light BMW X6 2016 Instructieboekjes (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: BMW, Model Year: 2016, Model line: X6, Model: BMW X6 2016Pages: 302, PDF Size: 5.89 MB
Page 89 of 302

▷Grijs: reikwijdteIn het programma ECO PRO schakelt het in‐
strumentendisplay om naar de ECO PRO-
weergaven. Deze weergaven ondersteuneneen zuinige rijstijl door een duidelijkere voor‐
stelling van de efficiëntieweergave en verschil‐
lende ECO PRO-tips.
Sport-weergaven
1Snelheidsmeter2Toerenteller 943Transmissie-aanduiding4Shift Lights, bij overeenkomstige uitrusting5Vermogensweergave6Variabele weergavenIn de rijmodus Sport en Sport+ schakelt het in‐
strumentendisplay naar de sportweergaven.
Deze weergaven ondersteunen een sportieve
rijstijl door een duidelijkere weergave van de
toerenteller, de transmissie-aanduidingen en
de snelheid.
Shift Lights op het
instrumentenpaneel
Principe
Bij overeenkomstige uitrusting geven Shift
Lights het optimale schakeltijdstip in de toe‐renteller aan. Daarmee wordt bij sportieve rijst‐
ijl de best mogelijke acceleratie van de auto
behaald.
Algemeen
Steptronic Sport versnellingsbak: Shift Lights
worden weergegeven, als het rijprogramma
SPORT+ geactiveerd is.Seite 89WeergavenBediening89
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15
Page 90 of 302

Shift Lights inschakelenSteptronic Sport versnellingsbak:1.SPORT+ selecteren via de rijbelevings‐
schakelaar.2.Handbediening M/S van de transmissie ac‐
tiveren.
Weergave op het instrumentendisplay
▷Het huidige toerental wordt op de toeren‐
teller weergegeven.▷Pijl 1: achter elkaar geel brandende velden
wijzen op de verhoging van het toerental.▷Pijl 2: achter elkaar oranje brandende
velden wijzen op het aanstaande schakel‐
tijdstip.▷Pijl 3: velden branden rood. Uiterlijk op dat
moment schakelen.
Bij het bereiken van het toegestane maximale
toerental knippert de gehele weergave. Bij het
overschrijden van het maximale toerental
wordt ter bescherming van de motor de brand‐
stoftoevoer verminderd.
Check-Control
Principe Check-Control controleert functies in de auto
en geeft een melding als in de bewaakte syste‐ men een storing is opgetreden.
Op het instrumentenpaneel en op het Head-
Up-Display wordt een Check-Control-melding
weergegeven als een combinatie van controle-
of waarschuwingslampjes en textuele meldin‐
gen.
Tevens klinkt er evt. een akoestisch signaal en
verschijnt er een tekstbericht op het Control
Display.
Controle- en waarschuwingslampjes
Algemeen Controle- en waarschuwingslampjes op het in‐
strumentenpaneel kunnen in verschillende
combinaties en kleuren gaan branden.
Van sommige lampen wordt bij het starten van
de motor of inschakelen van het contact de
werking gecontroleerd, waarbij deze even kort
branden.
Rode lampjes
Gordelherinnering De veiligheidsgordel aan de bestuur‐
derszijde is niet omgedaan. Bij som‐
mige landuitvoeringen: passagiersgor‐
del niet omgegespt of voorwerpen herkend op
de passagiersstoel.
Knipperen of continu brandend: veiligheids‐
gordel aan de bestuurders- of passagierszijde
is niet omgedaan. De gordelherinnering kan
ook in werking treden als er voorwerpen op de
passagiersstoel liggen.
Controleren of de veiligheidsgordel correct is
omgedaan.
Gordelherinnering voor de achterbank Rood: de veiligheidsgordel van de be‐
treffende zitplaats op de achterbank is
niet vastgemaakt.
Groen: de veiligheidsgordel van de betreffende
zitplaats op de achterbank is vastgemaakt.Seite 90BedieningWeergaven90
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15
Page 107 of 302

