display Peugeot 308 CC 2011 Handleiding (in Dutch)

Page 124 of 292

8
!
i
!
122
RIJDEN
Draai bij het parkeren van de auto
op een helling de wielen vast tegen
het trottoir, trek de parkeerrem aan
en schakel een versnelling in.
PARKEERREM


Aantrekken


)
Trek de hefboom van de parkeer-
rem volledig aan om uw auto stil te
zetten.

Als tijdens het rijden dit ver-
klikkerlampje en het verklik-
kerlampje STOP
branden in
combinatie met een geluids-
signaal en een melding op het multi-
functionele display, geeft dit aan dat de
parkeerrem nog (iets) is aangetrokken.
Vrijzetten


)
Trek de hefboom van de parkeerrem
licht omhoog, druk de ontgrendel-
knop in en duw de hefboom geheel
omlaag.







HANDGESCHAKELDE
6-VERSNELLINGSBAK
Voor uw veiligheid en om het star-
ten van de motor te vergemakke-
lijken:


- zet de versnellingshendel altijd
in de neutraalstand,

- trap het koppelingspedaal in.
Schakel de achteruitversnelling al-
leen in als de auto stilstaat en de
motor stationair draait.

Inschakelen van de
achteruitversnelling


)
Trek de ring onder de pookknop om-
hoog en beweeg de versnellingshen-
del eerst naar links en dan naar voren.


Inschakelen van de 5 e of de 6 e
versnelling


)
Beweeg de versnellingshendel zo
ver mogelijk naar rechts om de 5 e of
de 6 e versnelling in te schakelen.

Page 125 of 292

8
i
123
RIJDEN








OPSCHAKELINDICATOR *

Dit systeem adviseert de bestuurder op
te schakelen om het brandstofverbruik
te verminderen (auto's met handge-
schakelde versnellingsbak).

Werking

Het systeem geeft uitsluitend adviezen
als u rustig rijdt.
Afhankelijk van de rijomstandigheden
en de uitrusting van uw auto kan het
systeem u adviseren één of meer ver-
snellingen op te schakelen. U kunt deze
aanwijzingen opvolgen zonder de tus-
senliggende versnellingen in te hoeven
schakelen.
Het is niet verplicht om de aanbevolen
versnellingen ook daadwerkelijk in te
schakelen. De keuze van de optimale
versnelling hangt namelijk altijd af van
de situatie op de weg, de verkeers-
drukte en de veiligheid. De bestuurder
blijft derhalve altijd zelf verantwoordelijk
voor het al dan niet opvolgen van een
schakeladvies van het systeem.
De functie kan niet worden uitgescha-
keld.
De informatie wordt in de vorm van een
pijl op het display van het instrumen-
tenpaneel weergegeven, in combinatie
met het nummer van de aanbevolen
versnelling.

In rijsituaties waarin veel van de mo-
tor wordt gevraagd (diep intrappen
van het gaspedaal, bijvoorbeeld tij-
dens een inhaalmanoeuvre...) zal
het systeem geen schakeladvies
geven.
Het systeem zal u nooit adviseren
om:


- de eerste versnelling in te scha-
kelen,

- de achteruitversnelling in te
schakelen,

- terug te schakelen.



*
Afhankelijk van de motoruitvoering.
Voorbeeld:


- U rijdt in de derde versnelling.

- U trapt het gaspedaal geleidelijk in.

- Het systeem kan u in dit geval advi-
seren een hogere versnelling in te
schakelen.

Page 128 of 292

8
!
!
i
i
RIJDEN

Wegrijden



)
Trek de handrem aan.

)
Selecteer de stand P
of N
.

)
Start de motor.
Als niet aan de bovenstaande voor-
waarden wordt voldaan, klinkt een ge-
luidssignaal en verschijnt een melding
op het display.


)
Trap bij draaiende motor het rempe-
daal in.

)
Zet de handrem vrij.

)
Selecteer de stand R
, D
of M
.

)
Laat het rempedaal geleidelijk los.
De auto begint te rijden.
Als tijdens het rijden per ongeluk
de stand N
wordt geselecteerd,
laat het motortoerental dan zakken
tot stationair toerental, zet de se-
lectiehendel in de stand D
en trap
het gaspedaal weer in.
Als de motor stationair draait, het
rempedaal is losgelaten en de
stand R
, D
of M
is geselecteerd, zet
de auto zich zelfs al in beweging als
het gaspedaal niet is ingetrapt.
Laat bij draaiende motor daarom
geen kinderen alleen in de auto
achter.
Trek de handrem aan en selecteer
de stand P
indien er onderhouds-
werkzaamheden moeten worden
uitgevoerd bij draaiende motor. Er wordt een melding weergege-
ven als u de selectiehendel vanuit
de stand P
in een andere stand
probeert te zetten zonder dat u het
rempedaal hebt ingetrapt.


