dak Peugeot 207 CC 2010 Handleiding (in Dutch)

Page 72 of 207

!
i
TOEGANG TOT DE AUTO
67
ALARM
Dit systeem beveiligt uw auto tegen in-
braak en diefstal. Het systeem bestaat
uit een omtrek- en een interieurbevei-
liging en is voorzien van een anti-in-
braakfunctie. Vergrendelen van de auto met
volledig ingeschakeld alarm
Breng geen wijzigingen aan het
alarmsysteem aan, dit kan leiden
tot storingen. De interieurbeveiliging wordt uit-
sluitend uitgeschakeld als deze
procedure wordt uitgevoerd na het
afzetten van het contact.
Wanneer het dak is weggeklapt
(cabriolet), wordt de interieurbevei-
liging automatisch uitgeschakeld.
Vergrendelen van de auto met
alleen de omtrekbeveiliging
Inschakelen

 Zet het contact af en verlaat de
auto.

 Vergrendel de auto of schakel de su-
pervergrendeling in met de vergren-
delknop van de afstandsbediening.
Het alarm wordt ingeschakeld; het ver-
klikkerlampje van de knop A zal één
keer per seconde knipperen.
De omtrekbeveiliging wordt 5 seconden
na het indrukken van de vergrendel-
knop van de afstandsbediening inge-
schakeld.
De interieurbeveiliging wordt 45 secon-
den na het indrukken van de vergren-
delknop van de afstandsbediening in-
geschakeld.
Als een portier of het kofferdeksel niet
goed is gesloten, wordt de auto niet
vergrendeld maar zal de omtrekbeveili-
ging, evenals de interieurbeveiliging na
45 seconden worden ingeschakeld.
Omtrekbeveiliging
Dit systeem houdt de te openen carros-
seriedelen van de auto in de gaten.
Het alarm gaat af als iemand probeert
in te breken door een portier, de achter-
klep of de motorkap te forceren.
Interieurbeveiliging
Dit systeem treedt in werking als er be-
wegingen in het interieur worden waar-
genomen.
Het alarm gaat af als er een ruit wordt
ingeslagen of als iets of iemand in de
auto beweegt.
Schakel de interieurbeveiliging uit als
u tijdens uw afwezigheid een ruit een
stukje open wilt laten of als er een huis-
dier in de auto achterblijft.
Anti-inbraakfunctie
Dit systeem treedt in werking als ie-
mand probeert het alarm te saboteren.
Het alarm gaat af als iemand probeert
de kabels van de sirene, de bedienings-
eenheid of de accu door te knippen. Uitschakelen

 Ontgrendel de auto met de ontgren-
delknop van de afstandsbediening.
Het alarm wordt uitgeschakeld; het ver-
klikkerlampje van de knop A gaat uit.
Uitschakelen van de
interieurbeveiliging

 Zet het contact af.

 Druk binnen 10 seconden op de
knop A tot het verklikkerlampje blijft
branden.

 Verlaat de auto.

 Vergrendel de auto of schakel de
supervergrendeling snel in met de
vergrendelknop van de afstandsbe-
diening.
Alleen de omtrekbeveiliging wordt inge-
schakeld; het verklikkerlampje van de
knop A zal één keer per seconde knip-
peren.

Page 79 of 207

i
i
TOEGANG TOT DE AUTO
74
ACHTERKLEP
Openen

 Ontgrendel het kofferdeksel of de
auto met de afstandsbediening of
de sleutel, trek aan de handgreep
en trek het kofferdeksel omhoog.
Ontgrendelen en op een kier
zetten van het kofferdeksel

