ESP Seat Alhambra 2018 Handleiding (in Dutch)
Page 236 of 340
Bedienen
Rijstrookassistent (Lane As-
s i
s
t)*
Inleiding tot thema ATTENTIE
De intelligente techniek in de rijstrookassis-
tent (Lane As
sist) kan de natuurkundig en
door het systeem zelf bepaalde grenzen niet
overwinnen. Het onachtzame of ongecontro-
leerde gebruik van de rijstrookassistent kan
ernstig letsel en ongevallen veroorzaken. On-
danks het systeem moet de bestuurder te al-
len tijde opmerkzaam blijven.
● Pas de snelheid aan en houd een veilige af-
stand aan t
ot uw voorliggers afhankelijk van
het zicht, het klimaat, het wegdek en het ver-
keer.
● Houd altijd de handen aan het stuur.
● De rijstrookassistent registreert niet alle
wegdekm
arkeringen. Onder bepaalde om-
standigheden kan de rijstrookassistent een
slechte toestand van het wegdek, construc-
ties op het wegdek of bepaalde objecten on-
bedoeld aanzien voor wegdekmarkeringen. In
dergelijke situaties moet u de rijstrookassis-
tent onmiddellijk uitschakelen.
● Let op de aanwijzingen op het display van
het ins
trumentenpaneel en volg ze op.
● Let altijd goed op de omgeving van de auto. Let op
De rijstrookassistent is exclusief ontwikkeld
voor rijden op a sf
altwegen. Let op
Als de rijstrookassistent niet werkt zoals be-
sc hr
even is in dit hoofdstuk, moet dit sys-
teem uitgeschakeld worden en moet u naar
een gespecialiseerde werkplaats gaan. Let op
Indien een storing wordt waargenomen in het
sys t
eem, wordt het aanbevolen het systeem
te laten nakijken in een gespecialiseerde
werkplaats. Controlelampjes
Knippert of gaat geel branden
Rijstrookassis-
tent (Lane As-
sist) ingescha-
keld, maar niet
actief.Het systeem kan de rijstrook niet
duidelijk registreren. Zie
pag. 235,
De rijstrookassistent is niet actief
(controlelampje licht geel op) .
Knippert of gaat groen bran-
den
Rijstrookassistent (Lane Assist) ingeschakeld en actief. Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
g
aan sommig
e c
ontrole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Waarschu-
win g
s- en controlelampjes op pag. 110 in
acht nemen. Werkwijze
Afb. 219
Op de voorruit: Zichtveld van de ca-
mer a v
an de rijstrookassistent. Met behulp van de camera in de voorruit regi-
s
tr
eer
t de rijstrookassistent de grenslijnen
van een rijstrook. Als de auto onwillekeurig
een waargenomen grenslijn nadert, meldt
het systeem dit aan de bestuurder via een
waarschuwing in de vorm van stuurvibraties .
234
Page 246 of 340
Bedienen
Aanhangwagen
Sc h
ak
el de aanvullingen aanwijzingen m.b.t.
de snelheidslimieten en de geldende inhaal-
verboden bij rijden met aanhanger (aanhan-
gerstand) in of uit via het menu Instellin-
gen in het SEAT informatiesysteem
››› pag. 28.
Vermoeidheidsherkenning (ad-
vies
om een pauze te nemen)
Inleiding tot thema ATTENTIE
Het hogere comfort dat de vermoeidheidsde-
tectie b iedt, m
ag geen aanleiding vormen tot
het nemen van risico's. Bij het maken van
lange ritten moet op regelmatige afstanden
worden gepauzeerd gedurende langere tijd.
● De bestuurder is te allen tijde verantwoor-
delijk v
oor het inschatten van zijn rijbe-
kwaamheid.
● Rijd nooit als u vermoeid bent.
● Het systeem detecteert niet altijd de ver-
moeidheid bij de bes
tuurder. Lees het onder-
deel ››› pag. 245, Beperkte werking grondig
door.
● In bepaalde gevallen interpreteert het sys-
teem foutief
een bedoeld manoeuvre als een
teken van vermoeidheid van de bestuurder. ●
Indien er spr ak
e is van een "kortstondige
dip" achter het stuur, wordt geen waarschu-
wing gegeven!
