service Seat Arona 2017 Handleiding (in Dutch)
Page 123 of 320
Inleiding tot het Easy Connect-systeem*Functietoetsen in het me-
nu WageninstellingenBlz.
ESC-systeem:›››
pag. 182
Banden››› pag. 293
Assistentie voor de bestuurder››› Tab. op pag. 33
Parkeren en manoeuvreren››› pag. 244
Verlichting››› Tab. op pag. 33
Achteruitkijkspiegels en ruiten-
wissers››› Tab. op pag. 33
Openen en sluiten››› Tab. op pag. 33
Multifunctie-scherm››› Tab. op pag. 33
Datum en tijd››› Tab. op pag. 33
Eenheden››› Tab. op pag. 33
Service››› pag. 116
Fabrieksinstellingen››› Tab. op pag. 33 ATTENTIE
Iedere afleiding kan tot een ongeval leiden
met het d
aaraan verbonden risico van ver-
wondingen. Het bedienen van het Easy Con-
nect-systeem kan u van het verkeer afleiden. 121
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 165 of 320
Airconditioning
De bevestigingen controleren
Na het mont
er
en van de dwarsdragers en het
dakdragersysteem, de schroefverbindingen
en de bevestigingen na een kort traject nakij-
ken en daarna regelmatig. ATTENTIE
Als de maximaal toelaatbare lading op het
dak o
verschreden wordt, kan dit leiden tot
ongevallen en aanzienlijke schade aan de wa-
gen.
● De aangeduide daklading, de op de assen
toeg
estane ladingen noch het maximaal toe-
laatbare gewicht van de wagen overschrijden.
● Het laadvermogen van de dwarsdragers en
van het d
akdragersysteem niet overschrijden,
zelfs als de maximaal toelaatbare daklading
niet bereikt werd.
● Altijd de zwaarste voorwerpen vooraan be-
ves
tigen en de lading in het algemeen gelijk-
matig verdelen. ATTENTIE
Is de lading los of niet correct bevestigd, dan
kan z
e van het dakdragersysteem vallen en
ongevallen en verwondingen veroorzaken.
● Altijd geschikte riemen en banden gebrui-
ken die in een goede s
taat verkeren.
● De lading correct bevestigen. Airconditioning
V er
w
arming, ventilatie en koe-
ling
Algemene aanwijzingen Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 49
Filter tegen schadelijke stoffen
Het interieurluchtfilter (roet- en absorptie-
koolfilter) zorgt ervoor dat verontreinigingen
in de buitenlucht (bijv. stof of pollen) worden
verminderd resp. tegengehouden.
Het interieurluchtfilter moet volgens de in het
onderhoudsprogramma aangegeven interval-
len worden vervangen, zodat de prestaties
van de airconditioning niet verminderen.
Als de werking van het filter door het gebruik
van de wagen in een gebied met veel lucht-
verontreiniging voortijdig afneemt, moet het
interieurluchtfilter vaker worden vervangen
dan in het Serviceplan staat aangegeven. ATTENTIE
Als het zicht door alle ruiten van de wagen
niet g oed i
s, neemt het risico op ongevallen
met ernstige gevolgen toe.
● Zorg ervoor dat alle ruiten ijs- en sneeuw-
vrij zijn, en d
at ze niet beslagen zijn om goed te kunnen kijken wat er buiten de wagen alle-
maa
l
gebeurt.
● Het maximale verwarmingsvermogen en de
zo snel
mogelijke ontwaseming van de ruiten
worden verkregen wanneer de motor zijn nor-
male werkingstemperatuur bereikt. Ga alleen
rijden als het zicht goed is.
● Zorg er altijd voor dat u het verwarmings-
en venti
latiesysteem, de airconditioning en
de achterruitverwarming gebruikt om goed te
kunnen zien wat er buiten de wagen allemaal
gebeurt.
● Laat de luchtcirculatie nooit gedurende een
lang
e periode aan. Wanneer het koelsysteem
niet werkt en de circulatiefunctie aan staat,
kunnen de ruiten snel beslaan en kan het
zicht zo aanzienlijk beperkt worden.
