PEUGEOT 207 2009 Instructieboekje (in Dutch)

Page 71 of 267

TOEGANG TOT DE AUTO
Noodbediening
Functie die het mogelijk maakt om de
portieren mechanisch te vergrendelen
en ontgrendelen in het geval van een
storing in de centrale vergrendeling.

 Steek de sleutel in het slotplaat in
de zijkant van het portier en draai de
sleutel een achtste omwenteling.
Vergrendelen van het bestuurdersportier

 Steek de sleutel in het slot en draai
deze rechtsom.
Ontgrendelen van het
bestuurdersportier

 Steek de sleutel in het slot en draai
deze linksom.
Vergrendelen van de overige
portieren
Ontgrendelen van de overige
portieren

 Trek aan de portiergreep aan de
binnenzijde. -
bij draaiende motor gaat
het verklikkerlampje bran-
den in combinatie met een
melding op het multifunc-
tionele display gedurende
enkele seconden,
- tijdens het rijden (snelheid hoger
dan 10 km/h) gaat het verklikker-
lampje branden in combinatie met
een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display ge-
durende enkele seconden. Noodbediening
Hiermee kan bij een eventuele storing
in de centrale vergrendeling, de achter-
klep mechanisch ontgrendeld worden.
Ontgrendelen

 Klap de achterbank naar voren om
bij het slot in de bagageruimte te
komen.

 Steek een kleine schroevendraaier
in de opening A van het slot om de
achterklep te ontgrendelen.
Openen

 Ontgrendel de auto met de afstands-
bediening of de sleutel, trek aan de
handgreep en trek de achterklep
omhoog.
ACHTERKLEP (3-/5-DEURS)
Sluiten
Als de achterklep niet goed is gesloten:

Page 72 of 267

TOEGANG TOT DE AUTO
Noodbediening
Functie die het mogelijk maakt om de
portieren mechanisch te vergrendelen
en ontgrendelen in het geval van een
storing in de centrale vergrendeling.

 Steek de sleutel in het slotplaat in
de zijkant van het portier en draai de
sleutel een achtste omwenteling.
Vergrendelen van het bestuurdersportier

 Steek de sleutel in het slot en draai
deze rechtsom.
Ontgrendelen van het
bestuurdersportier

 Steek de sleutel in het slot en draai
deze linksom.
Vergrendelen van de overige
portieren
Ontgrendelen van de overige
portieren

 Trek aan de portiergreep aan de
binnenzijde. -
bij draaiende motor gaat
het verklikkerlampje bran-
den in combinatie met een
melding op het multifunc-
tionele display gedurende
enkele seconden,
- tijdens het rijden (snelheid hoger
dan 10 km/h) gaat het verklikker-
lampje branden in combinatie met
een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display ge-
durende enkele seconden. Noodbediening
Hiermee kan bij een eventuele storing
in de centrale vergrendeling, de achter-
klep mechanisch ontgrendeld worden.
Ontgrendelen

 Klap de achterbank naar voren om
bij het slot in de bagageruimte te
komen.

 Steek een kleine schroevendraaier
in de opening A van het slot om de
achterklep te ontgrendelen.
Openen

 Ontgrendel de auto met de afstands-
bediening of de sleutel, trek aan de
handgreep en trek de achterklep
omhoog.
ACHTERKLEP (3-/5-DEURS)
Sluiten
Als de achterklep niet goed is gesloten:

Page 73 of 267

i
i
81
Openen


Trek, nadat de auto met de afstandsbe-
diening of de sleutel is ontgrendeld en
als de achterruit is gesloten, aan hand-
greep A en trek de achterklep omhoog.
- gaat bij draaiende motor het
verklikkerlampje branden en
verschijnt gedurende enkele
seconden een melding op het
multifunctionele display,
- gaat tijdens het rijden (snelheid hoger
dan 10 km/h) het verklikkerlampje bran-
den in combinatie met een geluidssig-
naal en gedurende enkele seconden een
melding op het multifunctionele display.
Sluiten

 Trek de achterklep met behulp van
de handgreep aan de binnenzijde
omlaag.
Als de achterklep niet goed is gesloten:
ACHTERRUIT (SW)
Openen

 Druk, nadat de auto met de afstands-
bediening of de sleutel is ontgrendeld
en als de achterklep is gesloten, op
schakelaar B en beweeg de achter-
ruit met behulp van de voet C van de
ruitenwisseram omhoog.
De achterklep en achterruit kunnen
niet gelijktijdig worden geopend.
Als de ruitenwisser achter niet in
de ruststand staat, wordt de ach-
terruit pas geopend nadat de wis-
slag is voltooid. Sluiten

 Sluit de achterruit door op het mid-
den van de ruit te drukken.
Als de achterruit niet goed is gesloten:
- gaat bij draaiende motor het
verklikkerlampje branden en
verschijnt er gedurende enkele
seconden een melding op het
multifunctionele display,
- gaat tijdens het rijden (snelheid hoger
dan 10 km/h) het verklikkerlampje bran-
den in combinatie met een geluidssig-
naal en gedurende enkele seconden een
melding op het multifunctionele display.
Als de achterruit is geopend werkt
de centrale vergrendeling niet.

Page 74 of 267

!
TOEGANG TOT DE AUTO
82
PANORAMADAK (3-/5-DEURS)
U hebt de beschikking over een pano-
ramadak met getint glas, waardoor de
lichtinval en het zicht in het interieur
worden vergroot. Het dak is voorzien
van een handmatig bedienbaar twee-
delig zonnescherm, ter verbetering van
het thermische comfort in het interieur.

 Trek het zonnescherm met de hand-
greep naar achteren tot de gewens-
te stand is bereikt.
Openen
Sluiten

 Trek het zonnescherm met de hand-
greep naar voren tot de gewenste
stand is bereikt. Als er tijdens het bedienen van het
zonnescherm iets bekneld raakt,
moet het zonnescherm in de tegen-
gestelde richting worden verplaatst.
Hiervoor drukt u op de desbetref-
fende schakelaar.
Als de bestuurder de schakelaar
van het zonnescherm bedient, moet
hij controleren of niemand het cor-
rect sluiten van het zonnescherm
verhindert.
De bestuurder moet erop toezien
dat de passagiers het zonnescherm
op een correcte manier bedienen.
Houd kinderen in de gaten terwijl
het zonnescherm wordt bediend.
PANORAMADAK (SW)
U hebt de beschikking over een pano-
ramadak met getint glas, waardoor de
lichtinval en het zicht in het interieur
worden vergroot. Het dak is voorzien
van een elektrisch bedienbaar tweede-
lig zonnescherm, ter verbetering van
het thermische comfort in het interieur.
Openen

 Trek aan de schakelaar A .
Het zonnescherm stopt zodra u de scha-
kelaar loslaat.
Sluiten

 Druk op de schakelaar A .
Het zonnescherm stopt zodra u de scha-
kelaar loslaat.

Page 75 of 267

i
83
Zolang de brandstoftankdop niet is
vastgedraaid, kan de sleutel niet uit
de dop worden verwijderd. BRANDSTOFTANK

Inhoud van de brandstoftank: on-
geveer 50 liter (Benzine) of 45 liter
(Diesel).
Bij het openen van de brandstoftank-
dop kan een aanzuiggeluid van lucht
hoorbaar zijn. Dit is normaal en komt
doordat de afdichting van het brandstof-
circuit een onderdruk veroorzaakt.
Veilig tanken:

 zet altijd de motor af,

 open de brandstoftankklep,

 steek de sleutel in de dop en draai
de sleutel linksom,
Na het tanken:

 breng de dop aan,

 draai de sleutel naar rechts en ver-
wijder deze vervolgens uit de dop,

 sluit de brandstoftankklep.

