display Seat Arona 2018 Handleiding (in Dutch)

Page 121 of 332

Instrumenten en controlelampjes
Instrumenten en controlelampjes
In s
trument
en
Overzicht instrumentenpaneel Afb. 125
Instrumentenpaneel, in het dashboard. De plaats van de instrumenten hangt af van
de model- en mot
oruit
v

oering.
Toerenteller (van de draaiende motor, in
honderd omwentelingen per minuut)
››› pag. 120.
Het begin van de rode zone van de toe-
renteller geeft het maximale toerental
aan in elke willekeurige versnelling na
het inrijden en met warme motor. Vóór
1 het bereiken van dit gebied, wordt aan-
bev
o
l
en op te schakelen, de keuzehendel
in stand D te zetten of de voet van het
gaspedaal nemen ››› .
K oelvloei
s

toftemperatuurmeter ››› pag.
122.
Elementen op het display ››› pag. 120.
Instel- en weergaveknop ››› pag. 122.
2 3
4 Snelheidsmeter.
Br
and
s

tofmeter ››› pag. 123. ATTENTIE
Iedere afleiding kan tot een ongeval leiden
met het d

aaraan verbonden risico van ver-
wondingen.
● De knoppen e.d. van het instrumentenpa-
neel niet tijden
s het rijden bedienen. » 5
6
119
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 123 of 332

Instrumenten en controlelampjes
Tijd
● Om de tijd in te stellen, houdt u op knop
› ›

afb. 125 4 gedurende min. 3 sec. inge-
drukt om n
aar de ur
en resp. minuten te gaan.
● Druk om verder te gaan met het instellen
op de toets 4 . Houd de toets ingedrukt om
de c ijf
er

s snel te veranderen.
● Na instelling van het uur begint het tellen
van de seconden aut
omatisch vanaf 0.
● Druk nogmaals op knop 4 om het instel-
l en
v

an de klok te beëindigen.
● Na instelling van het uur verdwijnt de tijd-
weerg
ave, terwijl de wijzigingen behouden
blijven.
De tijd kan ook worden ingesteld in het Easy
Connect-systeem via de toets  en de func-
tieknop SETUP > Datum en tijd › ›


pag.
125.
Kompas
Wanneer het contact is ingeschakeld en het
navigatiesysteem is aangezet, wordt op het
display van het instrumentenpaneel de wind-
streek overeenkomstig de rijrichting van de
wagen weergegeven.
Keuzehendelstand
De ingeschakelde rijstand wordt zowel aan-
gegeven naast de keuzehendel als op het
display in het instrumentenpaneel. In de po-
sities D en S, alsook bij de tiptronic, wordt op het display tevens de overeenkomstige ver-
snellin

g weergegeven.
Aanbevolen versnelling (schakelbak)
Tijdens het rijden wordt op het display van
het instrumentenpaneel de aanbevolen ver-
snelling getoond om brandstof te besparen
›››  pag. 42.
Tweede snelheidsmeter (mph of km/u)
Naast de gewone weergave van de snel-
heidsmeter kan tijdens het rijden de snelheid
ook in een andere meeteenheid (in mijl of ki-
lometer per uur) getoond worden.
In de modellen die bestemd zijn voor de lan-
den waar de tweede snelheid verplicht weer-
gegeven moet worden, kan deze optie niet
uitgeschakeld worden.
Voor het instellen van de tweede snelheids-
meter gaat u naar het Easy Connect-systeem
via toets  en de functieknop SETUP >
Eenheden › ›


pag. 125.
Snelheidswaarschuwing
Op het display van het instrumentenpaneel
verschijnt een melding zodra de ingestelde
snelheid wordt overschreden. Dat is bijv.
handig als u winterbanden gebruikt die niet
geschikt zijn voor de maximumsnelheid van
de wagen ›››
 pag. 43.
Voor het instellen van de waarschuwings-
functie via de tweede snelheidsmeter gaat u naar het Easy Connect-systeem via toets
 en de functieknop SETUP > Bestuur-
dershulpsysteem › ›


