stop start Seat Arona 2018 Handleiding (in Dutch)

Page 213 of 332

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
● De mot
or heef
t de min. temperatuur voor
de start/stop-stand nog niet bereikt.
● De interieurtemperatuur ingesteld in de kli-
maatre
geling is nog niet bereikt.
● De interieurtemperatuur is erg hoog/laag.
● Ontwasemingstoets geactiveerd
›››
 pag. 51.
● De parkeerhulp* is ingeschakeld.
● De accu is erg leeg.
● Het stuurwiel is flink verdraaid of wordt mo-
menteel g
edraaid.
● Er bestaat gevaar voor condensvorming.
● Na het selecteren van de achteruit.
● Bij een zeer steile helling.
In het dis
play van het instrumentenpaneel
verschijnt dan ; bovendien wordt in het be-
stuurdersinformatiesysteem*  weer-
gegeven.
De motor start vanzelf
Tijdens stilstand kan de normale start/stop-
stand worden onderbroken in de volgende
gevallen: De motor start zonder toedoen van
de bestuurder.
● De interieurtemperatuur wijkt af van de
waarde in
gesteld in de klimaatregeling.
● Ontwasemingstoets geactiveerd
›››
 pag. 51. ●
Het remped
aal is diverse keren achter elk-
aar ingetrapt.
● De accu is erg leeg.
● Hoog stroomverbruik. Let op
Als bij wagens met automatische transmissie
de keuz ehendel

in de stand D, N of S wordt
gezet nadat de achteruit is gekozen, moet
eerst weer harder dan 10 km/u (6 mpu) met
de auto zijn gereden voordat het systeem de
motor weer stopt indien nodig. Handmatig in-/uitschakelen met het
s
t
ar

t-stopsysteem Afb. 184
Middenconsole: knop van het Start-
St op sy

steem. Als u het systeem niet wilt gebruikt, kunt u
dit
h
andm

atig uitschakelen. ●
Om het st
art-stopsysteem handmatig uit of
in te schakelen, drukt u op de toets  ››› afb.
184.
Het symbool van de toets  blijft geel bran-
den wanneer het systeem is uitgeschakeld en
op het display van het instrumentenpaneel
verschijnt het volgende bericht:
Start-stopsysteem uitgeschakeld Let op
Het systeem schakelt automatisch weer in
telk en

s nadat u de motor zelf heeft uitge-
schakeld tijdens stilstand. De motor start au-
tomatisch. Aanwijzingen voor de bestuurder op
het
di
s

play van het instrumentenpa-
neel Start/stop-systeem uitgeschakeld.
Motor handmatig starten
Dez e aan

wijzing voor de bestuurder ver-
schijnt wanneer niet aan bepaalde voorwaar-
den is voldaan tijdens de stilstand en het
start/stop-systeem de motor niet opnieuw
kan starten. U moet de motor dan handmatig
starten. »
211
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 214 of 332

Bedienen
Start/stop-systeem: Storing!
Functie niet beschikbaar Er i s
een s
toring opgetreden in het
start/stop-systeem. Rijd naar een gespeciali-
seerde werkplaats om de storing te laten re-
pareren.
Snelheidsregelsysteem (SRS)* Werkin
g Afb. 185
Display in het instrumentenpaneel:
s t
at

usaanduidingen van GRA. Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›


 pag. 45
De cruise control (GRA) zorgt ervoor dat tij-
dens het vooruit rijden met snelheden vanaf ongeveer 20 km/u (15 mijl per uur) de gepro-
grammeerde s

nelheid constant wordt aange-
houden.
De GRA vermindert de snelheid van de wagen
enkel door niet meer te accelereren, niet door
actieve tussenkomst van de remmen ››› .
C ontr
o

lelampje 
Gaat branden
Het snelheidsregelsysteem (SRS) is ingeschakeld en ac-
tief.
OF: de automatische afstandsregeling (ACC) is ingescha-
keld en actief.
OF: De snelheidsbegrenzer is ingeschakeld en actief. Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
g
aan sommig
e c

