display Peugeot 208 2013 Handleiding (in Dutch)

Page 70 of 332

68
Comfort














Automatische airconditioning met gescheiden regeling De airconditioning werkt uitsluitend bij draaiende motor.
Automatische werking


Automatisch programma "comfort"
Er zijn drie standen waaruit de bestuurder en zijn passagier kunnen kiezen voor het gewenste comfor t in het interieur.

Om bij koude motor de toevoer vankoude lucht te beperken, wordt de ventilatie geleidelijk op het optimaleniveau gebracht.
Bij koud weer wordt de warme luchtuitsluitend naar de voorruit, de zijruiten en de beenruimte van de passagiersverdeeld.
Voor het beste compromis tussen
thermisch comfor t en een laa
g geluidsniveau. Voor een aan
genaam comfor t eneen zo laag mogelijk geluidsniveau,
aangezien de aanjagersnelheidbeperkt wordt.
V
oor een doeltreffende en
dynamische luchttoevoer.
)Druk herhaaldelijk op de toets"AUTO"
. Het lampje gaatbranden zodra de toets wordt
ingedrukt; de ingeschakeldestand verschijnt op het display van de automatische airconditioning.
1.
Automatisch programma "comfort". 2.
Te m p e r a t u u r r egeling bestuurderszijde. 3.
Te m p e r a t u u r r egeling passagierszijde. 4.
Automatisch programma "zicht".5.
Airconditioning AAN/UIT.
6.Regeling luchtverdeling.7. Regeling luchtopbrengst.8.Toevoer van buitenlucht/luchtrecirculatie.

Page 71 of 332

69
3
Comfort
Instelling op een waarde van ongeveer 21 biedt een optimaal comfort. Desgewenst kunt u een andere waarde instellen, die gebruikelijk
tussen 18 en 24 ligt.
Het is raadzaam het verschil tussen de
instellingen links en rechts niet meer dan 3 te
laten bedragen.
Als de temperatuur in de auto bij het instappen veel lager of hoger is dan de ingestelde waarde, heefthet geen zin om voor een optimaletemperatuur de ingestelde waarde tewijzigen. Het systeem compenseer tautomatisch en zo snel mogelijk het temperatuurverschil.
Automatisch programma "zicht"
Voor een maximale afkoeling of opwarming van het interieur kan de temperatuurregeling op een waardelager dan 14 of hoger dan 28 worden ingesteld.)Duw de toets 2of 3omlaag tot "LO"
wordt weergegeven of omhoog tot "HI"
wordtweergegeven.
Raadplee
g de paragraaf
"Ontwasemen - Ontdooien voor".

Het is mo
gelijk één of meer functies van de airconditioning handmatig in te stellen, terwijl
de overige functies automatisch worden geregeld.
Zodra u een instelling wijzigt, dooft het lampje
van de toets "AU TO ".
Handmatig instellen
De airconditioning functioneert, alsde ruiten gesloten zijn, optimaal in elk seizoen.


Airconditioning AAN/UIT

Dit systeem maakt het mogelijk om:


- in de zomer de temperatuur in het interieur
te verlagen,

- in de winter, bij temperaturen hoger dan3°C, de ruiten sneller te ontwasemen.
Inschakelen)
Druk op de toets A/C, het desbetreffende
lampje gaat branden.
De airconditionin
g werkt niet als de regelingvoor de luchtopbrengst is uitgeschakeld.
Uitschakelen)
Druk de toets "A/C"
nogmaals in, het
desbetreffende lampje gaat uit.
Het uitschakelen van de airconditioning kan
ne
gatieve effecten hebben (vocht, condens).
) Druk nogmaals op de toets"AUTO"om terug te keren naar het automatisch programma
"comfort".

Te m p e r a t u u r r egeling
De bestuurder en voorpassagier kunnen de
temperatuur afzonderlijk naar wens instellen.
De op het display weergegeven waarde heeft
betrekkin
g op een bepaald comfor tniveau enniet op de temperatuur in graden Celsius of
Fahrenheit.
) Duw de impulstoets 2 of 3
omlaag (blauw) om de waarde
te verlagen of omhoog (rood) omde waarde te verhogen.

Page 72 of 332

70
Comfort

Ver mijd het te lang rijden met een uitgeschakeld systeem om te voorkomen dat de ruiten beslaan of de luchtkwaliteit vermindert.
Als u op de toets " gevulde ventilator" drukt, rwordt het systeem weer ingeschakeld waarbijde instellingen van vóór de uitschakeling worden toegepast.
Gebruik de luchtrecirculatie alleenals dit echt nodig is (kans op beslaanvan de ruiten en vermindering van de luchtkwaliteit).


