display Peugeot 308 CC 2011 Handleiding (in Dutch)

Page 52 of 292

2
i
50
MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS









Monochroom display C


Met monochroom display C of klein cen-
traal display op het instrumentenpaneel



Weergave van de informatie

BOORDCOMPUTER


De boordcomputer geeft actuele in-
formatie over het rijden (actieradius,
brandstofverbruik...).


Klein centraal display op het
instrumentenpaneel


Groot centraal display op het
instrumentenpaneel
Afhankelijk van de uitrusting van
uw auto verschijnt de informa-
tie van de boordcomputer op het
multifunctionele display, of op het
centrale display op het instrumen-
tenpaneel.

M
et
groot centraal display
op het in-
strumentenpaneel



)
Druk op de pijltjestoetsen omhoog
en omlaag van het bedieningspa-
neel op het instrumentenpaneel van
de Peugeot Connect 3D Nav om
achtereenvolgend de verschillen-
de standen van de boordcomputer
weer te geven.

)
Druk op de knop op het uiteinde van
de ruitenwisserschakelaar
om
achtereenvolgend de verschillen-
de standen van de boordcomputer
weer te geven.

Page 53 of 292

2
51
MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS


- de momentele informatie:



actieradius,


momenteel
brandstofverbruik,


nog af te leggen afstand
of de teller van het
Stop & Start-systeem.



- traject "1"
met:



afgelegde afstand,


gemiddeld
brandstofverbruik,


gemiddelde snelheid,
voor het eerste traject.



- traject "2"
met:



afgelegde afstand,


gemiddeld
brandstofverbruik,


gemiddelde snelheid,
voor het tweede traject.



)
Als u nogmaals op de toets drukt,
wordt er niets op het display weer-
gegeven.
Druk nogmaals op de toets om terug te
keren naar de standaardweergave.

Traject op 0 zetten


Met monochroom display C of klein cen-
traal display op het instrumentenpaneel




)
Druk de knop op het uiteinde van de
ruitenwisserschakelaar
langer dan
2 seconden in zodra het gewenste
traject wordt aangegeven.
Met groot centraal display
op het in-
strumentenpaneel



)
Druk langer dan 2 seconden op de
toets "OK"
van het bedieningspa-
neel op het instrumentenpaneel van
de Peugeot Connect 3D Nav als het
gewenste traject wordt weergege-
ven.
De trajecten "
1"
en "
2"
zijn onafhan-
kelijk en hebben dezelfde eigenschap-
pen.
Traject "1"
kan bijvoorbeeld gebruikt
worden voor een dagelijks verbruik en
traject "2"
voor een maandelijks ver-
bruik.

Page 54 of 292

2
!
i
i
52
MULTIFUNCTIONELE DISPLAYS





Enkele definities...

Als de actieradius minder dan 30 km
bedraagt, verschijnen streepjes op het
display. Na het tanken van minimaal 5
liter brandstof wordt de actieradius op-
nieuw berekend en weergegeven als
deze meer dan 100 km bedraagt.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats
als tijdens het rijden de streepjes
continu worden weergegeven. Deze functie wordt alleen weerge-
geven bij snelheden vanaf 30 km/h.
Deze waarde kan variëren door
een gewijzigde rijstijl of het rijden
op een helling, waardoor het mo-
mentele brandstofverbruik aan-
zienlijk kan wijzigen.
Actieradius
(km of miles)
De actieradius geeft aan
hoeveel kilometer u nog met
de resterende hoeveelheid brandstof
kunt rijden, berekend op basis van het
gemiddelde verbruik over de laatste af-
gelegde kilometers.
Momenteel verbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Dit is het gemiddelde brand-
stofverbruik over de laatste se-
conden.

Gemiddeld verbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Dit is het gemiddelde ver-
bruik sinds de laatste nulstel-
ling van de boordcomputer.
Afgelegde afstand
(km of miles)
Deze afstand wordt be-
rekend sinds de laatste
nulstelling van de boord-
computer.