ontrole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit.
Weergave op het display van de GRA
Status afb. 185:
GRA tijdelijk uitgeschakeld. De gepro-
grammeerde snelheid wordt in kleine of
donkere cijfers weergegeven.
Systeemfout. Raadpleeg een gespeciali-
seerde werkplaats.
GRA ingeschakeld. Het snelheidsgeheu-
gen is leeg.
A
B
C De GRA is actief. De geprogrammeerde
s
nelheid w
or

dt in grote cijfers weergege-
ven. ATTENTIE
Als u met een constante snelheid niet op een
vei lig

e afstand van andere weggebruikers
kunt rijden, kan het gebruik van het snel-
heidsregelsysteem tot ongevallen en ernstig
letsel leiden.
● Gebruik het snelheidsregelsysteem nooit in
druk v
erkeer, als de veiligheidsafstand onvol-
doende is, op steile wegen, op bochtige of
gladde wegen (sneeuw, ijs, regen of stenen),
en op overstroomde wegen.
● Gebruik het SRS ook nooit buiten de ver-
harde w
egen of op onverharde wegen.
● Pas de snelheid aan en houd een veilige af-
stand aan t
ot uw voorliggers afhankelijk van
het zicht, het klimaat, het wegdek en het ver-
keer.
● Schakel het snelheidsregelsysteem altijd
na ge
bruik uit om te voorkomen dat de snel-
heid onverwacht geregeld wordt.
● Het is gevaarlijk weer terug te gaan naar de
opge
slagen snelheid wanneer die snelheid te
hoog is voor de omstandigheden van dat mo-
ment (wegdek, verkeer, weersgesteldheid).
● Bij het bergafwaarts rijden kan het snel-
heidsre
gelsysteem de snelheid niet constant
houden. Door het eigen gewicht van de wa-
gen kan de snelheid toenemen. Schakel terug
of rem de wagen met de voetrem af. D
212

Page 230 of 332

Bedienen
ACC: beschikbaar vanaf de 2e
versnelling
D e A
C
C is actief vanaf de 2e versnelling
(schakelbak).
ACC: motortoerental
Deze aanduiding voor de bestuurder wordt
weergegeven indien, wanneer de ACC ver-
snelt of remt, de bestuurder niet op tijd een
hogere of lagere versnelling inschakelt. Dit
houdt in dat het toegestane toerental wordt
overschreden of niet wordt bereikt. De ACC
wordt uitgeschakeld. Dit wordt aangegeven
door een gong.  ACC: koppelingspedaal inge-
trapt
Wagens met handgeschakelde versnellings-
bak: door het koppelingspedaal langer in te
trappen wordt de regeling verlaten. Portier geopend
Wagens met automatische versnellingsbak:
met stilstaande wagen en geopend portier
kan de ACC niet worden geactiveerd. ATTENTIE
Er bestaat een risico op botsing aan de ach-
terk ant, w

anneer de minimumafstand t.o.v.
de voorligger overschreden wordt en het ver-
schil in snelheid tussen beide wagens zo
groot is dat de snelheidsvermindering door
de ACC onvoldoende is. In dit geval moet on- middellijk worden geremd met het rempe-
daa
l

.
● Het is mogelijk dat de ACC niet alle situ-
aties c
orrect kan herkennen.
● De voet op het gaspedaal "zetten" kan tot
gevo
lg hebben dat de ACC niet ingrijpt om te
remmen. De acceleratie van de bestuurder
heeft voorrang op de ingreep van de snel-
heidsregelaar of de cruise control.
● Blijf altijd paraat om de wagen op elk ogen-
blik t
e remmen.
● Neem de bepalingen van het overeenstem-
mende land in acht
betreffende de verplichte
minimumafstand tot de voorligger.
● Het is gevaarlijk de regeling in te schakelen
en de geprogr
ammeerde snelheid opnieuw te
activeren, als de omstandigheden van de rij-
baan, het verkeer of het weer dit niet toela-
ten. Gevaar voor ongevallen! Let op
● Bij het uit s

chakelen van het contact of de
ACC wordt de opgeslagen snelheid gewist.
● Bij het uitschakelen van de aandrijfslipre-
geling (ASR) of
het inschakelen van de ESC in
Sport* modus ( ››› pag. 125), wordt de ACC au-
tomatisch uitgeschakeld.
● Voor wagens met start-stop, wordt de mo-
tor uitg
eschakeld tijdens de stopfase van de
ACC en automatisch opnieuw in werking ge-
steld om te vertrekken. Functie om rechts inhalen te vermij-
den
Afb. 198
Op het display van het instrumen-
t enp
aneel: A

