display Peugeot 407 2010 Handleiding (in Dutch)
Page 89 of 247
5
78
Automatische ruitenwissers
Inschakelen SCHAKELAAR RUITENWISSER ACHTER (407 SW)
Uitschakelen
Dek de regensensor, op de
voorruit achter de binnenspie-
gel, niet af.
Zet het contact uit als de auto
gewassen wordt in een wasstraat of
controleer of de schakelaar niet in de
stand voor automatisch wissen staat.
Wacht 's winters met het inschakelen
van het automatisch wissen tot de
voorruit ontdooid is. Automatische ruitenwisser achter
Als de ruitenwissers vóór zijn inge-
schakeld op het moment dat u de ach-
teruitversnelling inschakelt, wordt de
ruitenwisser achter geactiveerd in de
intervalstand.
Opmerking: schakel bij mon-
t a g e v a n e e n fi e t s e n d r a g e r
deze functie uit via het menu
"persoonlijke instellingen -
c o n fi g u r a t i e " v a n h e t m u l t i f u n c t i o n e l e
display of gebruik een speciale, door
P E U G E O T g e h o m o l o g e e r d e fi e t s e n -
drager.
Draai de ring in de eerste stand voor
de intervalschakeling.
Nadat het contact is afgezet dient de
schakelaar opnieuw geactiveerd te
worden. Zet de schakelaar hiervoor in
een willekeurige stand en vervolgens
weer in de gewenste stand.
Zet de schakelaar eerst in de stand
0
en vervolgens weer in de stand AUTO .
Er verschijnt een pictogram op het
display van het instrumentenpaneel
in combinatie met een melding op het
multifunctionele display.
In de stand AUTO werken de rui-
tenwissers automatisch en wordt de
snelheid van de wissers aan de hoe-
veelheid neerslag aangepast.
Schakelaar met alleen de automati-
sche stand
In het geval van een storing werken
de ruitenwissers in de intervalstand.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
om het systeem te laten controleren.
Schakelaar met intervalstand en automatische stand
De stand AUTO wordt onderbroken als de
ruitenwissers handmatig worden bediend
met de schakelaar, waarbij het pictogram
op het display van het instrumentenpa-
neel verschijnt in combinatie met een
melding op het multifunctionele display.
De stand AUTO wordt onderbroken
als de ruitenwissers handmatig wor-
den bediend door de schakelaar A
omhoog te bewegen en deze weer in
de stand "
0" te zetten, waarbij het pic-
togram op het display van het instru-
mentenpaneel verschijnt in combinatie
met een melding op het multifunctio-
nele display.
Page 90 of 247
5
79
Ruitensproeiers en
koplampsproeiers
Trek de ruitenwisserschakelaar naar u
toe. De ruitensproeiers treden in wer-
king, waarna enige tijd de ruitenwis-
sers worden ingeschakeld om de ruit
schoon te wissen.
Als de dim-/grootlichten branden ,
worden tegelijk ook de koplampsproei-
ers geactiveerd.
Als het niveau van het reser-
voir te laag is, verschijnt het
pictogram in combinatie met
een geluidssignaal en een
melding op het multifunctio-
nele display.
Vul bij de eerstvolgende stop het rui-
ten-/koplampsproeierreservoir bij of
laat het bijvullen.
Het pictogram verschijnt telkens als
de schakelaar wordt bediend, zolang
het reservoir niet gevuld is. PLAFONNIER VOOR
De plafonnier kan worden uitgeschakeld
door, bij een geopend portier, op de scha-
kelaar 1 te drukken. De kaartleeslampjes
kunnen dan gewoon worden bediend.
Druk, bij een geopend portier, op
de schakelaar om de verlichting
opnieuw in te schakelen.
Te laag niveau ruiten-/koplampsproeiervloeistof
1. Plafonnier
2. Kaartleeslampjes
Zet het contact aan of start de auto en
bedien de desbetreffende schakelaar.
De plafonnier vóór gaat branden als de
sleutel uit het contact wordt gehaald,
bij het ontgrendelen van de auto of zo-
dra er een portier wordt geopend.
De plafonnier gaat langzaam uit als
het contact wordt aangezet of bij het
vergrendelen van de auto.
Door op de knop 1 te drukken gaat
de plafonnier vóór branden.
Ruitensproeier achter
Opmerking: de ruitenwisser
en ruitenspoeier achter wor-
den automatisch uitgescha-
keld als de achterruit wordt
geopend.
Draai de ring voorbij de eerste stand,
zodat de ruitensproeier in werking
treedt en vervolgens de ruitenwisser
enige tijd wordt ingeschakeld.