VerlichtingUitrusting van de autoIn dit hoofdstuk worden alle standaard, lands‐
pecifieke en speciale uitrustingen beschreven
die in de modelserie aangeboden worden. Er
worden daarom ook uitrustingen beschreven
die in een auto, bijv. vanwege de landspeci‐
fieke of gekozen speciale uitrusting niet be‐
schikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsre‐
levante functies en systemen. Bij gebruik van
deze functies en systemen moeten de in het
land geldende voorschriften worden nage‐
leefd.
Overzicht Schakelaars in de auto
De lichtschakelaar bevindt zich naast het
stuurwiel.
Verlichtingsfuncties
SymboolFunctieMistachterlichtMistlampAutomatische verlichtingsregeling
Adaptieve bochtverlichtingSymboolFunctieLicht uit
DagrijlichtStadslichtDimlichtInstrumentenverlichting
Stads-, dim- en parkeerlicht
Algemeen
Schakelaarstand:
, ,
Wanneer bij uitgeschakeld contact het be‐
stuurdersportier wordt geopend, wordt de bui‐
tenverlichting bij deze schakelaarstanden au‐
tomatisch uitgeschakeld.
Stadslicht
Schakelaarstand:
De auto is rondom verlicht.
Stadslicht niet gedurende een langere tijd in‐
geschakeld laten, anders wordt de accu ontla‐
den en kan de motor evt. niet meer worden ge‐
start.
Voor het parkeren het eenzijdige parkeerlicht,
zie pagina 108, inschakelen.
Dimlicht
Schakelaarstand:
Het dimlicht brandt bij ingeschakeld contact.
Bij inrichting met Night Vision met Dynamic
Light Spot wordt een aanvullend accentlicht,
zie pagina 133, ingeschakeld.
Seite 107VerlichtingBediening107
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15
Page 125 of 302

Overzicht
Toets in de auto
Intelligent Safety-toets
Camera
De camera bevindt zich bij de binnenspiegel.
Voorruit voor de binnenspiegel schoon en vrij
houden.
In-/uitschakelen
Automatisch inschakelen
Het systeem wordt bij vertrek automatisch ge‐
activeerd.
Handmatig in-/uitschakelen Toets kort indrukken:
▷Het menu naar de Intelligent Sa‐
fety-systemen wordt weergege‐
ven. De systemen worden afhan‐
kelijk van de individuele instelling
afzonderlijk uitgeschakeld.▷LED brandt oranje of dooft, afhankelijk van
de individuele instelling.
Er kunnen instellingen uitgevoerd worden. De
individuele instellingen voor het momenteel
gebruikte profiel worden opgeslagen.
Toets opnieuw indrukken:
▷Alle Intelligent Safety-systemen
worden ingeschakeld.▷De LED brandt groen.
Toets lang indrukken:
▷Alle Intelligent Safety-systemen
worden uitgeschakeld.▷De LED dooft.
Waarschuwingstijdstip instellen
Het moment van waarschuwing kan via iDrive
ingesteld worden.
1."Instellingen"2."Botswaarschuwing"3.Gewenst tijdstip op het Control Display in‐
stellen.
Bij uitrusting met Night Vision met Dynamic
Light Spot:
1."Instellingen"2."Intelligent Safety"3."Botswaarschuwing"4.Gewenst tijdstip op het Control Display in‐
stellen.
Het geselecteerde tijdstip wordt voor het mo‐
menteel gebruikte profiel opgeslagen.
Waarschuwing met remfunctieWeergave
Als er een botsing met een waargenomen an‐
der voertuig dreigt, wordt in het instrumenten‐
paneel en in het Head-Up Display een waar‐
schuwingssymbool weergegeven.
Seite 125VeiligheidBediening125
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15
Page 128 of 302

Overzicht
Toets in de auto
Intelligent Safety-toets
Radarsensor
De radarsensor bevindt zich aan de onderzijde
van de voorste bumper.
Radarsensor schoon en vrij houden.
Camera
De camera bevindt zich bij de binnenspiegel.
Voorruit voor de binnenspiegel schoon en vrij
houden.
In-/uitschakelen
Automatisch inschakelen
Het systeem wordt bij vertrek automatisch ge‐
activeerd.
Handmatig in-/uitschakelen Toets kort indrukken:▷Het menu naar de Intelligent Sa‐
fety-systemen wordt weergege‐
ven. De systemen worden afhan‐
kelijk van de individuele instelling
afzonderlijk uitgeschakeld.▷LED brandt oranje of dooft, afhankelijk van
de individuele instelling.
Er kunnen instellingen uitgevoerd worden. De
individuele instellingen voor het momenteel
gebruikte profiel worden opgeslagen.
Toets opnieuw indrukken:
▷Alle Intelligent Safety-systemen
worden ingeschakeld.▷De LED brandt groen.
Toets lang indrukken:
▷Alle Intelligent Safety-systemen
worden uitgeschakeld.▷De LED dooft.
Waarschuwingstijdstip instellen
Het moment van waarschuwing kan via iDrive
ingesteld worden.
1."Instellingen"2."Botswaarschuwing"3.Gewenst tijdstip op het Control Display in‐
stellen.
Bij uitrusting met Night Vision met Dynamic
Light Spot:
1."Instellingen"2."Intelligent Safety"Seite 128BedieningVeiligheid128
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15
Page 133 of 302