CC actief, voertuig herkend aan
de linkerzijde De automatische afstandsregeling (ACC) be-
s
c
hikt

over een functie om het rechts inhalen
bij bepaalde snelheden te vermijden.
Indien er zich links van de auto een ander
voertuig bevindt dat met lagere snelheid
rijdt, wordt dat op het multifunctioneel dis-
play
getoond ››› afb. 198.
Om het rechts inhalen te vermijden, remt het
systeem de auto zachtjes naargelang de rij-
snelheid. De bestuurder kan het ingrijpen
van het systeem op ieder moment onderbre-
ken door het gaspedaal in te drukken. Bij la-
ge snelheid is de functie niet actief voor meer
comfort in situaties zoals een file of in het
stadsverkeer.
228

Page 232 of 332

Bedienen
Starten na een stopfase (enkel wagens met
aut om
ati
sche versnellingsbak)
Na een stopfase kan de ACC de wagen auto-
matisch doen vertrekken zodra de voorligger
opnieuw in beweging gezet wordt ››› .
W anneer de A
C

C de wagen tot stilstand
brengt (bijv. file), verschijnt op het scherm
van het instrumentenpaneel de waarschu-
wing ACC gereed om te starten . Wan-
neer de voorligger weer gaat rijden, doet de
ACC dit automatisch ook.
Als de voorliggende wagen niet wegrijdt, kan
de wagen voor onbepaalde tijd in de status
ACC gereed om te starten blijven als
de derde hendel herhaaldelijk naar stand 2›››
afb. 196 w
ordt bewogen of het rempedaal
wordt ingetrapt. Wanneer in het instrumen-
tenpaneel het bericht Rempedaal intrap-
pen verschijnt, trap dan het rempedaal in.
Als het rempedaal niet wordt ingetrapt, klinkt
een akoestische waarschuwing en gaat de
ACC over in de niet-actieve modus (standby).
Op dat moment zou de wagen zich naar de
stilstaande voorligger kunnen bewegen ››› .
Inh a
l

en
Wanneer het knipperlicht gaat branden om
een inhaalmanoeuvre te starten, versnelt de
ACC de wagen automatisch en vermindert zo
de afstand tot de voorligger.
Wanneer gewisseld wordt naar de inhaal-
strook, zal de ACC indien geen voorligger her- kend wordt, versnellen tot de geprogram-
meerde snelheid ber

eikt wordt en deze cons-
tant houden.
De versnelling van het systeem kan op elk
ogenblik onderbroken worden door het rem-
pedaal in te trappen of de derde hendel naar
achteren te duwen ››› pag. 225.
In de bochten
Bij het ingaan of verlaten van een bocht kan
het voorkomen dat de radarsensor de voor-
ligger niet meer herkent of dat hij reageert op
een wagen op een rijstrook naast de rijstrook
waarop u rijdt ››› afb. 199 A. In zulke omstan-
digheden is het mogelijk dat de wagen onno-
dig remt of niet meer reageert op de voorlig-
ger. In dat geval moet de bestuurder ingrij-
pen door te versnellen of het remproces on-
derbreken door het rempedaal in te trappen
of de derde hendel naar achteren te duwen
››› pag. 225.
Rijden door tunnels
Bij het rijden door een tunnel, is het mogelijk
dat de radarsensor minder goed werkt. Scha-
kel de ACC uit in de tunnels.
Smalle voertuigen of voertuigen die uit de
lijn rijden
De radarsensor kan smalle voertuigen of
voertuigen die uit de lijn rijden enkel herken-
nen wanneer ze zich binnen zijn werkingsge- bied
››› afb. 199 B bevinden. Dit geldt vooral
v oor smalle voertuigen zoals bijvoorbeeld
motorfietsen. Rem in deze gevallen zelf in-
dien nodig.
Voertuigen met bijzondere ladingen en ac-
cessoires
Het is mogelijk dat de bijzondere lading en
accessoires van andere voertuigen die aan
de zijkanten, achteraan of bovenaan uitste-
ken, buiten het werkingsbereik van de ACC
vallen.
Schakel de ACC uit wanneer u achter voertui-
gen met bijzondere ladingen of accessoires
rijdt en ook bij het inhalen van zulke voertui-
gen. Rem in deze gevallen zelf indien nodig.
Andere wagens die van rijstrook veranderen
Wagens die naar de eigen rijstrook wisselen
op een korte afstand van de wagen kunnen
enkel worden herkend wanneer ze binnen het
bereik van de sensoren komen. Als gevolg
hiervan duurt het langer tot de ACC reageert
››› afb. 200 C. Rem in deze gevallen zelf in-
dien nodig.
Stilstaande voertuigen
De ACC herkent tijdens het rijden geen stil-
staande voorwerpen zoals bijvoorbeeld het
einde van een file of voertuigen met pech.
Als een voertuig herkend door de ACC draait
of opzij gaat en er zich voor dit voertuig een
230

