brake Peugeot Partner 2020 Handleiding (in Dutch)

Page 4 of 260

2
Inhoudsopgave







 ■
Overzicht
Stickers 4
 ■
Eco-rijden
Eco-coaching 8
1Instrumentenpaneel
Instrumentenpaneel 9
Waarschuwings- en verklikkerlampjes 11
Meters 17
Boordcomputer 22
Datum en tijd instellen 23
2Toegang tot de auto
Elektronische sleutel met afstandsbediening
en ingebouwde fysieke sleutel, 24
Noodprocedures 31
Centrale vergrendeling/ontgrendeling 33
Portieren 35
Algemene aanbevelingen voor
de schuifdeuren
36
Dakklep 37
Alarm 38
Elektrische ruitbediening 40
Kantelbare achterportierruiten 41
3Ergonomie en comfort
Algemene aanbevelingen voor de stoelen 42
Voorstoelen 42
PEUGEOT
i-Cockpit 42
Stuurwielverstelling 45
Spiegels 45
Tweezitsbank vóór 46
Achterbank 48
Interieurvoorzieningen 49
Multi-flexbank 54
Dubbele cabine 55
Verwarming en ventilatie 58
Verwarming 59
Handbediende airconditioning 59
Automatische airconditioning
met gescheiden regeling
60
Ontwasemen - ontdooien voorruit 62
Ontwaseming - Ontdooiing achterruit
en/of buitenspiegels
63
Extra verwarmings-/ventilatiesysteem 63
4Verlichting en zicht
Lichtschakelaar 67
Richtingaanwijzers 68
Automatisch inschakelen koplampen 68
Dagrijverlichting / Parkeerlichten 69
Parkeerlichten 69
Grootlichtassistent 70
Hoogteverstelling van de koplampen 71
Ruitenwisserschakelaar 71
Ruitenwisserbladen vervangen 73
Automatische ruitenwissers 74
5Veiligheid
Algemene aanbevelingen met
betrekking tot de veiligheid 75
Noodoproep of pechhulpoproep 75
Alarmknipperlichten 79
Claxon 79
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP) 79
Advanced Grip Control 81
Hill Assist Descent Control 82
Veiligheidsgordels 84
Airbags 86
Kinderzitjes 89
De airbag vóór aan passagierszijde
uitschakelen
91
Mechanische kinderbeveiliging 94
Elektrische kinderbeveiliging 94
6Rijden
Rijadviezen 95
Starten/afzetten van de motor 97
Handbediende parkeerrem 100
Elektrische parkeerrem 100
Hill Start Assist 103
Handgeschakelde 5-versnellingsbak 104
Handgeschakelde 6-versnellingsbak 104
Automatische transmissie 105
Schakelindicator 108
Stop & Start 109
Bandenspanningscontrolesysteem 11 0
Rij- en parkeerhulpsystemen - Algemene
adviezen
11 2
snelheidslimietherkennings- en
snelheidsadviessysteem
11 4
Snelheidsbegrenzer 11 7
Snelheidsregelaar - specifieke adviezen 11 9
Programmeerbare snelheidsregelaar 120
adaptieve cruise control 122
Snelheden opslaan 126
Active Safety Brake met Distance Alert en
intelligente noodremassistentie
126
Lane Keeping Assist 129
dodehoekbewaking 132