pag. 125.
Indicatie van de start/stop-werking
Op het display van het instrumentenpaneel
wordt actuele informatie weergegeven over
de status ››› pag. 209.
Staat van rijden met laag verbruik (ECO) *
Naargelang de uitrusting verschijnt tijdens
het rijden op het display van het instrumen-
tenpaneel de indicatie "ECO " wanneer de wa-
gen zich in de staat met laag verbruik be-
vindt, dankzij het actieve cilinderbeheer
(ACT ®
)* ››› pag. 205.
Motorcode (MKB)
Houd knop ››› afb. 125 4 langer dan 15 sec.
in g
edrukt

om de motorcode (MKB) van de
wagen weer te geven. Hierbij dient het con-
tact te zijn ingeschakeld en de motor stil te
staan. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Waarschu-
win g
ssymbolen op pag. 124 in acht nemen. ATTENTIE
Zelfs als de buitentemperatuur boven het
vries p

unt ligt, kunnen wegen en bruggen
glad zijn. » 121
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 124 of 332

Bedienen

Ook b ij b
uitentemperaturen boven +4°C
(+39°F) kunnen zich ijsplekken vormen op de
weg, zelfs zonder dat het symbool "ijskri-
stal" weergegeven wordt.
● De buitentemperatuurvoeler voert een me-
ting ter oriënt
atie uit. Let op
● Er zijn

verschillende typen instrumentenpa-
nelen, dus kunnen de versies en indicaties
van het display verschillen. Bij wagens zon-
der weergave van waarschuwings- of informa-
tieteksten op het display worden storingen
uitsluitend door controlelampjes weergege-
ven.
● Afhankelijk van de uitrusting kunnen be-
paal
de instellingen en indicaties ook via het
Easy Connect-systeem worden ingesteld.
● Wanneer er verschillende waarschuwingen
zijn, wor
den de symbolen na elkaar geduren-
de een aantal seconden getoond en blijven ze
branden tot de storing wordt verholpen. Kilometerteller
Afb. 126
Instrumentenpaneel: kilometerteller
en r e
setknop

. De weergave van het afgelegde traject ge-
beur
t
in k

ilometers "km" resp. in mijlen "mi".
Het is mogelijk om van meeteenheid (kilome-
ters "km"/mijlen "mi") te wisselen via de
radio/Easy Connect*. Meer informatie hier-
over vindt u in het Instructieboekje bij het Ea-
sy Connect*-systeem.
Kilometerteller/dagteller
De kilometerteller toont het totaal aantal met
de wagen verreden kilometers.
De dagteller geeft de afstand aan die gere-
den is nadat de dagteller voor de laatste keer
is teruggezet. Hiermee kunnen korte afstan-
den worden gemeten. Het laatste cijfer geeft
een afstand van 100 meter of 1/10 mijl aan.
De dagteller kunt u op nul terugzetten door
de knop 0.0/SET
› ›
› afb
. 126 in te drukken. Storingsindicatie
Als

er een storing in het instrumentenpaneel
is, wordt op het display van de dagteller DEF
weergegeven. Laat de storing zo spoedig mo-
gelijk verhelpen.
Koelvloeistoftemperatuurmeter Afb. 127
Instrumentenpaneel: koelvloeistof-
t emper
at

uurmeter Voor wagens zonder koelvloeistoftempera-
t
uurmet
er

verschijnt er een controlelampje 
wanneer er een hoge temperatuur is ››› pag.
290. Zie ook ››› .
D e k
oelvloei

stoftemperatuurmeter werkt al-
leen bij ingeschakeld contact ››› afb. 127. Let
op de volgende aanwijzingen bij de tempera-
tuurbereiken om motorschade te voorkomen.
122