Page 240 of 332

Bedienen
Motor
A l
n
aar gelang het gekozen profiel, reageert
motor feller of juist rustiger op de verplaat-
sing van het gaspedaal. Bovendien wordt bij
het selecteren van het eco-profiel automa-
tisch de start-stopfunctie geactiveerd.
Bij wagens met automatische transmissie
worden de momenten waarop wordt gescha-
keld zodanig aangepast dat die bij lagere of
hogere toerentallen komen te liggen. Boven-
dien wordt in de eco-stand gebruik gemaakt
van de inertie om het brandstofverbruik ver-
der te verlagen.
Bij wagens met schakelbak wijzigen in de
stand eco de aanbevelingen om te schake-
len die verschijnen in het instrumentenpa-
neel, om de bestuurder ertoe aan te zetten
zuiniger te gaan rijden.
"Dual Ride" wielophanging
De "Dual Ride" wielophanging zorgt voor een
comfortabele vering bij de profielen Eco en
Normaal , bijvoorbeeld geschikt voor dage-
lijks gebruik terwijl een sportieve vering
wordt ingesteld voor het profiel Sport die
past bij een sportieve rijstijl. In het profiel
Individueel kan de vering worden inge-
steld tussen Normaal of Sport al naarge-
lang de persoonlijke voorkeur.
Bij een storing in de "Dual Ride" wielophan-
ging verschijnt op het display van het instru- mentenpaneel het bericht
Storing: in-
stelling van de demping .
Bes
turing
De stuurbekrachtiging wordt stijver in de
sport -stand om een sportievere rijstijl mo-
gelijk te maken.
Airconditioning
Bij wagens voorzien van Climatronic is het
mogelijk om deze in de eco-stand op een la-
ger verbruik te laten werken.
Automatische afstandsregeling (ACC)
De acceleratiegradiënt van de automatische
afstandsregeling varieert naargelang het ac-
tieve rijprofiel. Rijprogramma instellen Afb. 206
Naast de versnellingshendel: MODE-
t oets. U kunt kiezen tussen
normaal, sport, eco
en individueel .
D e g
ew

enste stand kan gekozen worden door
meermaals te drukken op de knop MODE
››› afb. 206 of door middel van het aanraak-
scherm in het menu dat geopend wordt wan-
neer men drukt op die knop.
Een pictogram in het display van het Easy
Connect-systeem verschaft u informatie over
de actuele instelling.
De verlichting van de MODE-knop blijft geel
branden wanneer de actuele instelling af-
wijkt van normaal .
238

Page 288 of 332

Aanwijzingen
lange haren in draaiende delen van de
motor k
omt
. Er bestaat levensgevaar.
Daarom eerst sieraden afdoen, uw haar
opsteken en kleding dragen, die goed
aansluit.
– Nooit bij een ingeschakelde versnelling
achteloos gas geven. De wagen zou zich
zelfs met aangetrokken handrem nog
kunnen verplaatsen. Er bestaat levensge-
vaar.
● Wanneer werkzaamheden aan het brand-
stof
systeem of aan de elektrische installatie
noodzakelijk zijn, ook op de hierboven ver-
melde waarschuwingen letten:
–Startaccu altijd losmaken van de elektri-
sche installatie. Daarbij moet de wagen
ontgrendeld zijn, omdat anders het
alarmsysteem wordt geactiveerd.
– Niet roken.
– Nooit in de buurt van open vuur werken.
– Altijd een brandblusser gereedhouden. ATTENTIE
Als de motorkap niet goed gesloten is, zou hij
onder het rijden p lot