● Schakel de circulatiefunctie uit wanneer u
deze niet nodig heef
t. ATTENTIE
Gebruikte lucht verhoogt de vermoeidheid en
leidt t
ot concentratieverlies van de bestuur-
der. Dit kan een ernstig ongeval tot gevolg
hebben.
● Schakel de ventilator nooit gedurende lan-
gere tijd uit
en gebruik de luchtcirculatiefunc-
tie niet gedurende een lange tijd omdat de
lucht in de wagen niet ververst wordt. » 163
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 173 of 320
Airconditioning
● St el
de r
oosters zo in dat de luchtstroom
iets omhoog wordt geleid.
Wisselen tussen Celsius en Fahrenheit.
Houd gedurende 2 seconden de toetsen
en tegelijkertijd ingedrukt. De gegevens
verschijnen nu in de gewenste eenheid op
het scherm.
Automatische regeling
De automatische functie zorgt voor een con-
stante temperatuur en voor de verwijdering
van condens op de ruiten in het interieur van
de wagen.
● Stel de temperatuur in tussen +16°C
(+64°F) en +29°C (+84°F).
● Stel
de roosters zo in dat de luchtstroom
iets omhoog wor
dt geleid.
● Druk op de toets , op het s
cherm ver-
schijnt AUTO.
De automatische functie wordt uitgeschakeld
door op de luchtverdelingstoets te drukken
of door de snelheid van de aanjager lager te
zetten. De temperatuur blijft echter geregeld.
Temperatuur instellen ● Tijdens het inschakelen van het systeem,
kunt
u de knop 1
›
››
afb. 172 gebruiken om
de gewenste binnentemperatuur in te stellen. De binnentemperatuur kan ingesteld worden
tus
sen +16°C (+64°F) en +29°C (+84°F). Bin-
nen dit bereik wordt de temperatuur automa-
tisch geregeld. Als een temperatuur wordt ge-
selecteerd die lager is dan +16°C (+64°F),
dan verschijnt de melding "LO" op het
scherm. Als een temperatuur wordt geselec-
teerd die hoger is dan +29°C (+84°F), dan
verschijnt de melding "HI" op het scherm. In
beide uiterste gevallen werkt de Climatronic
met het maximale koelings- of verwarmings-
vermogen. De temperatuur wordt niet gere-
geld.
Indien de luchtstroom langer en onregelma-
tig uit de luchtmonden komt (met name bij
de voeten) en er zich grote temperatuurver-
schillen voordoen, bijv. tijdens het verlaten
van de wagen, dan kunnen gevoelige perso-
nen verkouden worden.
Aanjagerregeling
De Climatronic regelt automatisch het aanja-
gertoerental, afhankelijk van de temperatuur
van het interieur. Het is echter mogelijk het
aanjagertoerental in te stellen op het vereiste
niveau.
● Druk op de toetsen 2 om de aanjagersnel-
heid l ag
er of
hoger in te stellen.
Als de aanjager wordt uitgeschakeld, wordt
ook de Climatronic uitgeschakeld. De voorruitontdooiing inschakelen
●
Druk op de toets ›››
afb. 172.
De voorruitontdooiing uitschakelen
● Druk meerdere malen op de toets of
druk op de toets
.
De temperatuur wordt automatisch geregeld.
Uit de roosters ››› afb. 169 2 komt een gro-
t er
e hoev
eelheid lucht. ATTENTIE
Lees de waarschuwingsaanwijzingen ›››
in
Al g
emene aanwijzingen op pag. 163 en volg
deze op. Let op
● Gea dv
iseerd wordt om eenmaal per jaar
naar een gespecialiseerde servicewerkplaats
te gaan om de airconditioning te laten
schoonmaken.
● In het onderste gedeelte bevindt zich de
sensor v
an de interieurtemperatuur. Bedek
deze niet met stickers of andere dingen, aan-
gezien de Climatronic hierdoor minder goed
zou kunnen werken. 171
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 182 of 320
Bedienen
werken in de motorruimte, zelfs met uitge-
sc
h
akeld contact. De koelluchtventilator gaat
automatisch uit. Functie "My Beat"
Voor wagens met comfortsleutel is er de func-
tie "My
B
eat". Deze functie biedt een bijko-
mende indicatie van het startsysteem van de
wagen.