Page 16 of 260

14
Instrumentenpaneel
Rijd voorzichtig en met lage snelheid en voer
dan (3) uit.
Distance Alert / Active Safety BrakePermanent, in combinatie met de
weergave van een melding.
Het systeem is uitgeschakeld via het
configuratiemenu van de auto.
Knippert.
Het systeem is in werking.
De auto remt kort af om de snelheid van de
aanrijding met de voorligger te beperken.
Permanent, in combinatie met een
melding en een geluidssignaal.
Er is een storing in het systeem.
Voer (3) uit.
Permanent.
Er is een storing in het systeem.
Als deze waarschuwingslampjes gaan branden
nadat de motor is uitgeschakeld en opnieuw is
gestart, zie (3).
Roetfilter (diesel)Permanent, in combinatie met een
geluidssignaal en een melding van de
kans op verstopping van het roetfilter.
Het roetfilter begint verstopt te raken.
Ga als de omstandigheden het toelaten het
roetfilter regenereren door met een snelheid van
meer dan 60 km/h te rijden tot het lampje dooft.
Permanent, in combinatie met een
geluidssignaal en de melding van een te laag additiefniveau voor het roetfilter.
Het minimumniveau van het additiefreservoir is
bereikt.
Vul zo snel mogelijk bij: voer (3) uit.
AirbagsPermanent.
Een van de airbags of pyrotechnische
gordelspanners is defect.
Zie (3).
Airbag voorpassagier (ON)Permanent.
De airbag vóór aan passagierszijde is
geactiveerd.
De schakelaar staat in de stand " ON”.
Plaats in dit geval GEEN kinderzitje
met de "rug in de rijrichting" op de
voorpassagiersstoel - risico op zwaar letsel!
Airbag voorpassagier (OFF)Permanent.
De airbag vóór aan passagierszijde is
uitgeschakeld.
De schakelaar staat in de stand " OFF”.
U kunt een kinderzitje met de "rug in de
rijrichting" plaatsen, behalve in het geval van een
storing in het airbagsysteem (brandend lampje
Airbags).
Dynamische stabiliteitscontrole (DSC) en
antispinregeling (ASR)
Permanent.
De functie wordt uitgeschakeld.
Druk op de knop om de functie weer in te
schakelen. De functie DSC/ASR wordt automatisch
ingeschakeld als de motor wordt gestart en bij
ongeveer 50 km/h.
Knippert.
De DSC/ASR-regeling wordt ingeschakeld
bij minder grip of afwijken van de rijbaan.
Permanent.
Een storing in het DSC-/ASR-systeem.
Zie (3).
Hill Start AssistBrandt permanent, in combinatie
met de melding "Storing in
antiterugrolsysteem".
Er is een storing in het systeem.
Zie (3).
Storing noodremassistentie (met
elektrische parkeerrem)
Brandt permanent, in combinatie
met de melding "Storing
parkeerrem".
De noodremassistentie werkt niet optimaal.
Als automatisch uitschakelen niet mogelijk is,
gebruik de handmatige uitschakeling of zie (3).
Actief Lane Departure Warning SystemPermanent.
Het systeem is automatisch uitgeschakeld
of in de wachtstand gezet.
Knipperlicht.
De auto dreigt een onderbroken
rijstrookmarkering te overschrijden zonder dat de
richtingaanwijzer is ingeschakeld.

Page 85 of 260

83
Veiligheid
5Dit systeem beperkt de kans op wegglijden van
de auto en de kans dat de auto te veel vaart
maakt tijdens het voorruit of achteruit afdalen.
Bij het afdalen van een helling assisteert dit
systeem de bestuurder, afhankelijk van de
ingeschakelde versnelling, bij het wegrijden en
constant houden van de snelheid door geleidelijk
de remdruk te verminderen.
Het systeem werkt slechts bij hellingen
van meer dan 5%.
Het systeem kan worden gebruikt met de
versnellingsbak in de neutraalstand.
Het is echter raadzaam een voor de
rijsnelheid geschikte versnelling in te
schakelen om te voorkomen dat de motor
afslaat.
Bij een automatische transmissie kan het
systeem worden gebruikt als de stand N, D of
R is geselecteerd.
Als het systeem in werking treedt, wordt de Active Safety Brake automatisch
uitgeschakeld.
Het systeem is niet meer beschikbaar:
– als de rijsnelheid hoger is dan
70

km/h,
–

als de rijsnelheid wordt geregeld door de
adaptieve cruise control, afhankelijk van het
type versnellingsbak.
Inschakelen
Het systeem is standaard niet geselecteerd.
De status van de functie wordt niet opgeslagen
bij het afzetten van het contact.
De bestuurder kan het systeem bij draaiende
motor, bij stilstaande auto of tot een snelheid van
ongeveer 50
km/h selecteren.




