stop start Peugeot 308 CC 2011 Handleiding (in Dutch)

Page 56 of 292

3
i
i
54
COMFORT

Condensvorming in de airconditio-
ning kan ertoe leiden dat er zich
een klein plasje water onder de
auto vormt. Dit is een normaal ver-
schijnsel.

GEBRUIKSADVIEZEN VOOR DE VENTILATIE EN DE AIRCONDITIONING

Neem voor een optimale werking van de ventilatie en de airconditioning de
volgende gebruiksadviezen in acht:


)
Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interi-
eur de uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen,
ventilatieroosters en overige uitstroomopeningen en de ventilatieopening
in de bagageruimte vrij blijven.

)
Let erop dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. Deze
sensor dient voor de regeling van de airconditioning.

)
Zet de airconditioning 1 tot 2 keer per maand 5 tot 10 minuten aan om het
systeem in perfecte staat te houden.

)
Controleer regelmatig de staat van het interieurfi lter en laat de fi lterele-
menten periodiek vervangen (zie desbetreffende paragraaf in hoofdstuk
"Controles").

)
Wij raden u een gecombineerd interieurfi lter aan. Dankzij het speciale toe-
gevoegde actieve fi lter draagt het bij tot een gezuiverde lucht voor de in-
zittenden en een schoon interieur (vermindering van allergische reacties,
stank en vetaanslag).

)
Laat de airconditioning regelmatig controleren om het systeem in perfecte
staat te houden.

)
Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Als het dak is weggeklapt, neemt het comfort toe als het windscherm wordt
gebruikt en het "AIRWAVE" systeem wordt ingeschakeld.
Bij een zware belasting van de motor (trekken van een aanhanger op een
steile helling bij een hoge buitentemperatuur) kan de airconditioning tijdelijk
worden uitgeschakeld voor een optimale trekkracht van de motor.
Laat het interieur enkele ogenblik-
ken ventileren als de auto lang in
de zon heeft gestaan en de tem-
peratuur in het interieur zeer hoog
blijft.
Stel de knop voor de luchtop-
brengst zo in dat de lucht in het in-
terieur voldoende ververst wordt.
Het airconditioningssysteem is
chloorvrij en is niet schadelijk voor
de ozonlaag.




Stop & Start-systeem
De verwarming en de airconditioning werken uitsluitend bij draaiende motor.
Als u het thermische comfort in de auto op het door u gewenste niveau wilt
houden, kunt u tijdelijk de functie Stop & Start uitschakelen (zie het hoofdstuk
"Rijden").

Page 58 of 292

3
i
i
i
56
COMFORT
De achterruitverwarming kan
worden ingeschakeld met de
toets op het bedieningspaneel
van de verwarming of aircon-
ditioning.
ACHTERRUITVERWARMING

)
Schakel, zodra de omstandighe-
den het toelaten, de achterruit-
en buitenspiegelverwarming uit
omdat een gering stroomver-
bruik leidt tot een verlaging van
het brandstofverbruik.
Als de motor wordt afgezet voordat
de achterruitverwarming automatisch
wordt uitgeschakeld, wordt de achter-
ruitverwarming weer ingeschakeld
als de motor weer wordt gestart.
De achterruitverwarming wordt uitge-
schakeld als het wegklapbare dak in
de bagageruimte is opgeborgen.

Aan

De achterruitverwarming werkt uitslui-
tend bij draaiende motor.

Uit

De achterruitverwarming wordt automa-
tisch uitgeschakeld om onnodig brand-
stofverbruik te voorkomen.

5. Airconditioning aan/uit
De airconditioning kan tijdens
alle seizoenen effectief ge-
bruikt worden, mits de ruiten
zijn gesloten.
Het systeem stelt u in staat:


- de temperatuur in het interieur 's zo-
mers te verlagen,

- in de winter bij temperaturen boven 3°C
beslagen ruiten snel te ontwasemen.


Uit


)
Druk nogmaals op de toets "A/C"
:
het lampje van de toets gaat uit.
Door het uitschakelen van de aircondi-
tioning kan hinder ontstaan (vocht, be-
slaan van ruiten).


)
Druk op deze toets om de achter-
ruit en de buitenspiegels te ontwa-
semen. Het verklikkerlampje van de
toets gaat branden.



