display Peugeot 208 2013 Handleiding (in Dutch)

Page 94 of 332

92
Rijden
Handmatig schakelen
)Selecteer de stand M om sequentieel
te
sc
hakelen tussen de vier versnellingen. )Duw de selectiehendel naar het symbool +om één versnelling op te schakelen. )Trek de selectiehendel naar het symbool -om één versnelling terug te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnellingkan alleen als de snelheid van de auto enhet toerental van de motor dit toestaan,anders wordt er tijdelijk overgegaan op de automatische bediening.

Op het instrumentenpaneel verdwijnt
de aanduiding Den verschijnen
achtereenvolgens de ingeschakelde
versnellingen.

Onjuiste waarde bij handmatigebediening
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is ingeschakeld
(de selectiehendel bevindt zich
tussen twee standen in).


Parkeren van de auto

Voordat u de motor afzet, kunt u de selectiehendel in de stand P
of N
bewegen om de neutraalstand te selecteren.
Trek in beide gevallen de handrem aan om de auto stil te zetten.


Storing
Als bij aangezet contact dit
verklikkerlampje gaat branden incombinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingsmelding op het display, duidt dit
op een storing in de versnellingsbak.
In dit geval werkt de versnellingsbak met eennoodprogramma en blijft de 3e versnelling ingeschakeld. U kunt dan een hevige schokvoelen bij het selecteren van Rvanuit de stand P, of PRvanuit de stand N . Dit beschadigtde versnellingsbak niet.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhankelijk van
de geldende snelheidslimiet).
Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

Als het motortoerental te laag of te hoog is,
knippert de geselecteerde versnelling enkele
seconden en ver volgens wordt de werkelijk
ingeschakelde versnelling weergegeven.
Er kan elk moment van de stand D (rijden in deautomatische stand) naar de stand M
(rijden in
de handbediende stand) worden geschakeld.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest de
versnellingsbak automatisch de stand M1.De programma's Sport en Sneeuw kunnen niet
worden ingeschakeld in de handbediende stand.

De automatische versnellingsbak kanbeschadigd raken:


- als u gelijktijdig het gas- en hetrempedaal intrapt,

- als u, wanneer de accu geen stroom lever t, de selectiehendelgeforceerd in de stand P
of eenandere stand zet.
Als u langere tijd stilstaat met draaiende
motor (files...), kunt u, om brandstof te besparen, de selectiehendel in de standN
zetten en de handrem aantrekken.


Als de selectiehendel niet in de stand P
staat, verschijnt bij hetopenen van het bestuurdersportier of na ongeveer 45 seconden een waarschuwingsmelding op het display.)Zet de selectiehendel in de stand P
;
de melding verdwijnt.

Page 96 of 332

94
Rijden
Het controlelampje "ECO"
gaat uit ende motor wordt automatisch gestart:
-
bij een handgeschakelde
versnellingsbak , als u hetkoppelingspedaal intrapt, -
bij een2Tr o n i c
versnellingsbak :

met de selectiehendel in de stand A
of M
, wanneer u het rempedaal loslaat,

met de selectiehendel in de stand N
en het rempedaal niet ingetrapt, wanneer u de selectiehendel in de stand A
of Mzet,

of wanneer u de achteruitversnellinginschakelt.

Uit veili
gheids- of comfor tover wegingen kan deSTART-stand automatisch worden geactiveerdals:


Bijzonderheden: automatisch
activeren van de START-stand


- het bestuurderportier wordt geopend,

- de veiligheidsgordel van de bestuurder
wordt losgemaakt,

- de snelheid van de auto hoger is dan
11 k m / h (2Tronic versnellingsbak),

- er bepaalde bijzondere omstandigheden
zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, instelling
airconditioning...).


Als het systeem in de STOP-standwordt uitgeschakeld, dan wordt de motor direct weer gestart.
U kunt deze functie op elk willekeuri
g moment uitschakelen door de schakelaar "ECO OFF"inte drukken.
Het controlelampje in de schakelaar gaatbranden en er verschijnt een melding op het
display.

Uitschakelen
Het controlelampje "ECO"
knipperteen paar seconden en gaat
ver volgens uit.
Dat onder deze omstandigheden de START-stand wordt geactiveerd, is volkomen
normaal.

Page 97 of 332

95
4
Rijden
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld zodra u het contactopnieuw aanzet.



