sensor OPEL MOKKA 2014.5 Gebruikershandleiding (in Dutch)
Page 147 of 227
Rijden en bediening145
afstand tot het obstakel afneemt. Is
de afstand kleiner dan 30 cm, dan klinkt er een continu geluidssignaal.
Als de r-knop een keer wordt inge‐
drukt binnen een contactcyclus, wordt
de parkeerhulp vooraan altijd op‐
nieuw ingeschakeld wanneer de
voertuigsnelheid onder een bepaalde waarde komt.
Deactivering
Toets r indrukken om het systeem
uit te schakelen.
De led in de knop dooft en u ziet
Parkeerhulp uit op het Driver Informa‐
tion Center.
Bij een bepaalde snelheid wordt het
systeem automatisch gedeactiveerd.
Storing
Bij een systeemstoring brandt r of
ziet u een bericht op het Driver Infor‐
mation Center.
Daarnaast zal r gaan branden of
wordt er boordinformatie weergege‐
ven op het Driver Information Center, als er door tijdelijke omstandigheden,zoals dichtgesneeuwde sensoren,
een systeemstoring wordt waargeno‐
men.
Boordinformatie 3 97.
Belangrijke tips voor het gebruik
van parkeerhulpsystemen9 Waarschuwing
Onder bepaalde omstandigheden
kunnen reflecterende oppervlak‐
ken van uiteenlopende aard op
voorwerpen of kleding evenals ex‐ terne geluidsbronnen ertoe leiden
dat het systeem obstakels niet
waarneemt.
In het bijzonder moet gelet worden
op lage obstakels die het onderste gedeelte van de bumper kunnen
beschadigen. Indien dergelijke ob‐ stakels de waarnemingszone van
de sensoren verlaten wanneer het
voertuig dichterbij komt, zal er een continu waarschuwingssignaal
klinken.
Voorzichtig
De sensor werkt eventueel minder goed wanneer deze bijv. met ijs of sneeuw zijn bedekt.
De parkeerhulpsystemen werken
bij een zware belading eventueel
minder goed.
Bij grotere voertuigen (bijv. of‐
froad-voertuigen, minivans, be‐
stelauto's) is er sprake van bijzon‐
dere omstandigheden. De objec‐ therkenning in het bovenste deel
van deze voertuigen kan niet wor‐ den gegarandeerd.
Objecten met een erg klein reflec‐
tievlak, zoals smalle voorwerpen
of zachte materialen, herkent het
systeem mogelijkerwijs niet.
De parkeerhulp voorkomt geen
botsingen met objecten buiten het detectiebereik van de sensoren.
Page 148 of 227
146Rijden en bediening
Let op
Het parkeerhulpsysteem herkent automatisch een af fabriek gemon‐
teerde trekhaak. Het systeem wordt
gedeactiveerd zodra u de stekker
erin steekt.
De sensor kan een niet-bestaand
voorwerp (storingsecho) herkennen
als gevolg van akoestische of me‐
chanische invloeden van buitenaf.
Let op
De parkeerhulp wordt uitgeschakeld wanneer het draagsysteem aan de
achterzijde wordt uitgetrokken.
Achteruitkijkcamera
De achteruitkijkcamera helpt de be‐
stuurder bij het achteruitrijden door
middel van een weergave van het ge‐
bied achter de auto.
Het camerabeeld wordt getoond in de Colour-Info-Display.9 Waarschuwing
De achteruitrijcamera kan nooit
het zicht van de bestuurder ver‐
vangen. Let op: voorwerpen die
zich buiten het bereik van de ca‐
mera en de sensoren van de ge‐
avanceerde parkeerhulp bevin‐
den, bijv. onder de bumper of on‐
der de auto, worden niet getoond.
Rijd nooit achteruit als u alleen op het Info-Display hebt gekeken.
Controleer eerst de omgeving aan
de achterzijde en rondom de auto
voordat u achteruit rijdt.