► Houd deze toets bij snelheden lager
dan 50 km/h ingedrukt totdat het
controlelampje gaat branden om het systeem te
selecteren; dit lampje gaat groen branden op het
instrumentenpaneel.
Het systeem wordt actief bij een snelheid lager
dan 30
km/h.
►

Zodra de afdaling begint, kunt u het
gaspedaal en het rempedaal loslaten, het
systeem regelt de snelheid:
– als de eerste of tweede versnelling is
ingeschakeld, wordt de snelheid verlaagd
en knippert het controlelampje snel;
–

als de versnellingsbak in de neutraalstand
staat of het koppelingspedaal wordt ingedrukt,
wordt de snelheid verlaagd en knippert het
controlelampje langzaam; in dat geval is de constante snelheid waarmee wordt afgedaald
lager

.
Wanneer u stilstaat in een afdaling en u het
gaspedaal en het rempedaal loslaat, vermindert
het systeem de remdruk om de auto geleidelijk in
beweging te brengen.
De remlichten gaan automatisch branden als het
systeem in werking is.
Als de rijsnelheid hoger wordt dan 30 km/h,
wordt de regeling automatisch onderbroken. Het
controlelampje op het instrumentenpaneel brandt
dan weer grijs, maar het groene controlelampje
van de toets blijft branden.
De regeling wordt automatisch hervat zodra de
rijsnelheid lager wordt dan 30 km/h en er aan de
voorwaarden wordt voldaan met betrekking tot
de helling en het loslaten van de pedalen.
U kunt op elk gewenst moment het gaspedaal of
het rempedaal weer intrappen.
Uit
► Druk op de toets totdat het controlelampje
uit gaat; het controlelampje op het
instrumentenpaneel gaat ook uit.
Bij een rijsnelheid van meer dan 70
km/u wordt
het systeem automatisch uitgeschakeld; het
controlelampje van de toets gaat uit.
Storing
Bij een storing in het systeem gaat dit
verklikkerlampje branden in combinatie
met een melding op het instrumentenpaneel.

Page 128 of 260

126
Rijden
Zodra het systeem een mogelijk obstakel
detecteert, wordt het remcircuit
voorbereid op een automatische remactie. Er
kan dan een zwak geluid hoorbaar zijn en
mogelijk lijkt de auto wat af te remmen.
Werkingsvoorwaarden en
-beperkingen
Het ESP-systeem mag niet defect zijn.
De DSC/ASR-systemen mogen niet
uitgeschakeld zijn.
Alle inzittenden moeten hun veiligheidsgordel
dragen.
De auto moet met een constante snelheid op
een niet te bochtige weg rijden.
In de volgende gevallen is het raadzaam
het systeem uit te schakelen via het
configuratiemenu van de auto:
– trekken van een aanhanger,
– als lading op allesdragers of een imperiaal
wordt vervoerd,
– als sneeuwkettingen zijn gemonteerd,
– voordat de auto met draaiende motor in een
automatische wasstraat wordt gewassen,
– voordat de auto op een rollenbank wordt
getest,
– als de auto met draaiende motor wordt
gesleept,
– na beschadiging van de voorruit ter hoogte
van de detectiecamera.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
De adaptieve snelheidsregelaar wordt
automatisch uitgeschakeld nadat het
gebruik van het noodreservewiel is
gedetecteerd of een storing van de
zijremlichten of de remlichten van de
aanhanger (voor goedgekeurde aanhangers)
is waargenomen.
Snelheden opslaan
Met deze functie, die is gekoppeld aan de
snelheidsbegrenzer en de programmeerbare
snelheidsregelaar, kunt u snelheden opslaan
die vervolgens kunnen worden gebruikt voor
het instellen van de snelheidsbegrenzer en de
snelheidsregelaar.
U kunt voor beide systemen meerdere
snelheden opslaan.
Er zijn standaard al enkele snelheden
opgeslagen.
Om veiligheidsredenen mogen de
geprogrammeerde snelheden alleen
worden gewijzigd als de auto stilstaat.
Snelheden opslaan
Selecteer in het menu Auto/Rijden van het touchscreen "Rijfuncties" en
vervolgens " Opgeslagen snelheden ".
Toets "MEM"



Met deze toets kunt u een opgeslagen snelheid
selecteren om deze te gebruiken voor de
snelheidsbegrenzer of de programmeerbare
snelheidsregelaar.
Zie het betreffende hoofdstuk voor meer
informatie over de snelheidsbegrenzer of de
programmeerbare snelheidsregelaar .
Active Safety Brake
met Distance Alert
en intelligente
noodremassistentie
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.