)
U kunt de achterruitverwarming ook
eerder uitschakelen door nogmaals
op de toets te drukken. Het verklik-
kerlampje van de toets gaat uit.
Aan


)
Druk op de toets "A/C"
: het lampje
van de toets gaat branden.
ONTWASEMEN - ONTDOOIENVOORRUIT EN ZIJRUITEN


Deze opdruk op het bedie-
ningspaneel geeft aan in wel-
ke stand de knoppen moeten
staan om de voorruit en de zij-
ruiten snel te ontwasemen of
te ontdooien.


Met handbediende
airconditioning


)
Zet de knoppen van de luchttempera-
tuur, de aanjagersnelheid en de lucht-
verdeling in de met de desbetreffende
opdruk weergegeven stand.

)
Zet de knop van de luchttoevoer in
de stand "Toevoer van buitenlucht"
(controlelampje op de knop gedoofd).

)
Schakel de airconditioning in door de
toets "A/C"
in te drukken; het contro-
lelampje in de toets gaat branden.

De airconditioning werkt niet als
de aanjagerknop 2 in de stand "0"
staat.


Als bij auto's met Stop & Start de
ontwaseming, de airconditioning en
de aanjager zijn ingeschakeld, is de
STOP-stand niet beschikbaar.

Page 59 of 292

3
ii
i
57
COMFORT
Om bij koude motor de toevoer van
koude lucht te beperken, wordt de
aanjagerregeling geleidelijk op het
optimale niveau gebracht.
Bij koud weer wordt de warme
lucht uitsluitend naar de voorruit,
de zijruiten en de beenruimte van
de passagiers verdeeld. Als de temperatuur in de auto bij
het instappen veel lager of hoger
is dan de ingestelde waarde, heeft
het geen zin om voor het gewenste
comfort de ingestelde waarde te
wijzigen. Het systeem compen-
seert automatisch en zo snel mo-
gelijk het temperatuurverschil.
De airconditioning werkt uitsluitend bij
draaiende motor. De bestuurder en de voorpas-
sagier kunnen de temperatuur
afzonderlijk naar wens instel-
len.


)
Draai de knop 2
of 3
naar links of
naar rechts om deze waarde te ver-
lagen of te verhogen.
Voor een optimaal comfort wordt de
waarde 21 aanbevolen. Niettemin is af-
hankelijk van uw wensen een afstelling
tussen 18 en 24 gebruikelijk.
Voor een optimaal comfort is het raad-
zaam dat het verschil in instelling links
en rechts niet meer dan 3 bedraagt.
4. Automatisch programma "zicht"
In sommige gevallen kan het
programma "comfort" niet
toereikend blijken om de rui-
ten condens- en ijsvrij te hou-
den (vocht, veel inzittenden,
vorst...).


)
Kies in dat geval het automatische
programma "zicht".
Het systeem regelt automatisch de
airconditioning, de luchtopbrengst, de
luchttoevoer en de luchtverdeling naar
de luchtroosters voor een optimale ont-
waseming van de voorruit en zijruiten.

Automatische werking



)
Druk op de toets "AUTO"
.
Het lampje van de toets
gaat branden.
2. Regeling bestuurderszijde





AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING MET GESCHEIDEN REGELING

Het is raadzaam deze stand te gebrui-
ken: het systeem regelt de temperatuur,
de luchtopbrengst, de luchtverdeling
naar de luchtroosters en de luchtrecir-
culatie automatisch en optimaal aan de
hand van de door u ingestelde waarde.
Het systeem kan tijdens alle seizoenen
effectief gebruikt worden en beschikt
over een automatische regeling als het
dak geopend is. De op het display weergegeven waarde
heeft betrekking op een bepaald comfort-
niveau en niet op de werkelijke tempera-
tuur in graden Celsius of Fahrenheit.


)
Druk nogmaals op de toets "zicht"

of op de toets "AUTO"
om dit pro-
gramma af te sluiten. Het lampje van
de toets "zicht"
gaat uit en dat van
de toets "AUTO"
gaat branden.


1. Automatisch programma "comfort"
3. Regeling passagierszijde





Bij auto's met een Stop & Start-
systeem geldt dat zolang de voor-
ruitontwaseming in werking is, de
STOP-functie niet beschikbaar is.

