dashboard Peugeot 308 CC 2011 Handleiding (in Dutch)

Page 43 of 292

1
41
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN







Dimmer dashboardverlichting

U kunt de lichtsterkte van de dashboardver-
lichting handmatig aanpassen aan het licht
van de omgeving. De dimmer van de dash-
boardverlichting kan alleen worden gebruikt
als de verlichting van de auto is ingescha-
keld, uitgezonderd de verlichting overdag.

Actief


)
Druk op de knop om de sterkte van
de dashboardverlichting te varië-
ren.

)
Als de verlichting de zwakste stand
heeft bereikt, laat de knop dan los
en druk hem opnieuw in om de ver-
lichting weer feller te maken.
of


)
Als de verlichting de sterkste stand
heeft bereikt, laat de knop dan los
en druk hem opnieuw in om de ver-
lichting weer zwakker te maken.

)
Laat de knop los zodra de gewenste
lichtsterkte is bereikt.

Inactief
De dashboardverlichting kan niet wor-
den ingesteld als de verlichting van de
auto is uitgeschakeld of, bij auto's met
verlichting overdag, in de dagstand
staat.

Page 56 of 292

3
i
i
54
COMFORT

Condensvorming in de airconditio-
ning kan ertoe leiden dat er zich
een klein plasje water onder de
auto vormt. Dit is een normaal ver-
schijnsel.

GEBRUIKSADVIEZEN VOOR DE VENTILATIE EN DE AIRCONDITIONING

Neem voor een optimale werking van de ventilatie en de airconditioning de
volgende gebruiksadviezen in acht:


)
Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interi-
eur de uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen,
ventilatieroosters en overige uitstroomopeningen en de ventilatieopening
in de bagageruimte vrij blijven.

)
Let erop dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. Deze
sensor dient voor de regeling van de airconditioning.

)
Zet de airconditioning 1 tot 2 keer per maand 5 tot 10 minuten aan om het
systeem in perfecte staat te houden.

)
Controleer regelmatig de staat van het interieurfi lter en laat de fi lterele-
menten periodiek vervangen (zie desbetreffende paragraaf in hoofdstuk
"Controles").

)
Wij raden u een gecombineerd interieurfi lter aan. Dankzij het speciale toe-
gevoegde actieve fi lter draagt het bij tot een gezuiverde lucht voor de in-
zittenden en een schoon interieur (vermindering van allergische reacties,
stank en vetaanslag).

)
Laat de airconditioning regelmatig controleren om het systeem in perfecte
staat te houden.

)
Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Als het dak is weggeklapt, neemt het comfort toe als het windscherm wordt
gebruikt en het "AIRWAVE" systeem wordt ingeschakeld.
Bij een zware belasting van de motor (trekken van een aanhanger op een
steile helling bij een hoge buitentemperatuur) kan de airconditioning tijdelijk
worden uitgeschakeld voor een optimale trekkracht van de motor.
Laat het interieur enkele ogenblik-
ken ventileren als de auto lang in
de zon heeft gestaan en de tem-
peratuur in het interieur zeer hoog
blijft.
Stel de knop voor de luchtop-
brengst zo in dat de lucht in het in-
terieur voldoende ververst wordt.
Het airconditioningssysteem is
chloorvrij en is niet schadelijk voor
de ozonlaag.




Stop & Start-systeem
De verwarming en de airconditioning werken uitsluitend bij draaiende motor.
Als u het thermische comfort in de auto op het door u gewenste niveau wilt
houden, kunt u tijdelijk de functie Stop & Start uitschakelen (zie het hoofdstuk
"Rijden").

Page 72 of 292

4
70
TOEGANG TOT DE AUTO










Ontgrendelen en het op een kier
zetten van het kofferdeksel


)
Houd deze knop langer
dan twee seconden inge-
drukt om het kofferdek-
sel te ontgrendelen. Deze
wordt op een kleine kier
gezet.
Bij deze handeling wordt eerst de auto
ontgrendeld.



)
Druk één keer op het ge-
opende hangslot om alleen
het bestuurdersportier te
ontgrendelen.

Selectieve ontgrendeling met de
afstandsbediening Het ontgrendelen wordt bevestigd door
het gedurende ongeveer 2 seconden
snel knipperen van de richtingaanwij-
zers.
Tegelijkertijd worden, volgens uitvoe-
ring, bij de eerste ontgrendeling de bui-
tenspiegels uitgeklapt.