s open kunnen gaan en
de bestuurder het zicht kunnen ontnemen.
Dit kan ernstige ongevallen tot gevolg heb-
ben.
● Controleer na het sluiten van de motorkap
of de v
ergrendeling goed in de slotplaat vast-
geklikt is. De gesloten motorkap moet vlak
met de carrosseriedelen eromheen liggen. ●
Als

u onder het rijden vaststelt dat de mo-
torkap niet goed gesloten is, moet u onmid-
dellijk stoppen en de motorkap goed sluiten.
● Open en sluit de motorkap alleen als nie-
mand z
ich binnen de actieradius ervan be-
vindt. VOORZICHTIG
Let er bij het bijvullen van vloeistoffen op dat
de vloei s

toffen in geen geval worden verwis-
seld. Anders zijn ernstige storingen en motor-
schade het gevolg! Milieu-aanwijzing
Vloeistoffen die uit de wagen komen, zijn
sc h

adelijk voor het milieu. Controleer daarom
regelmatig de grond onder de wagen. Als
daar vlekken van olie of andere vloeistoffen
zichtbaar zijn, dan dient u de wagen door een
gespecialiseerde werkplaats te laten contro-
leren. De motorkap openen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›


 pag. 17
De motorkap wordt vanuit het interieur ont-
grendeld.
Alvorens de motorkap te openen, erop letten
of de ruitenwissers wel in de ruststand staan. ATTENTIE
Hete koelvloeistof kan brandwonden veroor-
zak en!
● Nooit

de motorkap openen als u ziet dat er
damp, r
ook of koelvloeistof uit de motorruim-
te komt.
● Zo lang wachten tot er geen damp, rook of
koelvloeis
tof meer naar buiten komt, voordat
u de motorkap voorzichtig opent.
● Let vóór alle werkzaamheden in het motor-
compar
timent op de waarschuwingen ››› pag.
285. Motorkap sluiten

De motorkap iets oplichten.
– De motorkapsteun loshaken en weer in de
druk houder p
l

aatsen.
– Op een hoogte van ongeveer 30 cm laten
vall

en zodat het geblokkeerd is.
Als de motorkap niet goed gesloten is, de
kap niet aandrukken. Opnieuw openmaken
en laten vallen zoals hiervoor beschreven is. ATTENTIE
Een niet goed gesloten motorkap kan tijdens
het rijden open g

aan en het zicht naar voren
belemmeren - gevaar voor ongevallen!
● Altijd na het sluiten van de motorkap con-
trol
eren of de vergrendeling goed is 286

Page 313 of 332

Technische kenmerken
Dieselmotor 1.6 TDI CR 70 kW (95 pk) Start-StopVermogen in kW (pk) bij omw/minMaximumkoppel (Nm bij omw/min)Aantal cilinders / cilinderinhoud (cm3
)Brandstof
70 (95)/2.750-4.600250/1.500-2.6004/1.598Diesel conform norm EN 590, min. 51 CZ
Vermogens en gewichtenSchakelbak
Maximumsnelheid (km/u)172 (V)
Acceleratie 0-80 km/u (s)7,8
Acceleratie 0-100 km/u (s)11,8
Toelaatbaar totaalgewicht (kg)1.715-1.800 a)
Rijklaar gewicht (met bestuurder) (kg)1.297
Toegestane voorasbelasting (kg)b)
Toegestane achterasbelasting (kg)b)
Toegestane dakbelasting (kg)75
Aanhangwagengewicht ongeremd (kg)640
Aanhangwagengewicht geremd op hellingen tot 8% (kg)1.200
Aanhangwagengewicht geremd op hellingen tot 12% (kg)1.100
a)
Verschilt afhankelijk van de uitrusting (Splitting).
b) Gegevens niet beschikbaar bij redactiesluiting. 311
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Page 322 of 332