Inschakelen

Druk nogmaals op de schakelaar "ECO OFF"
.
Het s
ysteem is dan weer ingeschakeld; hetcontrolelampje in de schakelaar gaat uit en er
wordt een melding op het display weergegeven.
Storingen
Bij een storing in het systeem gaat hetcontrolelampje in de schakelaar "ECO OFF"knipperen en ver volgens constant branden. Laat het systeem controleren door het PEUGEOT- netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Als er in de
STOP-stand een storing zou
optreden, kan het zijn dat de motor niet
meer wil aanslaan of direct afslaat. Allecontrolelampjes op het instrumentenpaneelgaan branden. Zet in dat geval het contact af en
start de auto dan met behulp van de sleutel.
Schakel omwille van de veiligheid het Stop & Start-systeem altijd uit als u handelingen onder de motorkap wiltuitvoeren.

Dit s
ysteem heeft specifieke kenmerkenen maakt gebruik van een speciale accu(raadpleeg voor meer informatie het
PEUGEOT- net wer k of een gekwalificeerde
werkplaats).
Het gebruik van een andere dan de door
PEUGEOT voorgeschreven accu's kan leiden
tot storingen in het systeem.



Onderhoud

Het Stop & Start-systeem maaktgebruik van geavanceerde technologie.Laat eventuele werkzaamhedenaan dit type accu uitvoeren door het PEUGEOT- netwerk of door eengekwalificeerde werkplaats.

Page 99 of 332

97
4
Rijden




Snelheidsbegrenzer
auto de door de bestuurder ingesteldemaximumsnelheid overschrijdt.

Als de ingestelde maximumsnelheid is bereikt, heeft het dieper intrappen van het gaspedaalgeen effect.

Het inschakelen
van de snelheidsbegrenzer geschiedt handmatig: de ingestelde snelheid
dient minimaal 30 km/h te bedragen.
H
et uitschakelenvan de snelheidsbegrenzer geschiedt eveneens handmatig met de hendel.

Door het gaspedaal tot voorbij het zware punt in te trappen, kan de ingestelde snelheid
tijdelijk worden overschreden.
Als het gaspedaal vervolgens geleidelijk weer
wordt losgelaten en de wagensnelheid onder
de ingestelde maximumsnelheid komt, wordt desnelheidsbegrenzer weer geactiveerd.

Bij het gebruik van de snelheidsbegrenzer moet de bestuurder te allen tijde desnelheidslimiet in acht nemen, zijnaandacht op het verkeer blijven vestigenen zijn verantwoordelijkheid nemen.
1 .
Selecteren van de snelheidsbegrenzer
2.
In-/uitschakelen van de snelheidsbegrenzer.
Stuurkolomschakelaars

De informatie van de snelheidsbegrenzer
wordt weergegeven op het display van hetinstrumentenpaneel.
5.Snelheidsbegrenzer in-/uitgeschakeld.
6. Snelheidsbegrenzer geselecteerd
7.Ingestelde snelheid 8. Opgeslagen snelheid geselecteerd.


Weergave op het display

De ingestelde maximumsnelheid blijft na het
afzetten van het contact opgeslagen in hetgeheugen.
3. Verhogen van de ingestelde snelheid.
4.
Verlagen van de ingesteldesnelheid.

Page 100 of 332

98
Rijden
) Draai de knop 1
in de stand "LIMIT":de snelheidsbegrenzer is geselecteerd,
maar nog niet ingeschakeld (PAUSE).
Er kan een snelheid worden ingesteldzonder de begrenzer in te schakelen.
Programmeren


Bij een steile afdaling of bij het krachtigintrappen van het gaspedaal kan de snelheidsbegrenzer niet voorkomen dat de ingestelde snelheid wordtoverschreden. Om te voorkomen dat de pedalenblijven hangen:


- controleer of de mat goed op zijnplaats ligt,

- leg nooit meerdere matten op elkaar.




Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer


Storing
)Stel de snelheid in door op de toets 2
of 3
te drukken.U kunt de ingestelde snelheid ver volgens wijzigen met de toetsen 2
en 3:
- +/- 1 km = kort indrukken,
- +/- 5 km = lang indrukken,
- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.

Overschrijden van de ingestelde snelheid
)Weer inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals op de toets 4.
)Inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk op de toets 4.
)Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals op de
toets 4 : het uitschakelen wordt bevestigd op het display (PAUS E).
In het
geval van een storing in desnelheidsbegrenzer wordt de ingestelde snelheidgewist en knipperen de streepjes op het display.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
)Draai de knop 1
in de stand "0"
: de selectie van de snelheidsbegrenzer wordt
ongedaan gemaakt. Op het display wordt
weer de kilometerteller weergegeven.