Activering
De achteruitkijkcamera wordt auto‐matisch ingeschakeld als de auto in
de achteruitversnelling wordt gescha‐
keld.
Werking
De camera bevindt zich in de hand‐
greep van de achterklep en heeft een zichthoek van 130°.
Page 149 of 227
Rijden en bediening147
Vanwege de hoge positie van de ca‐
mera is, bij wijze van leidraad voor de
positie, de achterbumper op het dis‐
play zichtbaar.
De door de camera weergegeven
zone is beperkt. De afstand op het
beeld op de display, verschilt van de
werkelijke afstand.
Waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen zijn op het beeld weergegeven als driehoekjes
9 en geven obstakels aan die door de
achtersensoren van de geavan‐
ceerde parkeerhulp zijn geconsta‐
teerd.
Display-instellingen
De helderheid kan worden ingesteld
via de toetsen omhoog/omlaag op de
multifunctionele knop.
Het contrast kan worden ingesteld via de toetsen links/rechts op de multi‐
functionele knop.
Deactivering De camera wordt gedeactiveerd wan‐
neer een bepaalde snelheid vooruit
wordt overschreden of als de achter‐ uitversnelling gedurende ong.
10 seconden niet is ingeschakeld.
U kunt de achteruitkijkcamera in- of
uitschakelen in het menu
Instellingen op het Info-display. Per‐
soonlijke instellingen 3 102.
Storing Storingsmeldingen worden weerge‐
geven met een 9 op de bovenste re‐
gel van het Info-Display.
De achteruitkijkcamera werkt moge‐
lijkerwijs niet goed:
■ in een donkere omgeving,
■ als de zon of koplampen van an‐ dere auto's direct in de lens van decamera schijnen,
■ als de cameralens door ijs, sneeuw, modder of iets anders isvervuild. Reinig de lens, spoel deze
af met water en wrijf na met een
zachte doek,
■ de achterklep niet goed gesloten is,
■ de auto een aanrijding aan de ach‐
terzijde heeft gehad,
■ bij extreme temperatuurwisselin‐ gen.
Page 180 of 227
178Verzorging van de auto
Nr.Stroomkring1Zonnedak2Buitenspiegels3–4–5Elektrische remregelmodule6Intelligente accusensor7–8Transmissieregelmodule9Carrosserieregelmodule10Koplampverstelling11Achterruitwisser12Verwarmbare achterruit13Koplampstelelement (links)14Verwarmbare buitenspiegels15–16Stoelverwarming17Transmissieregelmodule18Motorregelmodule19BrandstofpompNr.Stroomkring20–21Koelventilator22–23Bobine, motorregelmodule24Ruitensproeierpomp25Koplampstelelement (rechts)26Motorregelmodule27–28Motorregelmodule29Motorregelmodule30Uitlaatsysteem31Grootlicht links32Grootlicht rechts33Motorregelmodule34Claxon35Klimaatregeling, aircosysteem36Mistlamp voor
J-cases zekeringen
Nr.Stroomkring1Elektrische remregelmodule2Ruitenwisser voor3Motorregelmodule4Motorregelmodule5–6Brandstofverwarming7–8Koelventilator9Koelventilator10Motorregelmodule, gloeibougie11Startmotor
Page 181 of 227
Verzorging van de auto179Zekeringenkast
instrumentenpaneel
De zekeringhouder interieur bevindt
zich aan de onderzijde van het dash‐
board aan bestuurderszijde.
Verwijder het opbergvak om bij de ze‐
keringen te komen.
Open het opbergvak en trek eraan om dit te verwijderen.