Gemiddelde snelheid
(km/h of mph)
Dit is de gemiddelde snelheid
sinds de laatste nulstelling van
de boordcomputer (contact aan).

Nog af te leggen afstand
(km of miles)
Dit is de nog af te leggen af-
stand tot de eindbestemming. Deze af-
stand wordt op elk moment tijdens het
navigeren berekend.
Bij het ontbreken van de afstand ver-
schijnen er streepjes in plaats van cij-
fers.







Stop & Start-teller
(minuten/seconden of uren/
minuten)
Als uw auto is uitgerust met
Stop & Start, registreert een teller hoe-
lang de STOP-stand tijdens een traject
is geactiveerd.
De teller wordt, elke keer als u het con-
tact met de sleutel aanzet, weer op nul
gezet.

Page 59 of 292

3
ii
i
57
COMFORT
Om bij koude motor de toevoer van
koude lucht te beperken, wordt de
aanjagerregeling geleidelijk op het
optimale niveau gebracht.
Bij koud weer wordt de warme
lucht uitsluitend naar de voorruit,
de zijruiten en de beenruimte van
de passagiers verdeeld. Als de temperatuur in de auto bij
het instappen veel lager of hoger
is dan de ingestelde waarde, heeft
het geen zin om voor het gewenste
comfort de ingestelde waarde te
wijzigen. Het systeem compen-
seert automatisch en zo snel mo-
gelijk het temperatuurverschil.
De airconditioning werkt uitsluitend bij
draaiende motor. De bestuurder en de voorpas-
sagier kunnen de temperatuur
afzonderlijk naar wens instel-
len.


)
Draai de knop 2
of 3
naar links of
naar rechts om deze waarde te ver-
lagen of te verhogen.
Voor een optimaal comfort wordt de
waarde 21 aanbevolen. Niettemin is af-
hankelijk van uw wensen een afstelling
tussen 18 en 24 gebruikelijk.
Voor een optimaal comfort is het raad-
zaam dat het verschil in instelling links
en rechts niet meer dan 3 bedraagt.
4. Automatisch programma "zicht"
In sommige gevallen kan het
programma "comfort" niet
toereikend blijken om de rui-
ten condens- en ijsvrij te hou-
den (vocht, veel inzittenden,
vorst...).


)
Kies in dat geval het automatische
programma "zicht".
Het systeem regelt automatisch de
airconditioning, de luchtopbrengst, de
luchttoevoer en de luchtverdeling naar
de luchtroosters voor een optimale ont-
waseming van de voorruit en zijruiten.

Automatische werking



)
Druk op de toets "AUTO"
.
Het lampje van de toets
gaat branden.
2. Regeling bestuurderszijde





AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING MET GESCHEIDEN REGELING

Het is raadzaam deze stand te gebrui-
ken: het systeem regelt de temperatuur,
de luchtopbrengst, de luchtverdeling
naar de luchtroosters en de luchtrecir-
culatie automatisch en optimaal aan de
hand van de door u ingestelde waarde.
Het systeem kan tijdens alle seizoenen
effectief gebruikt worden en beschikt
over een automatische regeling als het
dak geopend is. De op het display weergegeven waarde
heeft betrekking op een bepaald comfort-
niveau en niet op de werkelijke tempera-
tuur in graden Celsius of Fahrenheit.


)
Druk nogmaals op de toets "zicht"

of op de toets "AUTO"
om dit pro-
gramma af te sluiten. Het lampje van
de toets "zicht"
gaat uit en dat van
de toets "AUTO"
gaat branden.


1. Automatisch programma "comfort"
3. Regeling passagierszijde





Bij auto's met een Stop & Start-
systeem geldt dat zolang de voor-
ruitontwaseming in werking is, de
STOP-functie niet beschikbaar is.

