display Peugeot 308 CC 2011 Handleiding (in Dutch)

Page 90 of 292

5
!
AUTO
88
ZICHT









Automatische verlichting

Het parkeerlicht en het dimlicht worden
automatisch ingeschakeld als de licht-
sterkte van de omgeving onvoldoende
is of in bepaalde gevallen dat de ruiten-
wissers worden ingeschakeld.
De verlichting wordt uitgeschakeld als
de lichtsterkte van de omgeving weer
voldoende is of nadat het wissen is ge-
stopt.

Inschakelen


)
Draai de ring in de stand "AUTO"
.
Het inschakelen wordt bevestigd
door een melding op het display.


Uitschakelen


)
Draai de ring in een andere stand.
Het uitschakelen wordt bevestigd
door een melding op het display.
Als de lichtsensor bij mist of sneeuw
voldoende licht waarneemt, wordt
de verlichting niet automatisch in-
geschakeld.
Dek de met de regensensor ge-
combineerde lichtsensor die zich
in het midden van de voorruit ach-
ter de binnenspiegel bevindt, niet
af. De aan de sensor gekoppelde
functies worden dan niet meer be-
diend.

Koppeling met de automatische
follow me home-verlichting
De koppeling van de automatische fol-
low me home-verlichting aan de auto-
matische verlichting biedt de volgende
extra mogelijkheden:


- instellen van de duur van de fol-
low me home-verlichting (15, 30 of
60 seconden) via de instelfuncties in
het confi guratiemenu van de auto,

- automatische inschakeling van de
follow me home-verlichting als de
automatische verlichting is inge-
schakeld.


Storing
Bij een storing in de lichtsen-
sor gaat de verlichting branden,
wordt dit pictogram weergege-
ven op het instrumentenpaneel
en/of verschijnt een melding op het dis-
play, in combinatie met een geluidssig-
naal.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats.

Page 92 of 292

5
!
i
90
ZICHT






AUTOMATISCHE VERSTELLINGVAN DE KOPLAMPEN MET XENONVERLICHTING

Raak de xenonlampen niet aan.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats. Om verblinding van andere weggebrui-
kers te voorkomen corrigeert dit sy-
steem bij stilstaande auto automatisch
de hoogte van de lichtbundel van de
xenonlampen, afhankelijk van de bela-
ding van de auto.
In het geval van een storing
verschijnt dit pictogram op het
instrumentenpaneel, in combi-
natie met een geluidssignaal en
een melding op het display.
Het systeem zet in dat geval de koplam-
pen in de lage stand.
BOCHTVERLICHTING
Als het dimlicht of grootlicht is inge-
schakeld, zorgt deze functie ervoor dat
de lichtbundels de wegberm beter ver-
lichten in bochten.
Deze functie, die uitsluitend in combinatie
met xenonlampen wordt geleverd, wordt
ingeschakeld bij een snelheid vanaf onge-
veer 20 km/h en zorgt voor een aanzien-
lijke verbetering van het zicht in bochten.

met bochtverlichting


zonder bochtverlichting



Configuratie

Storing

Deze functie kan worden
geactiveerd of gedeacti-
veerd via het confi guratie-
menu van de auto.
In het geval van een storing
knippert dit pictogram op het
display in combinatie met een
melding op het display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats.
Als de auto stilstaat, stapvoets rijdt
of in de achteruitversnelling staat,
is deze functie uitgeschakeld.
De status van de functie blijft na
het afzetten van het contact in het
geheugen opgeslagen.

Page 94 of 292

5
!
i
92
ZICHT







Ruitensproeiers vóór en
koplampsproeiers


)
Trek de ruitenwisserschakelaar naar
u toe. De ruitensproeiers treden in
werking, waarna enige tijd de ruiten-
wissers worden ingeschakeld om de
ruit schoon te wissen.
De koplampsproeiers worden alleen ge-
activeerd als de dimlichten branden
.








Te laag niveau ruiten-/
koplampsproeiervloeistof
Als uw auto is voorzien van
koplampsproeiers en het ni-
veau van het reservoir te laag
is, verschijnt dit pictogram en/of
het pictogram service op het
instrumentenpaneel in combinatie met
een geluidssignaal en een melding op
het multifunctionele display.
Vul het ruiten-/koplampsproeierreser-
voir bij of laat het bijvullen.
Het pictogram verschijnt als het contact
wordt aangezet of als de schakelaar
wordt bediend, zolang het reservoir niet
gevuld is.











Automatische ruitenwissers
vóór
De ruitenwissers worden automatisch
ingeschakeld als de sensor achter de
binnenspiegel regen detecteert. De
snelheid van de ruitenwissers wordt
aangepast aan de hoeveelheid neer-
slag.