Page 125 of 332

Instrumenten en controlelampjes
Koud bereik
A l
s
uitsluitend de lichtsegmenten in het on-
derste bereik van de schaal branden, heeft
de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet
bereikt. Vermijd hoge motortoerentallen,
volgas en sterke motorbelasting.
Normaal bereik
De motor heeft zijn bedrijfstemperatuur be-
reikt, als de led's tot in het middelste bereik
van de schaal branden. Bij hoge omgevings-
temperaturen resp. bij zware belasting van
de motor is het mogelijk dat de led's blijven
branden, zelfs tot in het hoogste bereik. Dit
is geen probleem zolang het controlelampje
 in het display van het instrumentenpaneel
niet oplicht.
Temperatuurbereik
Als de led's in het bovenste deel van de
schaal en het controlelampje  in het dis-
play in het instrumentenpaneel oplichten, is
de koelvloeistoftemperatuur hoog ››› pag.
290. VOORZICHTIG
● Voor een l an

ge levensduur van de motor
wordt geadviseerd om hoge toerentallen,
plankgas en het sterk belasten van de motor
gedurende de eerste 15 minuten na de start
bij een koude motor te vermijden. De tijd die
de motor heeft om op bedrijfstemperatuur te
komen, hangt mede af van de omgevingstem- peratuur. In dat geval kunt u kijken naar de
motor
o

lietemperatuur* ›››
 pag. 42
.
● Extra lampen en andere aanbouwdelen
vóór de koelluc
htinlaat verslechteren de koe-
lende werking van de koelvloeistof. Bij hoge
buitentemperaturen en sterke motorbelasting
bestaat dan het gevaar voor oververhitting
van de motor!
● De voorspoiler zorgt ook voor de juiste ver-
deling v
an de koellucht tijdens het rijden. Als
de spoiler is beschadigd, wordt de koelende
werking minder en bestaat het gevaar van
oververhitting van de motor. Roep de hulp
van vakmensen in. Brandstofvoorraad
Afb. 128
Brandstofindicator. De weergave
››

afb. 128 verschijnt alleen bij
ingeschakeld contact. Zodra de wijzer in het
reservebereik komt, gaan de rode led onder-
in en het controlelampje  branden ›››
pag. 119. Zodra het brandstofpeil extreem laag
wor
dt, gaat de led onderin rood knipperen.
Het nog af te leggen aantal km met de nog
beschikbare brandstof wordt in het display
van het instrumentenpaneel ››› afb. 125 3 weergegeven.
A
l
s

u wilt weten welke inhoud de brandstof-
tank van uw wagen heeft, kunt u dit raadple-
gen in ›››
 pag. 57. VOORZICHTIG
Nooit de tank helemaal leegrijden. De onre-
gelm atig

e brandstofvoorziening kan tot over-
slaan van de ontsteking leiden. Op deze wijze
kan onverbrande brandstof in het uitlaatsys-
teem komen, dit zou oververhitting van de
katalysator en schade hieraan kunnen veroor-
zaken. Waarschuwings- en controle-
l
amp
j

es
Waarschuwingssymbolen Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›


 pag. 47
Er zijn rode waarschuwingssymbolen (priori-
teit 1) en gele waarschuwingssymbolen (prio-
riteit 2). »
123
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 126 of 332