Dit systeem:
–
waarschuwt de bestuurder wanneer er
een risico bestaat op een aanrijding met een
voorligger
,
–

voorkomt een aanrijding, of beperkt de
zwaarte hiervan, door de snelheid van de auto te
verminderen.
Dit systeem heeft drie functies:
–


Distance Alert,
–


Intelligente noodremassistentie,
–


Active Safety Brake (automatisch
noodremsysteem).


De auto is voorzien van een camera bovenaan
de voorruit.
Ondanks de aanwezigheid van dit
systeem moet de bestuurder waakzaam
blijven.
Dit systeem is ontwikkeld om de bestuurder te
ondersteunen en de veiligheid te verbeteren.
De bestuurder moet zelf altijd het verkeer
in de gaten blijven houden en zich aan de
verkeersregels houden.

Page 130 of 260

128
Rijden
Uitschakelen/inschakelen
Standaard wordt het systeem automatisch
ingeschakeld als de motor wordt gestart.
Dit systeem kan worden
uit- of ingeschakeld via het
configuratiemenu van de auto.
Het uitschakelen van het systeem wordt
aangegeven door het branden van dit
lampje, in combinatie met de weergave van een
melding.
Storing
Bij een storing in het systeem wordt u
gewaarschuwd door het permanent
branden van dit lampje in combinatie met een
melding en een geluidssignaal.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Als deze lampjes gaan branden nadat de motor is afgezet en weer
gestart, raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats om het systeem
te laten controleren.
Lane Keeping Assist
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Het systeem detecteert met behulp van een
camera aan de bovenzijde van de voorruit
rijstrookmarkeringen en bermranden (afhankelijk
Activeringsdrempel voor de waarschuwing wijzigen
Deze drempel bepaalt de manier waarop u wordt
gewaarschuwd voor een rijdende of stilstaande
voorligger, of een voetganger op uw rijstrook.
De ingestelde drempel kan
worden gewijzigd via het
configuratiemenu van de auto.
U kunt een van drie vooraf gedefinieerde
drempels selecteren:
–

"Ve r ",
–

"Normaal",
–

"Dichtbij".
De drempel die als laatste is geselecteerd, wordt
opgeslagen bij het afzetten van het contact.
Intelligente
noodremassistentie (IBA)
Wanneer de bestuurder wel remt, maar niet
voldoende om een aanrijding te voorkomen, vult
deze functie de remkracht aan voor zover dit
binnen de natuurkundige grenzen mogelijk is.
Dit gebeurt alleen als de bestuurder zelf het
rempedaal intrapt.
Active Safety Brake

Deze functie, ook wel automatisch
noodremsysteem genoemd, treedt in werking
wanneer de bestuurder, na de waarschuwingen,
niet snel genoeg reageert en niet remt.
De functie is bedoeld om de snelheid van
de aanrijding te beperken of de aanrijding te
voorkomen wanneer de bestuurder niet ingrijpt.
Werking
Het systeem werkt onder de volgende
omstandigheden:
–

De rijsnelheid is niet hoger dan 60 km/h
wanneer een voetganger wordt gedetecteerd.
– De rijsnelheid is niet hoger dan 80 km/h
wanneer een stilstaand voertuig wordt
gedetecteerd.
–