▷Bij aanhoudende verblindende werking
door tegenlicht, bijv. door laaghangende
zon.▷In het donker.
Night Vision met herkenning
van personen en dieren
Principe Night Vision met herkenning van personen en
dieren is een nachtzichtsysteem.
Een infraroodcamera detecteert het gebied
voor de auto en waarschuwt voor personen en
dieren op de straat. Warme objecten waarvan
de vorm lijkt op die van mensen of dieren wor‐
den herkend door het systeem. Het warmte‐
beeld kan indien nodig op het Control Display
weergegeven worden.
Afhankelijk van de uitrusting wordt er voor een
betere herkenning met een lichtspot, Dynamic
Light Spot, op de waargenomen objecten ge‐
schenen, zie pagina 136.
Warmtebeeld
De warmteuitstraling van objecten in het ge‐
zichtsveld van de camera wordt weergegeven.
Warme objecten worden daarbij licht weerge‐
ven en koude objecten donker.
De herkenbaarheid hangt af van het tempera‐
tuurverschil met de achtergrond en van de ei‐
gen straling van het object, d.w.z. objecten met
gering temperatuurverschil ten aanzien van de
omgeving of met geringe warmteuitstraling zijn
beperkt herkenbaar.
Om veiligheidsredenen wordt het beeld vanaf
ca. 5 km/h en geringe helderheid van de omge‐
ving alleen bij ingeschakeld dimlicht weerge‐
geven.
Met bepaalde intervallen wordt gedurende een
fractie van een seconde een stilstaand beeld
weergegeven.
Herkenning van personen en dieren
De objectherkenning en -waarschuwing werkt
alleen in het donker.
Objecten met een menselijke vorm en vol‐
doende warmteuitstraling worden herkend.
Daarnaast herkent het systeem ook dieren
vanaf een bepaalde grootte, bijv. reeën.
Weergave op het Control Display bij ingescha‐
keld warmtebeeld:
▷Door het systeem herkende personen: in
heldergeel.▷Door het systeem herkende dieren: in don‐
kergeel.
Reikwijdte van de objectherkenning bij goede
omgevingsomstandigheden:
▷Persoonsherkenning: tot ca. 100 m▷Herkenning van grotere dieren: tot ca.
150 m▷Herkenning van middelgrote dieren: tot ca.
70 m
Invloeden van het milieu kunnen de beschik‐
baarheid van de objectherkenning beperken.
Seite 133VeiligheidBediening133
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15
Page 136 of 302

Acute waarschuwingRood symbool wordt weergegeven ener klinkt een signaal.
Met instrumentendisplay: Rood sym‐
bool wordt weergegeven en er klinkt
een signaal.
Bij dieren wordt bij de signaaltoon ook een
rood diersymbool afgebeeld.
Rood symbool op instrumentenpaneel.
Rood symbool op instrumentendisplay.
Direct zelf ingrijpen door remmen of uitwijken.
Weergave in het Head-Up Display De waarschuwing wordt gelijktijdig in
het Head-Up Display en in het instru‐
mentenpaneel weergegeven. Het ge‐
toonde symbool kan, afhankelijk van de her‐
kende personen, verschillen.
Wanneer dieren worden herkend, verschijnt
een diersymbool.
Dynamic Light Spot
Ter aanvulling op de waarschuwing wordt er
met een lichtspot op herkende objecten ge‐
schenen.
Op dieren wordt slechts korte tijd geschenen.Indien de Dynamic Light Spot op een object
schijnt, is het controlelampje voor grootlicht in‐
geschakeld.
De Dynamic Light Spot schakelt automatisch
uit, zodra het object zich in het gebied van het
dimlicht bevindt.
Als dimlicht, grootlicht of gedeeltelijk grootlicht
brandt en de lichtspot niet op een object
schijnt, is de Dynamic Light Spot-koplamp
aanvullend als accentlicht ingeschakeld.
Overzicht
De koplampen bevinden zich in de voorste
bumper.
Koplampen schoon en vrij houden.
Voorwaarden
▷Lichtschakelaar in stand: ▷Dimlicht, grootlicht of gedeeltelijk groot‐
licht brandt.▷Geen lichtbronnen of verlichte verkeers‐
deelnemers in het waarschuwingsgebied.▷Intelligent Safety-systemen: persoons‐
waarschuwing is actief.
Inschakelen/uitschakelen
1."Instellingen"2."Intelligent Safety"3."Personenwaarschuwing"4.Gewenste instelling doen.
Tijdens de waarschuwing:
Seite 136BedieningVeiligheid136
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15
Page 137 of 302