Bedienen
Waarschuwingsmeldingen met prioriteit 1
(r ood)
Bij dez e s
toringen knippert of brandt het
symbool en klinkt er drie keer na elkaar een
waarschuwingssignaal. Die symbolen geven
een gevaar aan. De wagen stoppen en de
motor afzetten. Defecte functie controleren
en het defect verhelpen. Zo nodig een vak-
man te hulp roepen.
Zijn er verschillende storingen met prioriteit
1, dan verschijnen de symbolen opeenvol-
gend gedurende ca. 2 seconden en knippe-
ren totdat de storing verholpen is.
Zo lang er sprake is van een waarschuwings-
tekst met prioriteit 1, worden er geen menu's
op het display weergegeven.
Voorbeelden van waarschuwingsmeldingen
met prioriteit 1 (rood)
● Remsysteemsymbool  met waar
schu-
wingstekst STOPPEN, REMVLOEISTOF,
ZIE INSTRUCTIEBOEKJE of STOPPEN,
STORING REMSYSTEEM, ZIE INSTRUC-
TIEBOEKJE .
● Remvloeistofsymbool  met waar
schu-
wingstekst STOP KOELVLOEISTOF CON-
TROLEREN ZIE INSTRUCTIEBOEKJE .
● Motoroliedruksymbool  met waar
schu-
wingstekst STOPPEN, OLIEDRUK, MOTOR
STOPPEN, ZIE INSTRUCTIEBOEKJE .Waarschuwingsmeldingen met prioriteit 2
(geel)
Al

s zich een van deze storingen voordoet,
licht het desbetreffende symbool op en klinkt
er een waarschuwingssignaal. De desbetref-
fende functie moet zo snel mogelijk worden
gecontroleerd, ook al kan er nog veilig wor-
den gereden.
Als er sprake is van meerdere waarschuwin-
gen met prioriteit 2, verschijnen de symbolen
opeenvolgend gedurende ca. 2 seconden. Na
een wachttijd verdwijnt de informatietekst en
het symbool wordt ter herinnering aan de
rand van het display weergegeven.
Waarschuwingen met prioriteit 2 worden pas
aangegeven als er geen storing met prioriteit
1 is!
Voorbeelden van waarschuwingen met priori-
teit 2 (geel):*
● Brandstofsymbool met informatietekst
TANKEN . ATTENTIE
Indien geen rekening gehouden wordt met de
waar s

chuwingslampjes en de berichten, kan
de wagen tot stilstand komen midden in het
verkeer, of kunnen zich ongevallen of ernstig
letsel voordoen.
● Nooit de indicatielampjes of tekstberichten
neger
en. ●
Bren g de w

agen tot stilstand zodra dit op
een veilige wijze mogelijk is.
● De wagen ver van het wegverkeer parkeren,
op een plaat
s waar geen brandbare materia-
len met het uitlaatsysteem in aanraking kun-
nen komen (bijv. droog gras, brandstoffen).
● Een defecte auto brengt een verhoogd risi-
co op ong
evallen met zich mee, zowel voor de
inzittenden als voor de andere weggebrui-
kers. Zet zo nodig de alarmlichten aan en
plaats de gevarendriehoek om andere be-
stuurders te waarschuwen.
● Alvorens de motorkap te openen, moet de
motor uitg
ezet worden en voldoende afkoe-
len.
● In elke wagen is de motorruimte een zone
die gevar
en inhoudt en ernstige letsel kan
veroorzaken ››› pag. 285. VOORZICHTIG
Het negeren van de controlelampjes die gaan
branden en de t ek

stberichten die verschijnen,
kan leiden tot storingen in de wagen. 124

Page 137 of 332

Openen en sluiten
Wagen ontgrendelen* Druk de t
oets
 ››› afb. 135 van de af-
standsbediening in om alle portieren en
de achterklep te ontgrendelen.
Portieren vergrendelen* Druk de toets  ››› afb. 135 van de af-
standsbediening in of draai de portiers-
leutel in vergrendelrichting om alle por-
tieren en de achterklep te vergrendelen. ATTENTIE
● Het onop l

ettend of ongecontroleerd sluiten
van buitenaf kan verwondingen veroorzaken,
vooral bij kinderen.
● Bij het sluiten van de wagen mogen er geen
kinderen a
lleen worden achtergelaten in de
wagen, omdat in geval van nood de hulp van
buitenaf wordt bemoeilijkt.
● Met vergrendelde portieren wordt voorko-
men dat iem
and ongewenst de auto binnen-
dringt, bijvoorbeeld bij een stoplicht. Let op
Als diefstalbeveiliging heeft alleen het be-
st uur