Page 67 of 292

3
i!
i
65
COMFORT








Bediening van het "AIRWAVE"
systeem
Het "AIRWAVE" systeem in de hoofd-
steun van de voorstoelen kan bij
draaiende motor voor beide stoelen
afzonderlijk worden ingeschakeld voor
het blazen van warme lucht richting de
nek van iedere inzittende voor.







Bediening stoelverwarming
Bij draaiende motor is de stoelverwar-
ming voor beide voorstoelen afzonder-
lijk regelbaar.


)
Met de draaiknop naast de voorstoel
kan de stoelverwarming ingescha-
keld worden en kan een verwar-
mingsstand worden geselecteerd:

0
: Uit.

1
: Laag.

2
: Gemiddeld.

3
: Hoog.



)
Gebruik de desbetreffende draai-
knop op de middenconsole om de
gewenste temperatuur en luchthoe-
veelheid in te stellen:

0:
Uit.

1:
Zwak.

2:
Gemiddeld.

3:
Sterk.

)
Gebruik de draaiknop van de lucht-
stroomrichting op elk ventilatieroos-
ter om de lucht naar boven, naar het
midden of naar beneden te richten.

Na het inschakelen van het sy-
steem wordt de warme lucht ge-
leidelijk aan toegevoerd om een
comfortabele temperatuur te berei-
ken. Gebruik het "AIRWAVE" systeem
niet als een kinderzitje op de zit-
plaats van de voorpassagier is be-
vestigd.
In de STOP-stand van het
Stop & Start-systeem werkt het
"AIRWAVE"-systeem niet meer.

Page 74 of 292

4
i
72
TOEGANG TOT DE AUTO





Lokaliseren van de auto



)
Druk op het gesloten hang-
slot om de eerder vergren-
delde auto te lokaliseren
op een parkeerplaats.
Elektronische startblokkering
In de sleutel is een chip aangebracht
die over een specifi eke code beschikt.
Om te kunnen starten, moet bij het aan-
zetten van het contact de code van de
sleutel worden herkend door de start-
blokkering.
Deze elektronische startblokkering
blokkeert het motormanagementsy-
steem zodra het contact wordt afgezet
en voorkomt zo het starten van de mo-
tor bij een inbraak.









Diefstalbeveiliging

Bij een storing in het systeem
wordt u gewaarschuwd door dit
verklikkerlampje in combinatie
met een geluidssignaal en een
melding op het display.
De auto kan dan niet gestart wor-
den. Raadpleeg zo snel mogelijk het
PEUGEOT-netwerk.


Inklappen van de sleutel


)
Druk op deze knop om de sleutel in
te klappen.


De plafonnier en de zijverlichting gaan
branden en de richtingaanwijzers knip-
peren gedurende enkele seconden.








Starten van de motor



)
Steek de sleutel in het contactslot.
Het systeem herkent de code van
de startblokkering.

)
Draai de sleutel rechtsom in de
stand 3 (Starten)
.

)
Laat zodra de motor draait de sleu-
tel los.



Afzetten van de motor



)
Zet de auto stil.

)
Draai de sleutel linksom in de stand
1 (Stop)
.

)
Verwijder de sleutel uit het contact-
slot.







Sleutel vergeten in de stand
"Contact"
Als de sleutel onbedoeld in het
contact blijft steken, zal het con-
tact na een uur automatisch wor-
den afgezet.
Draai de sleutel in de stand 1 (Stop)

en vervolgens opnieuw in de stand
2 (Contact)
om het contact weer
aan te zetten.

Page 85 of 292

4
i
!
83
TOEGANG TOT DE AUTO

Zolang de brandstofvuldop niet is
vastgedraaid, kan de sleutel niet uit
de dop worden verwijderd.
Bij het openen van de dop kan een
geluid klinken door de aanzuiging
van lucht. Dit verschijnsel is nor-
maal en wordt veroorzaakt door
het vacuüm dat ontstaat door de
afdichting van het brandstofcircuit.



















BRANDSTOFTANK


Inhoud van de tank: ongeveer 60 liter. Veilig tanken:


)
zet altijd de motor af,


)
open de brandstofvulklep,

)
steek de sleutel in de dop en draai
de sleutel linksom,
Na het tanken:


)
breng de dop aan,

)
draai de sleutel naar rechts en ver-
wijder deze vervolgens uit de dop,

)
sluit de brandstofvulklep.