Automatisch schakelprogramma



)
Selecteer de stand D
om automa-
tisch
te laten schakelen tussen de
zes versnellingen.
De transmissie werkt dan in de auto-
adaptieve stand, zonder dat u zelf hoeft
te schakelen. De transmissie kiest voort-
durend de meest geschikte versnelling,
afhankelijk van de rijstijl, het profi el van
de weg en de belading van de auto.
Op het instrumentenpaneel verschijnen
achtereenvolgens de aanduidingen D

en de automatisch ingeschakelde ver-
snellingen.
Voor een maximale acceleratie zon-
der de stand van de selectiehendel te
wijzigen, moet het gaspedaal volledig
worden ingetrapt (kickdown). De trans-
missie schakelt automatisch terug of
handhaaft de ingeschakelde versnelling
totdat de motor het maximumtoerental
bereikt.
Bij het remmen schakelt de transmissie
automatisch terug om sterker op de mo-
tor af te remmen.
Om de veiligheid te verbeteren schakelt
de transmissie niet naar een hogere
versnelling als u het gaspedaal plotse-
ling loslaat. Zet de selectiehendel nooit in de
stand N
als de auto rijdt.
Zet de selectiehendel nooit in de
stand P
of R
als de auto niet vol-
ledig stilstaat.

Programma's Sport en Sneeuw

Deze twee specifi eke programma's vul-
len de automatische werking aan onder
bijzondere rijomstandigheden.

Programma Sport "S"


)
Druk op de toets " S
" als de motor is
gestart.
Het schakelprogramma maakt dan au-
tomatisch een dynamische rijstijl moge-
lijk.
Op het instrumentenpaneel
verschijnt de aanduiding S
.

Programma Sneeuw " 7
"


)
Druk op de toets " 7
" als de motor is
gestart.
De transmissie past zich aan voor het
rijden op gladde wegen.
Het schakelprogramma zorgt ervoor dat
u gemakkelijker kunt rijden op een on-
dergrond met weinig grip.
Op het instrumentenpaneel
verschijnt de aanduiding 7
.

Page 129 of 292

8
PRND
!i
127
RIJDEN

Terugkeren naar het
automatische programma


)
Om terug te keren naar het automati-
sche programma kunt u het program-
ma Sport of Sneeuw op elk gewenst
moment uitschakelen door opnieuw op
de desbetreffende toets te drukken.



Handmatig schakelen



)
Selecteer de stand M
om sequenti-
eel
te schakelen tussen de zes ver-
snellingen.

)
Duw de selectiehendel naar het
symbool +
om één versnelling op te
schakelen.

)
Trek de selectiehendel naar het
symbool -
om één versnelling terug
te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnel-
ling kan alleen als de snelheid van de
auto en het toerental van de motor dit
toestaan, anders wordt er tijdelijk over-
gegaan op de automatische bediening.
Op het instrumentenpaneel ver-
schijnen achtereenvolgens de
aanduiding M
en de handmatig
ingeschakelde versnellingen.
Als het motortoerental te laag of te hoog is,
knippert de geselecteerde versnelling enkele
seconden en vervolgens wordt de werkelijk
ingeschakelde versnelling weergegeven.
Er kan elk moment van de stand D
(rijden in de
automatische stand) naar de stand M
(rijden in
de handbediende stand) worden geschakeld.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest
de automatische transmissie automatisch
de stand M1
.

De programma's Sport en Sneeuw kunnen
niet worden ingeschakeld in de handbe-
diende stand.

Onjuiste waarde bij handmatige
bediening
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is inge-
schakeld (de selectiehendel
bevindt zich tussen twee stan-
den in).



Parkeren van de auto

Voordat u de motor afzet, kunt u de se-
lectiehendel in de stand P
of N
zetten
om de neutraalstand te selecteren.
Trek in beide gevallen de handrem aan
om de auto stil te zetten.

Storing


In de volgende gevallen kan de
versnellingsbak beschadigd raken:


- bij het gelijktijdig intrappen van
het gaspedaal en het rempe-
daal,

- bij het geforceerd van stand P

naar een andere stand schake-
len als de accu ontladen is.
Plaats bij langdurig stilstaan met
draaiende motor (fi les) de selec-
tiehendel in de stand N
en trek de
parkeerrem aan om brandstof te
besparen.
Als de selectiehendel niet in de
stand P
staat, klinkt bij het ope-
nen van het bestuurdersportier of
na ongeveer 45 seconden een ge-
luidssignaal en verschijnt een mel-
ding op het display.


)
Zet de selectiehendel in de
stand P
; het geluidssignaal
stopt en de melding verdwijnt.
Als bij aangezet contact dit ver-
klikkerlampje gaat branden in
combinatie met een geluids-
signaal en een melding op het
multifunctionele display, duidt
dit op een storing in de transmissie.
In dit geval werkt de transmissie met
een noodprogramma en blijft de 3e ver-
snelling ingeschakeld. U kunt dan een
hevige schok waarnemen bij het se-
lecteren van R
vanuit de stand P
, of R

vanuit de stand N
. De transmissie raakt
hierdoor niet beschadigd.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhanke-
lijk van de geldende snelheidslimiet).
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.
Dit verklikkerlampje kan ook gaan bran-
den bij het openen van een portier.

Page 131 of 292

8
i
i
!
129
RIJDEN

Overgang naar de START-stand van
de motor
Het verklikkerlampje "ECO"

gaat uit en de motor wordt weer
gestart:


- bij een auto met een handgescha-
kelde versnellingsbak:
als het
koppelingspedaal volledig
wordt in-
getrapt.
Bijzonderheden: automatisch
inschakelen van de START-stand
Vanwege uw veiligheid of comfort wordt
de START-stand automatisch ingescha-
keld als:


- het bestuurderportier wordt ge-
opend,

- de veiligheidsgordel van de bestuur-
der wordt losgemaakt,

- de snelheid van de auto hoger is
dan 25 km/h (handgeschakelde ver-
snellingsbak),

- in bepaalde bijzondere omstan-
digheden (laadtoestand accu, mo-
tortemperatuur, rembekrachtiging,
buitentemperatuur enz.).
Het verklikkerlampje "ECO"

knippert enkele seconden en
gaat dan uit.

Dat onder deze omstandigheden de
motor wordt gestart, is volkomen
normaal.




Uitschakelen

Als u het systeem met de motor in
de STOP-stand uitschakelt, dan
wordt de motor direct weer ge-
start. U kunt deze functie op elk willekeurig
moment uitschakelen door de schake-
laar "ECO OFF"
in te drukken.
Het verklikkerlampje in de schakelaar
gaat branden en er verschijnt een mel-
ding op het display.

Inschakelen

Druk nogmaals op de schakelaar "ECO
OFF"
.
Het systeem is dan weer ingeschakeld;
het verklikkerlampje in de schakelaar
gaat uit en er verschijnt een melding op
het display.
Het systeem wordt automatisch
ingeschakeld zodra u het contact
opnieuw aanzet. Als u bij een auto met een hand-
geschakelde versnellingsbak in
de STOP-stand een versnelling
inschakelt maar daarbij het koppe-
lingspedaal niet helemaal intrapt,
verschijnt er een melding met het
verzoek het koppelingspedaal he-
lemaal in te trappen, omdat anders
de motor niet gestart kan worden.

Page 133 of 292

8
i
131
RIJDEN



SNELHEIDSBEGRENZER

De snelheidsbegrenzer voorkomt dat
de wagensnelheid de door de bestuur-
der ingestelde maximumsnelheid over-
schrijdt.
Als de ingestelde maximumsnelheid is
bereikt, heeft het dieper intrappen van
het gaspedaal geen effect.
Het inschakelen
van de snelheidsbe-
grenzer geschiedt handmatig: de inge-
stelde snelheid dient minimaal 30 km/h
te bedragen.
Het uitschakelen
van de snelheidsbe-
grenzer geschiedt eveneens handmatig
met de hendel.
Door het gaspedaal tot voorbij het zwa-
re punt in te trappen, kan de ingestelde
snelheid tijdelijk worden overschreden.
Als het gaspedaal vervolgens gelei-
delijk weer wordt losgelaten en de
wagensnelheid onder de ingestelde
maximumsnelheid komt, wordt de snel-
heidsbegrenzer weer geactiveerd.
De ingestelde maximumsnelheid blijft
na het afzetten van het contact opge-
slagen in het geheugen.
Bij het gebruik van de snelheidsbe-
grenzer moet de bestuurder te al-
len tijde de snelheidslimiet in acht
nemen, zijn aandacht op het ver-
keer blijven vestigen en zijn ver-
antwoordelijkheid nemen.

Stuurkolomschakelaars

De bediening van de snelheidsbegren-
zer is ondergebracht in de hendel A
.


1.
Knop voor het selecteren van de
snelheidsbegrenzer

2.
Toets voor het verlagen van de inge-
stelde snelheid

3.
Toets voor het verhogen van de in-
gestelde snelheid

4.
Toets voor het in-/uitschakelen van
de snelheidsbegrenzing



Weergave op het display

De informatie van de snelheidsbegren-
zer wordt weergegeven op het display
van het instrumentenpaneel.

5.
Snelheidsbegrenzing AAN/UIT

6.
Snelheidsbegrenzer geselecteerd

7.
Ingestelde snelheid

Page 134 of 292

8
!
132
RIJDEN

Programmeren



)
Draai de knop 1
in de stand
"LIMIT"
: de snelheidsbegrenzer
is geselecteerd, maar nog niet in-
geschakeld (OFF).
Er kan een snelheid worden ingesteld
zonder de begrenzer in te schakelen.


)
Stel de snelheid in door op de toets 2
of 3
te drukken
(bijv.: 90 km/h).
U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de
toetsen 2
en 3
:


- +/- 1 km = kort indrukken,

- +/- 5 km = lang indrukken,

- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.


)
Inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk op de
toets 4
.

)
Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals
op de toets 4
: het uitschakelen wordt bevestigd op het
display (OFF).

)
Weer inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nog-
maals op de toets 4
.



Overschrijden van de ingestelde snelheid

Als het gaspedaal geleidelijk wordt ingetrapt, wordt de snel-
heid niet verhoogd. Als het gaspedaal met kracht
wordt
ingetrapt, tot voorbij het zware punt
, wordt de begrenzer
tijdelijk uitgeschakeld en gaat de ingestelde snelheid op het
display knipperen.

Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch
als het gas wordt losgelaten.


Uitschakelen van de functie



)
Draai de knop 1
in de stand "0"
: de selectie van de snel-
heidsbegrenzer wordt ongedaan gemaakt. Op het dis-
play wordt weer de kilometerteller weergegeven.



Storing

In het geval van een storing in de snel-
heidsbegrenzer wordt de ingestelde
snelheid gewist en knipperen de streep-
jes op het display.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.
Bij een steile afdaling of bij het
krachtig intrappen van het gaspe-
daal kan de snelheidsbegrenzer
niet voorkomen dat de ingestelde
snelheid wordt overschreden.
Om te voorkomen dat de pedalen
blijven hangen:


- controleer of de mat goed op
zijn plaats ligt,

- gebruik nooit meer dan één mat
per plaats.

Page 135 of 292

8
i
133
RIJDEN



SNELHEIDSREGELAAR

Met behulp van de snelheidsregelaar
kan de bestuurder met een constante
ingestelde snelheid rijden zonder gas te
hoeven geven.
Het inschakelen
van de snelheidsrege-
laar geschiedt handmatig. Om de snel-
heidsregelaar te kunnen inschakelen,
moet de ingestelde snelheid minimaal
40 km/h bedragen en moet aan een van
de onderstaande voorwaarden worden
voldaan:


- bij auto's met handgeschakelde ver-
snellingsbak moet minimaal de vier-
de versnelling zijn ingeschakeld,

- bij auto's met automatische trans-
missie moet bij handmatig schake-
len minimaal de tweede versnelling
zijn ingeschakeld,

- de stand D
van de automatische
transmissie moet zijn geselecteerd.
Het uitschakelen
van de snelheids-
regelaar geschiedt handmatig met de
hendel, door het rem- of koppelingspe-
daal in te trappen of om veiligheidsre-
denen door activering van het ESP.
Door het gaspedaal in te trappen, kan
de ingestelde snelheid tijdelijk worden
overschreden.
Om weer terug te keren naar de inge-
stelde snelheid is het voldoende het
gaspedaal los te laten.
Na het afzetten van het contact worden
alle ingestelde snelheden gewist. De bediening van de snelheidsregelaar
is ondergebracht in de hendel A
.


1.
Knop voor het selecteren van de
snelheidsregelaar

2.
Toets voor het programmeren van
een snelheid en het verlagen van de
ingestelde snelheid

3.
Toets voor het programmeren van
een snelheid en het verhogen van
de ingestelde snelheid

4.
Toets voor het uitschakelen / hervat-
ten van de snelheidsregeling De informatie van de snelheidsregelaar
wordt weergegeven op het display van
het instrumentenpaneel.

5.
Snelheidsregelaar uitschakelen /
hervatten van de snelheidsregeling

6.
Snelheidsregelaar geselecteerd

7.
Ingestelde snelheid


Stuurkolomschakelaars
Weergave op het display

Bij het gebruik van de snelheidsre-
gelaar moet de bestuurder te allen
tijde de snelheidslimiet in acht ne-
men, zijn aandacht op het verkeer
blijven vestigen en zijn verantwoor-
delijkheid nemen.
Houd uw voeten altijd in de buurt
van de pedalen.

Page 136 of 292

8
!
134
RIJDEN
Let tijdens het gebruik van de snel-
heidsregelaar op wanneer u de
snelheid met de toetsen instelt; dit
kan een plotselinge verandering
van de wagensnelheid veroorza-
ken.
Gebruik de snelheidsregelaar niet
op gladde wegen of bij zeer druk
verkeer.
Bij een steile afdaling kan de snel-
heidsregelaar niet voorkomen dat
de ingestelde snelheid wordt over-
schreden.
Om te voorkomen dat de pedalen
blijven hangen:


- controleer of de mat goed op
zijn plaats ligt,

- gebruik nooit meer dan één mat
per plaats.



Programmeren



)
Draai de knop 1
in de stand
"CRUISE"
: de snelheidsregelaar
is geselecteerd, maar nog niet in-
geschakeld (OFF).

Overschrijden van de ingestelde snelheid

Als de ingestelde snelheid wordt overschreden, gaat de in-
gestelde snelheid op het display knipperen.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch
als de snelheid weer is gedaald tot de ingestelde snelheid.


Uitschakelen van de functie



)
Draai de knop 1
in de stand "0"
: de selectie van de snel-
heidsregelaar wordt ongedaan gemaakt. Op het display
wordt weer de kilometerteller weergegeven.



Storing

In het geval van een storing in de snel-
heidsregelaar wordt de ingestelde snel-
heid gewist en knipperen de streepjes
op het display.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwa-
lifi ceerde werkplaats.
)
Stel de snelheid in door de wagen-
snelheid op het gewenste niveau te
brengen en vervolgens op de toets
2
of 3
te drukken (bijv.: 110 km/h).


)
Uitschakelen van de snelheidsregelaar: druk op de
toets 4:
het uitschakelen wordt bevestigd op het display
(OFF).

)
Weer inschakelen van de snelheidsregelaar: druk nog-
maals op de toets 4
.

U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de
toetsen 2
en 3
:


- +/- 1 km = kort indrukken,

- +/- 5 km = lang indrukken,

- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.

Page 137 of 292

8
!
135
RIJDEN




PARKEERHULP

Deze functie signaleert met behulp van
sensoren in de bumper obstakels in de
nabijheid van de auto (personen, au-
to's, bomen, slagbomen, enz.) die bin-
nen het detectiebereik vallen.
Bepaalde obstakels (paaltjes, pionnen,
enz.) die aanvankelijk wel worden ge-
detecteerd, worden door dode hoeken
in het detectiebereik mogelijk niet meer
gedetecteerd als ze zich vlak bij de auto
bevinden.

Deze functie is een hulpsysteem:
de bestuurder dient altijd alert te
blijven en is zelf verantwoordelijk.



Parkeerhulp achter


Geluidssignalen
De bestuurder wordt via een onderbro-
ken geluidssignaal gewaarschuwd bij
het naderen van obstakels. De frequen-
tie van het geluidssignaal neemt toe
naarmate de auto het obstakel nadert.
Aan de weergave van het geluidssig-
naal via de luidspreker (rechts of links)
is te herkennen aan welke zijde van de
auto het obstakel zich bevindt.
Zodra de afstand tussen de auto en het
obstakel kleiner wordt dan dertig cen-
timeter, klinkt het geluidssignaal onon-
derbroken.
De functie wordt geactiveerd zodra de
achteruitversnelling wordt ingescha-
keld. Hierbij klinkt een geluidssignaal.
Zodra de achteruitversnelling wordt uit-
geschakeld, is de functie niet meer ac-
tief.
De grafi sche weergave is een aanvul-
ling op het geluidssignaal. Op het mul-
tifunctionele display worden blokjes
weergegeven die het pictogram van
de auto steeds dichter naderen. Als de
auto het obstakel zeer dicht genaderd
is, verschijnt ook het symbool "Gevaar"
op het display.


Grafi sche weergave

Page:   < prev 1-10 ... 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 61-70 71-80 81-90 91-100 ... 110 next >