De rijsnelheid ligt tussen 10 km/h en 85
km/h wanneer een bewegend voertuig wordt
gedetecteerd.
Dit lampje knippert (gedurende ongeveer
10 seconden) als de functie ingrijpt op het
remsysteem.
Bij auto's met een automatische transmissie
begint de auto weer te rijden nadat deze door
het automatische noodremsysteem tot stilstand
is gebracht. Houd het rempedaal ingetrapt als u
dit wilt voorkomen.
Bij auto's met een handgeschakelde
versnellingsbak kan de motor afslaan als de
auto door het automatische noodremsysteem tot
stilstand wordt gebracht.
De bestuurder kan op elk gewenst
moment de controle over de auto weer
overnemen door een ferme stuurbeweging te
maken en/of het gaspedaal in te trappen.
Als de functie in werking is, kunnen er lichte trillingen voelbaar zijn in het
rempedaal.
Als de auto volledig tot stilstand is gekomen,
blijven de remmen automatisch 1 tot 2
seconden geactiveerd.

Page 169 of 260

167
In geval van pech
8► Laat de auto weer volledig zakken.
► V ouw de krik (6) op en verwijder deze.


► Draai de slotbout (indien aanwezig) met de
wielsleutel ( 5
) en de dop (8) vast.
►

Draai de overige wielbouten met alleen de
wielsleutel ( 5

) vast.
►

Berg het gereedschap op.

Stalen reservewiel of noodreservewiel
monteren
Indien de auto is voorzien van lichtmetalen
velgen, raken de ringen de stalen velg of
het noodreservewiel niet. Als de bouten
volledig zijn aangedraaid, zorgt het conische
draagvlak van de bouten dat het reservewiel
stevig vastzit.
Na het verwisselen van het wiel
Berg het wiel met de lekke band correct
op in de reservewielhouder.
Neem zo snel mogelijk contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Laat de lekke band controleren. Na nadere
inspectie kan de technicus u vertellen of
de band gerepareerd kan worden of moet
worden vervangen.
Bepaalde rijhulpsystemen moeten
worden uitgeschakeld, bijv. Active Safety
Brake.
Controleer als uw auto is uitgerust met
een bandenspanningscontrolesysteem
de bandenspanning en reset het systeem.
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over het
bandenspanningscontrolesysteem.
Wiel met naafdop
Monteren: plaats de naafdop met de
inkeping tegenover het ventiel en druk de
rand ervan vervolgens rondom met de hand
vast.


Op deze sticker staat de
bandenspanning aangegeven.
Een lamp vervangen
Onder bepaalde weersomstandigheden
(zoals een lage temperatuur of vocht)
kan er een laagje condens aan de binnenzijde
van de koplampen en de achterlichten
ontstaan; dit verdwijnt als de lampen enkele
minuten branden.
De koplampunits zijn voorzien van een
koplampglas van polycarbonaat met een
speciale vernislaag:
►

gebruik voor het schoonmaken van de
koplampen nooit een droge doek of een
schuur-, schoonmaak- of oplosmiddel.
►


gebruik een spons met zeepwater of een
pH-neutraal product,
►


wanneer u met een hogedrukreiniger
hardnekkig vuil probeert te verwijderen,
houd de straal dan nooit langdurig op
de koplampen, de achterlichten en de
randen ervan gericht, om beschadiging
van de vernislaag en de afdichtrubbers te
voorkomen.
Bij het vervangen van lampen moet het
contact en de verlichting minstens enkele

Page 245 of 260

243
Trefwoordenregister
12V-accu 154, 175–176
A
Aanhanger 81, 146
Aanhangergewichten
185–187
Aansluiten MirrorLink

208–209, 229
Aansluiting 12 V

49–50
Aansluiting 220 V

51
ABS

79
Accessoires

75, 99
Accu

149, 175, 177
Accu laden

176–177
Achterbank

48
Achterdeuren

29–31
Achterklep

29–30, 32
Achterlichten

171
Achterportierruiten

41
Achterruitverwarming

45, 63
Achteruitrijcamera

113, 137
Achteruitrijlicht

171
Actief dodehoekbewakingssysteem

134
Actieradius AdBlue

153
Active Safety Brake

126–128
Adaptieve cruise control met Stop-functie

11 6
Adaptieve snelheidsregelaar

122
AdBlue®

155
AdBlue® bijvullen

157
AdBlue®-reservoir

157
Advanced Grip Control

81–82
Afmetingen

181
Afstandsbediening 24–29, 31, 96
Afstellen van de koplamphoogte
71
Afzetten van de motor

97, 99
Airbags

86, 88–89, 91
Airbags vóór

87–88, 91
Airconditioning

58, 61
Airconditioning (handbediend)