Bij toegang tot de wagen, bijv. door het ope-
nen van de portieren met de afstandsbedie-
ning, knippert de knop START ENGINE STOP om
t e w
ijz
en op de overeenkomstige toets van
het startsysteem.
Bij het in-/uitschakelen van het contact gaat
het licht van de knop START ENGINE STOP knip-
per en. Bij uit
g
eschakeld contact stopt de
knop START ENGINE STOP na enkele seconden
met knip
per
en en gaat hij uit.
Wanneer de motor is gestart, blijft het licht
van de knop START ENGINE STOP vast branden
om aan t e g
ev
en dat de motor draait. De tijd
tussen het starten van de motor met de druk-
knop START ENGINE STOP en de overgang van
knip per
en n
aar vast branden van de lichten
hangt af van de kenmerken van de motorise- ring. Wordt de motor uitgezet met de knop START ENGINE STOP , dan gaat het licht van knop
opnieu w knip
per
en. Bij wagens
met st
art-stopsysteem biedt de
functie "My Beat" ook bijkomende informa-
tie:
● Wanneer de motor wordt afgezet tijdens de
Stop-fa
se, blijft het licht van de toets
START ENGINE STOP vast branden, want hoewel
de mot or uit
s
taat, is het start-stopsysteem
actief.
● Kan de motor niet opnieuw worden gestart
met het s
tart-stopsysteem, ››› pag. 203, en
moet hij handmatig worden gestart, dan zal
de knop START ENGINE STOP knipperen om deze
s it
uatie aan t
e geven.
Remmen en parkeren Remw
erking en remweg Voor een goede remwerking is het belangrijk
d
at
de r
emblokken niet zijn versleten. Deze
slijtage is sterk afhankelijk van de gebruiks-
omstandigheden en de rijstijl. Wanneer u
vaak in de stad rijdt en korte ritten maakt of
een heel sportieve rijstijl heeft, adviseren wij
u om de toestand van de remblokken vaker
bij een technische service te laten controle-
ren dan in het onderhoudsprogramma staat.
Bij het rijden met natte remmen, zoals bijv.
na het rijden door water, bij hevige regenval
of na het wassen van de wagen, is de werk-
ing van de remmen vanwege vochtige of in de winter bevroren remschijven slechter: in
dit gev
al moeten de remmen eerst worden
"drooggeremd". ATTENTIE
Een langere remweg of schade aan het rem-
sys t
eem verhogen het gevaar voor ongeval-
len.
● Nieuwe remblokken moeten eerst inrem-
men en hebben tijdens
de eerste 200 km nog
niet de optimale wrijvingskracht. Deze licht
verminderde remcapaciteit kunt u compense-
ren door met meer kracht op het rempedaal te
duwen. Dit is ook van toepassing wanneer la-
ter de remblokken moeten worden vervangen.
● Bij natte resp. bevroren remmen en bij het
rijden op weg
en die met zout zijn bestrooid,
kunnen de remmen vertraagd werken.
● Op hellingen worden de remmen veel ge-
bruikt en wor
den deze snel heet. Voordat u
een langer traject met steile hellingen om-
laag rijdt, vermindert u de snelheid, schakelt
u naar een lagere versnelling terug of kiest u
een lagere rijstand. Op deze wijze maakt u
gebruikt van de remmende werking van de
motor en belast u de remmen minder.
● Nooit de remmen "laten aanlopen" door
het pedaa
l langdurig licht ingerukt te hou-
den. Continu remmen leidt tot oververhitting
van de remmen en daarmee tot een langere
remweg. In plaats daarvan in intervallen rem-
men.
● De wagen nooit met afgezette motor laten
rol
len. De remweg wordt aanzienlijk langer 180
Page 191 of 320
Rijden
Let op
In uw Erkende servicecentrum of in een ge-
spec i
aliseerde werkplaats kan men u zeggen
of uw wagen met dit systeem is uitgerust. Handgeschakelde versnellings-
bak
Rijden met s
chakelbakLees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 48
Bepaalde uitvoeringen van het model zijn
met een 6-versnellings handgeschakelde ver-
snellingsbak uitgevoerd, waarvan het scha-
kelschema op de versnellingshendel is afge-
beeld.