● Houd de indicaties op de display in het in-
strumentenp
aneel in de gaten en handel con-
form de indicaties. Let op
● De v
ermoeidheidsdetectie is uitsluitend be-
doeld voor ritten op auto(snel)wegen en bre-
de straten.
● Indien het systeem een storing vertoont,
laat dit
dan nakijken door een gespecialiseer-
de werkplaats. Werking en bediening
Afb. 227
Op het display van het instrumen-
t enp
aneel: symboo
l voor detectie van ver-
moeidheid. De vermoeidheidsdetectie registreert aan het
be
gin
v
an een traject het stuurgedrag van de
bestuurder en beoordeelt op basis daarvan
vervolgens of de bestuurder vermoeid raakt.
Het aan het begin geregistreerde gedrag
wordt continu vergeleken met het actuele
stuurgedrag. Zodra het systeem vermoeid-
heid vermoedt bij de bestuurder, geeft dit
een akoestisch signaal in de vorm van een
"gong", een optisch signaal middels een
symbool en een aanvullende melding op het
instrumentenpaneel ››› afb. 227. Het bericht
op het scherm in het instrumentenpaneel
wordt gedurende ongeveer 5 seconden weer-
gegeven en indien nodig herhaald. Het sys-
teem onthoudt het laatst weergegeven be-
richt.
Het bericht dat verschijnt op het scherm in
het instrumentenpaneel kan worden uitgezet
door op de knop OK te drukken aan het mul-
tif u
nctie-
stuur of door op de ruitenwisserhen-
del te drukken ›››
pag. 29. Via de multi-
functie-indicatie ›››
pag. 29 kan worden
teruggekeerd naar weergave van het bericht
op het scherm van het instrumentenpaneel.
Bedrijfscondities
Het stuurgedrag wordt uitsluitend beoor-
deeld bij snelheden hoger dan 65 km/u (40
mijl per uur).
244
Page 247 of 340
Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
In- en uitschakelen
Het sy
s
teem kan worden aan- en uitgezet via
het menu Assistent . Zodra een hulpsys-
teem is geactiveerd, wordt dat aangegeven
door een "markering".
Beperkte werking
De vermoeidheidsdetectie kent een aantal
beperkingen. Zo is het mogelijk dat onder
bepaalde omstandigheden het stuurgedrag
niet correct wordt geïnterpreteerd. Bijvoor-
beeld in de volgende situaties:
● bij snelheden lager dan 65 km/u (40 mijl
per uur),
● op kronkelige wegen
● op wegen met slecht wegdek
● bij slechte weersomstandigheden
● bij een sportieve rijstijl
● zodra de bestuurder flink wordt afgeleid.
De v
ermoeidheidsdetectie schakelt uit zodra
het contact wordt uitgezet resp. zodra de be-
stuurder de veiligheidsgordel ontgrendelt en
het portier opent. Bij een snelheid langzamer
dan ca. 65 km/u (40 mijl per uur) gedurende
langere tijd stopt het systeem automatisch
met controleren op vermoeidheid. Als vervol-
gens weer sneller wordt gereden, hervat het
systeem de controle van het stuurgedrag. Dynamische onderstelregeling
(DCC)*
Werk
ing en bediening Afb. 228
In de middenconsole: toets voor in-
s t
el
len van dynamische onderstelregeling. De dynamische onderstelregeling past tij-
den
s
het
rijden constant de demping aan de
toestand van het wegdek en de huidige rijsi-
tuatie aan, overeenkomstig het ingestelde
programma.
In het programma "Sport" wordt ook het rich-
tingsgevoel aangepast.
ProgrammaAanbevolen rijsituaties
"COMFORT" C
Instelling voor het maximale com-
fort, bijvoorbeeld bij het rijden op
een wegdek in slechte staat of het
afleggen van lange afstanden.
ProgrammaAanbevolen rijsituaties
"NORMAAL"Tussenafstelling, bijvoorbeeld
voor dagelijks gebruik.
"SPORT" SSportieve instelling, bijvoorbeeld
voor een sportieve rijstijl. Het programma selecteren
● Contact inschakelen.
● Druk de toets zo v
aak als nodig is in tot
het gewenste programma weergegeven
wordt.
Het programma "NORMAAL" is actief wanneer
op de toets C noch S brandt. ATTENTIE
Als de dynamische onderstelregeling tijdens
het rijden in g
esteld wordt, kan dit de aan-
dacht van het verkeer afleiden en een ongeval
veroorzaken. ATTENTIE
De afstelling van de demping kan de rijeigen-
sc h
appen beïnvloeden. Het gebruik van de
dynamische onderstelregeling mag geen aan-
leiding zijn voor het nemen van risico's.
● De snelheid en de rijstijl aanpassen aan het
zicht, het
weer, het wegdek en het verkeer. » 245
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 248 of 340
Bedienen
Let op
Als de dynamische onderstelregeling niet
werkt
zoals in dit hoofdstuk beschreven
wordt, laat het systeem dan in een gespecia-
liseerde werkplaats nakijken. Let op
Bij een storing van de dynamische onderstel-
re g
eling gaan op de toets de aanduidingen C
en S branden. Het rijcomfort kan tijdens de
storing negatief beïnvloed zijn. Laat het sys-
teem door een gespecialiseerde werkplaats
controleren. Bandenspanningscontrolesys-
t
eem
In l
eiding tot thema De bandenspanningsindicator controleert tij-
den
s
het
rijden met behulp van de ABS-sen-
soren de bandenspanning van de vier ban-
den. De sensoren controleren de afrolomtrek
en de trillingen van elke band. De banden-
spanningsindicator geeft tijdens het rijden
een waarschuwing af als het systeem een
aanzienlijke daling van de bandenspanning
in een of meer van de banden waarneemt.
Het systeem waarschuwt u over de daling van
de bandenspanning via het lampje , in
combinatie met een akoestisch signaal, en een tekstbericht in het display van het instru-
mentenpaneel
. Als u het bestuurdersportier
opent, vindt u aan de binnenkant van de stijl
een sticker waarop de vulspanning van de
banden wat maximaal toelaatbare belasting
per goedgekeurde band voor de wagen in
kwestie betreft, vermeld staat. Als u op de in-
stelknop van de bandenspanningsindicator
drukt, kunt u de bandenspanning vergelijken
zodat de te controleren bandenspanning
overeenkomt met de huidige bandenspan-
ning ››› pag. 248.
Toepasselijk gebruik van instelknop ››› pag.
248. ATTENTIE
Als u de wielen en banden verkeerd gebruikt,
kan de b anden
spanning plotseling afnemen,
het loopvlak loslaten of de band zelfs explo-
deren.
● Controleer de bandenspanning regelmatig
en zor
g dat de banden altijd tot de aangege-
ven bandenspanning gevuld zijn. Als de ban-
denspanning te laag is, kunnen de banden te
heet worden en kunnen de loopvlakken losla-
ten en zelfs exploderen.
● Als de banden koud zijn, moet u ervoor zor-
gen dat
de bandenspanning altijd gelijk is
aan de bandenspanning die op de sticker ver-
meld is ››› pag. 307.
● Controleer wanneer de banden koud zijn re-
gelmatig de b
andenspanning. Pas indien no-
dig de bandenspanning van de op de wagen ingebouwde banden aan aan die van de ban-
dens
p
anning bij koude banden.
● Controleer regelmatig of de banden slijtage
vert
onen of beschadigd zijn.
● Overschrijd nooit de snelheid en maximum
toelaat
bare belasting voor het type band van
uw wagen. ATTENTIE
Als u de instelknop van de bandenspannings-
indic ator niet
correct gebruikt, is het moge-
lijk dat de indicator verkeerde waarschuwin-
gen afgeeft, of dat, ook al bestaat er het risi-
co dat de bandenspanning te laag is, dit niet
aanduidt ››› pag. 248. VOORZICHTIG
● Als
de ventieldoppen niet geplaatst zijn,
kunnen de ventielen van de banden bescha-
digd raken. Zorg er daarom voor dat de ven-
tieldoppen dezelfde zijn als de ventieldoppen
uit de serie en dat ze correct vastgeschroefd
zijn. Gebruik geen metalen ventieldoppen
››› pag. 248.
● Beschadig de ventielen niet wanneer u de
banden wi
sselt ››› pag. 248. Milieu-aanwijzing
Als de bandenspanning te laag is, neemt het
brand s
tofverbruik en slijtage van de banden
toe. 246
Page 249 of 340
Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Let op
● Ver tr
ouw niet alleen maar op het banden-
spanningscontrolesysteem. Controleer de
banden regelmatig om er zeker van te zijn dat
de bandenspanning correct is en dat de ban-
den niet beschadigd zijn (steken, sneden,
scheuren en bulten). Haal het voorwerp uit de
band, mits dit niet in de band zelf vastzit.
● Het bandenspanningscontrolesysteem is in
de fabriek in
gesteld op de aanbevolen ban-
denspanning. Deze vindt u op de sticker aan
de binnenkant van de stijl ››› afb. 252. Elementen van bandenspanningsindi-
c
at
or
Bandenspanningsindicator met toets.
Zie ››› pag. 248.
Controlelampje in het instrumentenpaneel.
Knop in de middenconsole.
Controle van afrolomtrek van alle banden met ABS-
sensoren (indirecte meting).
Instelbare bandenspanning voor normale en volle la-
ding.
Toets voor bijwerken van systeem na wijzigen van
bandenspanning. Controlelampje
Knippert of brandt
De bandenspanning
van een band is aan-
zienlijk gedaald ten
opzichte van de
door de bestuurder
ingestelde banden-
spanning
››› pag.
248. Zet de wagen stil!
Verlaag de
snelheid onmiddellijk! Breng de
wagen tot stilstand zodra dit op
een veilige wijze mogelijk is.
Voorkom bruuske manoeuvres
en abrupt remmen!
Controleer of alle banden alsme-
de de bandenspanning daarvan.
Vervang de beschadigde ban-
den.
Storing in het sys-
teem.
Als de bandenspanning correct
is en het lampje na het uit- en
inschakelen van het contact
blijft branden, ga dan naar een
gespecialiseerde werkplaats.
Laat het systeem nakijken. Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
g
aan sommig
e c
ontrole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Waarschu-
win g
s- en controlelampjes op pag. 110 in
acht nemen. ATTENTIE
Als de bandenspanning verschillend of te
laag i s, k
an een van de banden kapot gaan en kunt u de controle over de wagen verliezen,
wat
k
an leiden tot een ernstig of dodelijk on-
geval.
● Als het lampje gaat br
anden, zet de wa-
gen dan onmiddellijk stil en controleer de
banden.
● Als de bandenspanning van de banden ver-
schi
llend of te laag is, kunnen de banden
sneller slijten, neemt de stabiliteit van de wa-
gen af en neemt de remweg toe.
● Als de bandenspanning van de banden ver-
schi
llend of te laag is, kan een van de banden
kapot gaan en exploderen, waardoor u de
controle over de wagen kunt verliezen.
● De bestuurder is er verantwoordelijk voor
dat a
lle banden van de wagen de correcte
bandenspanning hebben. De aanbevolen
bandenspanning vindt u op een sticker ››› afb.
252.
● Het bandenspanningscontrolesysteem
werkt a
lleen correct als alle banden in koude
toestand de correcte bandenspanning heb-
ben.
● Als de bandenspanning niet correct is, kun-
nen de banden bes
chadigd raken en kan dit
leiden tot ongevallen. Controleer of de ban-
denspanning van alle banden altijd overeen-
stemt met de lading van de wagen.
● Vul voordat u gaat reizen de banden altijd
eerst
met lucht aan tot de correcte banden-
spanning.
● Als de bandenspanning te laag is, komen
de banden onder druk t
e staan en worden ze
heet waardoor de loopvlakken beschadigd » 247
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 250 of 340
Bedienen
kunnen raken en de banden kunnen explode-
ren.
●
Bij hog e s
nelheden en een overbeladen wa-
gen ku
nnen de banden heet worden en explo-
deren, waardoor u de controle over de wagen
kunt verliezen.
● Een te lage of te hoge bandenspanning ver-
kort
de levensduur van de banden, en heeft
een ongunstige uitwerking op het rijgedrag
van de wagen.
● Als de band niet "lek" is en niet noodzake-
lijkerw
ijs onmiddellijk vervangen moet wor-
den, rijd dan met lage snelheid naar de
dichtstbijzijnde gespecialiseerde werkplaats
en laat de bandenspanning controleren en
aanpassen. Bandenspanningscontrole
Afb. 229
Deel van de middenconsole: toets
v an b anden
spanningsindicator. De bandenspanningsindicator vergelijkt met
de ABS-
sen
sor
en de omwentelingen en dus
het loopoppervlak van iedere band. Als de af-
rolomtrek van een band verandert, geeft de
bandenspanningsindicator dit in het instru-
mentenpaneel aan. Het loopoppervlak van
een band kan variëren:
● Als de bandenspanning onvoldoende is.
● Als de bandenstructuur beschadigd is.
● Als de wagen onevenwichtig geladen is.
● Als de banden van een as meer last dragen
(bijv
. bij het rijden met aanhangwagen).
● Als de wagen met sneeuwkettingen rijdt.
● Als het wiel van een as werd vervangen.
De banden
spanningsindicator kan onder
bepaalde omstandigheden vertraagd reage-
ren of niets aanduiden (bijv. bij sportief rij-
den, besneeuwde wegen of onverharde we-
gen).
Bandenspanningsindicator aanpassen
Houd na het wijzigen van de bandenspan-
ning of het verwisselen van een of meerdere
wielen, en bij ingeschakeld contact, de toets
››› afb. 229 van de bandenspanningsindica-
tor ingedrukt tot een akoestisch bevesti-
gingssignaal weerklinkt. Doe dit bijvoorbeeld
ook wanneer u de voor- en achterwielen om-
wisselt ››› afb. 251. Als de wielen een zware lading moeten dra-
gen (rijden met aanh
angwagen, zware la-
ding), moet u de bandenspanning vergroten
tot de aanbevolen maximum bandenspan-
ning ››› pag. 303. Druk op de toets van de
bandenspanningsindicator om de nieuwe
spanningswaarde te bevestigen. Let op
Wanneer u sneeuwkettingen gebruikt, kan er
een fout e aan
wijzing worden weergegeven
omdat door de kettingen de wielomtrek toe-
neemt. 248
Page 252 of 340
Bedienen
●
Pro beer in g
een geval de wagen met aan-
hangwagen weer "recht te krijgen" door te
accelereren. ATTENTIE
Als u met een aanhangwagen rijdt en een
tr ek h
aak gebruikt die niet door SEAT inge-
bouwd is, dan moet u de Start-Stop-functie
handmatig deactiveren. Als u dat niet doet,
kan er een storing in het remsysteem optre-
den, waardoor een ernstig ongeval veroor-
zaakt kan worden.
● Deactiveer de Start-Stop-functie altijd
handmatig a
ls de aanhangwagen op een niet
door SEAT ingebouwde trekhaak aangekop-
peld is. Let op
● Sch ak
el het alarmsysteem altijd uit voordat
u een aanhangwagen aankoppelt of afkoppelt
››› pag. 123. Doet u dat niet, dan kan de hel-
lingshoeksensor het alarm per ongeluk acti-
veren.
● Rijd met nieuwe motor (gedurende de eer-
ste 1.000 km of
600 mijl) ››› pag. 260 niet
met aanhangwagen.
● SEAT raadt aan de stang met kogelkop naar
binnen te k
antelen als u geen aanhangwagen
gebruikt. Als u van achteren aangereden
wordt, kan de schade aan de wagen door de
ingebouwde stang met kogelkop groter zijn.
● Sommige modellen hebben een trekhaak
voor het s
lepen van wagens nodig. Daarom moet de stang met kogelkop van de trekhaak
altijd in de w
ag
en worden meegenomen. Technische voorwaarden
Als uw wagen al
af fabriek met
een trekhaak
is geleverd, moet er nog een klembeugel
voor de hulpkoppeling of de handrembreek-
kabel worden gemonteerd. Voor de rest is
reeds aan alle technische en wettelijke eisen
voor het rijden met een aanhangwagen vol-
daan.
Gebruik alleen een goedgekeurde trekhaak
voor het toelaatbare totaalgewicht van de te
transporteren aanhangwagen. De trekhaak
moet geschikt zijn voor de wagen en de aan-
hangwagen, en goed op het chassis van de
wagen zijn bevestigd. Gebruik alleen een
trekhaak met demonteerbare stang met ko-
gelkop. Controleer altijd de aanwijzingen van
de fabrikant van de trekhaak en neem die in
acht. Bouw nooit een trekhaak "in die het ge-
wicht verdeelt" of "de lading gelijkmatig ver-
deelt".
In bumper ingebouwde trekhaak
Bouw nooit een trekhaak of de bevestigings-
punten ervan in de bumper in. Een trekhaak
mag het gedrag van de bumper niet beïn-
vloeden. Wijzig het uitlaat- en het remsys-
teem niet. Controleer regelmatig of de trek-
haak goed ingebouwd is. Koelsysteem van motor
Al
s
u met de wagen een aanhangwagen
trekt, moeten de motor en het koelsysteem
harder werken. Het koelsysteem moet vol-
doende koelmiddel bevatten en de toelaat-
bare belasting van het rijden met aanhang-
wagen kunnen weerstaan.
Rem van aanhangwagen
Als de aanhangwagen zijn eigen remsysteem
heeft, dan moet u de geldende wettelijke
voorschriften met betrekking hiertoe in acht
nemen. Het remsysteem van de aanhangwa-
gen mag nooit op het remsysteem van de wa-
gen worden aangesloten.
Kabel van de aanhangwagen
Gebruik altijd een kabel tussen de wagen en
de aanhangwagen ››› pag. 253.
Achterlichten van de aanhangwagen
De achterlichten van de aanhangwagen moe-
ten aan de daarvoor bestemde normen vol-
doen ››› pag. 253.
Sluit de achterlichten van de aanhangwagen
nooit rechtstreeks aan op het elektrische sys-
teem van de wagen. Als u twijfelt of de elek-
trische aansluiting van de aanhangwagen
goed aangesloten is, neem dan contact op
met een gespecialiseerde werkplaats. SEAT
raadt u aan om een Technische Dienst te
raadplegen.
250
Page 253 of 340
Trekhaak voor aanhangwagen en aanhangwagen
Buitenspiegels
A l
s
het blikveld achter de aanhangwagen
niet met de twee buitenspiegels van de trek-
kende wagen waargenomen kan worden, zijn
buitenspiegels nodig die voldoen aan de
wettelijke bepalingen in elk land. De buiten-
spiegels moeten worden gemonteerd voordat
u gaat rijden en bieden voldoende blikveld
naar achteren.
Elektrisch verbruik van aanhangwagen
Overschrijd de gespecificeerde waarden
nooit:
Geräte (Apparaten)Maximum vermogen
Rem - en achterlicht50 watt
Knipperlichten (elke zijde)54 watt
Remlicht (totaal)84 watt
Achteruitrijlichten (totaal)42 watt
Achterste mistlicht42 watt ATTENTIE
Als de trekhaak verkeerd ingebouwd is of de
verk eer
de trekhaak gebruikt is, is het moge-
lijk dat de aanhangwagen van de wagen los-
komt en een ernstig ongeval veroorzaakt. VOORZICHTIG
● Als
de achterlichten van de aanhangwagen
niet correct aangesloten zijn, kan de elektro-
nica van de wagen beschadigd raken.
● Als de aanhangwagen teveel stroom ver-
bruikt, kan de elektr
onica van de wagen be-
schadigd raken.
● Sluit het elektrische systeem van de aan-
hang
wagen nooit aan op de elektrische aan-
sluitingen van de achterlichten of een andere
voedingsbron. Gebruik alleen geschikte aan-
sluitingen voor de voeding van de aanhang-
wagen. Let op
● Van w
ege de hogere belasting van de wagen
bij regelmatig gebruik van een aanhangwa-
gen adviseert SEAT u om in zo'n geval de wa-
gen ook tussen de voorgeschreven onder-
houdsbeurten in te laten onderhouden.
● In sommige landen moet een extra brand-
blus
ser meegenomen worden als het gewicht
van de wagen meer dan 2.500 kg bedraagt. Elektrisch ontgrendelbare stang met
k
og
elk
op* Afb. 230
Rechts in de bagageruimte: knop
v oor el
ektri
sch kantelen van stang met kogel-
kop van trekhaak. In het kantelbereik van de stang met kogel-
k
op mog
en
zich geen personen, dieren of
voorwerpen bevinden ››› .
D e s
t
ang met kogelkop van de aanhangwa-
gen bevindt zich in de bumper. De elektrisch
ontgrendelbare stang met kogelkop zit vast,
kan niet uitgebouwd worden.
Stang met kogelkop ontgrendelen en open-
klappen
● Wagen tot stilstand brengen en de elektri-
sche p
arkeerrem inschakelen.
● Motor afzetten.
● Achterklep openen. »
251
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 254 of 340
Bedienen
● Knop ››
›
afb. 230 kort indrukken. De stang
met kogelkop wordt elektrisch ontgrendeld
en kantelt zelfstandig naar buiten; het lamp-
je in de toets gaat knipperen.
● Beweeg de stang met kogelkop tot de
stan
g helemaal vastklikt. Hierna gaat het
controlelampje in de toets branden.
● Achterklep sluiten.
● Voor het aankoppelen van een aanhangwa-
gen de bes
chermdop verwijderen.
● Het controlelampje brandt alleen als de
achterk
lep geopend is en de aanhangwagen
niet aangekoppeld is.
Stang met kogelkop in oorspronkelijke stand
terugzetten
● Wagen tot stilstand brengen en de elektri-
sche p
arkeerrem inschakelen.
● Motor afzetten.
● Aanhangwagen loskoppelen en de elektri-
sche
verbinding tussen de wagen en de aan-
hangwagen losmaken. Indien nodig de voe-
dingsadapter verwijderen.
● Beschermdop op stang met kogelkop plaat-
sen.
● Achterklep openen.
● Knop ››› afb
. 230 kort indrukken. De stang
met kogelkop wordt elektrisch ontgrendeld;
het lampje in de toets gaat knipperen. ●
Steek de s
tang met kogelkop in de bumper
tot de stang vastklikt. Het controlelampje in
de toets gaat vervolgens branden.
● Achterklep sluiten.
Betek
enis van controlelampje
● Als het controlelampje knippert, bevindt de
s
tang met kogelkop zich nog niet in de eind-
positie; is niet vastgeklikt of is beschadigd
››› .
● Als het controlelampje blijf
t
branden en de
achterklep geopend is, is de stang met ko-
gelkop correct vastgeklikt, goed neergeklapt,
goed omhooggeklapt.
● Als de achterklep gesloten is, gaat het con-
trol
elampje uit. ATTENTIE
Verkeerd gebruik van de trekhaak kan licha-
melijk l et
sel en ongevallen tot gevolg heb-
ben.
● Controleer of geen personen, dieren of
voorw
erpen in de looprichting van de stang
met kogelkop bevinden.
● Druk de knop nooit in als een aanhangwa-
gen aang
ekoppeld is, of als een dakdrager-
systeem of ander accessoire boven de stang
met kogelkop ingebouwd is.
● Ga niet met een gereedschap aan de slag
als
de stang met kogelkop beweegt.
● Rijd nooit met een aanhangwagen als het
contro
lelampje niet brandt. ●
Als
er in het elektrische systeem of in de
trekhaak een storing optreedt, ga dan naar
een gespecialiseerde werkplaats om de trek-
haak te controleren.
● Als de binnendiameter van de trekhaak
minder dan 49 mm is, g
ebruik dan nooit een
trekhaak. VOORZICHTIG
● Als
er iets aan de stang met kogelkop be-
vestigd is, bedien de toets dan in geen geval.
● Richt een hogedrukreiniger of stoomdruk-
reiniger niet
direct op de stang met kogelkop
of voedingsadapter van de aanhangwagen.
De pakkingen kunnen beschadigd raken of
het smeermiddel kan verwijderd worden. Let op
Het is mogelijk dat bij extreem lage tempera-
tur en de tr
ekhaak niet ingeschakeld kan wor-
den. In dit geval hoeft u de wagen slechts op
een warmere plek te zetten (bijv. een garage). Een fietsendrager op de beweegbare
s
t
an
g met kogelkop monteren Als u een fietsenrek op de stang met kogel-
k
op inbou
wt, i
s de maximum toelaatbare be-
lasting 75 kg, en de afstand tussen de steu-
nen maximaal 30 cm. De afstand tussen de
252
Page 256 of 340
Bedienen
Wanneer de aanhangwagen een 7-po lig
e s te-
ker heeft, moet u een bijbehorende adapter-
kabel gebruiken. In dat geval is de functie
van pin 10 niet beschikbaar.
Kabel van de aanhangwagen
Bevestig de kabel van de aanhangwagen al-
tijd correct op de trekkende wagen. Laat
daarbij altijd de kabel van de aanhangwagen
een beetje doorhangen voor de bochten.
Houd er echter wel rekening mee dat de ka-
bel tijdens het rijden de grond niet mag ra-
ken.
Achterlichten van de aanhangwagen
Zorg ervoor dat de achterlichten van de aan-
hangwagen correct functioneren en aan de
geldende wettelijke voorschriften voldoen.
Zorg ervoor dat de aanhangwagen niet meer
dan het maximum toelaatbare vermogen ver-
bruikt ››› pag. 251.
Aanhangwagen aangesloten op het alarm-
systeem: ● Als de wagen in de fabriek uitgerust is met
een alarmsys
teem en een trekhaak.
● Als de aanhangwagen via de steker op
elektris
che wijze op de wagen aangesloten
is.
● Als het elektrische systeem van de wagen
en de aanhan g
wagen correct werken, zonder
storingen en niet beschadigd zijn. ●
Al s
de wagen met de wagensleutel vergren-
deld is en het alarmsysteem ingeschakeld is.
Als de wagen vergrendeld is, wordt het alarm
geactiveerd wanneer de elektrische verbin-
ding tussen de wagen en de aanhangwagen
onderbroken wordt.
Schakel voor het aan- of loskoppelen van de
aanhangwagen altijd eerst het alarm uit.
Doet u dat niet, dan kan de hellingshoeksen-
sor het alarm per ongeluk activeren.
Aanhangwagens met led-achterlichten
Om technische redenen kunnen aanhangwa-
gens met led-achterlichten niet in het alarm-
systeem opgenomen worden.
Als de wagen vergrendeld is, wordt het alarm
niet geactiveerd wanneer de elektrische ver-
binding met de aanhangwagen onderbroken
wordt, indien die led-achterlichten heeft. ATTENTIE
Als de elektrische kabels fout of niet goed
zijn aan g
esloten, is het mogelijk dat de aan-
hangwagen stroom geleverd krijgt. Hierdoor
kan er een storing in de elektronica van de
wagen optreden die tot een ernstig ongeval
kan leiden.
● Alle werkzaamheden aan het elektrisch
syst
eem moeten uitsluitend in een gespecia-
liseerde werkplaats uitgevoerd worden. ●
Sluit het el
ektrische systeem van de aan-
hangwagen nooit aan op de elektrische aan-
sluitingen van de achterlichten of een andere
voedingsbron. VOORZICHTIG
Laat de aanhangwagen niet aan de wagen
aan gek
oppeld zitten als u de aanhangwagen
met behulp van het hulpwiel of de steunen
geparkeerd hebt. Als u bijvoorbeeld de lading
verandert of een lekke band hebt, gaat de wa-
gen omhoog of omlaag. De kracht die op de
trekhaak en de aanhangwagen uitgeoefend
wordt, kan de wagen of de aanhangwagen be-
schadigen. Let op
● Bij st orin
gen in het elektrische systeem van
de wagen of aanhangwagen of bij problemen
met het alarmsysteem moet u het systeem la-
ten controleren in een gespecialiseerde werk-
plaats.
● Als de accessoires van de aanhangwagen
bij uitg
eschakelde motor energie van het
stopcontact afnemen, wordt de accu ontla-
den.
● Om technische redenen kunnen aanhang-
wagen
s met LED-achterlichten niet in het
alarmsysteem geïntegreerd worden.
● Als de wagenaccu bijna leeg is, wordt de
elektris
che aansluiting met de aanhangwa-
gen automatisch onderbroken. 254