59, 62
Airconditioning met gescheiden regeling

62
Alarmknipperlichten

79
Alarmsysteem

38–40
Algemeen menu

190
Allesdragers

149–150
Android Auto verbinding

229
Antiblokkeersysteem (ABS)

79–80
Antidiefstalsysteem/Startblokkering

25
Antispinregeling (ASR) ~
Antislipregeling

80, 82
Apple®-speler

195, 207, 234
Apple CarPlay verbinding

209, 228
Apps

229
Armleuning

43
Armleuning vóór

49
Audiokabel

233
Automatische airconditioning
met gescheiden regeling

60
Automatische ruitenwissers

72, 74
Automatische transmissie ~ Versnellingsbak,
automatische

100, 104–108, 110, 155
Automatisch inschakelen verlichting

68, 70
Automatisch noodremsysteem

126–128
AUX-aansluiting

194, 207, 233B
Banden 155, 188
Banden oppompen
155, 188
Bandenreparatieset

161
Bandenspanning

155, 163, 167, 188
Bandenspanningscontrole (met set)

161, 163
Bandenspanning te laag (detectie)

11 0
Batterij afstandsbediening ~
Afstandsbediening, batterij

32–33, 65
Batterij afstandsbediening vervangen ~
Afstandsbediening, batterij vervangen

32
Bediening autoradio aan
stuurkolom ~ Autoradio, bedieningen
aan stuurkolom

190, 202, 217
Bekerhouder

49
Beladen

53, 149
Benzinemotor

151, 185
Bijvullen AdBlue®

153, 157
Binnenspiegel

46
BlueHDi

153, 160
Bluetooth
(handsfree set)

196–197, 210–211, 234–235
Bluetooth (telefoon)

210–211, 234–236
Bluetooth-telefoon met spraakherkenning

199
Bluetooth-
verbinding

197, 210–211, 230, 234–236
Boordcomputer

22–23
Boordgereedschap

160–161
Brandstof

7, 143
Brandstofadditief

153–154
Brandstofniveaumeter

143–144

Page 246 of 260

244
Trefwoordenregister
Brandstoftank 143–144, 143–145
Brandstof tanken
143–144
Brandstoftank leeg (diesel)

160
Brandstofverbruik

7
Brandstofvuldop ~
Brandstoftankdop

143–144
Brandstofvulklep ~
Brandstoftankklep

143–144
Buitenlandse reizen

68
Buitenspiegels

45–46, 63, 132
C
Carrosserie 159
Carrosserie-onderhoud
159
CD

194, 207
CD MP3

194–195, 207
CD-/MP3 -speler

194–195
Centrale vergrendeling

25, 29–30
Claxon

79
Connectiviteit

228
Contact

99, 236
Contact aangezet

99
Controlelampjes

11
Controles

151, 154–155
D
DAB (Digital Audio Broadcasting) -
Digitale radio
192–193, 206, 232
Dagrijverlichting 170
Dakklep
37
Dashboardkastje

49
Datum (instellen)

213, 238
Datum instellen

213, 238
Detectie obstakels

135
Detectie te lage bandenspanning ~
Bandenspanning, detectie

110–111, 163
Dieselmotor

143, 151, 160, 186–187
Digitale radio - DAB
(Digital Audio Broadcasting)

192, 206, 232
Dimlicht

67, 168–169
Dodehoekbewaking

132, 133, 134
Draadloze lader

51
Dynamische noodrem

101–103
E
Eco-mode ~ Eco-modus 149
Eco-rijden (adviezen)
7
Electronic Stability Program (ESC)