De achteruitrijversnelling dient enkel met stil-
staande wagen ingeschakeld te worden.
Wacht bij een draaiende motor ca. 6 secon-
den met volledig ingetrapt koppelingspedaal
alvorens de achteruit in te schakelen om de
versnellingsbak niet te beschadigen.
Wanneer de achteruitversnelling en het con-
tact zijn ingeschakeld, branden de achteruit-
rijlichten. ATTENTIE
● De w ag
en wordt bij draaiende motor direct
in beweging gezet zodra u een versnelling in-
schakelt en het koppelingspedaal loslaat.
● Nooit tijdens het rijden de achteruitversnel-
ling ins
chakelen - gevaar voor ongevallen! Let op
● Tijdens het
rijden uw hand niet op de ver-
snellingshendel laten rusten. De druk van uw
hand wordt overgebracht op de schakelvor-
ken en kan zo op den duur leiden tot voortij-
dige slijtage van de schakelvorken.
● Koppelingspedaal helemaal intrappen wan-
neer u sch
akelt om onnodige slijtage en be-
schadigingen te voorkomen.
● Houd de wagen niet met "slippende" kop-
peling in sti
lstand op hellingen. Dit leidt tot
voortijdige slijtage van de koppeling en mo-
gelijke schade.
● Laat uw voet niet op het koppelingspedaal
rust
en; hoewel de kracht die dan daarop
wordt uitgeoefend slechts klein is, kan die
toch leiden tot vroegtijdige slijtage van de
koppelingsplaat. Gebruik de voetenruimte
wanneer niet wordt geschakeld. Automatische versnellings-
b
ak/D
SG aut
omatische ver-
snellingsbak*
Inleiding De wagen is met een schakelbak met elektro-
nis
c
he regeling uitgerust. De krachtoverbren-
ging tussen motor en versnellingsbak ge-
beurt via twee onafhankelijke koppelingen.
Deze vervangen de koppelomvormer van ge-
bruikelijke automatische transmissies en ma-
ken het accelereren van de wagen zonder
merkbare trekkrachtonderbreking mogelijk.
Met behulp van de tiptronic kunnen de ver-
snellingen naar wens ook handmatig worden
geschakeld ›››
pag. 192, Schakelen met Tip-
tronic-modus*.
Keuzehendelstanden Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 48
De ingeschakelde keuzehendelstand wordt
op het display weergegeven doordat het be-
treffende teken oplicht. Verder wordt op het
display de gekozen versnelling aangegeven
als de keuzehendel in een van de handmati-
ge standen M, D, E of S staat. »
189
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 280 of 320
Aanwijzingen
VOORZICHTIG
● De w ag
en is niet geconstrueerd voor het
gebruik van FAME-brandstof (biodiesel). Het
brandstofsysteem wordt beschadigd, indien
op deze brandstof wordt gereden.
● Brandstoftoevoegingen, zogenaamde
"vloeiverbeter
aars", benzine of dergelijke
middelen mogen niet aan de dieselolie wor-
den toegevoegd.
● Bij slechte kwaliteit van de diesel kan het
nodig zijn het
brandstoffilter te ontwateren
tussen de in het Serviceplan vermelde inter-
vallen door. Geadviseerd wordt om dit in een
gespecialiseerde werkplaats te laten uitvoe-
ren. Een ophoping van water in het filter kan
tot motorstoringen leiden. Werkzaamheden in de motor-
ruimt
e
V ei
ligheidsaanwijzingen voor werk-
zaamheden in de motorruimte Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 17
Voor alle werkzaamheden aan de motor of in
de motorruimte:
1. Motor uitschakelen en de sleutel uit het contacts
lot trekken.
2. Handrem aantrekken. 3. Versnellingshendel in neutraal resp. de
keuzehendel
in stand P zetten.
4. Motor laten afkoelen.
5. Kinderen ver van de wagen houden.
6. Motorkap openen ›››
pag. 279.
Werkzaamheden in de motorruimte alleen
zelf uitvoeren, wanneer u met de noodzakelij-
ke handelingen vertrouwd bent en over ge-
schikt gereedschap beschikt! Anders de
werkzaamheden bij een gespecialiseerde
werkplaats uit laten voeren.
