ESP Peugeot 207 CC 2010 Handleiding (in Dutch)

Page 76 of 207

!i
i
!
TOEGANG TOT DE AUTO
71
PORTIEREN

 Ontgrendel de auto met de afstands-
bediening of de sleutel en trek aan
de portiergreep.
De ruit opent automatisch enkele millimeters wanneer het portier ge-
opend wordt. Van binnenuit

 Trek aan de portiergreep om het
portier te openen; hiermee worden
alleen de portieren ontgrendeld.
De ruit opent automatisch enkele millimeters wanneer het portier ge-
opend wordt.
De portieren kunnen niet met de
portiergrepen worden geopend op
het moment dat de supervergren-
deling is ingeschakeld. Sluiten
De ruit gaat na enkele seconden au-
tomatisch weer omhoog en zorgt voor
een perfecte afdichting bij een gesloten
portier.
Als een portier niet goed is gesloten:
- bij draaiende motor gaat
het verklikkerlampje bran-
den in combinatie met een
melding op het multifunc-
tionele display gedurende
enkele seconden,
- tijdens het rijden (snelheid hoger
dan 10 km/h) gaat het verklikker-
lampje branden in combinatie met
een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display ge-
durende enkele seconden.
Als u het portier langer dan een mi-
nuut geopend houdt, gaat de ruit
weer omhoog.
Trek nogmaals aan de handgreep
om het systeem weer te activeren. Het kofferdeksel wordt niet gelijk-
tijdig met de portieren ontgrendeld
(zie § "Bagageruimte").
Voorkom bij het wassen van de
auto dat de bovenzijde van de rui-
ten wordt besproeid.
Openen
Van buitenaf

Page 95 of 207

!
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN
86
De onjuiste bevestiging van een
kinderzitje brengt de veiligheid van
het kind in gevaar in geval van een
botsing.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgor-
dels of het tuigje van het kinder-
zitje, zelfs bij korte ritten, worden
vastgemaakt waarbij de speling ten
opzichte van het lichaam van het
kind zoveel mogelijk moet worden
beperkt.
Wanneer u een kinderzitje met de
veiligheidsgordel in de auto instal-
leert, let er dan wel op dat de gordel
goed gespannen is; het zitje moet
namelijk strak aan de autostoel zijn
bevestigd.
Zorg er voor een optimale beves-
tiging van het kinderzitje "met het
gezicht in de rijrichting" voor dat
de rugleuning van het zitje tegen
de rugleuning van de stoel van de
auto aandrukt en dat de hoofdsteun
geen belemmering vormt.
Als de hoofdsteun verwijderd moet
worden, berg deze dan zorgvuldig
op om te voorkomen dat de hoofd-
steun door de auto vliegt bij krach-
tig afremmen. Plaatsen van een stoelverhoger
Het bovenste gedeelte van de veilig-
heidsgordel moet over de schouder
van het kind liggen zonder de hals te
raken.
Controleer of de heupgordel goed over
de bovenbenen van het kind ligt.
PEUGEOT beveelt aan een stoelverho-
ger met rugleuning te gebruiken voor-
zien van een gordelgeleider ter hoogte
van de schouder. Laat uit veiligheidsoverwegingen:
- geen kinderen zonder toezicht
achter in een auto,
- nooit een kind of een dier in een auto achter wanneer alle ruiten
gesloten zijn en de auto in de zon
staat,
- de sleutels nooit binnen bereik van de kinderen achter in de auto.
Kinderen jonger dan 10 jaar mogen niet
met het gezicht in de rijrichting op de
passagiersstoel voor worden vervoerd,
behalve als de achterzitplaatsen al be-
zet zijn door andere kinderen of als de
achterbank niet bruikbaar, neergeklapt
of verwijderd is.
Schakel de airbag aan passagierszijde
uit zodra een kinderzitje met de rug
in de rijrichting op de voorstoel wordt
geplaatst. Het kind kan anders bij het
afgaan van de airbag levensgevaarlijk
gewond raken.

Page 103 of 207

!
VEILIGHEID
94
De systemen ASR en ESP zor-
gen voor meer veiligheid tijdens
het rijden. De bestuurder mag zich
echter nooit laten verleiden tot het
nemen van meer risico's of het te
hard rijden.
De goede werking van de syste-
men wordt verzekerd door de na-
leving van de voorschriften van
de constructeur op het gebied van
wielen (banden en velgen), onder-
delen van het remsysteem, elek-
tronische onderdelen, alsmede de
montageprocedure en het uitvoe-
ren van werkzaamheden door het
PEUGEOT-netwerk.
Laat de systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-
netwerk.
Uitschakelen
In uitzonderlijke omstandigheden (als
de auto vastzit in de modder, sneeuw,
in mulle grond, ...) kan het nuttig zijn de
systemen ASR en ESP uit te schake-
len, zodat de wielen kunnen spinnen en
weer grip kunnen krijgen.