Inschakelen
Dit gebeurt handmatig door de hendel
omlaag te duwen in de stand "AUTO"
.
Dit wordt bevestigd door een melding
op het display.
Dek de regensensor, die zich ge-
combineerd met de lichtsensor in
het midden van de voorruit achter
de binnenspiegel bevindt, niet af.
Schakel de automatische werking
van de ruitenwissers uit als de auto
wordt gewassen in een wasstraat.
Wacht 's winters met het inschake-
len van de automatische ruitenwis-
sers tot de voorruit ontdooid is om
de wisserbladen niet te beschadi-
gen.
Als het contact meer dan 1 minuut
afgezet is geweest, moet de auto-
matische werking van de ruitenwis-
sers opnieuw worden geactiveerd
door de hendel kort omlaag te du-
wen.

Uitschakelen
Beweeg de hendel omhoog en vervol-
gens in de stand "0"
om de ruitenwis-
sers handmatig te bedienen.
Dit wordt bevestigd door een melding
op het display.
Storing
In het geval van een storing in de auto-
matische werking van de ruitenwissers
werken deze in de intervalstand.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.

Page 105 of 292

7
!
i
i
i
103
VEILIGHEID
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING
Dit systeem zorgt voor een automati-
sche en permanente controle van de
bandenspanning tijdens het rijden. Alle reparaties aan een wiel dat
met dit systeem is uitgerust en
het vervangen van een band moe-
ten worden uitgevoerd door het
PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalifi ceerde werkplaats.
Wanneer bij het verwisselen een
wiel is gemonteerd dat niet door
uw auto wordt gedetecteerd (voor-
beeld: montage van winterban-
den), dient het systeem door het
PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalifi ceerde werkplaats op-
nieuw geïnitialiseerd te worden.
Ondanks dit systeem moet de ban-
denspanning (zie de paragraaf
"Identifi catie") nog regelmatig wor-
den gecontroleerd. De banden-
spanning heeft een belangrijke
invloed op het weggedrag van de
auto en de slijtage van de banden,
vooral onder zware rijomstandig-
heden (zware lading, hoge rijsnel-
heden).
De bandenspanning dient minimaal
één keer per maand gecontroleerd
te worden, bij koude banden. Denk
eraan ook de bandenspanning van
het reservewiel te controleren.
Het bandenspanningscontrolesy-
steem kan tijdelijk worden verstoord
door radiogolven in hetzelfde fre-
quentiegebied.
Elk ventiel is voorzien van een sensor,
die een waarschuwingssignaal uitzendt
als de bandenspanning te laag is (snel-
heid hoger dan 20 km/h).

Dit pictogram verschijnt op het
instrumentenpaneel en/of er
verschijnt een melding op het
display, in combinatie met een
geluidssignaal, om aan te ge-
ven welke band(en) het betreft.


)
Controleer zo snel mogelijk de ban-
denspanning.
Dit dient te worden uitgevoerd bij koude
banden.
Te lage bandenspanning
Het verklikkerlampje STOP

en/of dit verklikkerlampje gaat/
gaan branden op het instrumen-
tenpaneel in combinatie met
een geluidssignaal en een mel-
ding op het display die aangeeft
welke band(en) het betreft.


)
Stop onmiddellijk, maar vermijd ab-
rupte manoeuvres met het stuur en
de remmen.

)
Repareer of vervang de beschadig-
de band (lekke band of veel te lage
bandenspanning) en laat de ban-
denspanning zo snel mogelijk con-
troleren.

Lekke band

Het bandenspanningscontrolesysteem is
niet meer dan een hulpmiddel, hetgeen
inhoudt dat de waakzaamheid en verant-
woordelijkheid van de bestuurder niet door
het systeem kunnen worden vervangen.


Sensor(en) niet gedetecteerd of
defect
Dit pictogram verschijnt op het
instrumentenpaneel en/of er ver-
schijnt een melding op het display,
in combinatie met een geluidssig-
naal, om aan te geven van welk(e)
wiel(en) de bandenspanning niet meer ge-
controleerd wordt of om aan te geven dat
er een storing in het systeem zit.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalifi ceerde werkplaats om de
defecte sensor(en) te vervangen.
Deze melding wordt ook weergege-
ven als één van de wielen niet op
de auto aanwezig is (bij reparatie)
of als er één of meerdere wielen
zonder sensor op de auto worden
gemonteerd.
Als uw auto is uitgerust met een
reservewiel, is deze niet voorzien
van een sensor.