Selectieve ontgrendeling met de
sleutel


)
Draai de sleutel één keer linksom in
het slot van het bestuurdersportier
om alleen het bestuurdersportier te
ontgrendelen.

)
Draai de sleutel nogmaals linksom
om het passagiersportier en het kof-
ferdeksel te ontgrendelen. Het volledig of selectief
ontgrendelen kan worden
ingesteld met behulp van
het confi guratiemenu van
de auto.











SLEUTEL MET
AFSTANDSBEDIENING
U kunt om de auto en de opbergvakken
in het interieur (dashboardkastje en mid-
denarmsteun vóór) te ontgrendelen en
vergrendelen de centrale vergrendeling
bedienen met de sleutel in het portierslot
of met de afstandsbediening. De sleutel
met afstandsbediening dient tevens voor
de lokalisatie en het starten van de auto en
maakt deel uit van de diefstalbeveiliging.

Uitklappen van de sleutel


)
Druk op deze knop om de sleutel uit
te klappen.



Openen van de auto

Het ontgrendelen wordt bevestigd door
het gedurende ongeveer 2 seconden snel
knipperen van de richtingaanwijzers.
Als de auto centraal wordt ontgrendeld,
worden ook het dashboardkastje en het
opbergvak in de middenarmsteun vóór
ontgrendeld.
Tegelijkertijd worden, afhankelijk van de
uitvoering van de auto, de buitenspie-
gels uitgeklapt.



)
Druk op het geopende
hangslot om de auto te ont-
grendelen.

Ontgrendelen met de sleutel


)
Draai de sleutel linksom in het slot
van het bestuurdersportier om de
auto te ontgrendelen.

Ontgrendelen met de
afstandsbediening
)
Druk nogmaals op het geopende
hangslot om het passagiersportier
en het kofferdeksel te ontgrende-
len.
Standaard is de volledige ontgrendeling
geactiveerd.

Page 73 of 292

4
!
i
i
TOEGANG TOT DE AUTO
De supervergrendeling blokkeert
het van buitenaf en van binnenuit
openen van de portieren.
Als de supervergrendeling is inge-
schakeld, is ook de vergrendelings-
schakelaar in het interieur buiten
werking.
Laat daarom niemand in de auto
achter als de supervergrendeling is
ingeschakeld.
Als één van de portieren of het
kofferdeksel geopend is, werkt de
centrale vergrendeling niet.
Als de auto wordt ontgrendeld zon-
der dat binnen dertig seconden een
van de portieren of het kofferdeksel
wordt geopend, wordt de auto au-
tomatisch weer vergrendeld.





Supervergrendeling met de
afstandsbediening

Supervergrendeling met de sleutel Het in- en uitklappen van de buiten-
spiegels met de afstandsbediening
kan worden uitgeschakeld door het
PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalifi ceerde werkplaats.



)
Druk op het gesloten hang-
slot om de auto volledig te
vergrendelen.

)
Druk binnen 5 seconden
nogmaals op het gesloten
hangslot om de superver-
grendeling van de auto in
te schakelen.



Sluiten van de auto



)
Druk op het gesloten hang-
slot om de auto te vergren-
delen.


Normale vergrendeling met de
sleutel


)
Draai de sleutel rechtsom in het slot
van het bestuurdersportier om de
auto te vergrendelen.
Normale vergrendeling met de
afstandsbediening
De supervergrendeling wordt beves-
tigd door het gedurende ongeveer
2 seconden branden van de richting-
aanwijzers.
Tegelijkertijd worden de buitenspiegels
ingeklapt (volgens uitvoering). Het vergrendelen wordt bevestigd door
het gedurende ongeveer 2 seconden
branden van de richtingaanwijzers.
Het dashboardkastje en het opbergvak
in de middenarmsteun vóór worden te-
gelijkertijd met de auto vergrendeld.
Tegelijkertijd worden, afhankelijk van de
uitvoering van de auto, de buitenspie-
gels ingeklapt.

)
Draai de sleutel rechtsom in het slot
van het bestuurdersportier om de
auto volledig te vergrendelen.

)
Draai binnen 5 seconden de sleu-
tel nogmaals rechtsom om de su-
pervergrendeling van de auto in te
schakelen.