Alle vloeistoffen en bedrijfsmiddelen, zoals
koelvloeistof en motorolie, maar ook bougies
en accu's worden voortdurend verder ontwik-
keld. De Erkende Seat Werkplaatsen worden
door SEAT constant op de hoogte gehouden
over wijzigingen. Wij adviseren u daarom be-
drijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen door
een Erkende Seat Werkplaats te laten vervan-
gen. Let ook op de aanwijzingen ››› pag. 265.
De motorruimte van de wagen is een gevaar-
lijke ruimte ››› .
ATTENTIE
Bij alle handelingen aan de motor of in de
motorruimt e - b
ijv. bij controleren en bijvullen
van vloeistoffen - kunnen verwondingen,
brandwonden en ander gevaar voor een onge-
val of brand ontstaan!
● Nooit de motorkap openen als u ziet dat er
stoom of
koelvloeistof uitkomt. Gevaar voor brandwonden! Wachten tot er geen damp of
koelvloei
s
tof meer naar buiten komt. De mo-
tor vóór het openen van de motorkap laten af-
koelen.
● Motor uitschakelen en de contactsleutel uit
het cont
actslot trekken.
● Trek de handrem aan en zet de versnel-
lingshendel
in de stand neutraal of de keuze-
hendel in de stand P.
● Kinderen ver van de wagen houden.
● Geen hete motordelen aanraken. Gevaar
voor brandw
onden!
● Geen vloeistof op de motor of op het uit-
laatsy
steem knoeien als deze nog heet zijn.
Brandgevaar!
● Kortsluiting voorkomen in de elektrische
inst
allatie, vooral op de starthulpaansluitin-
gen ›››
pag. 69. De accu kan exploderen!
● Nooit het koelsysteem aanraken. Deze
wordt
afhankelijk van de temperatuur gere-
geld en kan automatisch worden ingescha-
keld – ook bij uitgeschakeld contact of uit het
contact getrokken contactsleutel!
● Bedek de motor nooit met extra isolatiema-
teria
len zoals een deken. Brandgevaar!
● Nooit de vuldop van het koelvloeistofreser-
voir openen z
olang de motor warm is. Door de
hete koelvloeistof staat het koelsysteem on-
der druk!
● Vuldop bij het openen met een grote, dikke
lap afdekk
en om gezicht, handen en armen
tegen hete damp of hete koelvloeistof te be-
schermen. 278
Page 283 of 320
Controleren en bijvullen
Wagenaccu
R uit
en
sproeiervloeistofreservoir
Het controleren en bijvullen van de vloeistof-
fen wordt bij de eerder genoemde onderde-
len uitgevoerd. Deze handelingen worden be-
schreven op ››› pag. 278.
Overzicht in tabelvorm
Nadere verklaringen, aanwijzingen en beper-
kingen op de technische gegevens vindt u
vanaf ››› pag. 296. Let op
De plaats van de onderdelen kan afhankelijk
van de mot or
verschillen.Motorolie
A l
g
emene aanwijzingen De motor wordt af fabriek voorzien van een
s
pec
i
ale multigrade-olie geschikt voor elk
jaargetijde.
Omdat het gebruik van een hoogwaardige
olie een voorwaarde is voor het correct functi-
oneren en de duurzaamheid van de motor,
dient uitsluitend olie volgens de VW-normen
gebruikt te worden als u olie bijvult of ver-
verst. 5 6 De specificaties die op de volgende bladzijde
s
t
aan (VW
-normen) moeten op de verpakking
vermeld staan; indien op de verpakking van
de olie zowel de normen voor zowel benzine-
als voor dieselmotoren vermeld staan, mag
de olie zonder onderscheid voor beide soor-
ten motoren gebruikt worden.
Geadviseerd wordt het verversen van de olie
uit te laten voeren door een Erkende Seat
Werkplaats of een gespecialiseerde werk-
plaats, volgens het Onderhoudsprogramma.
De voor de motor in uw wagen geldende olie-
specificaties staan in ›››
pag. 57.