Page 91 of 247
5
79
Ruitensproeiers en
koplampsproeiers
Trek de ruitenwisserschakelaar naar u
toe. De ruitensproeiers treden in wer-
king, waarna enige tijd de ruitenwis-
sers worden ingeschakeld om de ruit
schoon te wissen.
Als de dim-/grootlichten branden ,
worden tegelijk ook de koplampsproei-
ers geactiveerd.
Als het niveau van het reser-
voir te laag is, verschijnt het
pictogram in combinatie met
een geluidssignaal en een
melding op het multifunctio-
nele display.
Vul bij de eerstvolgende stop het rui-
ten-/koplampsproeierreservoir bij of
laat het bijvullen.
Het pictogram verschijnt telkens als
de schakelaar wordt bediend, zolang
het reservoir niet gevuld is. PLAFONNIER VOOR
De plafonnier kan worden uitgeschakeld
door, bij een geopend portier, op de scha-
kelaar 1 te drukken. De kaartleeslampjes
kunnen dan gewoon worden bediend.
Druk, bij een geopend portier, op
de schakelaar om de verlichting
opnieuw in te schakelen.
Te laag niveau ruiten-/koplampsproeiervloeistof
1. Plafonnier
2. Kaartleeslampjes
Zet het contact aan of start de auto en
bedien de desbetreffende schakelaar.
De plafonnier vóór gaat branden als de
sleutel uit het contact wordt gehaald,
bij het ontgrendelen van de auto of zo-
dra er een portier wordt geopend.
De plafonnier gaat langzaam uit als
het contact wordt aangezet of bij het
vergrendelen van de auto.
Door op de knop 1 te drukken gaat
de plafonnier vóór branden.
Ruitensproeier achter
Opmerking: de ruitenwisser
en ruitenspoeier achter wor-
den automatisch uitgescha-
keld als de achterruit wordt
geopend.
Draai de ring voorbij de eerste stand,
zodat de ruitensproeier in werking
treedt en vervolgens de ruitenwisser
enige tijd wordt ingeschakeld.
Page 93 of 247
6INDELINGEN
81
INDELING VAN HET INTERIEUR
Het dashboardkastje is afsluitbaar.
Trek aan de handgreep om het te ope-
nen.
De verlichting van het dashboardkast-
je treedt in werking zodra het wordt
geopend.
Het dashboardkastje bevat drie aan-
sluitingen voor een videorecorder (au-
to's met kleurendisplay 16 x 9) en een
met een draaiknop afsluitbare ventila-
tiebuis, waarmee het dashboardkastje
wordt voorzien van dezelfde aircondi-
tioning als het interieur.
Sluit de buis bij koud weer af om de
temperatuur in het interieur op een
aangenaam peil te houden.
Bovendien zijn er in het dashboard-
kastje speciale ruimtes gecreëerd voor
een pen een bril, munten, enz. Til het deksel op om het opbergvak te
openen of bedien de hendel aan de
linkerzijde (volgens uitvoering).
In het opbergvak kunnen CD's en munten
worden opgeborgen. Bovendien bevindt
de USB-aansluiting zich in dit opbergvak.
Afvalbak achter
Gesloten opbergvak aan
bestuurderszijde
Portiervakken vóór
Hierin kunnen kaarten, reisgidsen of
e e n fl e s w a t e r w o r d e n o p g e b o r g e n .
Asbak vóór (max. 100 W)
Hier bevindt zich een aansluiting voor
een aansteker of 12V-aansluiting.
Druk op het deksel om de asbak te
openen.
Open om de asbak te legen de klep
en trek aan de asbak om deze uit te
nemen. W e g k l a p b a r e b e k e r - / fl e s s e n h o u d e r
Deze bevindt zich aan de voorzijde
van de armleuning vóór.
D r u k o p h e t d e k s e l o m d e b e k e r - / fl e s -
senhouder te openen.
12V-aansluiting (max. 100 W)
De 12V-aansluiting is van het type
aansteker en is voorzien van een dop.
De 12V-aansluiting kan worden ge-
bruikt als het contact aanstaat.
Dit opbergvak biedt plaats aan kleine
voorwerpen, zoals sleutels, een par-
keerpas of een mobiele telefoon.
Gekoeld dashboardkastje Armleuning vóór
Deze bevindt zich aan de achterzijde
van de armleuning vóór.
Open de afvalbak helemaal en druk op
de bovenste borglip om deze te legen en
trek aan de bak om deze eruit te nemen.
Page 101 of 247
7VEILIGHEID
87
Storing
Bij een storing in het systeem ver-
schijnt het pictogram in combinatie
met een geluidssignaal en een mel-
ding op het multifunctionele display.