Page 82 of 292

4
i
i!
!
!
80
TOEGANG TOT DE AUTO

Als de auto van buitenaf
is vergrendeld of als de
supervergrendeling is
ingeschakeld
Als de auto van buitenaf is vergren-
deld of de supervergrendeling is in-
geschakeld, knippert het rode lampje
en is de knop inactief.


)
Als de auto vergrendeld is, trek
dan aan de binnenportiergreep
om de auto te ontgrendelen.

)
Als de supervergrendeling is in-
geschakeld, moet u de afstands-
bediening of de sleutel gebruiken
om de auto te ontgrendelen.












Bediening centrale
vergrendeling van binnenuit
Deze functie biedt de mogelijkheid de
portieren en het kofferdeksel van bin-
nenuit handmatig en volledig te ver-
grendelen of te ontgrendelen.

Vergrendelen


)
Druk op deze knop om de auto te
vergrendelen.
Het rode lampje van de knop gaat bran-
den.
Als één van de portieren of het
kofferdeksel is geopend, werkt de
centrale vergrendeling van binnen-
uit niet.
Ontgrendelen


)
Druk nogmaals op deze knop om de
auto te ontgrendelen.
Het rode lampje van de knop gaat uit.


Sluiten

Bij het sluiten van het portier wordt de
ruit na enkele seconden automatisch
weer gesloten en afgesteld voor een
optimale afdichting.


- bij draaiende motor
, gaat dit
lampje branden in combinatie
met een melding die enkele
seconden op het multifuncti-
onele display verschijnt,

- tijdens het rijden
(snelheid ho-
ger dan 10 km/h), gaat dit lampje
branden in combinatie met een ge-
luidssignaal en een melding die ge-
durende enkele seconden op het
multifunctionele display verschijnt.
Bij het wassen van de auto:


- vergrendel vooraf de auto met
de afstandsbediening of de
sleutel,

- richt de sproeier van de hoge-
drukreiniger niet op het boven-
ste gedeelte van de ruiten,

- houd de sproeier van de hoge-
drukreiniger op een afstand van
minimaal 1 meter van de ruiten
en de portierrubbers.
Als een portier niet goed is gesloten: Let op dat er niets klem komt te zit-
ten als de ruit automatisch sluit bij
het sluiten van het portier.
Het dashboardkastje en het op-
bergvak in de middenarmsteun
vóór worden niet vergrendeld en
blijven dus toegankelijk.

Page 97 of 292

6
95
INDELINGEN










INDELING INTERIEUR



1.
Zonneklep


(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)

2.
Opbergvak


3.
Opbergvakje


4.
Tashaak


(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)

5.
Afsluitbaar en gekoeld
dashboardkastje


(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)

6.
Grote portiervakken


7.
Kleine portiervakken


8.
Verlichte asbak


(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)

9.
Opbergvak met antislipmat


10.
12V-aansluiting


(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)

11 .
Armsteun vóór



met afsluitbaar
opbergvak


(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)

12.
Opbergvak


(zie de volgende bladzijde voor
meer informatie)

Page 98 of 292

6INDELINGEN
AFSLUITBAAR EN GEKOELD DASHBOARDKASTJE
Het dashboardkastje bestaat uit speci-
ale ruimtes voor het opbergen van een
fl es mineraalwater, de boorddocumen-
tatie van de auto...
In het deksel zijn speciale ruimtes ge-
creëerd voor een pen, een bril, klein-
geld, kaarten, een blikje, ...
Het dashboardkastje wordt ver- en ont-
grendeld bij het ver- en ontgrendelen
van de auto met de afstandsbediening
of de sleutel.


)
Trek de handgreep omhoog om het
dashboardkastje te openen.
De verlichting van het dashboardkastje
treedt in werking zodra het deksel wordt
geopend.
Het dashboardkastje is voorzien van
een luchtstroomopening A
, die kan wor-
den geopend of gesloten. Deze opening
verspreidt dezelfde gekoelde lucht als
de luchtroosters in het interieur.






ZONNEKLEP

De zonneklep kan zowel omlaag als
naar opzij worden geklapt en is voor-
zien van een make-upspiegel met ver-
lichting.