dersportier een slotcilinder. –

Beveiliging "Safe"*
1) Het betreft een apparaat voor diefstalbeveili-
ging d
at

bestaat uit een dubbele vergrende-
ling van de portieren en de uitschakeling van
de achterklep om inbraakpogingen te be-
moeilijken.
Activering
De "safe"-beveiliging wordt ingeschakeld als
de wagen m.b.v. de sleutel of de afstandsbe-
diening vergrendeld wordt.
Om de beveiliging met de sleutel in te scha-
kelen, de sleutel in het slot eenmaal in sluit-
stand draaien.
Om de beveiliging met de afstandsbediening
in te schakelen, de vergrendelingsknop 
van de afstandsbediening eenmaal indruk-
ken.
Bij ingeschakelde Safe'-beveiliging kunnen
de portieren noch binnenin noch van buiten-
af op de normale manier worden ontgren-
deld. De achterklep kan niet geopend wor-
den. De knop voor centrale vergrendeling
werkt niet.
Als het contact wordt uitgeschakeld, wordt
op het display van het instrumentenpaneel
aangegeven dat de "Safe"-beveiliging is in-
geschakeld. Buiten werking stellen
Draai de s
l

eutel twee keer na elkaar in het
portierslot in sluitstand.
Met de afstandsbediening, de vergrende-
lingsknop  van de afstandsbediening twee
keer na elkaar indrukken met een interval
van minder dan 5 seconden.
Bij het uitschakelen van de "Safe"-beveili-
ging, wordt ook de volumetrische sensor van
het alarmsysteem uitgeschakeld.
Met uitgeschakelde "Safe", kunnen de portie-
ren van binnenuit geopend worden, maar
niet van buitenaf.
Zie "Veiligheidsontgrendelen*"
Status van de "Safe"
In het bestuurdersportier zit een controle-
lampje, door het glas zichtbaar van buitenaf,
dat de status van de "Safe"-beveiliging aan-
geeft.
Bij een knipperend controlelampje is de "Sa-
fe"-beveiliging geactiveerd. Dit controlelamp-
je knippert in alle wagens, met of zonder
alarmsysteem, totdat de wagen ontgrendeld
wordt.
Samengevat:
Safe geactiveerd met of zonder alarmsys-
teem: het controlelampje knippert continu. »1)
Beschikbaar naargelang de markt en het model.
135
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 143 of 332

Openen en sluiten
verschijnen op het display van het instrumen-
tenp
aneel
. Dit zou kunnen gebeuren als er
een ander radiofrequentiesignaal zou interfe-
reren met het signaal van de sleutel (bijv. van
een of andere accessoire voor mobiele appa-
raten) of als de sleutel afgedekt wordt door
een voorwerp (bijv. door een metalen koffer).
● De werking van de sensoren van de portier-
grepen kan n
adelig worden beïnvloed als de
sensoren erg vuil zijn, bijvoorbeeld als er een
laagje zout op zit. Reinig zo nodig de wagen.
● Als de wagen uitgerust is met een automa-
tisc
he versnellingsbak, kan hij enkel vergren-
deld worden als de versnellingspook in de
stand P staat. Kinderslot
Afb. 144
Kinderslot in het linkerportier. De kindersloten voorkomen dat de achterpor-
tier
en
v

an binnenuit kunnen worden geo-
pend. Hierdoor wordt voorkomen dat kinde- ren per ongeluk een portier openen tijdens
het rijden.
Dez

e functie is onafhankelijk van het elektro-
nische ontgrendel- en vergrendelsysteem van
de wagen. Het is alleen van toepassing op de
achterste portieren Kan alleen mechanisch
in- of uitgeschakeld worden, zoals hieronder
wordt beschreven:
Kinderslot inschakelen
– Wagen ontgrendelen en het portier openen
dat bev