)
verwijder de dop en bevestig deze
aan de haak aan de binnenzijde van
de klep,

)
tank de auto af, maar laat het vul-
pistool nooit meer dan 3 keer
afslaan
. Indien dit wel gebeurt, kun-
nen er storingen optreden,


Laag brandstofniveau

Tanken

Op een label aan de binnenzijde van de
vulklep staat de voorgeschreven soort
brandstof voor uw auto aangegeven.
Er moet minimaal 5 liter brandstof wor-
den getankt om er voor te zorgen dat
de brandstofmeter het niveau weer
aangeeft. Als het minimale niveau in de
brandstoftank is bereikt, brandt
dit verklikkerlampje op het in-
strumentenpaneel in combi-
natie met een geluidssignaal en een
waarschuwingsmelding. Zodra het
lampje gaat branden, zit er nog onge-
veer 6 liter brandstof
in de tank.
Zolang er nog niet voldoende brandstof
is getankt, zal dit lampje steeds bij het
aanzetten van het contact verschijnen
in combinatie met het geluidssignaal en
de waarschuwingsmelding. Tijdens het
rijden worden dit geluidssignaal en deze
waarschuwingsmelding met steeds kor-
tere tussenpozen herhaald, naarmate
het brandstofniveau "0"
nadert.
Ga zo snel mogelijk tanken om te voor-
komen dat de auto stil valt.
Raadpleeg indien u strandt met een lege
tank (diesel) het hoofdstuk "Controles".


Storing

In het geval van een storing in de brand-
stofniveaumeter gaat de wijzer terug
naar 0.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.




Tank nooit als de motor door het
Stop & Start-systeem is afgezet;
zet in dat geval altijd het contact af
met de sleutel.

Page 130 of 292

8
!
i
i
128
RIJDEN






STOP & START-SYSTEEM

Het Stop & Start-systeem zet de motor
tijdelijk af (STOP-stand) als u stopt (bij
rood licht, opstoppingen enz.). De mo-
tor wordt automatisch gestart (START-
stand) als u weer weg wilt rijden. Het
starten gebeurt direct, snel en stil.
Het Stop & Start-systeem zorgt voor
een lager brandstofverbruik, minder
uitstoot van schadelijke stoffen en een
aangename rust in het interieur tijdens
het wachten.

Werking


Overgang naar de STOP-stand van de motor

Het verklikkerlampje "ECO"
op het
instrumentenpaneel gaat branden
en de motor wordt afgezet:


- bij een auto met een handge-
schakelde versnellingsbak:
als bij
snelheden beneden 20 km/h de ver-
snellingshendel in de neutraalstand
wordt gezet en het koppelingspe-
daal wordt losgelaten.

Met een teller wordt de duur
van de momenten dat de
motor afgezet is, opgeteld
en weergegeven. Elke keer
als u het contact opnieuw
aanzet, wordt deze teller op
nul gezet. Het systeem werkt de eerste se-
conden na het inschakelen van de
achteruit niet.
Als de motor door het systeem
wordt afgezet, blijven alle andere
componenten zoals de remmen
en de stuurbekrachtiging enz. nor-
maal functioneren.
Tank nooit als de motor door het
Stop & Start-systeem is afgezet,
zet in dat geval altijd het contact af
en neem de sleutel uit het contact-
slot.
Bijzonderheden: STOP-stand niet
beschikbaar
De STOP-stand is niet beschikbaar als:


- het bestuurderportier geopend is,

- de veiligheidsgordel van de bestuur-
der los is,

- de auto sinds de laatste start met
de sleutel niet harder dan 10 km/h
heeft gereden,

- de klimaatregeling in het interieur
dat niet toelaat,

- de ruitontwaseming is ingeschakeld,


- bepaalde bijzondere omstandigheden
(laadtoestand accu, motortempera-
tuur, rembekrachtiging, buitentempe-
ratuur enz.).

Het verklikkerlampje "ECO"

knippert enkele seconden en
gaat dan uit.

Dat het systeem in dergelijke geval-
len niet werkt is volkomen normaal.



In de STOP-stand van het Stop &
Start-systeem werkt het "AIRWAVE"-
systeem niet meer.