 Druk langer dan twee se-
conden op de ontgrende-
lingsknop van de afstands-
bediening. Het kofferdeksel
wordt op een kier gezet.
In het geval van een lege accu is
het kofferdeksel vergrendeld. Raad-
pleeg het PEUGEOT-netwerk.
Antidiefstalbeveiliging van de bagageruimte
De bagageruimte is zo ontworpen dat
deze optimaal tegen diefstal is bevei-
ligd, ook als het dak is weggeklapt.
Daarom kan als de auto is vergrendeld
en het dak is weggeklapt het kofferdek-
sel niet worden ontgrendeld:
- door de portiergreep in het interieur te bedienen zonder dat de sleutel
zich in het contactslot bevindt,
-
door op de schakelaar A van de centrale
vergrendeling te drukken zonder dat de
sleutel zich in het contactslot bevindt.
- bij draaiende motor gaat
het verklikkerlampje bran-
den in combinatie met een
melding op het multifunc-
tionele display gedurende
enkele seconden,
- tijdens het rijden (snelheid hoger
dan 10 km/h) gaat het verklikker-
lampje branden in combinatie met
een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display ge-
durende enkele seconden.
Sluiten

 Trek het kofferdeksel omlaag aan
de handgreep aan de binnenzijde.
Als de achterklep niet goed is gesloten: Automatische vergrendeling
van het kofferdeksel
Als het dak is weggeklapt, de auto
is vergrendeld en u het kofferdeksel
ontgrendelt door op de ontgrende-
lingsknop van het kofferdeksel op
de afstandsbediening te drukken,
wordt het kofferdeksel automatisch
weer vergrendeld zodra u het sluit.
Als u in dit geval de sleutel per on-
geluk in de bagageruimte hebt la-
ten liggen, druk dan onmiddellijk
op de schakelaar
A van de centrale
vergrendeling om het kofferdeksel
weer te ontgrendelen en de sleutel
uit de bagageruimte te halen.

Page 134 of 207

i
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
124
Toegang tot het reservewiel
Het noodreservewiel bevindt zich onder
de vloer van de bagageruimte.
Om bij het reservewiel te komen:

 sluit het dak,

 open het kofferdeksel,

 til de vloer op.
Bevestiging van het
noodreservewiel
Indien uw auto is voorzien van licht-
metalen velgen is het normaal dat
bij het monteren van het noodre-
servewiel de ringen van de bouten
de velg niet raken. Als de bouten
volledig zijn aangedraaid, zorgt het
conische draagvlak van de bouten
voor de bevestiging van het nood-
reservewiel.
Verwijderen van het reservewiel

 Maak de riem los.

 Til het reservewiel aan de achter-
zijde op en trek het naar u toe.

 Verwijder het wiel uit de bagage-
ruimte.
Terugplaatsen van het reservewiel

 Leg het reservewiel in de reserve-
wielbak.

 Plaats de riem en maak deze vast.

 Plaats de vloerplaat terug.
Detectie te lage
bandenspanning
Het reservewiel is niet voorzien van
een bandenspanningssensor. Laat
het repareren van de lekke band
uitvoeren door het PEUGEOT-net-
werk.

Page 142 of 207

PRAKTISCHE INFORMATIE
132
Zekeringen dashboard
De zekeringkast bevindt zich aan de
onderzijde van het dashboard (linker-
zijde).
Toegang tot de zekeringen

 zie de paragraaf "Toegang tot het
gereedschap". Overzicht zekeringen

Zekering Ampère Functies

G37 30 A Voeding eenheid wegklapbaar dak.

G38 20 A Hifi versterker.

G39 20 A Stoelverwarming bestuurder en voorpassagier.

G40 40 A Voeding servicecentrale trekhaakaansluiting.

Zekering Ampère Functies

F1 - Niet gebruikt.

F2 - Niet gebruikt.

F3 5 A Elektronische eenheid airbags en pyrotechnische
gordelspanners.

F4 10 A Schakelaar koppelingspedaal, diagnoseaansluiting,
automatisch dimmende binnenspiegel,
airconditioning, sensor verdraaiing stuurwiel,
pomp roetfi lter (diesel).

F5 30 A Elektrisch bedienbare ruiten achter, wegklapbaar
dak.

F6 30 A Elektrisch bedienbare ruiten vóór, voeding
inklapbare buitenspiegels.

F7 5 A Plafonnier vóór, kaartleeslampjes, verlichting
zonneklep, verlichting dashboardkastje.

Page 143 of 207

PRAKTISCHE INFORMATIE
133

Zekering Ampère Functies

F8 20 A Autoradio/telefoon, multifunctioneel display,
stuurkolomschakelaars, detectie te lage
bandenspanning, servicecentrale
trekhaakaansluiting, alarm (naderhand gemonteerd).