eiligd moet worden.
– Draai, met geopend portier, de gleuf met
de wagen

sleutel linksom bij de linkerpor-
tieren ››› afb. 144 en rechtsom bij de rech-
terportieren.
Kinderslot uitschakelen
– Wagen ontgrendelen en het portier openen
waarv

an het kinderslot uitgeschakeld moet
worden.
– Draai, met geopend portier, de gleuf met
de wagen

sleutel naar links voor rechterpor-
tieren en naar rechts voor linkerportieren
››› afb. 144.
Als de kindersloten zijn ingeschakeld, kun-
nen de portieren alleen van buitenaf worden
geopend. De kindersloten worden, met open
portier, met de sleutel in de gleuf in- of uitge-
schakeld (raadpleeg bovenstaande aanwij-
zingen). Anti-diefstal alarmsysteem*
Bes
chrijving van het alarmsysteem* Met behulp van het alarmsysteem moeten in-
braakpogin
g

en en diefstal van de wagen
worden bemoeilijkt. Hiertoe geeft het sys-
teem bij onbevoegd binnendringen in de wa-
gen akoestische en optische waarschuwings-
signalen.
Het alarmsysteem wordt bij het vergrendelen
van de wagen automatisch ingeschakeld. Het
systeem wordt onmiddellijk geactiveerd en
het controlelampje in het bestuurdersportier
en de knipperlichten knipperen om aan te
geven dat het alarmsysteem en het beveili-
gingssysteem (dubbele beveiliging) geacti-
veerd is.
Als een van de portieren of de klep bij het in-
schakelen van het alarmsysteem niet afge-
sloten is, maakt deze geen deel uit van de
beveiligde gebieden van de wagen. Indien u
later het portier of de kap sluit, worden deze
automatisch in de beschermingszones van
de wagen geïntegreerd en wordt een opti-
sche waarschuwing door de knipperlichten
gegeven wanneer de portieren sluiten.
● De knipperlichten zullen tweemaal knippe-
ren b ij het

openen en het uitschakelen van
het alarmsysteem. »
141
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 154 of 332

Bedienen
knipperen. De alarmlichten werken ook wan-
neer het c
ont
act is uitgeschakeld. ATTENTIE
● Een op de w e

g stilgevallen wagen vormt
een groot gevaar. Gebruik altijd de alarmlich-
ten en een gevarendriehoek, om andere ver-
keersdeelnemers op uw stilstaande wagen
opmerkzaam te maken.
● Vanwege de hoge temperaturen van de ka-
taly
sator mag u de wagen nooit in de buurt
van licht ontvlambare materialen, zoals droog
gras of uitgelopen benzine, neerzetten –
brandgevaar! Let op
● De w ag

enaccu wordt (ook bij uitgeschakeld
contact) ontladen als de alarmlichten gedu-
rende langere tijd zijn ingeschakeld.
● Neem bij gebruik van de alarmlichten de
wettelijk
e bepalingen in acht. Binnenverlichting
Ger el
at

eerde video Afb. 149
Comfort Instrumenten- en schakelaarverlich-
tin
g De lichtsterkte voor de verlichting van de in-
s
trument
en, bedienin

gselementen en scher-
men kan worden geregeld via het menu van
het Easy Connect-systeem door middel van
de toets  en de functietoets
S
ETUP ›››
 pag. 34
.
E

en in het instrumentenpaneel ingebouwde
fotocel regelt de instrumentenverlichting
(verlichting van enkele meters en schalen),
de verlichting in de middenconsole en de ver-
lichting van de displays.
Bij uitgeschakelde verlichting en ingescha-
keld contact is de instrumentenverlichting
(schalen) ingeschakeld. Bij afnemende om-
gevingshelderheid wordt de instrumenten-
verlichting automatisch gedimd. Bij bijzonder
weinig omgevingslicht gaat de verlichting van de instrumenten helemaal uit. Deze func-
tie moet de be
s

