display Peugeot 407 2010 Handleiding (in Dutch)
Page 68 of 247
4TOEGANG TOT DE AUTO
BATTERIJ VERVANGEN
Batterij: CR 1620 / 3 V .
Wip om de batterij te vervangen het
huis met een muntstuk bij het oog los
om bij de batterij te komen.
SYNCHRONISEREN
Zet het contact uit.
Zet het contact weer aan.
Druk direct gedurende enkele se-
conden op de vergrendelingsknop
van de afstandsbediening.
Zet het contact uit en verwijder de
sleutel uit het contactslot. De af-
standsbediening werkt nu weer.
Als de afstandsbediening na het ver-
vangen van de batterij niet werkt,
moet deze opnieuw gesynchroniseerd
worden.
ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING
Pictogram elektronische start-
blokkering
Het pictogram verschijnt in combinatie
met een melding op het multifunctio-
nele display.
De auto kan dan niet gestart worden.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Deze diefstalbeveiliging blokkeert het
motormanagementsysteem zodra het
contact wordt afgezet en voorkomt zo het
starten van de motor bij een inbraak.
In de sleutel is een chip aangebracht
d i e o v e r e e n s p e c i fi e k e c o d e b e s c h i k t .
Bij het aanzetten van het contact moet
de code van de sleutel worden her-
kend door de startblokkering, waarna
de motor gestart kan worden.
Bij een storing in het systeem gaat
het volgende verklikkerlampje branden: Afstandsbediening
D e r a d i o g r a fi s c h e a f s t a n d s b e d i e n i n g
is een systeem met een groot bereik.
Het is raadzaam om niet met de knop
van de afstandsbediening te spelen
om te voorkomen dat de portieren per
ongeluk ontgrendeld worden.
Druk nooit op de knoppen van uw af-
standsbediening buiten het bereik en
het zicht van uw auto. De afstandsbe-
diening kan dan onbruikbaar worden
en moet in dat geval opnieuw worden
gesynchroniseerd.
De afstandsbediening kan niet functi-
oneren als de sleutel in het contactslot
zit, zelfs als het contact uitstaat, be-
halve voor het synchroniseren.
Vergrendelen van de auto
Het rijden met vergrendelde portieren
kan in geval van nood de toegang tot
het interieur belemmeren.
Neem uit veiligheidsoverwegingen
(kinderen in de auto) de sleutel met
afstandsbediening mee als u de auto
verlaat, zelfs al is dit voor korte duur. Sleutels verloren
Ga met het kentekenbewijs
van de auto en uw legitimatie-
bewijs naar het PEUGEOT-netwerk.
Het PEUGEOT-netwerk kan de speci-
ale code van de sleutel en de trans-
ponder opzoeken en voor nieuwe
sleutels zorgen.
Page 69 of 247
4TOEGANG TOT DE AUTO
BATTERIJ VERVANGEN
Batterij: CR 1620 / 3 V .
Wip om de batterij te vervangen het
huis met een muntstuk bij het oog los
om bij de batterij te komen.
SYNCHRONISEREN
Zet het contact uit.
Zet het contact weer aan.
Druk direct gedurende enkele se-
conden op de vergrendelingsknop
van de afstandsbediening.
Zet het contact uit en verwijder de
sleutel uit het contactslot. De af-
standsbediening werkt nu weer.
Als de afstandsbediening na het ver-
vangen van de batterij niet werkt,
moet deze opnieuw gesynchroniseerd
worden.
ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING
Pictogram elektronische start-
blokkering
Het pictogram verschijnt in combinatie
met een melding op het multifunctio-
nele display.
De auto kan dan niet gestart worden.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Deze diefstalbeveiliging blokkeert het
motormanagementsysteem zodra het
contact wordt afgezet en voorkomt zo het
starten van de motor bij een inbraak.
In de sleutel is een chip aangebracht
d i e o v e r e e n s p e c i fi e k e c o d e b e s c h i k t .
Bij het aanzetten van het contact moet
de code van de sleutel worden her-
kend door de startblokkering, waarna
de motor gestart kan worden.
Bij een storing in het systeem gaat
het volgende verklikkerlampje branden: Afstandsbediening
D e r a d i o g r a fi s c h e a f s t a n d s b e d i e n i n g
is een systeem met een groot bereik.