Uitschakelen van het systeem


Toevoer van buitenlucht/luchtrecirculatie
)
Druk op deze toets"gevulde ventilator"
om de luchtopbrengst te verhogen.
Regeling luchtverdeling )
Druk op de toets "lege
ventilator"
tot het symbool vande ventilator is verdwenen en"---" wordt weergegeven.
Hi
erdoor worden alle functies van de
airconditioning uitgeschakeld.
Het thermische comfort wordt niet meer geregeld. Door de rijwind blijft er nog wel een
kleine luchtstroom gehandhaafd.
)Druk deze toets in om de lucht inhet interieur te laten recirculeren.Het lampje van de toets gaat
branden en het symbool vande luchtrecirculatie wordt
weergegeven.
D
eze stand dient om de toevoer vanbuitenlucht bij stank en stofoverlast af te sluiten. De luchtrecirculatie wordt automatischingeschakeld als de ruitensproeiers wordengeactiveerd. )
Druk zodra de omstandigheden het
toelaten de toets nogmaals in om de
toevoer van buitenlucht weer te activeren en het beslaan van de ruiten te voorkomen. Het lampje van de toets gaat uit.

)
Druk deze toets herhaaldelijk in om de luchtstroom te verdelen
naar:
- de voorruit, de zijruiten en de beenruimte,
- de voorruit en zi
jruiten (ontwasemen of
ontdooien),
- de middelste ventilatieroosters enzijventilatieroosters,
- de middelste ventilatieroosters, dezijventilatieroosters en de beenruimte,
- de beenruimte.
Regeling luchtopbrengst
Het symbool van de luchtopbrengst (ventilator) wordt op het display weergegeven en wordt afhankelijk
van de ingestelde waarde geleidelijk voller.
) Druk op deze toets"lege ventilator"
om de luchtopbrengst te verlagen.

Page 76 of 332

74
Comfort








Extra USB-
aansluiting
Afhankelijk van de uitvoering is uw auto
voorzien van een tweede USB-aansluiting opde middenconsole.Tijdens het gebruik mag de USB-/Jack-aansluiting niet worden gebruikt voor het
opladen van draagbare apparatuur (kans op
overbelasting).









USB-/Jack-aansluiting
Deze aansluitmodule, die bestaat uit een JACK-aansluiting en een USB-poort, bevindt
zich op de middenconsole. Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten,
zoals een iPod ®of een USB-stick.
Dankzij de aansluitmodule kunt u deaudiobestanden op uw draagbare apparatuur
beluisteren via de luidsprekers van uw
audiosysteem.U kunt deze bestanden beheren met de toetsen
op het stuur wiel of het bedieningspaneel vande autoradio en ze weergeven op het displayvan het instrumentenpaneel.
Ti
jdens het gebruik van de USB-poort kan dedraagbare apparatuur automatisch worden
opgeladen.
Raadpleeg voor meer informatie over het gebruik van deze uitrusting het hoofdstuk "Audio en telematica".

Page 82 of 332

80
Rijden





Handbediende parkeerrem
Aantrekken
)Trek de hefboom van de parkeerrem aanom uw auto stil te zetten.


Vrijzetten
)
Trek de hefboom van de parkeerrem licht omhoog, druk de ontgrendelknop in en duw
de hefboom geheel omlaag.

Draai bij het parkeren van de auto op een helling de wielen vast tegen hettrottoir, t r ek de parkeerrem aan, schakel een versnelling in en zet het contact uit.


Als tijdens het rijden dit
verklikkerlampje en het
verklikkerlampje STOP
branden incombinatie met een geluidssignaal en een
melding op het display, geeft dit aan dat de
parkeerrem nog (iets) is aangetrokken.

Page 86 of 332

84
Rijden
Weergave op het instrumentenpaneel
Standen van de selectiehendel
N. Neutral (neutraalstand).R.Reverse (achteruitversnelling).1, 2, 3, 4, 5
. Ver snellingen in de
handgeschakelde stand.AUTO. Ver schijnt bij de selectie van de
automatische stand en verdwijnt weer als de handbediende stand wordt
geselecteerd.
) Selecteer de stand N
.


Starten van de auto
De aanduiding N
op het display knippertals u de motor probeert te starten zonder dat de selectiehendel in de stand Nstaat.
)Trap het rempedaal
in als dit
pictogram knippert (bijv.: star ten
van de motor).