tuurder eraan herinneren om
bij afnemende omgevingshelderheid het
dimlicht op tijd in te schakelen.
Binnenverlichting en leeslampjes Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›

 pag. 33
Bagageruimteverlichting
Het licht gaat aan wanneer de achterklep
open is, zelfs met uitgeschakelde lichten en
uitgeschakeld contact. Zorg daarom dat de
achterklep altijd correct gesloten is.
Interieurverlichting*
Het sfeerlicht verlicht het gebied van de mid-
denconsole en de voetenruimte en, afhanke-
lijk van de versie, ook het paneel van de
voorportieren.
Dit licht gaat op volle sterkte aan wanneer de
portieren worden geopend en vermindert in
sterkte tijdens het rijden wanneer de licht-
schakelaar in de stand ,  of  staat.
De sterkte van het sfeerlicht* kan via het Ea-
sy Connect-menu worden ingesteld zoals ook
de verandering van kleur in versies die uitge-
rust zijn met verlichting in het paneel van de
152

Page 182 of 332

Bedienen
ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ››› in Een benzine-
motor s t
arten op pag. 179 in acht nemen. VOORZICHTIG
● Voork om b

ij koude motor hoge toerental-
len, volgas en sterke motorbelasting - gevaar
voor motorschade!
● De wagen mag niet over een langere af-
stand d
an ongeveer 50 meter worden aange-
duwd of aangesleept om te starten. Onver-
brande benzine zou in het roetfilter kunnen
komen en het beschadigen.
● Voordat u probeert de motor te starten door
de wagen aan t
e duwen of aan te slepen, de
motor proberen te starten met de accu van
een andere wagen. Let op de aanwijzingen
voor ›››
 pag. 72, Starthulp en volg ze op. Milieu-aanwijzing
Laat de motor niet warm draaien terwijl de
wag en s

tilstaat. Direct wegrijden. Daardoor
bereikt de motor sneller zijn bedrijfstempera-
tuur en is de uitstoot van schadelijke gassen
beperkter. Elektronische wegrijblokkering "SA-
FE"*
1) De elektronische wegrijblokkering voorkomt
dat
onbev

oegden met de wagen kunnen rij-
den.
In de sleutel zit een microchip die de elektro-
nische wegrijblokkering automatisch uitscha-
kelt als de sleutel in het contactslot wordt ge-
stoken.
Zodra u de sleutel uit het contact neemt,
wordt de elektronische wegrijblokkering au-
tomatisch weer geactiveerd.
Daarom kan de motor alleen met een passen-
de, gecodeerde en originele SEAT-sleutel
worden gestart.
Als in het display van het instrumentenpa-
neel de volgende melding* verschijnt: SAFE ,
dan kan de wagen niet meer worden gestart.
Met de passende originele en gecodeerde
SEAT-sleutel kan de motor echter wel worden
gestart. Let op
Alleen met originele SEAT-sleutels is een op-
tima l

e werking van uw wagen gewaarborgd. Motor afzetten

De wagen tot stilstand brengen.
– Contactsleutel in stand ›››
afb. 175 1 draaien.
Nad at
de motor uitgezet en het contact uitge-
schakeld is, kan de koelluchtventilator nog
maximaal tien minuten blijven draaien. Het is
ook mogelijk dat deze opnieuw inschakelt
wanneer de koelvloeistoftemperatuur stijgt
als gevolg van de opgehoopte warmte onder
de motorruimte of dat deze warmer wordt als
gevolg van een langdurige blootstelling aan
zonnestraling. ATTENTIE
● Nooit de mot or afz

etten voordat de wagen
volledig tot stilstand is gekomen.
● De rembekrachtiger werkt alleen bij draai-
ende motor. Het
remmen kost u meer kracht
wanneer u de motor hebt afgezet. Omdat u
dan niet zo kunt stoppen zoals u gewend
bent, kan dit tot ongevallen en ernstige ver-
wondingen leiden.
● Wanneer de contactsleutel uit het contact
wordt
genomen, kan het stuurslot direct ver-
grendelen. De wagen kan niet meer worden
bestuurd - gevaar voor ongevallen! 1)
Beschikbaar volgens markt
180

