stop start Peugeot 208 2013 Handleiding (in Dutch)

Page 73 of 332

71
3
Comfort
) Schakel, zodra de omstandigheden het toelaten, de achterruit- en buitenspiegelver warming uit,omdat een geringer stroomverbruik leidt tot een verlaging van het brandstofverbruik.


Ontwasemen - Ontdooien voorruit en zijruiten






Achterruitverwarming
De achterruitverwarming kan wordeningeschakeld met de toets op het
bedieningspaneel van de airconditioning.

Deze opdruk op het bedieningspaneel geeft aan in welke stand de knoppen moeten staan om de voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen of te ontdooien.
Met handbediende
airconditioning

Aan
De achterruitverwarming werkt uitsluitend bij draaiende motor.)
Druk op deze toets om de achterruit en de buitenspiegels (afhankelijk van
de uitvoering) te ontwasemen. Hetcontrolelampje van de toets gaat branden.
Bij auto's met een Stop & Start-systeem geldt dat zolang de voorruitontwaseming in werking is,de STOP-functie niet beschikbaar is.

Uit
De achterruitverwarming wordt automatisch
uitgeschakeld om onnodig stroomverbruik te
voorkomen. ) U kunt de achterruitverwarming ook eerder
uitschakelen door nogmaals op de toets tedrukken. Het controlelampje van de toets gaat uit.
Met automatische airconditioning
met gescheiden regeling
Automatisch programma
"Zicht"
)Zet de knoppen van de luchttemperatuur en de luchtverdeling in de met de
desbetreffende opdruk weergegeven stand. )Schakel de airconditioning in door de toets"A/C"
in te drukken; het controlelampje in
de toets gaat branden.
) Selecteer dit programma om de voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen of teontdooien.
Het systeem werkt volledig automatisch
en regelt de luchttemperatuur, deaanjagersnelheid, de luchttoevoer en stelt deluchtverdeling zodanig in dat de voorruit en dezijruiten zo snel mogelijk schoon worden. ) Druk nogmaals op de toets "Zicht"of op"AUTO"
om deze functie uit te schakelen;
het lampje in de toets gaat uit en dat van de
t
oets "AU TO "gaat branden.
Het systeem keer t terug naar dezelfdeinstellingen als die van vóór het uitschakelen.

Page 81 of 332

79
4
Rijden








Starten-afzetten van de motor Handgeschakelde versnellingsbak: zet de versnellingshendel in de neutraalstand. 2Tr o n i c v e r s n e l l i ngsbak
: zet de selectiehendel in de stand N
.
Automatische transmissie : zet de selectiehendel in de stand Pof N.
)Steek de sleutel in het contactslot.
Het systeem herkent de code van destartblokkering. )Draai de sleutel rechtsom in de stand 3 (Starten).)Laat zodra de motor draait de sleutel los.



Starten van de motor
Zorg dat er geen gewicht (bijvoorbeeldeen zware sleutelhanger...) aan desleutel hangt: dit kan namelijk storingenaan het contactslot veroorzaken.
Sleutel vergeten

Als de sleutel nog in het contactslot zit en in de stand 1 (Stop)
staat, wordt bij hetopenen van het bestuurdersportier een waarschuwingsmelding weergegeven in combinatie met een geluidssignaal.
)
Zet de auto stil.)
Draai de sleutel linksom in de stand1 (Stop).)
Ver wijder de sleutel uit het contactslot.
Afzetten van de motor

Als de sleutel onbedoeld in de stand2 (Contact)
van het contactslot blijft staan, zal het contact na een uur automatisch worden afgezet.
Draai de sleutel in de stand 1 (Stop)en ver volgens opnieuw in de stand2 (Contact)
om het contact weer aan te zetten.

Neutraalstand
Rijd uit veiligheidsoverwegingen nooit met de versnellingsbak in de neutraalstand. Bepaalde functies van de auto kunnendan namelijk zijn uitgeschakeld.

Page 86 of 332

84
Rijden
Weergave op het instrumentenpaneel
Standen van de selectiehendel
N. Neutral (neutraalstand).R.Reverse (achteruitversnelling).1, 2, 3, 4, 5
. Ver snellingen in de
handgeschakelde stand.AUTO. Ver schijnt bij de selectie van de
automatische stand en verdwijnt weer als de handbediende stand wordt
geselecteerd.
) Selecteer de stand N
.


Starten van de auto
De aanduiding N
op het display knippertals u de motor probeert te starten zonder dat de selectiehendel in de stand Nstaat.
)Trap het rempedaal
in als dit
pictogram knippert (bijv.: star ten
van de motor).