Page 74 of 292

4
i
72
TOEGANG TOT DE AUTO





Lokaliseren van de auto



)
Druk op het gesloten hang-
slot om de eerder vergren-
delde auto te lokaliseren
op een parkeerplaats.
Elektronische startblokkering
In de sleutel is een chip aangebracht
die over een specifi eke code beschikt.
Om te kunnen starten, moet bij het aan-
zetten van het contact de code van de
sleutel worden herkend door de start-
blokkering.
Deze elektronische startblokkering
blokkeert het motormanagementsy-
steem zodra het contact wordt afgezet
en voorkomt zo het starten van de mo-
tor bij een inbraak.









Diefstalbeveiliging

Bij een storing in het systeem
wordt u gewaarschuwd door dit
verklikkerlampje in combinatie
met een geluidssignaal en een
melding op het display.
De auto kan dan niet gestart wor-
den. Raadpleeg zo snel mogelijk het
PEUGEOT-netwerk.


Inklappen van de sleutel


)
Druk op deze knop om de sleutel in
te klappen.


De plafonnier en de zijverlichting gaan
branden en de richtingaanwijzers knip-
peren gedurende enkele seconden.








Starten van de motor



)
Steek de sleutel in het contactslot.
Het systeem herkent de code van
de startblokkering.

)
Draai de sleutel rechtsom in de
stand 3 (Starten)
.

)
Laat zodra de motor draait de sleu-
tel los.



Afzetten van de motor



)
Zet de auto stil.

)
Draai de sleutel linksom in de stand
1 (Stop)
.

)
Verwijder de sleutel uit het contact-
slot.







Sleutel vergeten in de stand
"Contact"
Als de sleutel onbedoeld in het
contact blijft steken, zal het con-
tact na een uur automatisch wor-
den afgezet.
Draai de sleutel in de stand 1 (Stop)

en vervolgens opnieuw in de stand
2 (Contact)
om het contact weer
aan te zetten.

Page 75 of 292

4
73
TOEGANG TOT DE AUTO











Storing afstandsbediening

Na het losnemen en weer aansluiten
van de accukabels, het vervangen van
de batterij van de afstandsbediening
of een storing in de afstandsbediening
kan de auto niet meer met de afstands-
bediening ontgrendeld, vergrendeld en
gelokaliseerd worden.


)
Ontgrendel of vergrendel de auto
eerst met de sleutel in het slot.

)
Synchroniseer vervolgens de af-
standsbediening.
Raadpleeg zo snel mogelijk het
PEUGEOT-netwerk als de storing niet
is verholpen.
Batterij vervangen
Batterij ref.: CR1620 / 3 V.

Synchroniseren


)
Zet het contact af.

)
Zet de sleutel in de stand 2
(Contact)
.

)
Druk zo snel mogelijk gedurende
enkele seconden op de vergrendel-
knop (gesloten hangslot) van de af-
standsbediening.

)
Zet het contact af en verwijder de
sleutel uit het contactslot.
De afstandsbediening werkt nu weer.

)
Wip het huis met een muntstuk bij
het oog los.

)
Verwijder de lege batterij.

)
Schuif de nieuwe batterij in de juiste
richting op zijn plaats.

)
Klik het huis vast.

)
Synchroniseer de afstandsbediening.

Als de batterij van de afstands-
bediening leeg is, wordt u
gewaarschuwd door dit verklik-
kerlampje, een geluidssignaal
en een melding op het multi-
functionele display.

Page 82 of 292

4
i
i!
!
!
80
TOEGANG TOT DE AUTO

Als de auto van buitenaf
is vergrendeld of als de
supervergrendeling is
ingeschakeld
Als de auto van buitenaf is vergren-
deld of de supervergrendeling is in-
geschakeld, knippert het rode lampje
en is de knop inactief.


)
Als de auto vergrendeld is, trek
dan aan de binnenportiergreep
om de auto te ontgrendelen.

)
Als de supervergrendeling is in-
geschakeld, moet u de afstands-
bediening of de sleutel gebruiken
om de auto te ontgrendelen.












Bediening centrale
vergrendeling van binnenuit
Deze functie biedt de mogelijkheid de
portieren en het kofferdeksel van bin-
nenuit handmatig en volledig te ver-
grendelen of te ontgrendelen.