 Druk op de knop "ESP OFF" , die
zich in het midden van het dash-
board bevindt.
Als dit verklikkerlampje op het instru-
mentenpaneel en het verklikkerlampje
van de knop branden, zijn de systemen
ASR en ESP uitgeschakeld.
Opnieuw inschakelen:
Deze systemen worden automatisch
weer ingeschakeld als het contact op-
nieuw wordt aangezet of vanaf 50 km/h.

 Druk nogmaals op de knop "ESP
OFF" om de systemen handmatig
weer in te schakelen. Storing
Als dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op
het multifunctionele display, duidt
dit op een storing in deze systemen.
Laat het controleren door het PEUGEOT
netwerk.
STABILITEITSCONTROLESYSTEMEN
Inschakelen
De systemen worden automatisch inge-
schakeld zodra de motor wordt gestart.
Antispinregeling
(ASR) en elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP)
De systemen worden geacti-
veerd zodra de wielen te weinig
grip hebben of de koers van de
auto afwijkt van de door de be-
stuurder gewenste richting.
In dat geval gaat dit controle-
lampje op het instrumentenpa-
neel knipperen.
De antispinregeling verbetert de tractie
van de wielen om doorspinnen te voor-
komen, door in te grijpen op de remmen
van de aangedreven wielen en op het
motorkoppel.
Het elektronisch stabiliteitsprogram-
ma grijpt in via de remmen van één of
meerdere wielen en via het motorkop-
pel om de auto (binnen de grenzen van
de natuurkundige wetmatigheden) weer
in de juiste koers te brengen.

Page 106 of 207

VEILIGHEID
Omdoen Verklikkerlampje veiligheidsgordel

 Trek aan de gordel en steek de gesp
in de gesphouder.


Controleer of de gordel goed is vastge-
maakt door even aan de riem te trekken.
Als het contact wordt aangezet,
gaat dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel branden om
aan te geven dat de bestuurder *
en/of voorpassagier zijn gordel nog
niet heeft vastgemaakt.
Als de wagensnelheid hoger is dan 20 km/h,
knippert gedurende 2 minuten het verklikker-
lampje in combinatie met een steeds sterker
worden geluidssignaal. Na deze 2 minuten
blijft het verklikkerlampje branden zolang de
bestuurder * en/of voorpassagier zijn veilig-
heidsgordel niet heeft vastgemaakt.
Losmaken

 Druk op de rode knop van de gesp-
houder.
1. Verklikkerlampje veiligheidsgordel
links voor.

2. Verklikkerlampje veiligheidsgordel
rechts voor.
In de middelste rij gaat het verklikker-
lampje 1 of 2 branden.
Rij verklikkerlampjes
veiligheidsgordel Veiligheidsgordels achter
De achterbank is voorzien van twee
driepunts veiligheidsgordels met oprol-
automaat.
Omdoen

 Trek aan de gordel en steek de gesp
in de gesphouder.

 Controleer of de gordel goed is vast-
gemaakt door even aan de riem te
trekken.
Losmaken

 Druk op de rode knop van de gesp-
houder.
* Volgens land van bestemming.