Als het gaspedaal geleidelijk wordt ingetrapt, wordt de snelheid niet
verhoogd. Als het gaspedaal met krachtwordt ingetrapt, tot voorbijhet zware punt, wordt de begrenzer tijdelijk uitgeschakeld en gaat de
ingestelde snelheid op het display knipperen.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch als het gaspedaal wordt losgelaten.

Page 101 of 332

99
4
Rijden




Snelheidsregelaar
de bestuurder met een constante ingesteldesnelheid rijden zonder gas te hoeven geven.

H
et uitschakelenvan de snelheidsregelaar geschiedt handmatig met de hendel, door het
rem- of koppelingspedaal in te trappen of, uit
veiligheidsoverwegingen, door activering vande "dynamische stabiliteitscontrole".
Door het gaspedaal in te trappen, kan deingestelde snelheid tijdelijk worden overschreden.
Na het afzetten van het contact worden alle
ingestelde snelheden gewist. Om weer terugte keren naar de ingestelde snelheid is het
voldoende het gaspedaal los te laten.
Bij het gebruik van de snelheidsregelaar moetde bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in
acht nemen, zijn aandacht op het verkeer blijven
vestigen en zijn verantwoordelijkheid nemen. 1
.Selecteren van de snelheidsregelaar.
2. In-/uitschakelen van de snelheidsregelaar.
Stuurkolomschakelaars

Bij het gebruik van de snelheidsregelaar moet de bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in acht nemen, zijn aandacht op het verkeer blijven vestigenen zijn verantwoordelijkheid nemen. De in
formatie van de snelheidsregelaar
wordt weergegeven op het display van het
instrumentenpaneel.
5
.Snelheidsregelaar in-/uitgeschakeld.
6. Snelheidsregelaar geselecteerd .7.Ingestelde snelheid .
8.
Selecteren van een opgeslagen snelheid.


Weergave op het display
3.
Verhogen van de ingestelde snelheid.4.
Verlagen van de ingestelde snelheid.




Het inschakelen
van de snelheidsregelaar geschiedt handmatig waarbij de ingestelde snelheid minimaal 40 km/h dient te bedragenen: - de vierde versnelling moet zijn ingeschakeld bij
een handgeschakelde versnellingsbak,

- de tweede versnelling moet zijn ingeschakeldbij rijden in de handmatige stand bij eengestuurde handgeschakelde versnellingsbak
of automatische transmissie,

- bij een gestuurde handgeschakelde
versnellingsbak moet de stand A zijnAgeselecteerd en bij een automatische
versnellingsbak moet de stand D zijngeselecteerd.

Page 102 of 332

100
Rijden
) Draai de knop 1 in de stand "CRUISE":de snelheidsregelaar is geselecteerd,
maar nog niet ingeschakeld (PAUSE).

Programmeren
U kunt de ingestelde snelheid ver volgens wijzigen met de toetsen 2en 3:- +/- 1 km = kort indrukken,
- +/- 5 km = lang indrukken,
- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.


Als de ingestelde snelheid wordt overschreden, gaat de ingestelde snelheid op het display knipperen.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch als de snelheid weer is gedaald tot de ingestelde snelheid.

Let tijdens het gebruik van desnelheidsregelaar op wanneer u de snelheid met de toetsen instelt; dit kaneen plotselinge verandering van de wagensnelheid veroorzaken.
Gebruik de snelheidsregelaar niet opgladde wegen of bij zeer druk verkeer.
Bij een steile afdaling kan desnelheidsregelaar niet voorkomendat de ingestelde snelheid wordtoverschreden. Om te voorkomen dat de werking van de pedalen wordt geblokkeerd:


- controleer of de mat goed op zijn plaats ligt,

- gebruik nooit meer dan één mat per plaats.


Storing
Uitschakelen van de snelheidsregelaar
)Draai de knop 1 in de stand "0"
: de selectie van de
snelheidsregelaar wordt ongedaan gemaakt. Op het display wordt
weer de kilometerteller weergegeven.
Overschrijden van de ingestelde snelheid
)Stel de snelheid in door de
wagensnelheid op het gewenste niveau
te brengen en vervolgens op de toets
2of 3te drukken.
)Uitschakelen van de snelheidsregelaar: druk op de toets 4: het uitschakelen wordt bevestigd op het display (PAUSE).

)Weer inschakelen van de snelheidsregelaar: druk nogmaals op de
toets 4.
In het geval van een storing in de snelheidsregelaar wordt
de ingestelde snelheid gewist en knipperen de streepjes
op het display. Laat het systeem controleren door het
PEU
GEOT- net wer k of een gekwalificeerde werkplaats.