Vergrendelen


)
Druk op deze knop om de auto te
vergrendelen.
Het rode lampje van de knop gaat bran-
den.
Als één van de portieren of het
kofferdeksel is geopend, werkt de
centrale vergrendeling van binnen-
uit niet.
Ontgrendelen


)
Druk nogmaals op deze knop om de
auto te ontgrendelen.
Het rode lampje van de knop gaat uit.


Sluiten

Bij het sluiten van het portier wordt de
ruit na enkele seconden automatisch
weer gesloten en afgesteld voor een
optimale afdichting.


- bij draaiende motor
, gaat dit
lampje branden in combinatie
met een melding die enkele
seconden op het multifuncti-
onele display verschijnt,

- tijdens het rijden
(snelheid ho-
ger dan 10 km/h), gaat dit lampje
branden in combinatie met een ge-
luidssignaal en een melding die ge-
durende enkele seconden op het
multifunctionele display verschijnt.
Bij het wassen van de auto:


- vergrendel vooraf de auto met
de afstandsbediening of de
sleutel,

- richt de sproeier van de hoge-
drukreiniger niet op het boven-
ste gedeelte van de ruiten,

- houd de sproeier van de hoge-
drukreiniger op een afstand van
minimaal 1 meter van de ruiten
en de portierrubbers.
Als een portier niet goed is gesloten: Let op dat er niets klem komt te zit-
ten als de ruit automatisch sluit bij
het sluiten van het portier.
Het dashboardkastje en het op-
bergvak in de middenarmsteun
vóór worden niet vergrendeld en
blijven dus toegankelijk.

Page 83 of 292

4
!
81
TOEGANG TOT DE AUTO

Inschakelen


)
Druk langer dan 2 seconden op
deze knop.
Op het multifunctionele display ver-
schijnt een melding ter bevestiging.

Uitschakelen


)
Druk nogmaals langer dan 2 secon-
den op deze knop.
Op het multifunctionele display ver-
schijnt een melding ter bevestiging.








Noodvergrendeling

Om de portieren mechanisch te ver-
grendelen en ontgrendelen in het geval
van een storing in de centrale vergren-
deling of van de accu.


)
Verwijder de zwarte dop aan de zijkant
van het portier, met behulp van de sleu-
tel.

)
Steek de sleutel zonder te forceren
in de uitholling en schuif de klink,
zonder te draaien, naar de binnen-
zijde van het portier.

)
Verwijder de sleutel en plaats de dop.



Vergrendelen van het bestuurdersportier



)
Steek de sleutel in het slot en draai
deze rechtsom.


Ontgrendelen van het
bestuurdersportier


)
Steek de sleutel in het slot en draai
deze linksom.



Vergrendelen van het passagiersportier


Ontgrendelen van het passagiersportier



)
Trek aan de portiergreep aan de
binnenzijde.

De automatische centrale vergren-
deling werkt niet als een van de
portieren is geopend.
Als de achterklep is geopend, is de
automatische centrale vergrende-
ling van de portieren actief.


Beveiligingssysteem

Deze functie zorgt ervoor dat de portie-
ren en de achterklep tijdens het rijden
automatisch en volledig worden ver-
grendeld.
U kunt de functie desgewenst inschake-
len of uitschakelen.

Ontgrendelen


)
Druk als sneller wordt gereden dan
10 km/h op deze knop om de portie-
ren en de achterklep tijdelijk te ont-
grendelen.

Vergrendelen
Zodra sneller wordt gereden dan 10 km/h,
worden de portieren en de achterklep
automatisch vergrendeld.

Page 84 of 292

4
ii
82
TOEGANG TOT DE AUTO

Ontgrendelen en op een kier
zetten van het kofferdeksel











KOFFERDEK
SEL
Antidiefstalbeveiliging van de
bagageruimte
De bagageruimte is zo ontworpen dat, als
de auto vooraf is vergrendeld, deze opti-
maal tegen diefstal is beveiligd, ook als het
dak is weggeklapt.
Daarom kan als de auto is vergrendeld en
het dak is weggeklapt het kofferdeksel niet
worden ontgrendeld:


- door de portiergreep in het interieur te
bedienen,

- door op de schakelaar A
van de centrale
vergrendeling te drukken zonder dat de
sleutel zich in het contactslot bevindt.