Page 107 of 207

i
VEILIGHEID
97
Alvorens te gaan rijden dient de
bestuurder te controleren of alle
passagiers hun veiligheidsgordel
goed hebben omgedaan en vast-
gemaakt.
Zorg ervoor dat alle inzittenden tij-
dens het rijden hun veiligheidsgor-
del dragen, ook al betreft het een
korte rit.
Draai de gespen van de veilig-
heidsgordels niet om; de gordels
zijn dan niet voldoende effectief.
De veiligheidsgordels zijn voorzien
van een oprolautomaat die ervoor
zorgt dat de lengte van de gordel
automatisch wordt aangepast aan
de lichaamsbouw van de gebruiker.
De gordel wordt automatisch opge-
rold als deze niet wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het
gebruik van de gordel of deze goed
is opgerold.
De heupgordel moet zo laag mo-
gelijk op het bekken worden ge-
plaatst.
De schoudergordel moet langs het
holle gedeelte van de schouder
worden geplaatst.
De oprolautomaten zijn voorzien
van een automatische blokkeer-
inrichting die in werking treedt bij
een aanrijding, een noodstop of
het over de kop slaan van de auto.
U kunt de blokkeerinrichting de-
blokkeren door stevig aan de riem
te trekken en deze weer los te la-
ten, zodat de riem weer een stukje
wordt opgerold. Voor een effectieve werking van de vei-
ligheidsgordel:
- dient deze strak om het lichaam te
worden gedragen,
- moet deze in een vloeiende bewe- ging naar voren worden getrok-
ken, zonder dat de gordel gedraaid
raakt,
- mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen,
- mag deze geen beschadigingen of rafels vertonen,
- mag er om te voorkomen dat de gor- del niet goed werkt, niets aan wor-
den gewijzigd.
Vanwege de wettelijke veiligheidsvoor-
schriften moeten werkzaamheden en
controles aan de veiligheidsgordels
worden uitgevoerd door het PEUGEOT-
netwerk, dat tevens voor de garantie
zorgt en de werkzaamheden volgens
de voorschriften uitvoert.
Laat de veiligheidsgordels van uw
auto regelmatig controleren door het
PEUGEOT-netwerk, vooral als de gor-
dels beschadigingen vertonen.
Reinig de veiligheidsgordels met zeep-
sop of een reinigingsmiddel voor textiel,
verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk.
Controleer na het neerklappen of ver-
stellen van een stoel of de achterbank
of de gordel zich op de juiste plaats be-
vindt en goed is opgerold. Voorschriften voor kinderen
Maak voor kinderen tot 12 jaar of
kleiner dan 1,50 m gebruik van een
geschikt kinderzitje.
De veiligheidsgordel mag door niet
meer dan één persoon gedragen
worden.
Laat nooit een kind op schoot zitten
tijdens het rijden.
Bij aanrijdingen
De gordelspanners kunnen,
afhanke-
lijk van de aard en de kracht van de
aanrijding , vóór en onafhankelijk van
de airbags afgaan. Het activeren van
de gordelspanners gaat gepaard met
wat onschadelijke rook en een knal,
als gevolg van de activering van de
pyrotechnische lading die in het sy-
steem is geïntegreerd.
In alle gevallen gaat het verklikker-
lampje van de airbag branden.
Laat het systeem na een aanrijding
controleren en eventueel vervangen
door het PEUGEOT-netwerk.

Page 116 of 207

!i
RIJDEN
106
Parkeren van de auto
Voordat u de motor afzet, kunt u de se-
lectiehendel in de stand P of N bewe-
gen om de neutraalstand te selecteren.
Trek in beide gevallen de handrem aan
om de auto stil te zetten. Storing
De automatische versnellingsbak
kan beschadigd raken:
- als u gelijktijdig het gas- en het rempedaal intrapt,
- als u, wanneer de accu geen stroom levert, de selectiehen-
del geforceerd in de stand P of
een andere stand zet.
Als u langere tijd stilstaat met
draaiende motor (fi les...), kunt u
om brandstof te besparen de se-
lectiehendel in de stand N zetten
en de handrem aantrekken.
Handmatig schakelen

 Selecteer de stand M om sequenti-
eel te schakelen tussen de vier ver-
snellingen.

 Duw de selectiehendel naar het
symbool + om één versnelling op te
schakelen.

 Trek de selectiehendel naar het
symbool - om één versnelling terug
te schakelen.
Op het instrumentenpaneel
verdwijnt de aanduiding D en
verschijnen achtereenvolgens
de ingeschakelde versnellin-
gen.
Als het motortoerental te laag of te hoog
is, knippert de geselecteerde versnel-
ling enkele seconden en vervolgens
wordt de werkelijk ingeschakelde ver-
snelling weergegeven.
Er kan elk moment van de stand D
(rijden in de automatische stand) naar
de stand M (rijden in de handbediende
stand) worden geschakeld.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest
de versnellingsbak automatisch de
stand M1 .
De programma's Sport en Sneeuw kun-
nen niet worden ingeschakeld in de
handbediende stand. Als de selectiehendel niet in de
stand
P staat, verschijnt bij het
openen van het bestuurdersportier
of na ongeveer 45 seconden een
melding op het multifunctionele
display.

 Zet de selectiehendel in de
stand P ; de melding verdwijnt.
Het schakelen naar een andere versnel-
ling kan alleen als de snelheid van de
auto en het toerental van de motor dit
toestaan, anders wordt er tijdelijk over-
gegaan op de automatische bediening.
Onjuiste waarde bij handmatige
bediening
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is inge-
schakeld (de selectiehendel
bevindt zich tussen twee stan-
den in). Als bij aangezet contact dit ver-
klikkerlampje gaat branden in
combinatie met een geluids-
signaal en een melding op het
multifunctionele display, duidt dit op een
storing in de versnellingsbak.
In dit geval werkt de versnellingsbak
met een noodprogramma en blijft de 3e
versnelling ingeschakeld. U kunt dan
een hevige schok voelen bij het selecte-
ren van R vanuit de stand P , of R vanuit
de stand N . Dit beschadigt de versnel-
lingsbak niet.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhanke-
lijk van de geldende snelheidslimiet).
Raadpleeg zo snel mogelijk het
PEUGEOT-netwerk.

Page 119 of 207

i
RIJDEN
109
SNELHEIDSREGELAAR
Met behulp van de snelheidsregelaar
kan de bestuurder met een constante
ingestelde snelheid rijden zonder gas te
hoeven geven.
Het inschakelen van de snelheidsre-
gelaar geschiedt handmatig waarbij de
ingestelde snelheid minimaal 40 km/h
dient te bedragen en:
- de vierde versnelling moet zijn inge- schakeld bij een handgeschakelde
versnellingsbak,
- de tweede versnelling moet zijn ingeschakeld bij rijden in de hand-
matige stand bij een automatische
transmissie,
- de stand D moet zijn geselecteerd
bij een automatische transmissie.
Het uitschakelen van de snelheidsrege-
laar geschiedt handmatig met de hendel,
door het rem- of koppelingspedaal in te
trappen of, om veiligheidsoverwegingen,
door activering van het ESP.
Door het gaspedaal in te trappen, kan
de ingestelde snelheid tijdelijk worden
overschreden.
Na het afzetten van het contact worden
alle ingestelde snelheden gewist. Om
weer terug te keren naar de ingestelde
snelheid is het voldoende het gaspe-
daal los te laten.
Bij het gebruik van de snelheidsrege-
laar moet de bestuurder te allen tijde de
snelheidslimiet in acht nemen, zijn aan-
dacht op het verkeer blijven vestigen en
zijn verantwoordelijkheid nemen. De bediening van de snelheidsregelaar
is ondergebracht in de hendel
A .

1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsregelaar

2. Toets voor het verlagen van de
ingestelde snelheid

3. Toets voor het verhogen van de
ingestelde snelheid

4. Toets voor het in-/uitschakelen van
de snelheidsregelaar De informatie van de snelheidsregelaar
wordt weergegeven op het display van
het instrumentenpaneel.

5. Snelheidsregelaar AAN/UIT

6. Snelheidsregelaar geselecteerd

7. Ingestelde snelheid
Stuurkolomschakelaars Weergave op het display
Bij het gebruik van de snelheidsre-
gelaar moet de bestuurder te allen
tijde de snelheidslimiet in acht ne-
men, zijn aandacht op het verkeer
blijven vestigen en zijn verantwoor-
delijkheid nemen.
Aanbevolen wordt de voeten altijd
dichtbij de pedalen te houden.

Page 144 of 207

PRAKTISCHE INFORMATIE
134
Zekeringen motorruimte
De zekeringkast bevindt zich onder de
motorkap, naast de accu (links).
Toegang tot de zekeringen

 Maak het deksel los.

 Vervang de zekering (zie de desbe-
treffende paragraaf).

 Sluit na het vervangen van de zeke-
ring zorgvuldig het deksel voor een
goede afdichting van de zekering-
kast. Overzicht zekeringen

Zekering Ampère Functies

F1 20 A
Voeding elektronische eenheid motor en
voedingsrelais motorventilateurgroep, elektrokleppe n
distributie en absorptievat (1,6 liter THP 16V),
luchthoeveelheidsmeter (diesel), inspuitpomp
(diesel), sensor water in brandstoffi lter (diesel),
UGR-elektrokleppen, voorverwarming inlaatlucht (die sel).

F2 15 A Claxon.

F3 10 A Ruitensproeier vóór.

F4 20 A Koplampsproeiers.

F5 15 A Brandstofpomp (benzine), elektrokleppen Turbo
(1,6 liter THP 16V).

F6 10 A Wagensnelheidssensor, automatische transmissie.

F7 10 A Elektrische stuurbekrachtiging, bochtverlichting,
voedingsrelais bochtverlichting, eenheid
veiligheidsschakeling (diesel).

F8 20 A Voeding startmotor.