Lichtsignaal bedienen, om de Dynamic Light
Spot voor de actuele waarschuwing uit te
schakelen.
Grenzen van het systeem
Principiële grenzen
De werking kan bijv. in de volgende situaties
beperkt zijn:▷Bij steile hellingen of afdalingen en in
scherpe bochten.▷Bij verontreinigde camera of beschadigde
voorruit.▷Bij dichte mist en hevige regen of sneeuw‐
val.▷Bij zeer hoge buitentemperaturen.
Grenzen van de herkenning van
personen en dieren
In sommige situaties kan het voorkomen dat
personen als dieren herkend worden, of dieren
als personen.
Kleine dieren worden door de objectherken‐
ning niet herkend, hoewel zij in het beeld goed
te zien zijn.
Beperkte herkenning, bijv. in de volgende ge‐
vallen:
▷Niet-zichtbare of deels zichtbare personen
of dieren, in het bijzonder niet-zichtbaar
hoofd/kop.▷Personen in een niet staande houding, bijv.
liggend.▷Fietsers op niet-gebruikelijke fietsen, bijv.
ligfietsen.▷Na een mechanische inwerking op het sys‐
teem, bijv. na een ongeval.
Geen weergave op het scherm
achterin
Op het scherm achterin kan het beeld van de
Night Vision niet worden afgebeeld.
Waarschuwing rijbaan
verlaten
Principe
Dit systeem waarschuwt vanaf een bepaald
snelheidsbereik, als de auto op wegen met rij‐
baanbegrenzingslijnen op het punt staat om de
rijstrook te verlaten. Deze snelheid ligt afhan‐
kelijk van de landuitvoering tussen 55 km/h en
70 km/h .
Het stuur begint bij waarschuwingen licht te
trillen. Het moment van deze waarschuwing
kan afhankelijk van de actuele rijsituatie varië‐
ren.
Het systeem waarschuwt niet wanneer voor
het verlaten van de rijstrook richting wordt aan‐
gegeven.
Opmerking WAARSCHUWING
Het systeem ontlast u niet van persoon‐
lijke verantwoordelijkheid om het wegverloop
en de verkeerssituatie juist in te schatten. Er
bestaat gevaar voor ongevallen. Rijstijl aan de
verkeerssituatie aanpassen. Verkeerssituatie
observeren en in de betreffende situaties actief
ingrijpen. Bij waarschuwingen het stuurwiel
niet onnodig heftig bewegen.◀
Overzicht
Toets in de auto
Intelligent Safety-toets
Seite 137VeiligheidBediening137
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15
Page 264 of 302

Vervangen
Gloeilamp 35 watt, H8.1.Schroevendraaier uit het boordgereed‐
schap met de vlakke zijde op de klem ge‐
leiden, pijl 1.2.Draai de schroevendraaier 90°, zie pijl 2.3.Mistlamp naar voren wegnemen.4.Stekker losmaken.5.Lamphouder draaien en verwijderen.6.Lamp verwijderen en vervangen.7.Ga in omgekeerde volgorde te werk voor
het plaatsen van de mistlamp. Let daarbij
op de geleiderails.LED-mistlamp
De mistlampen zijn van LED-techniek voor‐
zien. Bij een defect contact opnemen met de
Service Partner van de fabrikant of een andere
gekwalificeerde Service Partner of specialist.
Dynamic Light Spot
De lampen maken gebruik van LED-techniek.
Bij een defect contact opnemen met de Ser‐
vice Partner van de fabrikant of een andere ge‐
kwalificeerde Service Partner of specialist.
Achterlichten, lamp vervangen
LED-achterlichten De achterlichten maken gebruik van LED-tech‐
niek. Bij een defect contact opnemen met de
Service Partner van de fabrikant of een andere
gekwalificeerde Service Partner of specialist.
Wielen vervangen
Aanwijzingen Bij runflat-banden of het gebruik van plakmid‐
delen is het niet noodzakelijk om het wiel direct
te wisselen bij spanningsverlies in het geval
van pech.
Het juiste gereedschap voor het verwisselen
van wielen vindt u als toebehoren bij een Ser‐
vice Partner van de fabrikant of een andere ge‐
kwalificeerde Service Partner of specialist.Seite 264MobiliteitVervangen van onderdelen264
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15
Page 292 of 302