Minizekeringen
Nr.Stroomkring1Carrosserieregelmodule2Carrosserieregelmodule3Carrosserieregelmodule4Carrosserieregelmodule5Carrosserieregelmodule6Carrosserieregelmodule7Carrosserieregelmodule8Carrosserieregelmodule9Portiersloten10Diagnosemodule veiligheid11Portiersloten12Verwarming en ventilatie13Achterklep14Parkeerhulp15Lane Departure Warning,
binnenspiegel16Adaptief rijlicht (AFL)17Elektrisch bediende ruit
bestuurder18Regensensor
Page 183 of 227
Verzorging van de auto181
Minizekeringen
Nr.Stroomkring1LPG-installatie2Binnenspiegel, achteruitkijkca‐
mera3Water in brandstofsensor4Reserve5Aanhangerstekkerdoos6Verwarmd stuurwiel7Reserve8Regelmodule aanhanger9Stoel, lendensteun, bestuurder10Stoel, lendensteun, passagier11Versterker12Aanhangerstekkerdoos13All-Wheel Drive14Reserve15LPG-installatie16Reserve17Reserve18Reserve
Zekeringen S/B
Nr.Stroomkring19Elektrisch bediende stoel
bestuurder20Elektrisch bediende stoel passa‐ gier21Regelmodule aanhanger22Spanningsomvormer23Ontstekingssysteem24Koplampsproeier25Reserve26Reserve27Reserve
Page 186 of 227
184Verzorging van de auto
De bestuurder is verantwoordelijk
voor het juist instellen van de ban‐
denspanning.9 Waarschuwing
Een te lage bandenspanning kan
aanleiding geven tot oververhitting van de banden en interne bescha‐
digingen, wat bij hoge snelheden
loslatende loopvlakken en zelfs
klapbanden kan veroorzaken.
Bandenspanningscontro‐
lesysteem Het bandenspanningscontrolesys‐
teem (TPMS) gebruikt radiografische
en sensortechnologie ter controle van
de bandenspanningswaarden.
Alle wielen moeten zijn voorzien van
een druksensor en de banden moe‐
ten de voorgeschreven bandenspan‐
ning hebben.
Let op
In landen waar het bandenspan‐
ningscontrolesysteem wettelijk ver‐
eist is, wordt de typegoedkeuring
van het voertuig bij het gebruik van
wielen zonder druksensoren nietig.
De sensoren van het TPMS controle‐
ren de spanningswaarden van de
banden en verzenden de meetwaar‐
den naar een ontvanger in de auto.
Elke band, ook de reserve, moet koud
en op de spanning zoals aanbevolen
op het etiket bandenspanning maan‐
delijks worden gecontroleerd.
Controlelamp w gaat branden wan‐
neer de bandenspanning van een of
meer banden veel te laag is.
Controleer de bandenspanning zo
snel mogelijk en breng ze op de aan‐ bevolen spanning 3 183.
Wanneer het systeem een storing de‐
tecteert, knippert w ongeveer
een minuut en blijft dan ononderbro‐ ken branden. Voor de duur van de
storing wordt deze reeks bij elke keer opnieuw starten doorlopen.Als w brandt, is het systeem wellicht
niet naar behoren in staat om een te
lage bandenspanning te detecteren
of te signaleren.
Werking van
bandenspanningscontrole
Het TPMS waarschuwt de bestuur‐
ders wanneer de bandenspanning te
laag is. Op elke set band en wiel, be‐ halve de/het reserveband en -wiel,
zijn TPMS-sensoren gemonteerd. De
sensoren van het TPMS controleren
de spanningswaarden van de banden en verzenden de meetwaarden naareen ontvanger in de auto.
Page 187 of 227
Verzorging van de auto185
Bij het detecteren van een te lage
bandenspanning licht w op. Stop bij
de eerstvolgende gelegenheid en
breng de banden op de aanbevolen
bandenspanning 3 183.
Ook ziet u een waarschuwingstekst of
waarschuwingscode op het Driver In‐
formation Center 3 97.
De controlelamp lage bandenspan‐
ning en een waarschuwingsbericht
zijn bij elke contactcyclus aanwezig
totdat de banden op de juiste ban‐
denspanning worden gebracht.