Bij het inschakelen van de achteruitversnelling klinkt een geluidssignaal.
Geef bij het wegrijden op een helling geleidelijk gas terwijl u de handrem loszet.
)
Selecteer de eerste versnelling (stand Mof A
) AAof de achteruitversnelling (stand R).RR)
Zet de handrem los.
De aanduidingen AUTOen 1 of Rworden weergegeven op het
instrumentenpaneel.


Stoppen - Wegrijden op een helling
Gebruik nooit het gaspedaal om de auto op een
helling stil te laten staan, maar gebruik daar voor
de handrem.

Handbediende stand
De aanduiding AUTOverdwijnt ende ingeschakelde versnellingen
verschijnen achtereenvolgend op het instrumentenpaneel.
)Beweeg na het starten van de auto de selectiehendel in de stand Mom dehandbediende stand in te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnellin
g is
alleen mogelijk als de snelheid van de auto en het motortoerental dit toestaan.
Als de auto vrijwel geheel tot stilstand is gekomen, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht, schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar de eerste versnelling.
Ti
jdens het starten van de motor moet hetrempedaal worden ingetrapt.


Automatische stand
)Selecteer vanuit de handbediende stand de stand A
om terug te keren naar deautomatische stand.

Op het instrumentenpaneel
verschijnen de aanduiding AUTO
en
de ingeschakelde versnelling.
De versnellingsbak werkt dan automatisch,
z
onder dat u zelf hoeft te schakelen. De
versnellingsbak kiest voortdurend de meest geschikte versnelling, afhankelijk van de
volgende parameters:


- optimaal brandstofverbruik,

- de ri
jstijl,

- het profiel van de weg,

- de belading van de auto.
)Laat het rempedaal geleidelijk losen geef gas.
)Trap het rempedaal helemaal in.
De aanduidin
g Nwordt weergegeven
op het instrumentenpaneel.) Start de motor.

Page 87 of 332

85
4
Rijden

Zet de selectiehendel tijdens het rijdennooit in de stand N
(neutraalstand).
Zet de selectiehendel alleen in destand R(achteruit) als de auto volledigstilstaat en het rempedaal is ingetrapt. Trek altijd de handrem aan om de autovolledig stil te zetten.



Auto-sequentiële stand

In de automatische stand kan de bestuurder
altijd zelf ingrijpen door gebruik te maken van de stuurkolomschakelaar.
De stuurkolomschakelaar kan gebruikt
worden in omstandigheden waarbij sneller
terugschakelen gewenst is (naderen van een
rotonde, verlaten van een parkeergarage met een steile helling, inhalen...).
De versnellingsbak wordt dan in de
desbetre
ffende versnelling geschakeld, als de snelheid van de auto en het motortoerental dit
toestaan. De aanduiding AUTOblijft op het
display staan.
Na enige tijd gaat de versnellingsbak weer over
op de automatische stand.
Parkeren van de auto
Voordat u de motor afzet, kunt u deselectiehendel in de stand N
bewegen om de
neutraalstand te selecteren.Trek
in dat geval altijdde handremaanom deauto volledig stil te zetten.
Op het instrumentenpaneel
verschijnen de aanduidingen AUTOen -.


Storing
Als bij aangezet contact dit
verklikkerlampje gaat branden en de aanduiding AUTO
gaat knipperen
in combinatie met een geluidssignaal en een
melding op het display, duidt dit op een storingin de versnellingsbak.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT- net wer k of een gekwalificeerde
werkplaats.

Trap om krachtig te accelereren,bijvoorbeeld voor een inhaalmanoeuvre,het gaspedaal met kracht in, tot voorbij
het zware punt.

)
Selecteer de stand N.
Resetten
Nadat de accukabels los zijn geweest, moet de
versnellingsbak gereset worden.) Zet het contact aan.
)
Trap het rempedaal in.
)Wacht ongeveer 30 seconden tot op het instrumentenpaneel
de aanduiding Nof de ingeschakelde versnelling verschijnt.
)
Laat het rempedaal los.
De versnellin
gsbak werkt dan weer normaal.

Page 89 of 332

87
4
Rijden
achteruitversnelling klinkt eengeluidssignaal.
De aanduiding N op het display knippert als u de motor probeer t te star tenzonder dat de selectiehendel in de stand N
staat.

Trap om krachtig te accelereren(bijvoorbeeld voor een inhaalmanoeuvre)het gaspedaal met kracht in, tot voorbij het zware punt.