Trefwoordenlijst
Lekke band handelin
g
en . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
Licht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31, 147 automatische rijlichtregeling . . . . . . . . . . . . . . 147
bagageruimteverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
binnenverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
dagrijverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 148
derde remlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
een lampje vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
Grootlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
grootlichthendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
het parkeerlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
Instappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
instrumentenverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
interieurverlichting en leeslampjes voorin . . . 113
kentekenverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
knipperlichthendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
leeslampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
lichtbundel-hoogteverstelling . . . . . . . . . . . . . 151
lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147
mistlampen met cornering-functie . . . . . . . . . 150
mistlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 148
snelwegverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
Uitstappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
waarschuwings- en controlelampjes . . . . . . . . 147
Lichtbundelhoogteverstelling . . . . . . . . . . . . . . . 151
Licht inschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147
Lichtmetalen velgen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
Licht uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147
Looprichting banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69
Luchtrecirculatiestand airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
Luchtroosters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170 M
Make-up spiegel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
MFA zie Bestuurdersinformatiesysteem . . . . . . . . . . 37
Middenconsole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Milieu milieubewust rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 205
milieuvriendelijkheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 204
Milieu-advies tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 280
mobiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
Mobiele telefoon . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
Motor geluiden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
Inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 203
Start-stopsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209
starthulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Motor afzetten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180
Motorcode . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 305
Motor en contact contact automatisch uitschakelen . . . . . . . . . 181
de motor in werking stellen met Press & Drive 183
de motor starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
de motor voorverwarmen . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
motor afzetten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
My Beat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
Motorgegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
Motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17, 285, 287 openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
Motorkoelvloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59 G12 plus-plus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59
G13 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59
het peil controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290
Specificaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59 Motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58, 288
bijv ullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290
diesel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288
inspectieservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288
olie-eigenschappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
oliepeil controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
oliepeilstok . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
onderhoudsintervallen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288
Specificaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59, 288
temperatuurmeter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
verbruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
verwisselen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288, 290
Motoroliedruk Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
Motorregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206 Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 207
Motorruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17, 285, 287 accu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
koelvloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290, 291
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288, 289, 290
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
remvloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 292
ruitensproeiervloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 293
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
veiligheidsaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . 285
Motor starten Benzine . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178
diesel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
Motor starten door slepen . . . . . . . . . . . . . 102, 103
Motorstoring Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 208
Multifunctie-indicatie (MFA) . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
Multimedia . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 131
My Beat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
N Nieuwe sleutels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
320

Page 325 of 332

Trefwoordenlijst
Sleutel met afstandsbediening ont - en
v
ergrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
Sleutels autosleutel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
de batterij vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133
ont- en vergrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . 15, 132
reservesleutel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
synchroniseren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
Sleutels bij laten maken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
Sleutelschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91
Slijtage van de banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 298
Slotcilinder van het portier . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 ijsvrij maken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 275
Sluit- en openingsautomaat elektrische ruitbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . 146
Sluit- en startsysteem zonder sleutel Keyless Ac- cess
zie Keyless Access . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 138
Sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132 motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
ruiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
Sluitkrachtbegrenzing ruiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Sneeuwkettingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
Snelheidsbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213 bedienen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 215
Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
indicatie op het display . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
Waarschuwingslampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
Snelheidssignaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43
Snelheidswaarschuwingssysteem . . . . . . . . . . . . 43
Sport-modus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
stalen velgen schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
Start-stopsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209
Start/stop-systeem aanwijzingen voor de bestuurder . . . . . . . . . . 211
controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210 de motor start vanzelf . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210
de motor st
opt niet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210
motor starten en afzetten . . . . . . . . . . . . . . . . 210
uit- en inschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211
Werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209
Starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178, 179 na leeggereden tank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
Starthulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72 beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Starthulp op hellingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193
Startkabels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 181
Statusweergave op het display . . . . . . . . . . . . . . 120 aanbevolen versnelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
ACT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 205
afgelegde afstand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 120
automatische afstandsregeling . . . . . . . . . . . . 223
bestuurdersinformatiesysteem . . . . . . . . . . . . . 37
buitentemperatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
ECO . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
keuzehendelstand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
keuzehendelstanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 194
kompas . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
MKB . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Noodremhulpsysteem (Front Assist) . . . . . . . . 217
Onderhoudsintervallen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43
portieren, motorkap en achterklep geopend . . 41
ritgegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
SEAT Drive Profile . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 237
snelheidsbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
snelheidswaarschuwing . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
start-Stop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
submenu assistenten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
tijd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
tweede snelheidsindicatie . . . . . . . . . . . . . . . . 121
waarschuwings- en controlelampjes . . . . . . . . 224
waarschuwings- en informatieberichten . . . . . . 41 Sticker met wagengegevens . . . . . . . . . . . . . . . . 304
Stoel
handm
atige instelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
verwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
Stoelverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
Stof- en pollenfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 169
Stoffering: schoonmaken alcantara . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 279
textiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278
Stopcontact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 161 aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 266
Storing van elektronisch sperdifferentieel (EDS) Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190
Stroom . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 161
Stuurbekrachtiging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202
Stuurkolomhoogteverstelling . . . . . . . . . . . . . . . . 77
Stuurwiel instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
peddels (automatische versnellingsbak) . . . . 196
Symbool van steeksleutel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
T Tankdop openen en sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
Tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 280 brandstofpeilmeter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
Tankklep openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 280
Tankklep openen en sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
Technische gegevens dakbelasting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 168
Technische kenmerken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 304
Technische wijzigingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 270
Tegenstuurhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 203
Temperatuurmeter buitentemperatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
323