Page 108 of 332

106
Rijden
Deze functie signaleert met behulp van sensoren in de bumper obstakels in denabijheid van de auto (personen, auto's,
bomen, slagbomen, enz.) die binnen het detectiebereik vallen.
Bepaalde obstakels (paaltjes, pionnen, enz.)
die aanvankelijk wel worden gedetecteerd,
worden door dode hoeken in het detectiebereik mogelijk niet meer gedetecteerd als ze zich
vlak bij de auto bevinden.





Parkeerhulp


Deze functie is een hulpsysteem: de bestuurder dient altijd aler t te blijven enis zelf verantwoordelijk. De
functie wordt geactiveerd zodra de
achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Hierbij klinkt een geluidssignaal.
Zodra de achteruitversnelling wordt uitgeschakeld, is de functie niet meer actief.

Parkeerhulp achter


Geluidssignalen
De bestuurder wordt via een onderbroken
geluidssignaal gewaarschuwd bij het naderen van
obstakels. De
frequentie van het geluidssignaal
neemt toe naarmate de auto het obstakel nadert.
Aan de weergave van het geluidssignaal via de luidspreker (rechts of links) is te herkennen aan
welke zijde van de auto het obstakel zich bevindt.
Zodra de afstand tussen de auto en het
obstakel kleiner wordt dan dertig centimeter, klinkt het geluidssignaal ononderbroken.


Grafische weergave

De grafische weergave is een aanvulling op het
geluidssignaal. Op het multifunctionele display
worden blokjes weergegeven die het pictogram
van de auto steeds dichter naderen. Als de auto het obstakel zeer dicht genaderd is, verschijnt het symbool "Gevaar" op het display.

Page 109 of 332

107
4
Rijden
omstandigheden of de sensoren soms bedekt zijn met modder, ijs of sneeuw. Bij het inschakelen vande achteruitversnelling geeft eengeluidssignaal (lange pieptoon) aan datde sensoren vuil kunnen zijn. De parkeerhulp kan geluidssignalen
geven als reactie op bepaalde omgevingsgeluiden (motoren,vrachtwagens, drilboren, enz.).

Als er een storing optreedt, gaat bij het inschakelen vande achteruitversnelling dit
verklikkerlampje op het instrumentenpaneelbranden en/of wordt er een bericht op hetdisplay weergegeven, in combinatie met een geluidssignaal (kor te pieptoon).
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.


Storing
De functie wordt automatischuitgeschakeld zodra een aanhanger wordt aangekoppeld of eenfietsendrager wordt gemonteerd (auto's voorzien van een door PEUGEOT
aanbevolen trekhaak of fietsendrager).




Uitschakelen/activeren van de parkeerhulp achter

De functie kan worden uitgeschakeld door deze
knop in te drukken. Het controlelampje in de
knop gaat branden.
Door de knop opnieuw in te drukken wordt de
functie weer
geactiveerd. Het controlelampje dooft.

Page 116 of 332

114
Zicht
Verlichting overdag
De verlichting overdag is verplicht in sommigelanden en wordt automatisch ingeschakeldals de motor wordt gestart zodat de auto
overdag beter zichtbaar is voor de overige
weggebruikers.
LED-verlichting
Deze wordt automatisch ingeschakeld als demotor wordt gestar t.
Afhankelijk van het land van bestemming doet
deze verlichting dienst als:
- verlichting overdag
* en als parkeerlicht 's nachts (bij de verlichting overdag is delichtsterkte groter), of als- parkeerlichten overdag en 's nachts.
*

Functie kan worden ingesteld via hetconfiguratiemenu van de auto.
De verlichting overdag is beschikbaar:


- in landen waar dit volgens de wetgeving
verplicht is;
het dimlicht brandt in combinatiemet de parkeerlichten en de kentekenplaatverlichting; deze functie kan
niet worden uitgeschakeld.

- in overige landen;
er branden speciale lichtunits (gloeilampenof LED's); deze functie kan worden in- enuitgeschakeld via het configuratiemenu vande auto.
De lichtschakelaar moet in de stand "0"of
"AU TO "
(verlichting overdag) staan.
Het uitschakelen van de verlichting overdagvindt plaats als de lichtschakelaar wordtbediend of als de motor weer wordt gestart; hetinschakelen van de verlichting overdag vindt
onmiddellijk plaats.

De verlichtin
g van de cockpit (instrumentenpaneel,
multifunctioneel display, bedieningspaneel
airconditioning, ...) gaat niet branden, behalve
wanneer deze bij donker automatisch wordt
ingeschakeld of wanneer de verlichting wordt
ingeschakeld (handmatig of automatisch).

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 61-70 70 next >