 verwijder de dop en bevestig deze
aan de haak aan de binnenzijde van
de klep,

 u kunt de auto aftanken, maar laat
het vulpistool nooit meer dan
3 keer afslaan . Indien dit wel ge-
beurt, kunnen er storingen optre-
den.
Waarschuwing brandstofniveau
Tanken
Als dit controlelampje gaat bran-
den, is het minimale niveau in de
brandstoftank bereikt. Op het mo-
ment dat het lampje gaat bran-
den, is er nog ongeveer 5 liter brandstof
over in de tank, afhankelijk van uw rijstijl
en de motoruitvoering van uw auto.
Ga zo snel mogelijk tanken om te voor-
komen dat u met een lege tank strandt.
Raadpleeg indien u strandt met een
lege tank (Diesel) het hoofdstuk "Prakti-
sche informatie".
Op een label aan de binnenzijde van de
tankklep staat de voorgeschreven soort
brandstof voor uw auto aangegeven.
Voor een juiste weergave van de brand-
stofmeter is het raadzaam minimaal
5 liter brandstof te tanken.

Page 76 of 267

TOEGANG TOT DE AUTO
84
Brandstofkwaliteit voor
benzinemotoren
Auto's met benzinemotoren kunnen
probleemloos rijden op biobrandstoffen
van het type E10 (deze bevatten 10%
ethanol) die voldoen aan de Europese
richtlijnen EN 228 en EN 15376.
Brandstoffen van het type E85 (deze
bevatten tot 85% ethanol) zijn uitslui-
tend geschikt voor auto's die speciaal
bestemd zijn voor dit type brandstof
(BioFlex-auto's). De kwaliteit van de
ethanol moet voldoen aan de Europese
richtlijn EN 15376.
Auto's die kunnen rijden op brandstof-
fen met een ethanolgehalte tot 100%
(type E100), worden alleen verkocht in
Brazilië. Brandstofkwaliteit voor
dieselmotoren
Auto's met dieselmotoren kunnen pro-
bleemloos rijden op biobrandstoffen die
aan de huidige en toekomstige Europe-
se richtlijnen voldoen (diesel die voldoet
aan de richtlijn EN 590 gemengd met
biobrandstof die voldoet aan de richtlijn
EN 14214) en die aan de pomp getankt
kan worden (met een gehalte aan me-
thyl-estervetzuren van 0 tot 7%).
Het gebruik van biobrandstof B30 is
mogelijk bij bepaalde dieselmotoren
op voorwaarde dat de bijzondere on-
derhoudsvoorschriften strikt worden
nageleefd. Raadpleeg het PEUGEOT
netwerk.
Het gebruik van elk ander type
(bio)brandstof (zuivere of verdunde plant-
aardige of dierlijke olie, stookolie ...) is
nadrukkelijk verboden (kans op schade
aan de motor en het brandstofcircuit).

Page 77 of 267

85
LICHTSCHAKELAAR
Met de lichtschakelaar kunt u de ver-
lichting van de auto selecteren en in-
schakelen. Handbediende functies
De lichtschakelaar bestaat uit de ring
A
en de hendel B .
uit,
alleen parkeerlicht, dimlicht of grootlicht,

B. trek de hendel naar u toe om over
te schakelen van dim- naar grootlicht
en terug.
Als de verlichting is uitgeschakeld of
alleen de parkeerlichten zijn ingescha-
keld, kunt u een lichtsignaal geven door
de hendel naar u toe te trekken.
Verklikkerlampjes
Een verklikkerlampje op het instrumen-
tenpaneel geeft aan dat de geselecteer-
de verlichting is ingeschakeld.
Hoofdverlichting
De lichtschakelaar heeft verschillende
standen om de zichtbaarheid van de
auto en het zicht van de bestuurder aan
te passen aan de omgeving:
- parkeerlicht: om gezien te worden,
- dimlicht: voor een optimaal zicht
zonder medeweggebruikers te ver-
blinden,
- grootlicht: voor een optimaal zicht op wegen waar het omgevingslicht
onvoldoende is.
Aanvullende verlichting
Uw auto is voorzien van aanvullende
verlichting voor specifi eke rijomstandig-
heden:
- mistachterlicht: voor een optimale zichtbaarheid van achteren als het
zicht minder dan 50 m is,
- mistlampen vóór: voor extra zicht bij slecht weer,
- bochtverlichting voor een optimaal zicht in bochten.
Instellingen
Het verlichtingssysteem van uw auto
heeft verschillende extra automatische
functies die afzonderlijk kunnen worden
ingesteld:
- follow me home verlichting,
- automatische verlichting,
- statische bochtverlichting.
A. ring voor de selectie van de stand
van de hoofdverlichting: Uitvoering zonder automatische verlichting
Uitvoering met automatische verlichting
automatische verlichting.