Page 327 of 332

Trefwoordenlijst
ESC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187
in s
trument
enpaneel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
koelvloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290
lichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
motorregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 207
rempedaal intrappen . . . . . . . . . . . . . . . 217, 223
remsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185
roetfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 207
schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 201
snelheidsregelsysteem (SRS) . . . . . . . . . . . . . 212
Start-stopsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210
stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202
van de gordel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
voorgloeisysteem/motorstoring . . . . . . . . . . . 208
zoemer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
Waarschuwingslampjes snelheidsbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
Waarschuwingsmeldingen in geel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
in rood . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
Waarschuwingssymbolen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123 zie ook Waarschuwings- en controlelampjes . 123
Waden door ondergelopen wegdelen . . . . . . . . . 208
Wagen chassisnummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 304
identificatienummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 304
omhoog brengen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
ont- en vergrendelen met Keyless Access . . . . 138
sticker met wagengegevens . . . . . . . . . . . . . . 304
voornaamste kenmerken . . . . . . . . . . . . . . . . . 304
Wagenaccu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61, 294 accuvloeistofpeil . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 295
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 295
loskoppelen en aansluiten . . . . . . . . . . . 44, 294
starthulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72 verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 295
winter
se omstandigheden . . . . . . . . . . . . . . . . 294
Wagen beladen Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Bevestigingsogen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
dakdragersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 168
wagengereedschap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
Wagengereedschap plaats . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99
Wagenlak code . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 305
conservering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 274
onderhoudsmiddelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 272
polijsten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 274
Wagen omhoogbrengen op de hefbrug . . . . . . . . 68
Wagen opkrikken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
Wagen wassen hogedrukreinigers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 273
kleeffolies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 274
sensoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 241
Wassen verzorging van de wagen, buitenzijde . . . . . . 272
Wassen van de wagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 272
Wat beïnvloedt de rijveiligheid negatief? . . . . . . . 75
Waxbehandeling zie Schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
Wielbouten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67, 306 aantrekmoment . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69, 300
diefstalbeveiliging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
doppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66
Wieldop verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66
Wielen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 296, 306 centrale wieldop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65, 66
nieuwe banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 298
sneeuwkettingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70 uit- en inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
verw
isselen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
Winterbanden maten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 302
Winterse omstandigheden Accu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 302
diesel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 282
ruiten ijsvrij maken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 275
sneeuwkettingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
Wireless Charger . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 131
Wisselen onderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 270
Wisserbladen schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 275
servicestand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73
Wisserbladen achterruit schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
X XDS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 192
Z Zekeringen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62, 106 doorgebrande zekeringen herkennen . . . . . . . . 63
onderscheid op kleur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
voorbereiding voor vervanging . . . . . . . . . . . . . 62
zekeringkast . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
Zendapparatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
Zijairbags beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
veiligheidsaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
Zitplaatsen van de wagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
Zoemer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
Zonnekleppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
325

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30