)
Open als het contact aan is het af-
dekkapje. De verlichting van de
make-upspiegel gaat automatisch
branden.
De zonneklep bevat tevens een moge-
lijkheid voor het opbergen van pasjes.
TASHAAK



)
Druk op het onderste gedeelte van
de haak om deze uit te klappen.

)
Hang uw tas er met het hengsel aan
vast.

Page 112 of 292

7
i
!
110
VEILIGHEID
AIRBAGS
De airbags zijn speciaal ontworpen om
de inzittenden te beschermen bij ern-
stige aanrijdingen. De airbags vormen
een aanvulling op de werking van de
veiligheidsgordels met gordelkrachtbe-
grenzers.
De elektronische schoksensoren re-
gistreren in dat geval de frontale en
zijdelingse aanrijdingen waaraan de re-
gistratiezones voor een aanrijding wor-
den blootgesteld:


- bij een ernstige aanrijding worden
de airbags onmiddellijk opgeblazen
en beschermen ze de inzittenden
van de auto; direct na de aanrijding
ontsnapt het gas uit de airbags zo-
dat noch het zicht, noch het even-
tueel verlaten van de auto door de
inzittenden wordt belemmerd,

- bij een minder ernstige aanrijding of
een aanrijding van achteren en in
bepaalde gevallen waarin de auto
over de kop slaat, treden de airbags
niet in werking. De veiligheidsgor-
dels zorgen in deze situaties voor
een afdoende bescherming.
Het activeren van de airbags gaat
gepaard met wat onschadelijke
rook en een knal, als gevolg van
de activering van de pyrotechni-
sche lading die in het systeem is
geïntegreerd.
Deze rook is niet schadelijk, maar
kan voor personen die daar gevoe-
lig voor zijn irriteren.
De knal die bij de ontsteking wordt
geproduceerd, kan het gehoor ge-
durende een korte periode enigs-
zins verminderen.
















Airbags vóór

De airbags vóór beschermen de be-
stuurder en voorpassagier bij een ern-
stige frontale aanrijding, om de kans op
hoofd- en borstletsel te verkleinen.
De bestuurdersairbag is geïntegreerd
in het stuurwiel en de passagiersairbag
in het dashboard boven het dashboard-
kastje.

Activering
De airbags worden gelijktijdig opgeblazen,
behalve als de airbag aan passagierszijde
is uitgeschakeld, bij een ernstige frontale
aanrijding binnen (een gedeelte van) de
impactzone vóór (A)
, in de lengterichting
van de auto en vanaf de voorzijde richting
de achterzijde van de auto, die zich op een
horizontale ondergrond moet bevinden.
De airbag vóór wordt opgeblazen tussen
de bestuurder en het stuur of tussen de
passagier voorin en het dashboard om te
verhinderen dat deze naar voren wordt
geslingerd.
Registratiezones voor een
aanrijding


A.
Impactzone vóór.

B.
Impactzone opzij.

De airbags werken alleen als het
contact aan is.
De airbags werken slechts een-
maal. Als er een tweede aanrijding
plaatsvindt (tijdens hetzelfde of
een volgend ongeval), werken de
airbags niet meer.

Page 115 of 292

7
!
113
VEILIGHEID













Houd u aan de volgende
veiligheidsvoorschriften voor
een maximale effectiviteit van de
airbags:
Maak er een gewoonte van om normaal
rechtop in de voorstoelen te zitten.
Draag altijd een correct afgestelde au-
togordel.
Zorg dat er zich niets bevindt tussen
de airbag en de inzittenden (kinderen,
huisdieren, objecten...). Dit kan de
goede werking van de airbag belem-
meren en/of de inzittende bij het op-
blazen van de airbag verwonden.
Laat na een aanrijding of diefstal van uw
auto de airbagsystemen controleren.
Werkzaamheden aan airbagsystemen
mogen uitsluitend door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalifi ceerde
werkplaats worden uitgevoerd.
Zelfs als alle bovenstaande voor-
schriften worden nageleefd, blijft de
kans bestaan op letsel of lichte brand-
wonden aan het hoofd, de borst of
de armen als de airbag wordt geacti-
veerd. De airbag wordt namelijk zeer
snel opgeblazen (binnen enkele milli-
seconden) en loopt vervolgens even
snel leeg, waarbij de warme gassen
via de daarvoor bestemde openingen
naar buiten stromen.
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuur-
wielkussen rusten.
De voorpassagier mag zijn voeten niet op het dashboard laten rusten.
Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen, kun-
nen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorza-
ken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla
er niet op.