Brillenvak 207
Buiten bedrijf stellen, auto 278
Buitenlucht, zie AUC 187
Buitenspiegel assagierszijde omlaag kantelen 60
Buitenspiegel, automatisch dimmend 61
Buitenspiegels 60
Buitentemperatuurindica‐ tie 95
Buitentemperatuurwaarschu‐ wing 95
C
Camera, achteruitrijca‐ mera 171
Cameralenzen, verzor‐ ging 278
Camera, Side View 176
Camera, Top View 174
CBS Condition Based Ser‐ vice 258
CD/multimedia, zie Handlei‐ ding over navigatie-, enter‐
tainment- en communicatie‐
systeem
Centraal scherm, zie Control Display 16
Centrale sleutel, zie Afstands‐ bediening 32
Centrale vergrendeling 38
Chassisinstellingen 151
Chassisnummer, zie Voer‐ tuigidentificatienummer 9
Check-Control 90
Chroomachtige delen, onder‐ houd 277
Claxon 12
Colonne-assistent, zie File- assistent 161
Combinatieschakelaar, zie Knipperlicht 77
Combinatieschakelaar, zie Ruitenwisserinstallatie 77 Comfort Access, zie Comfort‐
toegang 41
Comfortopenen met de af‐ standsbediening 36
COMFORT-programma, rij‐ belevingsschakelaar 153
Comfortsluiten met de af‐ standsbediening 36
Comforttoegang 41
Compressor 245
Computer, zie Boordcompu‐ ter 100
Condenswater onder de auto 217
Condition Based Service CBS 258
ConnectedDrive, zie Handlei‐ ding over navigatie-, enter‐
tainment- en communicatie‐
systeem
Contact aan 69
Contactdoos, On-Board Dia‐ gnose OBD 259
Contactdozen, zie Aansluiting elektrische apparaten 199
Contactsleutel, zie Afstands‐ bediening 32
Contact uit 69
Control Display 16
Control Display, instellin‐ gen 103
Controle- en waarschuwings‐ lampjes, zie "Check-Con‐
trol" 90
Controlelampjes, zie "Check- Control" 90
Controller 17
Corrosie van de remschij‐ ven 217
Cosmeticaspiegel 197
Coverbanden 243
Cruise-control, zie Actieve gewenste rijsnelheid 154
Cruise-control, zie Snelheids‐ regeling 165
Cupholder, bekerhouder 208 D
Dagrijlicht 109
Dagteller 95
Dakbelasting 283
Dakdrager 219
Dakdrager, zie Dakdra‐ ger 219
Dakhemel 15
Dashboardkastje 205
Datum 95
Deactiveren, airbags 115
Defrost, zie Ruiten ont‐ dooien 184, 188
Diefstalbeveiliging, auto 36
Diefstalbeveiliging, wielbou‐ ten 266
Diefstalbeveiliging, zie Alarm‐ installatie 45
Dierherkenning, zie Night Vi‐ sion 133
Diesel 237
Dieselroetfilter 215
Digitale klok 95
Dimlicht 107
Dimmende binnenspiegel 61
Dimmende buitenspiegel 61
Displays reinigen 278
Displayverlichting, zie Instru‐ mentenverlichting 112
Door water rijden 216
DPC, zie Dynamic Perfor‐ mance Control 147
Draai-drukregelaar, zie Con‐ troller 17
DSC dynamische stabiliteits‐ controle 147
DTC dynamische tractiecon‐ trole 148
Dynamic Light Spot, vervan‐ gen van lampen 264
Dynamic Light Spot, zie Night Vision 133
Dynamic Performance Con‐ trol DPC 147
Dynamische remlichten 143 Seite 292OpzoekenAlles van A tot Z292
Online Edition for Part no. 01 40 2 966 029 - X/15