Page 78 of 267

!
i
86
Uitvoering met
mistachterlicht
Uitvoering met mistlampen vóór en mistachterlicht mistlampen vóór en mistach-
terlicht
mistachterlicht

C. ring voor de selectie van de mistver-
lichting.
De mistverlichting kan worden ingescha-
keld in combinatie met dim- en grootlicht.

 Draai de ring C naar voren om het
mistachterlicht in te schakelen.
Wanneer de verlichting automatisch
wordt uitgeschakeld (in de stand AUTO),
blijven het mistachterlicht en de dimlich-
ten branden.

 Draai de ring C naar achteren om
alle lichten uit te schakelen.

 Draai de ring C naar voren om de
mistverlichting in te schakelen.

 Draai de ring C twee keer naar ach-
teren om het mistachterlicht uit te
schakelen.
Wanneer de verlichting automatisch
wordt uitgeschakeld (in de stand AUTO)
of het dimlicht handmatig wordt uitge-
schakeld, blijven de mistverlichting en
de parkeerlichten branden.

 Draai de ring naar achteren om de
mistverlichting uit te schakelen. De
parkeerlichten worden automatisch
uitgeschakeld. Bij helder of regenachtig weer,
zowel overdag als 's nachts, zijn
de mistlampen vóór en het mist-
achterlicht verblindend voor me-
deweggebruikers en daarom niet
toegestaan. Vergeet niet de mist-
lampen uit te zetten zodra het niet
meer nodig is.
Vergeten verlichting
Als het contact is afgezet en één van
de voorportieren wordt geopend,
klinkt een geluidssignaal om aan te
geven dat de verlichting nog brandt.
Het geluidssignaal stopt zodra de
verlichting wordt uitgeschakeld.
Als de dimlichten bij afgezet con-
tact blijven branden, worden deze
na 30 minuten automatisch uitge-
schakeld om het ontladen van de
accu te voorkomen.

Page 79 of 267

!
87
Als de lichtsensor bij mist of sneeuw
voldoende licht waarneemt, wordt
de verlichting niet automatisch in-
geschakeld.
Dek de met de regensensor ge-
combineerde lichtsensor die zich in
het midden van de voorruit achter
de binnenspiegel bevindt, niet af.
Deze sensor regelt de automati-
sche verlichting.
Koppeling met follow me home-
verlichting
De koppeling van dit systeem aan de
automatische verlichting biedt de vol-
gende extra mogelijkheden:
- instellen van de duur van de follow me
home-verlichting (15, 30 of 60 secon-
den) via het confi guratiemenu van de
auto op het multifunctionele display,
- automatische inschakeling van de follow me home-verlichting als de
automatische verlichting is inge-
schakeld.
Automatische verlichting
Het parkeerlicht en het dimlicht worden
automatisch ingeschakeld als de licht-
sterkte van de omgeving onvoldoende
is (gesignaleerd door de sensor achter
de binnenspiegel) of zodra de ruiten-
wissers worden ingeschakeld.
De verlichting wordt automatisch uitge-
schakeld als de lichtsterkte van de om-
geving weer voldoende is of het wissen
is gestopt.
Follow me home
Deze functie zorgt ervoor dat na het af-
zetten van het contact de dimlichten nog
even blijven branden om het uitstappen
in het donker te vergemakkelijken.
Inschakelen

 Geef bij afgezet contact een "licht-
signaal" met de hendel B .