Bij het inschakelen van de achteruitversnelling klinkt een geluidssignaal.
Geef bij het wegrijden op een helling geleidelijk gas terwijl u de handrem loszet.
)
Selecteer de eerste versnelling (stand Mof A
) AAof de achteruitversnelling (stand R).RR)
Zet de handrem los.
De aanduidingen AUTOen 1 of Rworden weergegeven op het
instrumentenpaneel.


Stoppen - Wegrijden op een helling
Gebruik nooit het gaspedaal om de auto op een
helling stil te laten staan, maar gebruik daar voor
de handrem.

Handbediende stand
De aanduiding AUTOverdwijnt ende ingeschakelde versnellingen
verschijnen achtereenvolgend op het instrumentenpaneel.
)Beweeg na het starten van de auto de selectiehendel in de stand Mom dehandbediende stand in te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnellin
g is
alleen mogelijk als de snelheid van de auto en het motortoerental dit toestaan.
Als de auto vrijwel geheel tot stilstand is gekomen, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht, schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar de eerste versnelling.
Ti
jdens het starten van de motor moet hetrempedaal worden ingetrapt.


Automatische stand
)Selecteer vanuit de handbediende stand de stand A
om terug te keren naar deautomatische stand.

Op het instrumentenpaneel
verschijnen de aanduiding AUTO
en
de ingeschakelde versnelling.
De versnellingsbak werkt dan automatisch,
z
onder dat u zelf hoeft te schakelen. De
versnellingsbak kiest voortdurend de meest geschikte versnelling, afhankelijk van de
volgende parameters:


- optimaal brandstofverbruik,

- de ri
jstijl,

- het profiel van de weg,

- de belading van de auto.
)Laat het rempedaal geleidelijk losen geef gas.
)Trap het rempedaal helemaal in.
De aanduidin
g Nwordt weergegeven
op het instrumentenpaneel.) Start de motor.

Page 95 of 332

93
4
Rijden











Stop & Start-systeem
Het Stop & Start-systeem zet de motor tijdelijk af (STOP-stand) als u stopt (bij rood licht, opstoppingen enz.). De motor wordt automatisch gestar t(STA R T- s t a n d) als u weer weg wilt rijden. Het starten gebeur t direct, snel en stil.
Het Stop & Star t-systeem is per fect afgestemd op stadsgebruik en zorgt voor een lager brandstofverbruik, minder uitstoot van schadelijke stoffen eneen aangename rust in het interieur tijdens het wachten.


Werking


Overgang naar de STOP-stand
Het controlelampje "ECO"op het instrumentenpaneel gaat branden en de
motor wordt in de STOP-stand gezet:


- als u,
bij een handgeschakelde
versnellingsbak,bij een snelheid lager
dan 20 km/h de versnellingshendel in
de neutraalstand zet en vervolgens het
koppelingspedaal loslaat.

- a
ls u, bij een2Tronicversnellingsbakbij een snelheid lager dan 8 km/h het
rempedaal intrapt of de selectiehendel inde stand N
zet.


Tank nooit als de motor door het Stop &Start-systeem in de STOP-stand is gezet. Zet in dat geval altijd hetcontact af en neem de sleutel uit het contactslot.
Het systeem werkt de eerste10 seconden na het inschakelen van deachteruitversnelling niet.
Als de motor door het systeem in deSTOP-stand wordt gezet, blijven alle andere componenten zoals de remmenen de stuurbekrachtiging normaalfunctioneren.


Bijzonderheden: STOP-stand nietbeschikbaar

De STOP-stand wordt niet geactiveerd als:


- het bestuurderportier geopend is,

- de veiligheidsgordel van de bestuurder
losgemaakt is,

-
de auto sinds de laatste start met de sleutelniet sneller dan 10 km/h heeft gereden,

- de klimaatregeling in het interieur dat niet
toelaat,

- de voorruitontwaseming is ingeschakeld,

- er bepaalde bijzondere omstandigheden
zijn (laadtoestand accu, motor temperatuur,
rembekrachtiging, buitentemperatuur...).
E
en teller telt de duur van de momenten dat de motor afgezet is, op. Elke keer als u het contact
opnieuw aanzet, wordt deze
teller op 0 gezet.
Het controlelampje "ECO"knippert
een paar seconden en gaat
ver vo
lgens uit.
Deze werking van het systeem is volkomen
normaal.