Page 131 of 292

8
i
i
!
129
RIJDEN

Overgang naar de START-stand van
de motor
Het verklikkerlampje "ECO"

gaat uit en de motor wordt weer
gestart:


- bij een auto met een handgescha-
kelde versnellingsbak:
als het
koppelingspedaal volledig
wordt in-
getrapt.
Bijzonderheden: automatisch
inschakelen van de START-stand
Vanwege uw veiligheid of comfort wordt
de START-stand automatisch ingescha-
keld als:


- het bestuurderportier wordt ge-
opend,

- de veiligheidsgordel van de bestuur-
der wordt losgemaakt,

- de snelheid van de auto hoger is
dan 25 km/h (handgeschakelde ver-
snellingsbak),

- in bepaalde bijzondere omstan-
digheden (laadtoestand accu, mo-
tortemperatuur, rembekrachtiging,
buitentemperatuur enz.).
Het verklikkerlampje "ECO"

knippert enkele seconden en
gaat dan uit.

Dat onder deze omstandigheden de
motor wordt gestart, is volkomen
normaal.




Uitschakelen

Als u het systeem met de motor in
de STOP-stand uitschakelt, dan
wordt de motor direct weer ge-
start. U kunt deze functie op elk willekeurig
moment uitschakelen door de schake-
laar "ECO OFF"
in te drukken.
Het verklikkerlampje in de schakelaar
gaat branden en er verschijnt een mel-
ding op het display.

Inschakelen

Druk nogmaals op de schakelaar "ECO
OFF"
.
Het systeem is dan weer ingeschakeld;
het verklikkerlampje in de schakelaar
gaat uit en er verschijnt een melding op
het display.
Het systeem wordt automatisch
ingeschakeld zodra u het contact
opnieuw aanzet. Als u bij een auto met een hand-
geschakelde versnellingsbak in
de STOP-stand een versnelling
inschakelt maar daarbij het koppe-
lingspedaal niet helemaal intrapt,
verschijnt er een melding met het
verzoek het koppelingspedaal he-
lemaal in te trappen, omdat anders
de motor niet gestart kan worden.

Page 132 of 292

8
!
!
RIJDEN

Storingen

Bij een storing in het systeem gaat het
verklikkerlampje in de schakelaar "ECO
OFF"
knipperen en vervolgens constant
branden.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.
Als er in de STOP-stand een storing
zou optreden, kan het zijn dat de motor
niet meer wil aanslaan of direct afslaat.
Zet in dat geval het contact af en start
de auto dan met behulp van de sleutel.


Onderhoud

Schakel omwille van de veiligheid
het Stop & Start-systeem altijd uit
als u handelingen onder de motor-
kap wilt uitvoeren.
Dit systeem heeft specifi eke kenmer-
ken en maakt gebruik van een speciale
accu (raadpleeg voor meer informatie
het PEUGEOT-netwerk of een gekwa-
lifi ceerde werkplaats).
Het gebruik van een andere dan de door
PEUGEOT voorgeschreven accu's kan
leiden tot storingen in het systeem.
Het Stop & Start-systeem maakt
gebruik van geavanceerde techno-
logie. Laat eventuele werkzaam-
heden aan dit type accu uitsluitend
uitvoeren door het PEUGEOT-net-
werk of door een gekwalifi ceerde
werkplaats.

Page 140 of 292

9
i
!
!
138
ONDERHOUD








MOTORKAP



)
Open het linker voorportier.

)
Trek de hendel A
onder in de por-
tiersponning naar u toe.
)
Duw de veiligheidshaak B
naar links
en til de motorkap op.

Sluiten



)
Haal de motorkapsteun uit de uit-
sparing.

)
Bevestig de motorkapsteun in de
houder.

)
Laat de motorkap voorzichtig zak-
ken en laat deze aan het einde van
de slag in het slot vallen.

)
Trek aan de motorkap om te contro-
leren of deze goed is vergrendeld.



Openen

De plaats van de ontgrendelings-
hendel in het interieur zorgt ervoor
dat de motorkap niet geopend kan
worden als het linker voorportier is
gesloten.
Wees bij warme motor voorzichtig
met het bedienen van de veilig-
heidshaak en de motorkapsteun
(kans op brandwonden).




Schakel het Stop & Start-systeem
altijd uit als u handelingen onder
de motorkap wilt uitvoeren, om let-
sel door het automatisch activeren
van de START-stand te voorko-
men.

)
Neem de motorkapsteun C
uit de
houder.

)
Bevestig de motorkapsteun in de
uitsparing om de motorkap geopend
te houden.

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 next >