F9 10 A
Elektronische eenheid ABS/ESP, rempedaalschakelaar.

F10 30 A Regelorganen elektronische eenheid motor (benzine:

bobines, elektrokleppen, lambdasonden, verstuivers,
verwarmingselementen, elektronische thermostaat)
(diesel: elektrokleppen, verwarmingselementen).

F11 40 A Aanjager airconditioning.

F12 30 A Lage/hoge snelheid ruitenwissers vóór.

F13 40 A
Voeding intelligente servicecentrale (BSI) (+ na c ontact).

Page 145 of 207

PRAKTISCHE INFORMATIE
135

Zekering Ampère Functies

F14 30 A Brandstofvoorverwarming (diesel).

F15 10 A Grootlicht links.

F16 10 A Grootlicht rechts.

F17 15 A Dimlicht links.

F18 15 A Dimlicht rechts.
Overzicht hoofdzekeringen
* De hoofdzekeringen zorgen voor een extra beveiliging van de elek-
trische installatie. Werkzaamheden
aan de hoofdzekeringen dienen door
het PEUGEOT-netwerk uitgevoerd te
worden.

Zekering Ampère Functies
Zekeringkast 1

MF1 * 70 A Motorventilateurgroep.

MF2 * 20 A / 30 A Pomp ABS/ESP

MF3 * 20 A / 30 A Elektrokleppen ABS/ESP.

MF4 * 60 A Voeding intelligente servicecentrale (BSI).

MF5 * 60 A Voeding intelligente servicecentrale (BSI).

MF6 * 30 A motorventilateurgroep (1,6 liter THP 16V).

MF7 * 80 A Zekeringkast interieur.

MF8 * - Niet gebruikt.
Zekeringkast 2

MF9 * 80 A Eenheid verwarming (diesel).

MF10 * 80 A Elektrische stuurbekrachtiging.

MF11 * 40 A Elektromotor Valvetronic (1,6 liter THP 16V).

Page 160 of 207

150
1
5
10
01
2
346
13
11
9
1415
781216
- Kort indrukken: aan/uit - Lang indrukken: CD pauzeren, geluidsweergave ra
dio onderbreken. Draaiende motor - Kort indrukken: CD pauzeren, geluidsweergave radio onderbreken. - Lang indrukken: resetten van het systeem.
2. Volumeregeling (individueel voor iedere geluidsbron, inclusief berichten en waarschuwingen van het navigatiesystee m).
3. Toegang tot het Menu "Radio". Weergave van het zend eroverzicht.
4. Toegang tot het Menu "Muziek". Weergave van t racks.
6. Toegang tot het Menu "Telefoon". Weergave van het logboek gesprekken.
7. Toegang tot het Menu "MODE". Selecteren van het achtereenvolgens weergeven van: Radio, Kaart, NAV (tijdens navigatie), Telefoon (tijdens een gesprek), Boordcomputer. Lang indrukken: Black Panel-functie (DARK).
8. Toegang tot het Menu "Navigatie". Weergave van de laatst gekozen bestemmingen.
9. Toegang tot het Menu "Verkeer". Weergave van de actuele verkeersinformatie.
10. ESC: huidige bewerking afbreken.
11. CD uitwerpen.
12. Selecteren van de vorige/volgende radiozender in het overzicht. Selecteren van de vorige/volgende MP3-afspeellijst . Selecteren van het vorige/volgende item in een lijst.
13. Selecteren van de vorige/volgende radiozender. Selecteren van de vorige/volgende titel van een CD of vorig/volgend MP3-bestand. Selecteren van het vorige/volgende item in een lijst.
14. Toetsen 1 t/m 6: Selecteren van een in het geheugen opgeslagen radiozender. Lang indrukken: in het geheugen opslaan van de hu idige radiozender.
15. SD-kaartlezer, uitsluitend voor navigatie.
16. Selectieknop voor de weergave op het display, afhankelijk van de context van het menu. Kort indrukken: contextmenu of bevestigen. Lang indrukken: specifi ek contextmenu van de weerg egeven lijst.
BEDIENINGSPANEEL Peugeot Connect Nav
3 - 4. Lang indrukken: toegang tot de audio-instellingen: geluidsverdeling voor/achter, links/rechts, lage-/hogetonenregeling, sfeerinstellingen, loudness, aut omatische volumecorrectie, standaardinstellingen. 5. Toegang tot het Menu "SETUP". Lang indrukken: toegang tot het GPS-bereik en de de mo-mode.
BASISFUNCTIES

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 31-40 next >