F9 30 A 12 V-aansluiting vóór, plafonnier vóór,
kaartleeslampjes, verlichting zonneklep, verlichting
dashboardkastje.

F10 15 A
Sirene alarm, elektronische eenheid alarm, bochtver lichting.

F11 15 A Diagnoseaansluiting, contactslot met circuit lage
stroomsterkte, elektronische eenheid automatische t
ransmissie.

F12 15 A
Lichtsensor, servicecentrale trekhaakaansluiting, wegklapbaar dak.

F13 5 A Servicecentrale motor, relais ABS,
rempedaalschakelaar met twee functies.

F14 15 A
Instrumentenpaneel, controlepaneel veiligheidsgordel s,
koplampverstelling, airconditioning, autoradio, han dsfree
set, elektronische eenheid parkeerhulp achter.

F15 30 A Vergrendeling en supervergrendeling.

F17 40 A Achterruit- en buitenspiegelverwarming.

SH - Shunt tijdens opslag.

Page 147 of 207

!
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
137
Maak de accupoolklemmen niet los
bij draaiende motor.
Laad de accu niet op zonder de ac-
cupoolklemmen los te nemen.
Accu's bevatten schadelijke stof-
fen, zoals zwavelzuur en lood. Ac-
cu's moeten volgens de wettelijke
voorschriften worden afgevoerd en
mogen in geen geval bij het huis-
vuil terechtkomen.
Lever lege batterijen en accu's in
bij een speciaal afvalstoffendepot.
Laden met behulp van een
acculader

 Maak de accupoolklemmen los.

 Volg de aanwijzingen van de fabri-
kant van de acculader.

 Sluit de accukabels weer aan, te be-
ginnen met de (-) kabel.

 Controleer of de accupolen en de
klemmen schoon zijn. Indien ze be-
dekt zijn met een (witte of groene)
oxidatielaag, neem dan de accuka-
bels los en reinig de polen en klem-
men.
Het is raadzaam de accu los te
koppelen als uw auto langer dan
een maand buiten gebruik is. Vóór het loskoppelen van de
accukabels
Wacht 2 minuten na het afzetten
van het contact.
Sluit de ruiten, het wegklapbare
dak en de voorportieren.
Na het weer aansluiten van de
accukabels
Zet het contact aan en wacht 1 mi-
nuut alvorens de motor te starten
zodat de elektronische systemen
geïnitialiseerd kunnen worden.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
als er zich na deze handeling toch
nog problemen voordoen.
Raadpleeg het desbetreffende
hoofdstuk voor het zelf resetten
van:
- de sleutel met afstandsbedie-
ning,
- de elektrische bedienbare rui- ten en de automatische functie
voor het iets openen van de
portierruiten,
- het GPS navigatiesysteem.
Accukabels loskoppelen
Weer aansluiten van de kabels

 Plaats de geopende accupoolklem

1 op de pluspool (+) van de accu.

 Druk verticaal op de accupoolklem 1
om hem goed tegen de accu aan te
drukken.

 Zet de accupoolklem vast door de
hendel 2 omlaag te duwen.
Forceer de hendel niet, aangezien de
accupoolklem niet kan worden vergren-
deld als deze niet correct is geplaatst;
herhaal de procedure.

 Trek de vergrendelingshendel zo
ver mogelijk omhoog.

Page 148 of 207

!
i
PRAKTISCHE INFORMATIE
138
Als de accu ontladen is, kan de
motor niet gestart worden (zie de
desbetreffende paragraaf).
Als het wegklapbare dak wordt ge-
opend of gesloten, zal dit worden
voltooid. Het dak kan echter niet
opnieuw worden bediend.
ECO-MODE
De eco-mode bepaalt de maximale ge-
bruiksduur van een aantal functies om
te voorkomen dat de accu ontladen
raakt.
Nadat de motor is afgezet, kunt u een
aantal elektrische functies zoals radio,
ruitenwissers, dimlichten, plafonnier, ...
nog in totaal maximaal 30 minuten ge-
bruiken.
Uitschakelen van de eco-mode
De functies worden automatisch weer
ingeschakeld als de motor gestart
wordt.