Page 96 of 332

94
Rijden
Het controlelampje "ECO"
gaat uit ende motor wordt automatisch gestart:
-
bij een handgeschakelde
versnellingsbak , als u hetkoppelingspedaal intrapt, -
bij een2Tr o n i c
versnellingsbak :

met de selectiehendel in de stand A
of M
, wanneer u het rempedaal loslaat,

met de selectiehendel in de stand N
en het rempedaal niet ingetrapt, wanneer u de selectiehendel in de stand A
of Mzet,

of wanneer u de achteruitversnellinginschakelt.

Uit veili
gheids- of comfor tover wegingen kan deSTART-stand automatisch worden geactiveerdals:


Bijzonderheden: automatisch
activeren van de START-stand


- het bestuurderportier wordt geopend,

- de veiligheidsgordel van de bestuurder
wordt losgemaakt,

- de snelheid van de auto hoger is dan
11 k m / h (2Tronic versnellingsbak),

- er bepaalde bijzondere omstandigheden
zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, instelling
airconditioning...).


Als het systeem in de STOP-standwordt uitgeschakeld, dan wordt de motor direct weer gestart.
U kunt deze functie op elk willekeuri
g moment uitschakelen door de schakelaar "ECO OFF"inte drukken.
Het controlelampje in de schakelaar gaatbranden en er verschijnt een melding op het
display.

Uitschakelen
Het controlelampje "ECO"
knipperteen paar seconden en gaat
ver volgens uit.
Dat onder deze omstandigheden de START-stand wordt geactiveerd, is volkomen
normaal.

Page 97 of 332

95
4
Rijden
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld zodra u het contactopnieuw aanzet.



Inschakelen

Druk nogmaals op de schakelaar "ECO OFF"
.
Het s
ysteem is dan weer ingeschakeld; hetcontrolelampje in de schakelaar gaat uit en er
wordt een melding op het display weergegeven.
Storingen
Bij een storing in het systeem gaat hetcontrolelampje in de schakelaar "ECO OFF"knipperen en ver volgens constant branden. Laat het systeem controleren door het PEUGEOT- netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Als er in de
STOP-stand een storing zou
optreden, kan het zijn dat de motor niet
meer wil aanslaan of direct afslaat. Allecontrolelampjes op het instrumentenpaneelgaan branden. Zet in dat geval het contact af en
start de auto dan met behulp van de sleutel.
Schakel omwille van de veiligheid het Stop & Start-systeem altijd uit als u handelingen onder de motorkap wiltuitvoeren.

Dit s
ysteem heeft specifieke kenmerkenen maakt gebruik van een speciale accu(raadpleeg voor meer informatie het
PEUGEOT- net wer k of een gekwalificeerde
werkplaats).
Het gebruik van een andere dan de door
PEUGEOT voorgeschreven accu's kan leiden
tot storingen in het systeem.



Onderhoud

Het Stop & Start-systeem maaktgebruik van geavanceerde technologie.Laat eventuele werkzaamhedenaan dit type accu uitvoeren door het PEUGEOT- netwerk of door eengekwalificeerde werkplaats.

Page 104 of 332

102
Rijden





Park Assist
Dit systeem assisteert u actief bij het parkeren door een parkeerplek te detecteren en ver volgens het sturen van u over te nemen bij het inparkeren.
Het systeem bedient de stuurinrichting terwijl de bestuurder het gaspedaal, het rempedaal, de versnellingsbak en de koppeling (handgeschakelde
versnellingsbak) bedient. Tijdens het in- en uitparkeren informeer t het systeem de bestuurder met beelden op het scherm en geluidssignalen, zodat hijerop kan toezien dat de manoeuvre veilig wordt uitgevoerd. Bij het parkeren kan het noodzakelijk zijn dat u enkele keren moet steken.

Het systeem meet bij het fileparkeren geen parkeerruimtes op waar van de afmetingen aanmerkelijk groter of kleiner zijn dan het model van de auto.
De functie "Parkeerhulp" wordt tijdens de manoeuvres automatischgeactiveerd. Het is dus mogelijk dat in combinatie met een geluidssignaal een pictogram op het scherm verschijnt, wat geen gevolgen heeft voor deparkeermanoeuvre.

Als de Park Assist is geactiveerd, gaathet Stop & Start-systeem niet over op de STOP-stand. In de STOP-stand wordt bij het activeren van de Park Assist de motor weer gestart.