TPMS-storingslamp en
berichtcode
Het TPMS werkt niet goed als één of
meer van de TPMS-sensoren ontbre‐ ken of niet werken. Wanneer het sys‐teem een storing detecteert, knippert
w ongeveer een minuut en blijft dan
branden. Er wordt bovendien een
waarschuwingstekst of -code weer‐
gegeven.
De aanduiding door de TPMS-sto‐
ringslamp en een waarschuwingsbe‐
richt of -code verschijnt bij elke con‐tactcyclus totdat het probleem wordt
verholpen. Problemen waardoor
deze verschijnen zijn onder andere:
■ Één van de banden is vervangen door de reserveband zonder
TPMS-sensor.
■ Het koppelen van de TPMS-senso‐
ren is na het omwisselen van de
banden niet gebeurd of niet vol‐
tooid. Na het koppelen van de sen‐ soren moeten de storingslamp en
het waarschuwingsbericht doven/
verdwijnen. Zie "TPMS-sensoren
koppelen" verderop in dit hoofd‐
stuk.
■ Één of meer TPMS-sensoren niet aanwezig of beschadigd. Het/de
waarschuwingsbericht of -code en
de storingslamp moet verdwijnen/ doven wanneer de TPMS-senso‐
ren geïnstalleerd zijn en de senso‐
ren gekoppeld zijn. Raadpleeg uw
werkplaats voor onderhoud.
■ Reservebanden of -wielen komen niet overeen met de origineel aan‐
gebrachte banden of wielen. Doorbanden en wielen met andere spe‐
cificaties dan aanbevolen werkt het TPMS wellicht niet goed.
■ Door het werken met elektronische
apparatuur of bij installaties met ra‐ diofrequenties dichtbij die van het
TPMS kunnen de TPMS-sensoren
storingen vertonen.
Als het TPMS niet goed werkt, kan
het geen te lage bandenspanning
detecteren of signaleren. Raad‐
pleeg uw werkplaats voor onder‐
houd als de TPMS-storingslamp en
een waarschuwingsbericht of -code oplicht/verschijnt en dat blijft doen.
TPMS-sensoren koppelen Elke TPMS-sensor heeft een unieke
identificatiecode. Na het omwisselen van de banden of het vervangen van
een of meerdere TPMS-sensoren
moet de identificatiecode aan een
nieuwe positie van de band/het wiel
worden gekoppeld. De TPMS-senso‐
ren moeten ook worden gekoppeld na
het vervangen van een reserveband
door een reguliere band met de
TPMS-sensor.
Page 188 of 227
186Verzorging van de auto
Bij de volgende contactcyclus moeten
de storingslamp en het waarschu‐
wingsbericht doven/verdwijnen. De
sensoren worden met een TPMS-in‐
leergereedschap in de volgende volg‐ orde gekoppeld aan de band-/wielpo‐
sities: voorband bestuurderszijde,
voorband passagierszijde, achter‐
band passagierszijde en achterband
bestuurderszijde. Raadpleeg uw
werkplaats voor onderhoud of voor
het aanschaffen van een inleerge‐
reedschap. U hebt twee minuten voor het koppelen van de positie van het/
de eerste band/wiel en vijf minuten
voor het koppelen van de posities van
alle banden/wielen. Bij het overschrij‐ den van deze tijd stopt het koppelen
en moet u opnieuw beginnen.
Koppel de TPMS-sensoren als volgt: 1. Trek de handrem aan.
2. Schakel het contact in.
3. Gebruik de knop MENU op de
richtingaanwijzer om Informatiemenu voertuig op het
Driver Information Center (DIC) te
selecteren.4. Blader met het kartelwieltje naar het bandenspanningsmenu.
5. Druk op de knop SET/CLR om het
koppelen van de sensoren te star‐ ten. Er moet een bericht met een
vraag om acceptatie van het pro‐
ces verschijnen.
6. Druk nogmaals op de knop SET/CLR om de selectie te be‐
vestigen. De claxon piept twee
keer om aan te geven dat de ont‐
vanger in de inleermodus staat.