 Start om de functies direct weer te
kunnen gebruiken de motor en laat
deze gedurende enige tijd draaien.
De beschikbare tijd bedraagt het dub-
bele van de tijd dat de motor heeft ge-
draaid. Deze tijd zal echter altijd tussen
de 5 en 30 minuten bedragen.
Inschakelen van de eco-mode
Na deze 30 minuten geeft een melding
op het multifunctionele display aan dat
de eco-mode is ingeschakeld en de ac-
tieve functies worden in de ruststand
gezet.
RUITENWISSERBLAD
VERVANGEN
De ruitenwisserbladen kunnen zonder
gereedschap worden vervangen.
Demonteren van een wisserblad
vóór

 Til de desbetreffende ruitenwisser-
arm op.

 Maak het wisserblad los en verwij-
der het.
Monteren van een wisserblad
vóór

 Controleer bij de ruitenwissers de
lengte van het wisserblad, omdat
het kortste blad aan de passagiers-
zijde van de auto gemonteerd moet
worden.

 Breng het nieuwe wisserblad aan en
klik het vast.

 Zet de ruitenwisserarm voorzichtig
terug.
SPAARFASE
De spaarfase stuurt de elektrische func-
ties van de auto aan om het ontladen
van de accu te voorkomen.
Tijdens het rijden kunnen in verband
met de laadtoestand van de accu en-
kele functies (airconditioning, achter-
ruitverwarming, ...) tijdelijk worden uit-
geschakeld.
Deze functies worden automatisch in-
geschakeld zodra de laadtoestand van
de accu dit toelaat.

Page 149 of 207

!i
PRAKTISCHE INFORMATIE
139
SLEPEN VAN DE AUTO
U kunt uw auto laten slepen door een
andere auto of een andere auto slepen
met behulp van het sleepoog.
Toegang tot het gereedschap Slepen van uw auto

 Trek aan het klepje in de voorbum-
per om het los te maken.

 Draai het sleepoog vast tot de aan-
slag.

 Bevestig de sleepstang.

 Schakel de alarmknipperlichten van
uw auto in.
 Maak het klepje in de achterbumper
los door op de onderkant ervan te
drukken.

 Draai het sleepoog vast tot de aan-
slag.

 Bevestig de sleepstang.

 Schakel de alarmknipperlichten van
de te slepen auto in.
Slepen van een andere auto
Het sleepoog bevindt zich in een houder
op de bodem van de bagageruimte,
onder de laadvloer:

 sluit het dak,

 open de achterklep,

 til de vloerplaat op,

 neem het sleepoog uit de houder. Gebruik voor het slepen van een
auto met de vier wielen op de grond
altijd een sleepstang.
Laat het takelen van de auto (met
twee wielen op de grond) uitslui-
tend uitvoeren door een professio-
neel takelbedrijf.
Bij het slepen van de auto met
stilstaande motor zijn de rem- en
stuurbekrachtiging uitgeschakeld.

 Zet de versnellingshendel in de
neutraalstand (stand N bij de
automatische transmissie).
Het niet opvolgen van deze bij- zonderheid kan er toe leiden
dat bepaalde onderdelen van
het remsysteem beschadigd
raken en de rembekrachtiging
niet werkt bij het opnieuw star-
ten van de motor.

Page 151 of 207

!
PRAKTISCHE INFORMATIE
141
BAGAGEREK OP HET
KOFFERDEKSEL
Bij het PEUGEOT-netwerk is een speci-
aal voor uw Coupé Cabriolet ontworpen
bagagerek voor op het kofferdeksel als
accessoire leverbaar.
Volg de aanwijzingen van de fabrikant
op voor de montage en het gebruik. Let, wanneer u bagage op het rek
plaatst, op dat het derde remlicht
en de kentekenplaat niet aan het
zicht onttrokken worden.
Zodra er bagage op het rek ge-
plaatst is, mag het wegklapbare
dak absoluut niet meer worden be-
diend.

Page:   < prev 1-10 11-20