Raadpleeg het PEUGEOT -netwerk om
de systemen te laten controleren. Pictogram instrumentenpaneel.
Het ESP zorgt voor meer vei-
ligheid tijdens het rijden. De
bestuurder mag zich echter
nooit laten verleiden tot het
nemen van meer risico's (laat rem-
men) of het te hard rijden.
De goede werking van de systemen
wordt verzekerd door de naleving van
de voorschriften van de constructeur
op het gebied van wielen (banden en
velgen), onderdelen van het remsy-
steem, elektronische onderdelen als-
mede de montageprocedure en het
uitvoeren van werkzaamheden door
het PEUGEOT -netwerk.
Laat de systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT -net-
werk. ANTIBLOKKEERSYSTEEM (ABS)
Het antiblokkeersysteem zorgt tijdens
het remmen voor een betere stabili-
teit en bestuurbaarheid van uw auto,
vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS treedt automatisch in werking
zodra één van de wielen dreigt te blok-
keren.
De normale werking van het ABS kan
merkbaar zijn door het trillen van het
rempedaal.
Dit pictogram geeft een sto-
ring in het ABS aan.
Dit wordt tevens aangegeven
door een pictogram op het dis-
play in het instrumentenpaneel.
Als de pictogrammen blijven branden
bij een snelheid hoger dan 10 km/h, is
het ABS buiten werking.
De normale remwerking met rembe-
krachtiging blijft echter behouden.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
NOODREMASSISTENTIE
Dit systeem zorgt ervoor dat in nood-
gevallen de optimale remdruk sneller
wordt bereikt, zodat de remafstand
kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld als
de snelheid waarmee het rempedaal
wordt ingedrukt groot is en zorgt ervoor
dat de benodigde bedieningskracht
minder wordt en dat de effectiviteit van
het remmen wordt vergroot.
Het systeem zorgt ervoor dat de beno-
digde bedieningskracht minder wordt
en dat de effectiviteit van het remmen
wordt vergroot.
Trap het rempedaal bij een noodstop
zo krachtig mogelijk in en blijf een maxi-
male kracht uitoefenen op het pedaal.
Trap het rempedaal bij een
noodstop krachtig en volle-
dig in en laat het niet los.
Opmerking: zorg er bij vervanging
van de wielen (banden en velgen) voor
dat er gehomologeerde wielen worden
gemonteerd.
Page 102 of 247
7VEILIGHEID
87
Storing
Bij een storing in het systeem ver-
schijnt het pictogram in combinatie
met een geluidssignaal en een mel-
ding op het multifunctionele display.
Raadpleeg het PEUGEOT -netwerk om
de systemen te laten controleren. Pictogram instrumentenpaneel.
Het ESP zorgt voor meer vei-
ligheid tijdens het rijden. De
bestuurder mag zich echter
nooit laten verleiden tot het
nemen van meer risico's (laat rem-
men) of het te hard rijden.
De goede werking van de systemen
wordt verzekerd door de naleving van
de voorschriften van de constructeur
op het gebied van wielen (banden en
velgen), onderdelen van het remsy-
steem, elektronische onderdelen als-
mede de montageprocedure en het
uitvoeren van werkzaamheden door
het PEUGEOT -netwerk.
Laat de systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT -net-
werk. ANTIBLOKKEERSYSTEEM (ABS)
Het antiblokkeersysteem zorgt tijdens
het remmen voor een betere stabili-
teit en bestuurbaarheid van uw auto,
vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS treedt automatisch in werking
zodra één van de wielen dreigt te blok-
keren.
De normale werking van het ABS kan
merkbaar zijn door het trillen van het
rempedaal.
Dit pictogram geeft een sto-
ring in het ABS aan.
Dit wordt tevens aangegeven
door een pictogram op het dis-
play in het instrumentenpaneel.
Als de pictogrammen blijven branden
bij een snelheid hoger dan 10 km/h, is
het ABS buiten werking.
De normale remwerking met rembe-
krachtiging blijft echter behouden.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
NOODREMASSISTENTIE
Dit systeem zorgt ervoor dat in nood-
gevallen de optimale remdruk sneller
wordt bereikt, zodat de remafstand
kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld als
de snelheid waarmee het rempedaal
wordt ingedrukt groot is en zorgt ervoor
dat de benodigde bedieningskracht
minder wordt en dat de effectiviteit van
het remmen wordt vergroot.
Het systeem zorgt ervoor dat de beno-
digde bedieningskracht minder wordt
en dat de effectiviteit van het remmen
wordt vergroot.
Trap het rempedaal bij een noodstop
zo krachtig mogelijk in en blijf een maxi-
male kracht uitoefenen op het pedaal.
Trap het rempedaal bij een
noodstop krachtig en volle-
dig in en laat het niet los.
Opmerking: zorg er bij vervanging
van de wielen (banden en velgen) voor
dat er gehomologeerde wielen worden
gemonteerd.
Page 103 of 247
7VEILIGHEID
88
VEILIGHEIDSGORDELS
Waarschuwing veiligheidsgordels
vóór
Als het contact is aangezet , de be-
stuurder of voorpassagier zijn gordel
niet heeft omgedaan en de wagensnel-
heid lager dan 20 km/h is , wordt u ge-
waarschuwd door het verschijnen van
het pictogram veiligheidsgordel .
Het pictogram verdwijnt zodra de des-
betreffende veiligheidsgordel(s) is/zijn
vastgemaakt.
Als de wagensnelheid hoger dan
20 km/h is , wordt u gewaarschuwd
door het knipperen van het pictogram
veiligheidsgordel in combinatie met
een geluidssignaal en een melding op
het multifunctionele display die aangeeft
welke veiligheidsgordel(s) het betreft.
Veiligheidsgordels vóór
met pyrotechnische
gordelspanners en
gordelkrachtbegrenzers
De gordelspanners dienen om bij een
krachtige frontale aanrijding de veilig-
heidsgordels stevig tegen de lichamen
van de inzittenden te trekken.
De veiligheidsgordels met gordelspan-
ners werken alleen als het contact is
aangezet.
De gordelkrachtbegrenzer beperkt de kracht waar-
mee de gordel tegen de borst van de inzittenden
getrokken wordt in geval van een aanrijding. Het
systeem biedt hierdoor een betere bescherming.
Veiligheidsgordels achter
De zitplaatsen achter zijn voorzien
van drie driepuntsgordels met oprol-
automaat.
De veiligheidsgordels van de buitenste
zitplaatsen achter met gordelkrachtbe-
grenzers kunnen worden voorzien van
pyrotechnische gordelspanners.
Veiligheidsgordels omdoen
Trek aan de gordel en steek de
gesp in de gordelsluiting.
Trek aan de gordel om de vergren-
deling van de gesp te controleren.
Veiligheidsgordels losmaken
Druk op de rode knop van de gor-
delsluiting. Trek voordat u de achterbank neer-
klapt de gordel uit en steek de gesp in
de gordelsluiting, zodat de gordel zich
nadat de achterbank in de oorspron-
kelijke stand is teruggezet op de juiste
plaats bevindt.
Opmerking: het pictogram
kan ook worden weergegeven
als zich een tas of huisdier op
de passagiersstoel bevindt.
Het geluidssignaal en het pictogram
verdwijnen zodra de desbetreffende
veiligheidsgordel(s) is/zijn vastgemaakt.
Als na twee minuten de veiligheidsgordel(s)
nog niet is/zijn vastgemaakt, wordt het
pictogram permanent weergegeven en
verdwijnt het geluidssignaal. Alle waar-
schuwingssignalen verdwijnen zodra
een portier wordt geopend of de motor
wordt afgezet.
Hoogteverstelling van de
veiligheidsgordels vóór:
knijp de knop 1 in en schuif deze
naar beneden om het bevesti-
gingspunt lager te plaatsen.
schuif de knop 1 omhoog om het
bevestigingspunt hoger te plaatsen.
Page 106 of 247
7VEILIGHEID
91
Uitschakelen airbag vóór aan
passagierszijde * Opnieuw inschakelen
Als u het kinderzitje hebt verwijderd,
zet dan de schakelaar op
"ON" om de
airbag weer in te schakelen en zo de
veiligheid van uw passagier te garan-
deren.
Schakel voor de veiligheid van uw
kind de airbag vóór aan passagiers-
zijde altijd uit als u een kinderzitje
"met de rug in de rijrichting" op de
passagiersstoel vóór plaatst. Anders
kan een kind bij het afgaan van de air-
bag levensgevaarlijk gewond raken.
Zet het contact uit , steek de sleutel
in de schakelaar voor uitschakelen
van de airbag aan passagierszijde,
draai deze in de stand "OFF" en ver-
wijder de sleutel zonder de stand van
de schakelaar te veranderen. De knie-airbag beschermt bij een fron-
tale aanrijding de knieën van de be-
stuurder.
Deze airbag bevindt zich in het dash-
board, onder de stuurkolom.
In het geval van een storing
Activering
De knie-airbag wordt gelijktijdig met
de airbags vóór opgeblazen.
Pictogram instrumentenpaneel.