Weergave op het instrumentenpaneel Starten van de auto
Automatische bediening


Standen van de selectiehendel
N.
Neutral (neutraalstand).
R.Reverse (achteruitversnelling). 1, 2, 3, 4, 5, 6. Ver snellingen bij handmatigschakelen.
AUTO. Gaat branden als u kiest voor
automatische bediening en gaat uit als
u kiest voor handmatige bediening.
)Trap het rempedaal inals dit
verklikkerlampje knipper t (bijv.:starten van de motor).
) Selecteer de stand N.
Op het display van het
instrumentenpaneel verschijnt de
aan
duiding N.
) Selecteer de automatische bediening (stand A), de handmatige bediening (stand AM )
of de achteruitversnelling (stand R).R) Zet de handrem vrij.
Op het displa
y van het instrumentenpaneel
verschijnen de aanduidingen AUTO
en 1, 1of R.
)
Start de auto en selecteer de stand A
omvoor de automatische bediening te kiezen.
Op het display van het instrumentenpaneel verschijnen de aanduiding AUTO
en de
ingeschakelde versnelling.

De versnellingsbak werkt dan automatisch,
zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De
versnellingsbak kiest voortdurend de meest geschikte versnelling, afhankelijk van de
volgende parameters:


- de rijstijl,

- het profiel van de weg. Als bij het starten het rempedaal niet wordt ingetrapt, knippert op hetinstrumentenpaneel de aanduidingvoet op het rempedaalin combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display van het instrumentenpaneel.
)
Neem uw voet van het rempedaalen geef gas.
)
Houd het rempedaal ingetrapt.
)
Start de motor.

Page 90 of 332

88
Rijden

Als bij stapvoets rijden de achteruitversnelling wordt geselecteerd,wordt deze pas ingeschakeld als de auto volledig tot stilstand is gekomen. Op het display van het instrumentenpaneel wordt een pictogram weergegeven.
Handmatig schakelen
Handmatig schakelen

Bij krachtig accelereren wordt dehoogste versnelling niet ingeschakeld als de bestuurders de flippers achter het stuurwiel niet bedient. Selecteer de neutraalstand N
nooittijdens het rijden.
Selecteer de achteruitversnelling(stand R
) uitsluitend als de auto volledig Rstilstaat en de voet op het rempedaalwordt gehouden.
Bi
j de automatische bediening blijft het altijdmogelijk om zelf te schakelen met behulp van
de flippers achter het stuur wiel, bijvoorbeeld om even snel in te halen. )Bedien de flippers "+"
of "-".
De versnellingsbak wordt dan in de gevraagde
versnelling geschakeld, als de snelheid van de auto en het motortoerental dit toestaan. De aanduiding AUTO
blijft op het display staan.
Als de flippers enige tijd niet meer gebruikt
worden, gaat de versnellingsbak weer over op de automatische stand.
)
Zet na het starten de selectiehendel in de
stand M
om handmatig te schakelen.


- Beweeg de hendel in de richting van hetsymbool "+" om op te schakelen.

- Beweeg de hendel in de richting van hetsymbool "-" om terug te schakelen.

De achtereenvol
gend ingeschakelde
versnellingen worden weergegeven
op het display van het instrumentenpaneel.
Het schakelen naar een andere versnellin
g is
alleen mogelijk als de snelheid van de auto en
het motortoerental dit toestaan.
Het is niet noodzakelijk om bij het schakelen
het gaspedaal los te laten.
Bij het remmen of het verminderen vande snelheid schakelt de versnellingsbak
automatisch terug, zodat de juiste versnelling
is geselecteerd op het moment dat u het
gaspedaal weer intrapt.

Page 91 of 332

89
4
Rijden

Stilzetten van de auto

Houd bij het starten van de motor altijdhet rempedaal ingetrapt.
Trek de handrem stevig aan om de autovolledig te blokkeren. Voordat u de motor a
fzet, kunt u:


-
de selectiehendel in de stand N
bewegen
om de neutraalstand te selecteren,

- een versnellin
g ingeschakeld laten. In dat geval kan de auto niet worden verplaatst.
Trek in beide gevallen altijd de handrem aan
om de auto volledig stil te zetten.
Selecteer wanneer u de auto met draaiende motor stilzet altijd deneutraalstand N. Controleer voordat u werkzaamhedenonder de motorkap uitvoer t altijd of deselectiehendel in de neutraalstand Nstaat en de handrem is aangetrokken.

Storing
Als dit verklikkerlampje en AUTO
bij
het aanzetten van het contact gaan
knipperen, in combinatie met eengeluidssignaal en een melding op het displayvan het instrumentenpaneel, duidt dit op een
storing in de versnellingsbak.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door eengekwalificeerde werkplaats.

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 61-70 ... 70 next >