Het is raadzaam om niet met de knop
van de afstandsbediening te spelen
om te voorkomen dat de portieren per
ongeluk ontgrendeld worden.
Druk nooit op de knoppen van uw af-
standsbediening buiten het bereik en
het zicht van uw auto. De afstandsbe-
diening kan dan onbruikbaar worden
en moet in dat geval opnieuw worden
gesynchroniseerd.
De afstandsbediening kan niet functi-
oneren als de sleutel in het contactslot
zit, zelfs als het contact uitstaat, be-
halve voor het synchroniseren.
Vergrendelen van de auto
Het rijden met vergrendelde portieren
kan in geval van nood de toegang tot
het interieur belemmeren.
Neem uit veiligheidsoverwegingen
(kinderen in de auto) de sleutel met
afstandsbediening mee als u de auto
verlaat, zelfs al is dit voor korte duur. Sleutels verloren
Ga met het kentekenbewijs
van de auto en uw legitimatie-
bewijs naar het PEUGEOT-netwerk.
Het PEUGEOT-netwerk kan de speci-
ale code van de sleutel en de trans-
ponder opzoeken en voor nieuwe
sleutels zorgen.
Page 70 of 247
4TOEGANG TOT DE AUTO
64
Diefstalbeveiliging
Breng geen wijzigingen aan
in de elektronische startblok-
kering; dit kan tot storingen
leiden. KINDERBEVEILIGING
Elektrische bediening Neem voor het verlaten van de
auto altijd de sleutel uit het con-
tact, zelfs voor korte periodes.
Controleer na het aanzetten
van het contact altijd of het kinderslot
is ingeschakeld.
Bij een zware aanrijding worden de
elektrisch bedienbare kindersloten auto-
matisch uitgeschakeld zodat de achter-
passagiers de auto kunnen verlaten.
Het elektrisch bedienbare kinderslot
voorkomt dat beide achterportieren van
binnenuit kunnen worden geopend.
Druk met het contact aan op de knop.
Er verschijnt een melding op het multi-
functionele display.
Dit systeem werkt onafhankelijk en vervangt
in geen geval de centrale vergrendeling.
Beide achterportieren zijn voorzien
van een kinderslot om het openen van
binnenuit te verhinderen.
Draai de knop op de zijkant van
het portier een kwart omwenteling
met de contactsleutel.
Mechanische bediening
Bij het aanschaffen van een
gebruikte auto
Laat uw sleutels door het PEUGEOT-
netwerk in het elektronische geheu-
gen van de auto opslaan, zodat u er
zeker van kunt zijn dat de in uw bezit
zijnde sleutels de enige zijn waarmee
de auto kan worden gestart. Gooi de lege batterijen van de
afstandsbediening niet weg:
ze bevatten metalen die scha-
delijk zijn voor het milieu.
Lever lege batterijen in bij een
speciaal verzamelpunt.
Page 71 of 247
4TOEGANG TOT DE AUTO
64
Diefstalbeveiliging
Breng geen wijzigingen aan
in de elektronische startblok-
kering; dit kan tot storingen
leiden. KINDERBEVEILIGING
Elektrische bediening Neem voor het verlaten van de
auto altijd de sleutel uit het con-
tact, zelfs voor korte periodes.
Controleer na het aanzetten
van het contact altijd of het kinderslot
is ingeschakeld.
Bij een zware aanrijding worden de
elektrisch bedienbare kindersloten auto-
matisch uitgeschakeld zodat de achter-
passagiers de auto kunnen verlaten.
Het elektrisch bedienbare kinderslot
voorkomt dat beide achterportieren van
binnenuit kunnen worden geopend.
Druk met het contact aan op de knop.
Er verschijnt een melding op het multi-
functionele display.
Dit systeem werkt onafhankelijk en vervangt
in geen geval de centrale vergrendeling.
Beide achterportieren zijn voorzien
van een kinderslot om het openen van
binnenuit te verhinderen.
Draai de knop op de zijkant van
het portier een kwart omwenteling
met de contactsleutel.
Mechanische bediening
Bij het aanschaffen van een
gebruikte auto
Laat uw sleutels door het PEUGEOT-
netwerk in het elektronische geheu-
gen van de auto opslaan, zodat u er
zeker van kunt zijn dat de in uw bezit
zijnde sleutels de enige zijn waarmee
de auto kan worden gestart. Gooi de lege batterijen van de
afstandsbediening niet weg:
ze bevatten metalen die scha-
delijk zijn voor het milieu.
Lever lege batterijen in bij een
speciaal verzamelpunt.
Page 77 of 247
4TOEGANG TOT DE AUTO
69
Waarschuwing "achterruit
geopend"
Als bij draaiende motor de achterruit
niet goed is gesloten, wordt u hierop
geattendeerd door een melding op het
multifunctionele display.
Als tijdens het rijden (snelheid >
10 km/h) de achterruit niet goed is ge-
sloten, wordt u hierop geattendeerd
door een geluidssignaal, een melding
op het multifunctionele display en het
pictogram service. Noodbediening
Hiermee kan bij een eventuele storing
in de centrale vergrendeling, de ach-
terklep ontgrendeld worden.
- Klap de achterbank naar voren om
bij het slot in de bagageruimte te
komen.
- Steek een kleine schroevendraaier in de opening A van het slot om de
achterklep te ontgrendelen.
Page 80 of 247
4TOEGANG TOT DE AUTO
72
BRANDSTOFTANK
Inhoud van de brandstoftank: on-
geveer 67 liter.
Als het minimale niveau in de
brandstoftank is bereikt, gaat
dit verklikkerlampje branden
op het instrumentenpaneel in
combinatie met een geluidssignaal en
een melding op het multifunctionele
display. Zodra het lampje gaat bran-
den, zit er nog ongeveer 6 liter brand-
stof in de tank.
Raadpleeg indien u strandt met een
lege tank (diesel) het hoofdstuk "Con-
troles".
Op een label aan de binnenzijde van
de vulklep staat de voorgeschreven
soort brandstof aangegeven, afhanke-
lijk van de motoruitvoering.
Er moet minimaal 5 liter brandstof wor-
den getankt om er voor te zorgen dat de
brandstofmeter het niveau weer aangeeft
Bij het openen van de dop kan een geluid
klinken door de aanzuiging van lucht. Dit
verschijnsel is normaal en wordt veroor-
zaakt door het vacuüm dat ontstaat door
de afdichting van het brandstofcircuit.
Minimum brandstofniveau
Het tanken dient te geschieden met
afgezet contact terwijl de auto ont-
grendeld is.
zet altijd de motor af,
open de brandstofvulklep,
draai de dop linksom,
trek de tankdop uit de vulopening
en bevestig deze aan de haak aan
de binnenzijde van de vulklep,
tank de auto af, maar laat het vul-
pistool nooit meer dan 3 keer af-
slaan . Indien dit wel gebeurt, kun-
nen er storingen optreden.
Na het tanken:
draai de vuldop vast,
sluit de brandstofvulklep.
Storing
Als de brandstofmeter niet werkt, gaat
de wijzer van de brandstofmeter weer
terug naar 0.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
Tanken
Page 84 of 247
5
75
Automatisch inschakelen van de
verlichting
Het dimlicht worden automatisch in-
geschakeld als de lichtsterkte van de
omgeving onvoldoende is en als de
ruitenwissers onafgebroken wissen.
De verlichting wordt uitgeschakeld als
de lichtsterkte van de omgeving weer
voldoende is of het wissen is gestopt.
Let op: bij mist of sneeuw kan de licht-
sensor voldoende licht waarnemen
en zullen de lichten niet automatisch
worden ingeschakeld. Schakel indien
nodig het dimlicht zelf in. Inschakelen Handmatig inschakelen van de
follow-me-home verlichting
De parkeer- en dimlichten kunnen
gedurende enkele seconden blijven
branden als u de auto verlaat.
Bij het inschakelen van de
functie verschijnt het pictogram
in het display op het instrumen-
tenpaneel met 5 klokken.
Ga naar het menu "Per-
soonlijke instellingen -
c o n fi g u r a t i e " van het mul-
tifunctionele display om de
functie in of uit te schake-
len.
Het inschakelen van de func-
tie "Automatisch inschakelen
van de verlichting" via het
menu, mag om veiligheidsre-
denen alleen bij stilstaande
auto plaatsvinden. Ga om de functie "Automa-
tisch inschakelen van de fol-
low-me-home verlichting"
in of uit te schakelen naar
het menu
"Persoonlijke
i n s t e l l i n g e n - c o n fi g u r a -
tie" van het multifunctio-
nele display.
De duur van de tijdscha-
keling kan worden inge-
steld vanuit het menu
"Persoonlijke instellingen -
c o n fi g u r a t i e " v a n h e t m u l t i -
functionele display.
Automatisch inschakelen van de
follow-me-home verlichting
Als u de auto verlaat als de functie
automatisch inschakelen van de
verlichting is ingeschakeld, blijven de
parkeer- en dimlichten na het afzetten
van het contact nog gedurende de in-
gestelde tijd branden.
Uitschakelen
Bij het uitschakelen van de
functie verschijnt het pictogram
in het display op het instrumen-
tenpaneel met 5 klokken.
Dek de zonne-/lichtsensor,
die zich in het midden van de
voorruit bevindt, niet af. Deze
sensor wordt gebruikt voor de
regeling van de airconditioning en het
automatisch inschakelen van de ver-
lichting.
Bij een storing in de zonne-/licht-
sensor worden de parkeer- en dim-
lichten ingeschakeld.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Inschakelen:
zet de motor af,
geef een "lichtsignaal",
verlaat en vergrendel de auto.
Page 85 of 247
5
75
Automatisch inschakelen van de
verlichting
Het dimlicht worden automatisch in-
geschakeld als de lichtsterkte van de
omgeving onvoldoende is en als de
ruitenwissers onafgebroken wissen.
De verlichting wordt uitgeschakeld als
de lichtsterkte van de omgeving weer
voldoende is of het wissen is gestopt.
Let op: bij mist of sneeuw kan de licht-
sensor voldoende licht waarnemen
en zullen de lichten niet automatisch
worden ingeschakeld. Schakel indien
nodig het dimlicht zelf in. Inschakelen Handmatig inschakelen van de
follow-me-home verlichting
De parkeer- en dimlichten kunnen
gedurende enkele seconden blijven
branden als u de auto verlaat.
Bij het inschakelen van de
functie verschijnt het pictogram
in het display op het instrumen-
tenpaneel met 5 klokken.
Ga naar het menu "Per-
soonlijke instellingen -
c o n fi g u r a t i e " van het mul-
tifunctionele display om de
functie in of uit te schake-
len.
Het inschakelen van de func-
tie "Automatisch inschakelen
van de verlichting" via het
menu, mag om veiligheidsre-
denen alleen bij stilstaande
auto plaatsvinden. Ga om de functie "Automa-
tisch inschakelen van de fol-
low-me-home verlichting"
in of uit te schakelen naar
het menu
"Persoonlijke
i n s t e l l i n g e n - c o n fi g u r a -
tie" van het multifunctio-
nele display.
De duur van de tijdscha-
keling kan worden inge-
steld vanuit het menu
"Persoonlijke instellingen -
c o n fi g u r a t i e " v a n h e t m u l t i -
functionele display.
Automatisch inschakelen van de
follow-me-home verlichting
Als u de auto verlaat als de functie
automatisch inschakelen van de
verlichting is ingeschakeld, blijven de
parkeer- en dimlichten na het afzetten
van het contact nog gedurende de in-
gestelde tijd branden.
Uitschakelen
Bij het uitschakelen van de
functie verschijnt het pictogram
in het display op het instrumen-
tenpaneel met 5 klokken.
Dek de zonne-/lichtsensor,
die zich in het midden van de
voorruit bevindt, niet af. Deze
sensor wordt gebruikt voor de
regeling van de airconditioning en het
automatisch inschakelen van de ver-
lichting.
Bij een storing in de zonne-/licht-
sensor worden de parkeer- en dim-
lichten ingeschakeld.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Inschakelen:
zet de motor af,
geef een "lichtsignaal",
verlaat en vergrendel de auto.
Page 86 of 247
5
76
KOPLAMPEN HANDMATIG VERSTELLEN AUTOMATISCHE KOPLAMPVERSTELLING
Als er een storing optreedt ,
verschijnt een pictogram op
het display van het instrumen-
tenpaneel in combinatie met
een geluidssignaal en een melding
op het multifunctionele display. Het
systeem zet de koplampen in de lage
stand.
Raak de xenonlampen niet aan. Raad-
pleeg het PEUGEOT-netwerk.
Verlichting overdag *
Bij uitvoeringen met verlichting over-
dag wordt het dimlicht ingeschakeld
als de auto wordt gestart.
Dit pictogram wordt weerge-
geven op het display van het
instrumentenpaneel.
De verlichting van de cockpit
(multifunctioneel display, be-
dieningspaneel airconditio-
ning, ...) gaat niet branden,
behalve wanneer de automatische
stand van de verlichting wordt inge-
schakeld of wanneer de verlichting
handmatig wordt ingeschakeld.
* Volgens land van bestemming. Afhankelijk van de belading van de
auto wordt bij auto's met halogeen-
lampen aanbevolen de koplampen te
verstellen.
0. 1 of 2 personen voorin.
-. 3 personen.
1. 5 personen.
-. Tusseninstelling.
2. 5 personen + maximaal toegesta-
ne belading.
-. Tusseninstelling.
3. Bestuurder + maximaal toegesta-
ne belading.
Stand 0: basisinstelling. Het systeem stelt
bij stilstaande auto
en aangezet contact automatisch de
hoogte van de lichtbundel af, ongeacht
de belading van de auto. De bestuur-
der is dus verzekerd van een optimale
verlichting en kan andere weggebrui-
kers niet verblinden.
Page 88 of 247
5
78
Automatische ruitenwissers
Inschakelen SCHAKELAAR RUITENWISSER ACHTER (407 SW)
Uitschakelen
Dek de regensensor, op de
voorruit achter de binnenspie-
gel, niet af.
Zet het contact uit als de auto
gewassen wordt in een wasstraat of
controleer of de schakelaar niet in de
stand voor automatisch wissen staat.
Wacht 's winters met het inschakelen
van het automatisch wissen tot de
voorruit ontdooid is. Automatische ruitenwisser achter
Als de ruitenwissers vóór zijn inge-
schakeld op het moment dat u de ach-
teruitversnelling inschakelt, wordt de
ruitenwisser achter geactiveerd in de
intervalstand.
Opmerking: schakel bij mon-
t a g e v a n e e n fi e t s e n d r a g e r
deze functie uit via het menu
"persoonlijke instellingen -
c o n fi g u r a t i e " v a n h e t m u l t i f u n c t i o n e l e
display of gebruik een speciale, door
P E U G E O T g e h o m o l o g e e r d e fi e t s e n -
drager.
Draai de ring in de eerste stand voor
de intervalschakeling.
Nadat het contact is afgezet dient de
schakelaar opnieuw geactiveerd te
worden. Zet de schakelaar hiervoor in
een willekeurige stand en vervolgens
weer in de gewenste stand.
Zet de schakelaar eerst in de stand
0
en vervolgens weer in de stand AUTO .
Er verschijnt een pictogram op het
display van het instrumentenpaneel
in combinatie met een melding op het
multifunctionele display.
In de stand AUTO werken de rui-
tenwissers automatisch en wordt de
snelheid van de wissers aan de hoe-
veelheid neerslag aangepast.
Schakelaar met alleen de automati-
sche stand
In het geval van een storing werken
de ruitenwissers in de intervalstand.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
om het systeem te laten controleren.
Schakelaar met intervalstand en automatische stand
De stand AUTO wordt onderbroken als de
ruitenwissers handmatig worden bediend
met de schakelaar, waarbij het pictogram
op het display van het instrumentenpa-
neel verschijnt in combinatie met een
melding op het multifunctionele display.
De stand AUTO wordt onderbroken
als de ruitenwissers handmatig wor-
den bediend door de schakelaar A
omhoog te bewegen en deze weer in
de stand "
0" te zetten, waarbij het pic-
togram op het display van het instru-
mentenpaneel verschijnt in combinatie
met een melding op het multifunctio-
nele display.