Page 184 of 332

Bedienen
uitvoeren. Op het display van het instrumen-
t enp
aneel
verschijnt er dan een waarschu-
wingstekst. Dit kan bijvoorbeeld het geval
zijn wanneer de batterij van de autosleutel
bijna of helemaal leeg is:
● Houd de autosleutel direct na het indruk-
ken v
an de startknop altijd bij de stuurkolom
››› afb. 177, zo dicht mogelijk bij het logo van
Kessy.
● Het contact wordt automatisch ingescha-
keld en
zo nodig slaat de motor aan.
Nooduitschakeling
Als de motor niet stopt door de startknop
kort in te drukken, dan moet een nooduit-
schakeling worden uitgevoerd:
● Druk binnen 3 seconden de startknop twee
keer in of druk
de startknop eenmaal in ge-
durende meer dan 1 seconde ››› .
● De motor gaat automatisch uit.
F u
nctie om de mot

or weer te starten
Als er eenmaal de motor uitgezet is geen
passende sleutel in de wagen aangetroffen
wordt, kan de motor pas na 5 seconden weer
gestart worden. Op het display van het in-
strumentenpaneel wordt een waarschuwing
hieromtrent weergegeven.
Na die vijf seconden kan de motor niet meer
zonder een passende sleutel in de wagen ge-
start worden. Automatisch uitschakelen van het contact in
wagen

s met Start-Stop
Het contact van de wagen wordt automatisch
uitgeschakeld wanneer de wagen stilstaat en
het automatisch afzetten van de motor actief
is indien:
● de veiligheidsgordel van de bestuurder niet
is
vastgegespt,
● de bestuurder geen enkel pedaal intrapt,
● het bestuurdersportier geopend wordt.
Indien na het aut
omatisch uitschakelen van
het contact het dimlicht  brandt, blijft het
stadslicht branden gedurende ca. 30 minu-
ten (indien de accu voldoende lading heeft).
Als de bestuurder de wagen vergrendelt of
het licht handmatig uitschakelt, gaat het
stadslicht uit. ATTENTIE
Iedere onbedoelde beweging van de wagen
kan ern s

tig letsel tot gevolg hebben.
● Trap na het inschakelen van het contact
niet op het
rem- of koppelingspedaal omdat
anders de motor meteen gestart kan worden. ATTENTIE
Nalatig of onachtzaam gebruik van de auto-
sl eut

els kan leiden tot ernstige verwondingen
en ongevallen. ●
Laat w anneer u het

voertuig verlaat nooit
de autosleutel in de wagen achter. Anders
kunnen kinderen of onbevoegden de portie-
ren en de achterklep vergrendelen, de motor
starten of het contact inschakelen en op die
manier systemen zoals de elektrische ruitbe-
diening gebruiken. Let op
● Voor d

at u de wagen verlaat, moet u het
contact altijd handmatig uitschakelen en
eventueel rekening houden met de aanwijzin-
gen op het scherm van het instrumentenpa-
neel.
● Als de wagen lange tijd blijft stilstaan met
inge
schakeld contact, kan de accu leeg raken
en kan de motor mogelijk niet meer gestart
worden.
● Voor wagens met dieselmotor kan het even
duren v
oordat de motor aanslaat als hij moet
voorverwarmen.
● Als u tijdens de STOP-fase drukt op de
drukknop STAR

T ENGINE STOP , wordt het contact
uitg e
schakeld en knippert de knop.
● Als de aanwijzing verschijnt op het scherm
van het in
strumentenpaneel "Start-stopsys-
teem uitgeschakeld: motor handmatig star-
ten", zal de drukknop START ENGINE STOP knip-
peren. 182

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 ... 70 next >