Page 106 of 292

7
!
i
!
104
VEILIGHEID
HULPSYSTEMEN BIJ HET REMMEN
Uw auto is voorzien van drie systemen
die u helpen om de auto in een noodsi-
tuatie veilig tot stilstand te brengen:


- het antiblokkeersysteem (ABS),

- de elektronische remdrukregelaar
(EBD),

- Brake Assist System (BAS).


Antiblokkeersysteem (ABS)
en Electronic Brake Force
Distribution (EBD)
Deze systemen zorgen tijdens het rem-
men voor een betere stabiliteit en be-
stuurbaarheid van uw auto, vooral op
een slecht of glad wegdek.

Trap het rempedaal bij een nood-
stop krachtig en volledig in en laat
het niet los.
Zorg er bij vervanging van de wie-
len (banden en velgen) voor dat er
wielen worden gemonteerd die aan
de voorschriften van de construc-
teur voldoen.

Storing
Als dit waarschuwingslampje
gaat branden in combinatie
met een geluidssignaal en een
melding op het multifunctionele
display, duidt dit op een storing in het
antiblokkeersysteem. Door deze storing
zou u tijdens het remmen de controle
over uw auto kunnen verliezen.
Als dit waarschuwingslampje
gaat branden in combinatie
met de controlelampjes STOP

en ABS
, een geluidssignaal
en een melding op het multifunctionele
display, duidt dit op een storing in de
elektronische remdrukregelaar. Door
deze storing zou u tijdens het remmen
de controle over uw auto kunnen ver-
liezen.









Brake Assist System (BAS)

Dit systeem zorgt ervoor dat in nood-
gevallen de optimale remdruk sneller
wordt bereikt, zodat de remafstand klei-
ner wordt.

Inschakelen
Het antiblokkeersysteem treedt auto-
matisch in werking zodra een van de
wielen dreigt te blokkeren.
Als het antiblokkeersysteem ingrijpt,
is dat merkbaar aan het trillen van het
rempedaal; dit is de normale werking.
Inschakelen
Het systeem wordt ingeschakeld als het
rempedaal sneller wordt ingetrapt dan
een bepaalde grenswaarde.
Het systeem zorgt er dan voor dat de
benodigde bedieningskracht minder
wordt en dat de effectiviteit van het rem-
men wordt vergroot.
Trap het rempedaal bij een nood-
stop zeer krachtig in en laat het pe-
daal niet los.


Stop op een veilige plaats.

Raadpleeg in beide gevallen het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi -
ceerde werkplaats.

Page 107 of 292

7
!
105
VEILIGHEID
De systemen ASR en ESP zor-
gen voor meer veiligheid tijdens
het rijden. De bestuurder mag zich
echter nooit laten verleiden tot het
nemen van meer risico's of het te
hard rijden.
De goede werking van de syste-
men wordt verzekerd door het na-
leven van de voorschriften van de
fabrikant voor wat betreft:


- de wielen (banden en velgen),

- de componenten van het rem-
systeem,

- de elektronische componenten,

- de montage- en onderhouds-
procedures.
Laat de systemen na een aanrij-
ding door het PEUGEOT-netwerk
of door een gekwalifi ceerde werk-
plaats controleren.


Uitschakelen
In bijzondere omstandigheden (als de
auto vastzit in de modder, sneeuw, in
mulle grond,...) kan het nuttig zijn de
systemen ASR en ESP uit te schake-
len, zodat de wielen kunnen spinnen en
weer grip kunnen krijgen.


)
Druk op de knop "ESP OFF"
, die
zich in het midden van het dash-
board bevindt.
Als dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel en het
verklikkerlampje van de knop
branden, zijn de systemen ASR
en ESP uitgeschakeld.
Bij auto's met een 1.6 THP 200-ben-
zinemotor wordt hiermee tevens het
automatisch inschakelen van de alarm-
knipperlichten uitgeschakeld.

Opnieuw inschakelen:
Deze systemen worden automatisch weer
ingeschakeld als het contact opnieuw
wordt aangezet of vanaf 50 km/h (uitge-
zonderd 1.6 THP 200-benzinemotor).


)
Druk nogmaals op de knop "ESP
OFF"
om de systemen handmatig
weer in te schakelen.
Storing
Als dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding
op het display, duidt dit op een
storing in deze systemen.
Laat de systemen controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.
STABILITEITSCONTROLESYSTEMEN


Inschakelen
De systemen worden automatisch inge-
schakeld zodra de motor wordt gestart.

Antislipregeling
(ASR) en elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP)
De systemen worden geactiveerd zodra
de wielen te weinig grip hebben of de
koers van de auto afwijkt van de door
de bestuurder gewenste richting.
In dat geval gaat dit controle-
lampje op het instrumentenpa-
neel knipperen.

De antislipregeling verbetert de tractie
van de wielen om doorslippen te voor-
komen, door in te grijpen op de remmen
van de aangedreven wielen en op het
motorkoppel.
Het elektronisch stabiliteitsprogramma
grijpt in via de remmen van één of meer
wielen en via het motorkoppel om de
auto (binnen de grenzen van de na-
tuurkundige wetmatigheden) weer in de
juiste koers te brengen. Bij auto's met een 1.6 THP 200-ben-
zinemotor wordt hiermee tevens het
automatisch inschakelen van de alarm-
knipperlichten weer ingeschakeld.

Page 109 of 292

7
107
VEILIGHEID
VEILIGHEIDSGORDELS

Veiligheidsgordels vóór


Verklikkerlampje veiligheidsgordel
losgemaakt/niet vastgemaakt






Omdoen


)
Trek aan de gordel en steek de gesp
in de gordelsluiting.

)
Controleer of de gordel goed is vast-
gemaakt door even aan de riem te
trekken.

Als het contact wordt aangezet,
gaat dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel of op het
pictogrammendisplay voor de
veiligheidsgordels en de airbag
aan passagierszijde branden om aan te
geven dat de bestuurder en/of voorpas-
sagier zijn gordel nog niet heeft vastge-
maakt.
Losmaken


)
Druk op de rode knop van de gor-
delsluiting.

)
Houd de gordel vast terwijl deze
zich oprolt.




1.
Pictogram veiligheidsgordels voor en/of
achter losgemaakt/niet vastgemaakt.

2.
Pictogram veiligheidsgordel links voor.

3.
Pictogram veiligheidsgordel rechts voor.

4.

Pictogram veiligheidsgordel rechts achter.


5.
Pictogram veiligheidsgordel links achter.


Pictogrammendisplay
veiligheidsgordel losgemaakt/niet
vastgemaakt
Op het pictogrammendisplay van de
veiligheidsgordels en de airbag aan
passagierszijde gaat het verklikker-
lampje 2
of 3
rood branden als de veilig-
heidsgordel niet is vastgemaakt of weer
is losgemaakt.
Als de wagensnelheid hoger is dan 20
km/h, knippert het verklikkerlampje ge-
durende 2 minuten in combinatie met
een steeds sterker wordend geluids-
signaal. Na deze 2 minuten blijft het
verklikkerlampje branden zolang de be-
stuurder en/of voorpassagier zijn veilig-
heidsgordel niet heeft vastgemaakt.
De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien
van een pyrotechnische gordelspanner
en een spankrachtbegrenzer.
Deze systemen zorgen voor extra
bescherming van de bestuurder en
passagier bij frontale en zijdelingse aan-
rijdingen. Bij een krachtige aanrijding
zorgen de pyrotechnische gordelspan-
ners ervoor dat de veiligheidsgordels
stevig tegen de lichamen van de inzit-
tenden worden getrokken.
De pyrotechnische gordelspanners zijn
actief zodra het contact wordt aange-
zet.
De spankrachtbegrenzer beperkt de
kracht waarmee de gordel tegen het
lichaam van de inzittenden getrokken
wordt en bevordert daarmee de veilig-
heid.

Page 110 of 292

7
i
108
VEILIGHEID

Veiligheidsgordels achter

De zitplaatsen achter zijn voorzien van
een driepunts veiligheidsgordel met op-
rolautomaat en gordelkrachtbegrenzer.

Verklikkerlampje veiligheidsgordel

Als een achterpassagier zijn gordel
losmaakt, gaat dit verklikkerlampje
branden op het instrumentenpa-
neel of verschijnt dit pictogram op
het pictogrammendisplay veiligheidsgor-
dels/airbag aan passagierszijde.
Als de wagensnelheid hoger is dan on-
geveer 20 km/h, knippert het verklik-
kerlampje gedurende twee minuten in
combinatie met een steeds sterker wor-
dend geluidssignaal. Na deze 2 minuten
blijft het verklikkerlampje branden zolang
de achterpassagiers hun gordels niet heb-
ben vastgemaakt.


Omdoen


)
Haal de veiligheidsgordel, alvorens
deze om te doen, uit de lus A
.

)
Trek aan de gordel en steek de gesp
in de gordelsluiting.

)
Controleer of de gordel goed is vast-
gemaakt door even aan de riem te
trekken.


Losmaken


)
Druk op de rode knop van de gor-
delsluiting.

)
Houd de gordel vast terwijl deze
zich oprolt.

Als er zich in de stand "cabriolet" geen
passagiers op de zitplaatsen achter
bevinden, haal dan de veiligheidsgor-
dels achter door de lussen A
, zodat
de veiligheidsgordels niet heen en
weer kunnen bewegen (uitsluitend bij
uitvoeringen met lederen bekleding).


Pictogrammendisplay
veiligheidsgordels losgemaakt
Als het contact wordt aangezet, met
draaiende motor of als de wagensnel-
heid lager is dan ongeveer 20 km/h,
worden de pictogrammen 4
en 5
onge-
veer 30 seconden rood weergegeven
als de desbetreffende gordel niet is
vastgemaakt.
Als bij een wagensnelheid hoger dan
ongeveer 20 km/h het pictogram 4
of 5

rood wordt weergegeven in combinatie
met een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display, is de
gordel van de desbetreffende achter-
passagier losgemaakt.

Page 113 of 292

7
!
!
111
VEILIGHEID
Plaats geen kinderzitje op de voor-
stoel als minimaal één van beide
verklikkerlampjes van de airbags
permanent blijft branden.
Laat het systeem nakijken door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.

Storing
Als dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat bran-
den in combinatie met een ge-
luidssignaal en een melding op
het display, laat het systeem dan con-
troleren door het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats. De
kans bestaat dat de airbags bij een
ernstige aanrijding niet worden geacti-
veerd.

Opnieuw inschakelen
Als u het kinderzitje hebt verwijderd, zet
dan de schakelaar weer op "ON"
om de
airbag opnieuw in te schakelen en zo
de veiligheid van uw passagier te ga-
randeren.
Als het contact is aangezet en
de airbag aan passagierszijde
opnieuw wordt ingeschakeld,
gaat dit verklikkerlampje op het
display van de verklikkerlampjes van
de veiligheidsgordels en de airbag aan
passagierszijde gedurende ongeveer
1 minuut branden. Schakel voor de veiligheid van uw
kind de airbag aan passagierszijde
altijd uit als u een kinderzitje met
de rug in de rijrichting op de voor-
stoel plaatst.
Anders kan een kind bij het afgaan
van de airbag levensgevaarlijk ge-
wond raken.
Afhankelijk van de uitvoering
van uw auto brandt dit verklik-
kerlampje op het instrumenten-
paneel en/of op het display voor
de verklikkerlampjes van de veiligheids-
gordels en de airbag aan passagierszij-
de, bij aangezet contact en zolang de
airbag is uitgeschakeld. Als dit verklikkerlampje knippert,
raadpleeg dan het PEUGEOT-
netwerk of eengekwalifi ceerde
werkplaats. De kans bestaat
dat de airbag aan passagiers-
zijde bij een ernstige aanrijding niet
wordt geactiveerd.
Uitschakelen
Alleen de airbag aan passagierszijde
kan worden uitgeschakeld:


)
zet het contact af
, steek de sleutel
in de schakelaar voor uitschakelen
van de airbag aan passagierszijde,

)
draai deze in de stand "OFF"
,

)
verwijder de sleutel zonder de stand
van de schakelaar te veranderen.

Page 114 of 292

7
i
11 2
VEILIGHEID






Zij-airbags

De zij-airbags beschermen de bestuur-
der en de passagier bij een ernstige
zijdelingse aanrijding, om de kans op
letsel aan bekken, borstkas en hoofd te
verkleinen.
De zij-airbags zijn aan de portierzijde
aangebracht:


- één in de rugleuningen van de voor-
stoelen (om borstkas en bekken te
beschermen),

- en één in de hoofdsteunen vóór (om
het hoofd te beschermen).

Activering
De zij-airbags worden aan de desbe-
treffende zijde opgeblazen bij een ern-
stige zijdelingse aanrijding binnen (een
gedeelte van) de impactzone opzij ( B
),
loodrecht op de lengteas van de auto
en vanaf de buitenzijde richting de bin-
nenzijde van de auto.
De zij-airbags worden opgeblazen tus-
sen de inzittende vóór en het desbetref-
fende portierpaneel.
In het geval van een storing

Registratiezones voor een
aanrijding


A.
Impactzone vóór.

B.
Impactzone opzij. Als dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display,
raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats om
het systeem te laten controleren. De
kans bestaat dat de airbags bij een
ernstige aanrijding niet worden geacti-
veerd.
Bij een lichte zijdelingse aanrijding
of bij over de kop slaan, kan het
zijn dat de airbags niet worden ge-
activeerd.
Bij een aanrijding van achteren of
een frontale aanrijding wordt de
airbag niet geactiveerd.

Page:   < prev 1-10 ... 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 61-70 71-80 81-90 ... 110 next >