7. Begin met de voorband aan be‐ stuurderszijde.
8. Zet de inleertool bij het ventiel te‐ gen de wang van de band. Druk
daarna op de knop om de TPMS-
sensor te activeren. De claxon
piept ter bevestiging dat de sen‐
soridentificatiecode aan de positie
van deze band en dit wiel is ge‐
koppeld.
9. Ga verder met de voorband aan passagierszijde en herhaal de
procedure zoals beschreven in
stap 8.10. Ga verder met de achterband aan
passagierszijde en herhaal de
procedure zoals beschreven in
stap 8.
11. Ga verder met de achterband aan
bestuurderszijde en herhaal de
procedure zoals beschreven in
stap 8. De claxon piept twee keer
ter aanduiding dat de sensoriden‐
tificatiecode aan de achterband
bestuurderszijde is gekoppeld en
dat de procedure voor het koppe‐
len van de sensoren van het TPMS afgesloten is.
12. Schakel het contact uit.
13. Breng alle vier de banden op de aanbevolen bandenspanning
zoals aangegeven op het etiket
bandenspanning.
Profieldiepte
Regelmatig de profieldiepte controle‐
ren.
Om veiligheidsredenen de banden te
vervangen wanneer een profieldiepte
van 2–3 mm (4 mm voor winterban‐
den) is bereikt.
Page 224 of 227
222
Hellingrem ................................. 136
Hoofdsteunen .............................. 35
Hoofdsteunverstelling ....................8
Hulpverwarming.......................... 120
I
Inbouwmaten trekhaak ..............217
Inbouwposities kinderveilig‐ heidssystemen ......................... 51
Info-Displays ................................. 92
Inhouden ................................... 215
Inklapbare spiegels .....................29
Inleiding ......................................... 3
Instapverlichting ......................... 114
Interieurverlichting ......................112
ISOFIX- kinderveiligheidssystemen ........54
K Katalysator ................................. 130
Kentekenverlichting ...................175
Keuzehendel ............................. 131
Kilometerteller .............................. 82
Kindersloten ................................. 25 Kinderveiligheidssystemen ...........49
Klimaatregeling ............................ 15
Klimaatregelsystemen ................116
Klok .............................................. 79
Koelvloeistof .............................. 165
Koelvloeistof en antivries ............204Koelvloeistoftemperatuurmeter ...83
Koplampinstelling in het buitenland .............................. 108
Koplampverstelling ....................107
L Laadsysteem ............................... 87
Lane Departure Warning ......88, 151
Leeslampen ............................... 113
Lekke band ................................. 192
Lichtschakelaar .......................... 106
Lichtsignaal ................................ 107
Luchtinlaat ................................. 122
M
Meters........................................... 81
Mistachterlicht ...................... 91, 112
Mistlamp ...................................... 91
Mistlampen ................................ 173
Mistlampen voor ........................111
Motorgegevens .......................... 211
Motor-ID...................................... 207
Motorkap .................................... 163
Motorkap open.............................. 91
Motorolie .................... 163, 204, 208
Motoroliedruk ............................... 90
Motor starten ............................. 124
N Nieuwe auto inrijden ..................124O
Obstakeldetectiesystemen .........144
Olie, motor .......................... 204, 208
Ontlaadbeveiliging accu ............115
Opbergvakken .............................. 56
Opbergvakken instrumentenpaneel ..................56
Opbergvak middenconsole ..........59
Opbergvak onder passagiersstoel 58
Opgeslagen instellingen ...............22
Opschakelen................................. 88 Overzicht instrumentenpaneel .....10
P Panne ......................................... 197
Parkeerhulp ............................... 144
Parkeren .............................. 18, 128
Park pilot met ultrasoonsensoren 144
Partikelfilter ................................. 129
Pedaal intrappen .......................... 87
Persoonlijke instellingen ............102
Pollenfilter .................................. 122
Portieren ....................................... 25
Portier open ................................. 91
Prestaties ................................... 212
Profieldiepte ............................... 186