 Geef nogmaals een "lichtsignaal"
om de functie te deactiveren.
Uitschakelen
Na het vergrendelen van de auto met
de afstandsbediening of na de ingestel-
de tijd wordt de follow me home-verlich-
ting automatisch uitgeschakeld. Inschakelen

 Draai de ring A in de stand " AUTO ".
Het inschakelen wordt bevestigd
door een melding op het multifunc-
tionele display. Storing
Bij een storing in de lichtsen-
sor gaat de verlichting branden
en wordt het pictogram service
weergegeven in combinatie
met een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
Motorvoertuigverlichting overdag *
Bij auto's met motorvoertuigverlichting
overdag wordt bij het starten van de auto
automatisch het dimlicht ingeschakeld.
Op het instrumentenpaneel gaat dit verklikkerlampje branden.
De dashboardverlichting (inclusief de
verlichting van het instrumentenpaneel,
het multifunctionele display, het bedie-
ningspaneel van de airconditioning, ...)
gaat niet branden, tenzij de automati-
sche verlichting wordt ingeschakeld of
de verlichting handmatig wordt inge-
schakeld.
Uitschakelen

 Draai de ring A in een andere stand
dan de stand " AUTO ". Het uitscha-
kelen wordt bevestigd door een mel-
ding op het multifunctionele display.
* Volgens land van bestemming.

Page 80 of 267

!
87
Als de lichtsensor bij mist of sneeuw
voldoende licht waarneemt, wordt
de verlichting niet automatisch in-
geschakeld.
Dek de met de regensensor ge-
combineerde lichtsensor die zich in
het midden van de voorruit achter
de binnenspiegel bevindt, niet af.
Deze sensor regelt de automati-
sche verlichting.
Koppeling met follow me home-
verlichting
De koppeling van dit systeem aan de
automatische verlichting biedt de vol-
gende extra mogelijkheden:
- instellen van de duur van de follow me
home-verlichting (15, 30 of 60 secon-
den) via het confi guratiemenu van de
auto op het multifunctionele display,
- automatische inschakeling van de follow me home-verlichting als de
automatische verlichting is inge-
schakeld.
Automatische verlichting
Het parkeerlicht en het dimlicht worden
automatisch ingeschakeld als de licht-
sterkte van de omgeving onvoldoende
is (gesignaleerd door de sensor achter
de binnenspiegel) of zodra de ruiten-
wissers worden ingeschakeld.
De verlichting wordt automatisch uitge-
schakeld als de lichtsterkte van de om-
geving weer voldoende is of het wissen
is gestopt.
Follow me home
Deze functie zorgt ervoor dat na het af-
zetten van het contact de dimlichten nog
even blijven branden om het uitstappen
in het donker te vergemakkelijken.
Inschakelen

 Geef bij afgezet contact een "licht-
signaal" met de hendel B .

 Geef nogmaals een "lichtsignaal"
om de functie te deactiveren.
Uitschakelen
Na het vergrendelen van de auto met
de afstandsbediening of na de ingestel-
de tijd wordt de follow me home-verlich-
ting automatisch uitgeschakeld. Inschakelen

 Draai de ring A in de stand " AUTO ".
Het inschakelen wordt bevestigd
door een melding op het multifunc-
tionele display. Storing
Bij een storing in de lichtsen-
sor gaat de verlichting branden
en wordt het pictogram service
weergegeven in combinatie
met een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
Motorvoertuigverlichting overdag *
Bij auto's met motorvoertuigverlichting
overdag wordt bij het starten van de auto
automatisch het dimlicht ingeschakeld.
Op het instrumentenpaneel gaat dit verklikkerlampje branden.
De dashboardverlichting (inclusief de
verlichting van het instrumentenpaneel,
het multifunctionele display, het bedie-
ningspaneel van de airconditioning, ...)
gaat niet branden, tenzij de automati-
sche verlichting wordt ingeschakeld of
de verlichting handmatig wordt inge-
schakeld.
Uitschakelen

 Draai de ring A in een andere stand
dan de stand " AUTO ". Het uitscha-
kelen wordt bevestigd door een mel-
ding op het multifunctionele display.
* Volgens land van bestemming.

Page:   < prev 1-10 ... 31-40 41-50 51-60 61-70 71-80 81-90 91-100 101-110 111-120 ... 270 next >