80, 82
Elektrisch bedienbare schuifdeur

29–30, 36
Elektrisch bediende handrem ~
Handrem, elektrisch bediend

100–103, 155
Elektrische ruitbediening

40
Elektronische remdrukregelaar (REF)

79
Elektronische remdrukregelaar (REF) ~
Electronic Brake Force Distribution (EBD)

79–80
Elektronische sleutel

24–25, 100
Elektronische startblokkering ~
Startblokkering, elektronische

96
Elektronisch Stabiliteits
Programma (ESP)
79–82
ESP (Elektronisch Stabiliteits Programma)

79
Etiketten

4
Extra verwarming

38, 63–65
F
Flacon AdBlue® 156
Flessenhouder
49
Follow me home-verlichting

25
Follow me home verlichting ~
Follow-me-home-verlichting

69
Frequentie (radio)

232
Functie snelweg (richtingaanwijzers)

68
G
Gekoppeld navigatiesysteem 225–228
Gereedschap
161
Gesproken commando's ~
Spraakcommando's

219–222
Gewichten

185–187
GPS

225
Grootlicht

67, 168, 170
Grootlichtassistent

70, 133

Page 248 of 260

246
Trefwoordenregister
Menustructuren display 209
Milieu
7, 33, 65
Mistachterlicht

67, 171
Mistlampen

170
Mistlampen vóór

67, 168
Monteren allesdragers ~ Allesdragers
monteren

149–150
Motoren

185–187
Motorkap

150–151
Motorkapsteun

150–151
Motorolie

152
MP3 (CD)

195
Multiflex bank ~ Cabine Extenso

54
Multifunctioneel display (met autoradio)

190
N
Navigatiesysteem 223–225
Neerklappen stoelen achter
48
Niveau AdBlue®

153
Niveau brandstofadditief diesel ~
Brandstofaddititiefniveau

153–154
Niveau koelvloeistof ~
Koelvloeistofniveau

17, 153
Niveau remvloeistof ~
Remvloeistofniveau

153
Niveau ruitensproeiervloeistof ~
Ruitensproeiervloeistofniveau

72, 153
Niveaus controleren

151–153
Niveaus en controles

151–153
Noodbediening achterklep

32
Noodbediening portieren 24, 31
Noodoproep ~ Urgence-oproep
75–77
Noodprocedure starten

175
Noodremassistentie ~
Brake Assist System (BAS)

80, 128
Noodremassistentie (AFU) ~
Brake Assist System (BAS)

80
O
Oliefilter 154
Oliefilter (vervangen)
154
Olieniveau

152
Oliepeilstok

152
Olieverbruik

152
Onder de motorkap ~ Motorruimte

151
Onderhoud (adviezen)

158
Onderhoudsadviezen

158
Onderhoudscontroles

17, 154
Onderhoudsindicator ~
Onderhoudsintervalindicator

17
Ontdooien

46, 62
Ontgrendelen

24, 27–29
Ontgrendelen van binnenuit ~
Interieur ontgrendelen

33–35
Ontluchten brandstofsysteem ~
Brandstofsysteem ontluchten

160
Ontwasemen

62
Ontwasemen achter ~
Achterruitverwarming

45, 63
Opbergvak boven voorruit

50
Opbergvakken 50
Openen bagageruimte ~
Bagageruimte openen

24
Openen motorkap ~ Motorkap, openen

150
Openen portieren ~ Portieren openen

24
Opschakelindicator

108
Overzicht zekeringen ~
Zekeringentabel

172–174
P
Parkeerhulp achter 135
Parkeerhulp achter met grafische
weergave en geluidssignalen

135
Parkeerhulpsystemen
(algemene adviezen)

11 2
Parkeerhulp vóór

136
Parkeerhulp zijkant

136
Parkeerlichten

67, 69, 168–170
Plafonnier

66
Plafonnier achter

66
Plafonniers

66
Plafonnier voor

66
Portieren sluiten

25, 29–30
Profielen

212, 238
Programmeerbare snelheidsregelaar

120
Programmeerbare verwarming

38, 63–65
Pyrotechnische gordelspanners

85