Onderhoudsintervallen
De onderhoudsintervallen kunnen flexibel
(service-interval met lange duur) of vast (af-
hankelijk van de tijd of het gereden aantal ki-
lometers).
Als op de binnenkant van de omslag van het
boekje Onderhoudsprogramma de aandui-
ding PR QI6 voorkomt, betekent dit dat voor
de wagen een service-interval met lange duur
van toepassing is, terwijl de aanduidingen
QI1, QI2, QI3, QI4 of QI7 staan voor een on-
derhoudsinterval op basis van tijd of kilome-
ters.
Variabele onderhoudsintervallen (service-in-
tervallen met lange duur*)
Er zijn speciale oliën en controles ontwikkeld
die, afhankelijk van de rijomstandigheden en rijstijl van de bestuurder, de verversingsinter-
vall
en kunnen verlengen (service-intervallen
met lange duur).
Het gebruik van deze oliën is een voorwaarde
voor het verlengen van deze onderhoudsin-
tervallen, neem daarbij altijd het volgende in
acht:
● Vermeng de olie niet met de voor vaste on-
derhoudsint
ervallen voorgeschreven olie.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 282 en LongLife-olie
niet beschikbaar is, mag met oliesoorten
voor vaste onderhoudsintervallen
››› pag. 57 maximaal 0,5 liter eenmalig
worden bijgevuld.
Vaste service-intervallen*
Als er voor de wagen geen "Service-interval
met lange duur" van toepassing is of dit in-
terval op verzoek niet wordt toegepast, ge-
bruik dan olie voor vaste onderhoudsinter-
vallen die wordt vermeld in ›››
pag. 57. In
dit geval geldt voor uw wagen een vast on-
derhoudsinterval van 1 jaar of 15.000 km
(wat het eerst wordt bereikt) ››› brochure On-
derhoudsprogramma.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 282 en de voor uw wa-
gen voorgeschreven olie niet beschikbaar is,
mag met oliesoorten volgens specificatie
ACEA A2 of ACEA A3 (benzinemotoren) resp.
ACEA B3 of ACEA B4 (dieselmotoren) »
281
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 288 of 320
Aanwijzingen
Als het vloeistofpeil echter in korte tijd sterk
d aalt
of
onder de "MIN"-markering zakt, kan
het remsysteem lek zijn geraakt. De controle-
lampjes in het instrumentenpaneel waar-
schuwen u ervoor dat het remvloeistofpeil te
laag is ››› pag. 119. ATTENTIE
Voordat u de motorkap opent en de remvloei-
st of
controleert, eerst de waarschuwingen le-
zen en deze opvolgen ››› pag. 278. Remvloeistof verversen
In het Onderhoudsprogramma staat vermeld
w
anneer de r
em
vloeistof moet worden ver-
verst.
Wij adviseren u om de remvloeistof bij een
Erkende Seat Werkplaats te laten verversen.
Voordat u de motorkap opent, eerst de waar-
schuwingen ››› in Veiligheidsaanwijzingen
v oor w
erkz
aamheden in de motorruimte op
pag. 278 in "Veiligheidsaanwijzingen voor
werkzaamheden in de motorruimte" lezen en
opvolgen.
De remvloeistof trekt vocht aan en neemt
daarom in de loop van de tijd water uit de
omringende lucht op. Een te hoog waterge-
halte van de vloeistof kan echter op den duur
corrosieschade in het remsysteem veroorza-
ken. Bovendien wordt het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk lager. Daardoor
wordt
bij sterke belasting van de remmen de
remwerking minder doordat er luchtbelvor-
ming in het remsysteem ontstaat.
Zorg ervoor dat u altijd de juiste remvloeistof
gebruikt. Gebruik uitsluitend remvloeistof die
uitdrukkelijk voldoet aan de norm VW 501
14.
U kunt remvloeistof die voldoet aan norm VW
501 14 kopen bij een SEAT dealer of bij een
officiële SEAT werkplaats. Mocht deze niet
voorradig zijn, gebruik dan uitsluitend een
remvloeistof van hoge kwaliteit die voldoet
aan de DIN-norm ISO 4925 CLASS 4 of aan de
VS-norm FMVSS 116 DOT 4.