Als dit pictogram verschijnt in combi-
natie met een geluidssignaal en een
melding op het multifunctionele display,
raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk
om het systeem te laten controleren.
De kans bestaat dat de airbags bij een
ernstige aanrijding niet worden geacti-
veerd. Knie-airbag
Als het contact is aangezet, blijft
het verklikkerlampje op het instru-
mentenpaneel branden zolang
de airbag is uitgeschakeld.
In de stand
"OFF" werkt de airbag
aan passagierszijde bij een eventuele
aanrijding niet.
Page 107 of 247
7VEILIGHEID
92
Zij-airbags voor en achter *
De zij-airbags beschermen de be-
stuurder en de passagiers (behalve
de middelste achterpassagier) bij een
ernstige zijdelingse aanrijding, om de
kans op borstletsel te verkleinen.
De zij-airbags zijn aan de zijde van de
portieren in de rugleuningen van de
voorstoelen en in de armsteunen van
de achterportieren * aangebracht.
Activering
De zij-airbags worden aan de des-
betreffende zijde opgeblazen bij een
ernstige zijdelingse aanrijding binnen
(een gedeelte van) de impactzone op-
zij ( B ), loodrecht op de lengteas van
de auto en vanaf de buitenzijde rich-
ting de binnenzijde van de auto.
De zij-airbag wordt opgeblazen tussen
de inzittende vóór en het desbetreffen-
de portierpaneel.
* Volgens land van bestemming.
A. Impactzone vóór
B. Impactzone opzij Activering
De window-airbag wordt gelijktijdig
met de zij-airbag aan de desbetreffen-
de zijde opgeblazen bij een ernstige
zijdelingse aanrijding binnen (een ge-
deelte van) de impactzone opzij (
B ),
loodrecht op de lengteas van de auto
en vanaf de buitenzijde richting de bin-
nenzijde van de auto.
De window-airbag wordt opgeblazen
tussen de inzittende vóór en achter en
de ruiten.
Registratiezones voor een aanrijding
Window-airbags
De window-airbags beschermen de
bestuurder en passagiers (uitgezon-
derd de middelste passagier achter) bij
een ernstige zijdelingse aanrijding, om
de kans op hoofdletsel te verkleinen.
De window-airbags zijn aangebracht
in de stijlen en in de hemelbekleding.
In het geval van een storing
Pictogram instrumentenpaneel.
Als dit pictogram verschijnt in combi-
natie met een geluidssignaal en een
melding op het multifunctionele display,
raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk
om het systeem te laten controleren.
De kans bestaat dat de airbags bij een
ernstige aanrijding niet worden geac-
tiveerd. Bij een lichte zijdelingse aan-
rijding of bij over de kop slaan,
kan het zijn dat de airbag niet
wordt geactiveerd.
Bij een aanrijding van achteren of een
frontale aanrijding wordt de airbag niet
geactiveerd.
Page 109 of 247
7VEILIGHEID
91
Uitschakelen airbag vóór aan
passagierszijde * Opnieuw inschakelen
Als u het kinderzitje hebt verwijderd,
zet dan de schakelaar op
"ON" om de
airbag weer in te schakelen en zo de
veiligheid van uw passagier te garan-
deren.
Schakel voor de veiligheid van uw
kind de airbag vóór aan passagiers-
zijde altijd uit als u een kinderzitje
"met de rug in de rijrichting" op de
passagiersstoel vóór plaatst. Anders
kan een kind bij het afgaan van de air-
bag levensgevaarlijk gewond raken.
Zet het contact uit , steek de sleutel
in de schakelaar voor uitschakelen
van de airbag aan passagierszijde,
draai deze in de stand "OFF" en ver-
wijder de sleutel zonder de stand van
de schakelaar te veranderen. De knie-airbag beschermt bij een fron-
tale aanrijding de knieën van de be-
stuurder.
Deze airbag bevindt zich in het dash-
board, onder de stuurkolom.
In het geval van een storing
Activering
De knie-airbag wordt gelijktijdig met
de airbags vóór opgeblazen.
Pictogram instrumentenpaneel.
Als dit pictogram verschijnt in combi-
natie met een geluidssignaal en een
melding op het multifunctionele display,
raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk
om het systeem te laten controleren.
De kans bestaat dat de airbags bij een
ernstige aanrijding niet worden geacti-
veerd. Knie-airbag
Als het contact is aangezet, blijft
het verklikkerlampje op het instru-
mentenpaneel branden zolang
de airbag is uitgeschakeld.
In de stand
"OFF" werkt de airbag
aan passagierszijde bij een eventuele
aanrijding niet.