Zij-airbags
Bedek de stoelen uitsluitend met daarvoor goedgekeurde stoelhoezen. Deze
belemmeren het activeren van de zij-airbags niet. Raadpleeg het PEUGEOT-
netwerk voor meer informatie over de voor uw auto geschikte stoelhoezen (zie
hoofdstuk "Praktische informatie - § Accessoires").
Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen, dit zou bij het afgaan van
de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of borstkas.
Bevestig nooit iets (bijvoorbeeld een kledingstuk) aan de hoofdsteunen vóór, dit
zou bij het afgaan van de zij-airbags kunnen leiden tot hoofdletsel.
Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten.

Page 144 of 292

9
!
i
142
ONDERHOUD


























NIVEAUS CONTROLEREN

Controleer de onderstaande niveaus
regelmatig en vul indien nodig bij, tenzij
anders aangegeven.
Laat in het geval van een sterk gedaald
niveau het desbetreffende circuit con-
troleren door het PEUGEOT-netwerk of
door een gekwalifi ceerde werkplaats.


Remvloeistofniveau

Motorolieniveau

Het motorolieniveau kan bij aan-
gezet contact worden gecontro-
leerd via de motorolieniveaumeter
op het instrumentenpaneel, of
met de oliepeilstok.
Een handmatige controle van het mo-
torolieniveau is alleen betrouwbaar als
de auto op een vlakke, horizontale on-
dergrond staat en de motor minstens
30 minuten niet heeft gedraaid.
Na het bijvullen zal de olieniveaumeter
op het dashboard bij het aanzetten van
het contact binnen 30 minuten de juiste
waarde aangeven. Het remvloeistofniveau dient zich
zo dicht mogelijk bij het merkteken
"MAXI" te bevinden. Controleer in-
dien dit niet het geval is of de rem-
blokken van uw auto zijn versleten.

Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau

Het stuurbekrachtigingsvloeistofniveau dient
zich zo dicht mogelijk bij het merkteken
"MAXI" te bevinden. Draai bij koude motor
de dop open om het niveau te controleren.


Het is normaal om tussen twee on-
derhoudsbeurten olie bij te vullen.
PEUGEOT raadt u aan om elke
5000 kilometer het olieniveau te
controleren en, indien nodig, olie
bij te vullen.
Remvloeistof verversen
Raadpleeg het onderhoudsboekje voor
het voorgeschreven verversingsinter-
val. Als de motor warm is, wordt de tem-
peratuur van de koelvloeistof geregeld
door de koelventilator. Deze kan ook bij
afgezet contact werken.

Bij uitvoeringen voorzien van een
roetfi lter kan de koelventilator bij
afgezet contact nog (gaan) werken,
zelfs bij koude motor.

Wacht bovendien alvorens werkzaam-
heden aan het koelsysteem uit te voe-
ren ten minste 1 uur nadat de motor
gedraaid heeft, omdat het koelsysteem
onder druk staat.
Draai om brandwonden te voorkomen
de dop eerst 2 omwentelingen los om
de druk te laten dalen. Verwijder, als de
druk eenmaal gedaald is, de dop en vul
koelvloeistof bij.

Koelvloeistofniveau

Het koelvloeistofniveau dient zich
zo dicht mogelijk bij het merkte-
ken "MAXI" te bevinden, maar
mag beslist niet hoger zijn.

Koelvloeistof verversen
De koelvloeistof behoeft niet te worden
ververst.
Let bij werkzaamheden onder de
motorkap goed op want bepaalde
delen van de motor kunnen zeer
heet zijn (kans op brandwonden).

Type koelvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorge-
schreven koelvloeistof.

Type remvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorge-
schreven remvloeistof die voldoet aan
de DOT4-norm.

Type motorolie
Gebruik de door de fabrikant aanbevo-
len motorolie voor uw auto en motoruit-
voering.

Olie verversen
Raadpleeg het onderhoudsboekje voor
het verversingsinterval voor uw auto.
Om een verminderde betrouwbaarheid
van de motor en de emissieregeling te
voorkomen, is het gebruik van additie-
ven in de motorolie niet toegestaan.

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 next >