Indien u een remvloeistof van een ander type
of van lagere kwaliteit gebruikt, kan dat de
werking van het remsysteem negatief beïn-
vloeden. Als de verpakking niet vermeld dat
de remvloeistof voldoet aan de norm VW 501
14, DIN ISO 4925 CLASS 4 of de VS-norm
FMVSS 116 DOT 4, gebruik deze vloeistof dan
niet. ATTENTIE
Remvloeistof is giftig. De remwerking neemt
aanz ien
lijk af, aangezien de viscositeit met-
tertijd verloren gaat.
● Voordat u de motorkap opent en de rem-
vloeist
of controleert, eerst de waarschuwin-
gen lezen en deze opvolgen ››› pag. 278. ●
Rem vloei
stof alleen in de gesloten origine-
le verpakking en buiten het bereik van kinde-
ren bewaren. Vergiftigingsgevaar!
● De remvloeistof vervangen volgens de aan-
wijzin
gen in het Onderhoudsprogramma. Bij
te oude remvloeistof kan het bij grote belas-
ting van de remmen tot luchtbelvorming in
het remsysteem komen. Hierdoor worden de
remwerking en bijgevolg de rijveiligheid ver-
minderd. Gevaar voor ongelukken. VOORZICHTIG
Remvloeistof tast de lak aan. Elke vloeistof-
r e s
t in contact met de lak onmiddellijk afve-
gen. Milieu-aanwijzing
Met betrekking tot het opslaan en afvoeren
van r emb
lokken en remvloeistof gelden wet-
telijke voorschriften. Het servicenetwerk van
SEAT beschikt over de nodige vakkennis en is
erop ingesteld om deze afvalstoffen milieube-
wust op te slaan en af te voeren. 286
Page 291 of 320
Wielen
Accu laden of vervangen De accu is onderhoudsvrij en wordt in het ka-
der v
an ser
vicewerkzaamheden regelmatig
gecontroleerd. Alle werkzaamheden aan de
accu vereisen speciale deskundigheid en ge-
reedschap.
Wanneer veelvuldig korte afstanden worden
gereden en bij langdurige stilstand moet u
de accu vaker dan in het kader van de norma-
le service-intervallen door een gespeciali-
seerde werkplaats laten controleren.
Bij startproblemen vanwege te weinig accula-
ding kan dit op een defecte accu wijzen. In
dit geval adviseren wij u om de accu bij een
Erkende Seat Werkplaats te laten controleren
en respectievelijk op te laden of te vervan-
gen.
Opladen van de accu
Het laden van de accu dient door een specia-
list te gebeuren aangezien accu's met een
speciale technologie worden toegepast waar-
voor laden met spanningsbegrenzing vereist
is.
Accu vervangen
De accu is overeenkomstig de inbouwplaats
ontwikkeld en met veiligheidssystemen uit-
gerust. Originele SEAT-accu's voldoen aan alle on-
derhouds-,
v
ermogens- en veiligheidseisen
van de wagen. ATTENTIE
● Wij a dv
iseren u alleen onderhoudsvrije
resp. cyclusbestendige, lekvrije accu's vol-
gens de normen T 825 06 en VW 7 50 73 te
gebruiken. Deze norm moet van augus-
tus 2001 of recentere datum zijn.
● Vóór alle handelingen aan de accu's de
waars
chuwingen lezen en opvolgen ››› in
Gebruikt e symbo
len en waarschuwingen met
betrekking tot werkzaamheden aan de accu
van de wagen op pag. 287. Milieu-aanwijzing
Accu's bevatten giftige stoffen zoals zwavel-
zuur en lood. Z
ij moeten daarom volgens de
voorschriften worden opgeslagen en afge-
voerd en horen in geen geval bij het huisvuil. Wielen
W iel
en en b
anden
Algemene aanwijzingen Beschadigingen voorkomen
– Alleen langzaam en indien mogelijk in een
rec ht
e hoek tegen stoepranden en dergelij-
ke oprijden.
– De banden niet met olie, vet en brandstof
in aanrakin
g laten komen.
– De banden regelmatig op beschadigingen
contr o
leren (gaten, sneden, scheuren en
bulten). Scherpe voorwerpen uit het ban-
denprofiel verwijderen.