Openen



)
Ontgrendel het kofferdeksel of de
auto met de afstandsbediening of
de sleutel, druk op de knop en til het
kofferdeksel omhoog.
Als het selectief ontgrendelen is
geactiveerd, kan de achterklep
worden geopend nadat de ontgren-
delknop op de afstandsbediening
voor de tweede keer is ingedrukt.

)
Druk gedurende meer dan
twee seconden op deze
knop om het kofferdeksel te
ontgrendelen. Het kofferdek-
sel wordt op een kier gezet.
Bij deze handeling worden ook de por-
tieren ontgrendeld.
In het geval van een lege accu
is het kofferdeksel vergrendeld.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats.


Sluiten



)
Trek het kofferdeksel omlaag aan
de handgreep aan de binnenzijde.

)
Duw op het kofferdeksel om het vol-
ledig te sluiten.
Als het kofferdeksel niet goed is gesloten:


- bij draaiende motor
gaat
het verklikkerlampje bran-
den in combinatie met een
melding op het display ge-
durende enkele seconden,

- tijdens het rijden
(snelheid hoger
dan 10 km/h) gaat het verklikker-
lampje branden in combinatie met
een geluidssignaal en een melding
op het display gedurende enkele se-
conden.

Page 89 of 292

5
87
ZICHT





Handbediende follow me home-
verlichting
Deze functie zorgt ervoor dat na het af-
zetten van het contact de dimlichten nog
even blijven branden om het uitstappen
in het donker te vergemakkelijken.

Inschakelen


)
Geef bij afgezet contact een "licht-
signaal" met de lichtschakelaar.

)
Geef nogmaals een "lichtsignaal"
om de functie uit te schakelen.


Uitschakelen
Na het vergrendelen van de auto wordt
de handbediende follow me home-ver-
lichting na een bepaalde tijd automa-
tisch uitgeschakeld.







Verlichting overdag

Verlichting overdag is verplicht in som-
mige landen en wordt automatisch in-
geschakeld als de motor wordt gestart
zodat de auto overdag beter zichtbaar
is voor de overige weggebruikers.

De verlichting overdag is beschikbaar:


- in landen waar dit volgens de wet-
geving verplicht is;
het dimlicht brandt in combinatie
met de parkeerlichten en de ken-
tekenplaatverlichting; deze functie
kan niet worden uitgeschakeld.

- in overige landen;
er branden speciale lichtunits
(LED's); deze functie kan via het
confi guratiemenu van de auto wor-
den in- of uitgeschakeld.
De lichtschakelaar moet in de stand "0"

of "AUTO"
(dagstand) staan.
De verlichting overdag wordt pas daad-
werkelijk uitgeschakeld als de lichtscha-
kelaar wordt bediend of als de motor de
volgende keer wordt gestart. De ver-
lichting overdag wordt wel onmiddellijk
ingeschakeld.

De verlichting van de cockpit (instru-
mentenpaneel, multifunctioneel display,
bedieningspaneel airconditioning, ...)
gaat niet branden, behalve wanneer
deze bij donker automatisch wordt in-
geschakeld of wanneer de koplampver-
lichting wordt ingeschakeld (handmatig
of automatisch).









LED-verlichting

Als uw auto is uitgerust met LED's wer-
ken de conventionele gloeilampen van
de verlichting overdag/ parkeerlichten
vóór niet. Deze wordt automatisch ingeschakeld
als de motor wordt gestart.
Afhankelijk van het land van bestem-
ming doet deze verlichting dienst als:


- verlichting overdag * en als par-
keerlicht 's nachts (bij de verlichting
overdag is de lichtsterkte groter),
of als


- parkeerlichten overdag en 's nachts.

*
functie kan worden ingesteld via het
confi guratiemenu van de auto.

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 61-70 71-80 ... 110 next >