Het Park Assist-systeem is eenhulpmiddel voor de bestuurder die desondanks waakzaam moet blijven en verantwoordelijk is. De bestuurder moet ervoor zorgen dat de auto tijdens de manoeuvre onder controle blijft en geen obstakels kan raken. Onder bepaalde omstandighedendetecteren de sensoren mogelijk geenkleine obstakels die zich in hun dode hoeken bevinden.
Tijdens de manoeuvres draait het stuurwiel snel rond: houd daarom het stuurwiel niet tegen, steek niet uw handen tussen de spaken en zorg dat ook uw kleding, uw sjaal, een handtasen dergelijke niet tussen de spaken terechtkomen. U zou hierdoor letsel kunnen oplopen.

Het s
ysteem assisteert u bij het fileparkeren,
zowel bij inparkeren als bij uitparkeren. De bestuurder kan op elk
gewenst moment het stuur zelf weer overnemen.

Page 176 of 332

174
Praktische informatie




12V- ac c u
Deze sticker geeft aan dat er een speciale 12V-loodaccu is gebruikt die alleen losgekoppeld en/of ver vangen mag worden bij het PEUGEOT-netwerkof bij een gekwalificeerde werkplaats. Het negeren van deze aanwijzing kan ertoe leiden dat de accu vroegtijdig aanver vanging toe is.


Na het monteren van de accukan het, afhankelijk van de
weersomstandigheden en delaadtoestand van de accu, enkele uren (tot ongeveer 8 uur) duren voordat het Stop & Start-systeem weer zal werken.
)Trek de vergrendelingshendel zo ver mogelijk omhoog.




Accukabels loskoppelen

Weer aansluiten van de kabels
)Plaats de geopende accupoolklem 1
op depluspool (+) van de accu.
)Druk ver ticaal op de accupoolklem 1omhem goed tegen de accu aan te drukken.)
Zet de accupoolklem vast door de pasnok
opzij te bewegen en vervolgens de hendel 2omlaag te duwen.
Forceer de hendel niet, aangeziende accupoolklem niet kan wordenvergrendeld als deze niet correct is geplaatst; herhaal de procedure. Procedure voor het opladen van de accu en het
gebruik van een hulpaccu voor het starten van de motor met behulp van startkabels.

De accu bevindt zich in de motorruimte.
Toegang tot de accu: ) open de motorkap via hendel in het
interieur en bedien gebruik ver volgens de
veili
gheidshaak aan de buitenzijde,) bevestig de motorkapsteun,
)
ver wijder de kunststof afdekkap voor
toegang tot de pluspool.

Toegang tot de accu

Page 177 of 332

175
7
Praktische informatie
Voor het opladen van de accu van het Stop & Start-systeem hoeven de accukabels niet losgenomen te worden.
Starten van de motor met
een hulpaccu en startkabels
)Sluit de rode kabel aan op de (+) pool van de ontladen accu Aen vervolgens op de (+) pool van de hulpaccu B.)Sluit de groene of zwar te kabel aan op de(-) pool van de hulpaccu B.
)
Sluit het andere uiteinde van de groene of zwar te kabel aan op het massapunt C
van uw auto (motorsteun). )
Stel de startmotor in werking en laat de
motor draaien. ) Wacht tot de motor stationair draait en
neem dan de kabels los.
Laden met behulp van een
acculader
) Maak de accupoolklemmen los.)
Volg de aanwijzingen van de fabrikant van de acculader. )
Sluit de accukabels weer aan, te beginnen met de (-) kabel. )
Controleer of de accupolen en de klemmen schoon zijn. Indien ze bedekt zijn met een(witte of groene) oxidatielaag, neem dan de accukabels los en reinig de polen en
klemmen.

Page 190 of 332

188
Onderhoud











Motorkap
)Open het linker voorportier.


Schakel het Stop&Start-systeem altijduit als u handelingen onder de motorkapwilt uitvoeren, om letsel door het automatisch activeren van de STA R T-stand te voorkomen.


Sluiten
)Haal de motorkapsteun uit de uitsparing. )Bevestig de motorkapsteun in de houder.)Laat de motorkap voorzichtig zakken en
laat deze aan het einde van de slag in het slot vallen.
)Trek aan de motorkap om te controleren of
deze goed vergrendeld is.


)Neem de motorkapsteun uit de houder en bevestig deze in de uitsparing om demotorkap geopend te houden.

Open de motorkap niet als het hardwaait.Wees bij warme motor voorzichtig methet bedienen van de veiligheidshaaken de motorkapsteun (kans op brandwonden).Gebruik nooit
een hogedrukreiniger omde motorruimte schoon te maken: de elektrische componenten kunnen danbeschadigd raken.
Openen
)
Duw de hendel omhoog en til de motorkap op.


)Trek de hendel aan de onderzijde van hetpor tierkader naar u toe.

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 next >