Banden opslaan
– Verwijderde banden markeren. Ze moeten
namelijk dez
elfde looprichting hebben als
ze weer worden gemonteerd.
– Verwijderde banden resp. wielen koel,
droog en z
o donker mogelijk bewaren.
– Banden in verticale stand opslaan, wan-
neer ze niet
op een velg zijn gemonteerd.
Nieuwe banden
Nieuwe banden moet u inrijden ›››
pag. 197.
Op basis van constructiekenmerken en pro-
fielvormen kan de profieldiepte van nieuwe »
289
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 297 of 320
Wielen
● Tr
ek
de mat naar boven om hem te verwij-
deren.
● Koppel de kabel van de subwoofer
-luid-
spreker los.
● Draai het bevestigingswiel tegen de klok
in.
● Haal de subwoofer-luidspreker en het re-
serv
ewiel eruit.
● Plaats bij het opnieuw inbouwen van het
reser
vewiel, de subwoofer in de richting van
de pijl en met de aanduiding "FRONT" naar
voren.
● Sluit de kabel van de luidspreker opnieuw
aan en draai het w
ieltje krachtig rechtsom
om het geheel van subwoofer en wiel stevig
te bevestigen. ATTENTIE
● Na montag e
van het noodreservewiel moet
u de bandenspanning zo snel mogelijk con-
troleren - gevaar voor ongelukken! U vindt de
bandenspanning aan de achterzijde op de
portierstijl rechtsvoor.
● Rij met het noodreservewiel niet harder
dan 80 km/u (50 mph): gev
aar op ongeluk-
ken!
● Acceleraties, stevig remmen en snel door
bochten rijden
vermijden - gevaar op onge-
lukken!
● Nooit met meer dan één noodreservewiel
rijden - gevaar
voor ongelukken! ●
Om de v el
g van het noodreservewiel mag
geen normale of winterband worden gelegd. Winterservice
Wint erb
anden In de winter worden de rij-eigenschappen van
de wag
en door w
interbanden beduidend be-
ter. Zomerbanden hebben wegens hun con-
structie (breedte, rubbersamenstelling, pro-
fielvorming) op ijs en sneeuw minder grip.
De bandenspanning voor winterbanden moet
0,2 bar (2,9 psi/20 kPa) hoger zijn dan voor
zomerbanden (zie sticker aan de achterzijde
van de portierstijl linksvoor).
Gebruik winterbanden op alle vier de wielen.
De toegelaten winterbandenmaten zijn in de
wagendocumentatie aangegeven. Alleen win-
terradiaalbanden gebruiken. Alle in de wa-
genpapieren aangegeven banden kunnen
ook als winterbanden worden gebruikt.
Winterbanden verliezen grotendeels hun win-
tereigenschappen, als het profiel tot op 4
mm is afgesleten.
Voor winterbanden gelden afhankelijk van de
snelheidscode ››› pag. 292, Nieuwe banden
en velgen de volgende snelheidsbeperkin-
gen: ››› max. 160 km/u (99 mph)
m
ax. 180 km/u (112 mph)
m ax. 190 km/u (118 mph)
m
ax. 210 km/u (130 mph)
Bij wagens die de betreffende topsnelheid
van de winterbanden kunnen overschrijden,
moet een sticker in het blikveld van de be-
stuurder zijn aangebracht. Deze stickers zijn
bij de Erkende Seat Werkplaats verkrijgbaar.
Houd u aan de wettelijke bepalingen van elk
land.
Op tijd de winterbanden verwijderen, want
op sneeuw- en ijsvrije straten zijn de rij-ei-
genschappen met zomerbanden beter.
Let bij bandenpech op de aanwijzing voor het
reservewiel ››› pag. 292, Nieuwe banden en
velgen. ATTENTIE
De toegestane maximumsnelheid voor win-
terb anden m
ag niet overschreden worden.
Anders raken de banden beschadigd – gevaar
voor ongelukken. Milieu-aanwijzing
Op tijd weer de zomerbanden plaatsen. Op
deze m anier i
s er minder lawaai onder het rij-
den, slijten de banden minder en verbruikt de
wagen minder brandstof. Q
S
T
H
295
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid