● bagageruimteverlichting
● plafondverlichting
● instrumentenverlichting
Page 204 of 241
202Verzorging van de autoTrekkenAuto slepen
Wikkel een doek rond de punt van
een platte schroevendraaier om
schade aan de lak te voorkomen.
Steek de schroevendraaier in de
gleuf bij het onderste deel van de kap. Maak de afdekking los door de
schroevendraaier voorzichtig omlaag
te bewegen.
Het sleepoog is opgeborgen bij het
boordgereedschap 3 181.
Schroef het sleepoog naar binnen en
draai het tot aan de aanslag in hori‐
zontale stand vast.
Bevestig de sleepkabel – beter is een
sleepstang – aan het sleepoog.
Sleepoog alleen gebruiken om de
auto weg te slepen en niet om deze
te bergen.
Contact inschakelen om het stuurslot op te heffen en remlichten, claxon en
voorruitwisser te kunnen bedienen.
Zet de keuzehendel in neutraal.
Schakel de parkeerrem uit.
Voorzichtig
Langzaam wegrijden. Schok‐
kende bewegingen vermijden.
Buitensporige trekkrachten
kunnen de auto beschadigen.
Bij uitgeschakelde motor gaat
remmen en sturen aanmerkelijk
zwaarder.
Luchtrecirculatiesysteem inschake‐
len en ruiten sluiten, zodat er geen uitlaatgassen van de slepende auto
kunnen binnendringen.
Auto’s met automatische versnel‐
lingsbak: de auto moet vooruit, niet
sneller dan 80 km/u en niet verder
dan 100 km worden gesleept. In alle
andere gevallen en bij een defecte
versnellingsbak, de vooras van de
grond optillen.
Roep de hulp in van een werkplaats.
Na het slepen verwijdert u het sleep‐
oog.
Plaats de bovenkant van de afdek‐ king en klik deze naar onderen toevast.
Page 237 of 241
235Boordgereedschap.....................181
Boordinformatie ........................... 90
Brandstof .................................... 153
Brandstofkeuzeschakelaar ..........72
Brandstofmeter ............................ 71
Brandstoftank ............................. 219
Brandstof voor benzinemotoren 153
Brandstof voor rijden op lpg .......155
Buitenspiegels .............................. 27
Buitentemperatuur .......................66
Buitenverlichting .........................101
C Centrale vergrendeling ................21
Claxon ................................... 13, 64
Code ............................................. 90
Conformiteitsverklaring ...............222
Contactslotstanden ....................121
Controlelampen ......................70, 75
Controle over de auto ................120
Controles .................................... 162
Cruise control ...................... 83, 137
D Dagrijlicht ................................... 103
Dagteller ...................................... 70
Dakbelasting ................................. 60
Dakdrager .................................... 59
Derde remlicht ........................... 176
Diefstalalarmsysteem ..................25
Dimlicht of groot licht ..................101Driepuntsgordel ........................... 38
Driver Information Center .............83
E Eerste hulp ................................... 59
Elektrisch bediende ruiten ...........29
Elektrische aansluitingen .............68
Elektrische verstelling ..................27
Elektrisch systeem...................... 177
Elektronische rijprogramma's ....130
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem .....81
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) ...................................... 135
Elektronisch klimaatregelsysteem ..............113
Erkenning van software ..............225
Event Data Recorders (EDR) .....229
F
Frontaal airbagsysteem ...............44
Frontaanrijdingswaarschuwing ...140
G Gebruik van deze handleiding .......3
Gedeponeerde handelsmerken ..228
Geluidssignalen ........................... 92
Gemakkelijk instappen .................35
Gereedschap ............................. 181
Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig ................................. 4Gevarendriehoek .........................59
Gloeilamp vervangen ................168
Gordels ......................................... 37
Gordelverklikker ........................... 78
Gordijnairbagsysteem .................. 45
Groot licht ............................ 83, 102
H
Halogeenkoplampen .................168
Handbediende ruiten ...................29
Handgeschakelde versnellingsbak ......................132
Handmatige dimfunctie ................28
Handmatige modus ...................130
Handrem ............................. 133, 134
Handschoenenkastje ...................53
Handzender ................................. 20
Hellingrem ................................. 134
Hoofdsteunen .............................. 32
Hoofdsteunverstelling ....................8
I Inbouwposities kinderveilig‐ heidssystemen ......................... 50
Indicatie afstand tot voorligger ...142
Info-Display................................... 88
Info-Displays ................................. 83
Inhouden ................................... 219
Inklapbare spiegels .....................28
Inleiding ......................................... 3
Instapverlichting ......................... 108