door FIAT FULLBACK 2017 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2017, Model line: FULLBACK, Model: FIAT FULLBACK 2017Pages: 332, PDF Size: 10.46 MB
Page 154 of 332

RIJHULPSYSTEMEN
Hill Start Assist (waar aanwezig)
Hill Start Assist (ondersteuning bij
wegrijden op een helling) helpt bij het
optrekken op een steile helling, door te
voorkomen dat het voertuig naar
achteren zakt. De remkracht blijft
ongeveer enkele seconden behouden,
terwijl u uw voet van het rempedaal
naar het gaspedaal brengt.
77) 78)
214) 215)
Gebruik
1. Zet het voertuig volledig stil met het
rempedaal.
2. Zet de versnellingspook op
voertuigen met een handgeschakelde
versnellingsbak in de eerste versnelling.
Zet de versnellingspook op voertuigen
met een automatische versnellingsbak
in stand "D".
Opmerking Zet de versnellingspook in
stand "R" als achterwaarts een helling
opgereden moet worden.
3. Laat het rempedaal los en Hill Start
Assist zorgt ervoor dat de remkracht
tijdens stilstand ongeveer 2 seconden
behouden blijft.
4. Trap het gaspedaal in en Hill Start
Assist verlaagt geleidelijk de remkracht,
zodra het voertuig in beweging komt.Opmerking Hill Start Assist wordt
geactiveerd als aan alle onderstaande
voorwaarden wordt voldaan.
De motor draait (Hill Start Assist
wordt niet tijdens het starten van de
motor of direct daarna geactiveerd).
De versnellingspook op voertuigen
met een handgeschakelde
versnellingsbak staat in de volgende
stand: Tijdens het voorwaarts
optrekken op een helling > De
versnellingspook staat in een andere
stand dan “R” (Hill Start Assist werkt,
zelfs als de versnellingspook in de
stand “N” staat). Tijdens het
achterwaarts optrekken op een helling
> De versnellingspook staat in de stand
“R” (Hill Start Assist werkt niet als de
versnellingspook in de stand “N” staat).
Op voertuigen met een automatische
versnellingsbak staat de
versnellingspook op een andere stand
dan "P" of "N".
Met het rempedaal ingetrapt staat
het voertuig volledig stil.
De parkeerrem wordt losgelaten.
Opmerking Hill Start Assist werkt niet
als het gaspedaal wordt ingetrapt
voordat het rempedaal is losgelaten.
Opmerking Hill Start Assist werkt ook
als achterwaarts een helling op wordt
gereden.Opmerking Als Hill Start Assist is
ingeschakeld, kunt u het werkingsgeluid
waarschijnlijk horen. Dit is normaal
tijdens gebruik van Hill Start Assist en
duidt niet op een probleem.
Waarschuwingslampje
Als zich een storing in het systeem
voordoet, gaat het indicatielampje
branden.
79) 80)
Stuurbekrachtigingssysteem
Het stuurbekrachtigingssysteem werkt
zolang de motor draait. Het helpt het
draaien van het stuurwiel te
vergemakkelijken.
Het stuurbekrachtigingssysteem heeft
een mechanische stuurbekrachtiging
voor als de elektrische bekrachtiging
niet werkt. Als de elektrische
bekrachtiging om een of andere reden
niet werkt, kunt u het voertuig toch nog
besturen, maar dat kost duidelijk meer
moeite. Laat uw voertuig in dit geval
nakijken bij een Fiat Servicepunt.
81) 82)
Trailer Stability Assist — TSA (waar
aanwezig)
Het Trailer Stability Assist-systeem helpt
het voertuig veilig op de weg te houden
tijdens het trekken van een
aanhangwagen, door de remkracht van
ieder wiel en het motorvermogen te
regelen om de beweging te stabiliseren
als een constante slingerbeweging van
152
VEILIGHEID
Page 155 of 332

het voertuig, veroorzaakt door een
aanhangwagen, wordt gedetecteerd.
Als het Trailer Stability Assist-systeem
de remmen bedient, gaan de remlichten
branden. Raadpleeg voor meer
informatie over het trekken van een
aanhangwagen "Aanhangwagens
trekken".
83) 84)
Opmerking Als het TSA-systeem in
werking treedt, kan de carrosserie van
het voertuig gaan trillen en kunnen er
werkingsgeluiden uit de motorruimte
komen. Deze omstandigheden duiden
op een normale werking van het
systeem, niet op een storing.
Opmerking Het TSA-systeem treedt in
werking als het voertuig een snelheid
van ca. 55 km/u of hoger heeft.
Opmerking Als het TSA-systeem werkt,
knippert het ESC-indicatielampje.
Opmerking Als de ESC niet werkt,
werkt het TSA-systeem ook niet.
BELANGRIJK
214)Als heuvelopwaarts moet worden
gereden, vertrouw er dan niet op dat Hill
Start Assist gebruikt kan worden om het
voertuig stil te houden, als alternatief op
het intrappen van het rempedaal. Dit zou
kunnen leiden tot een ongeval.215)Draai de contactschakelaar niet naar
de stand "LOCK" of "ACC" en zet de
bedieningsmodus niet op "ACC" of "OFF",
als Hill Start Assist is geactiveerd. Hill Start
Assist zou kunnen stoppen met werken,
wat zou kunnen leiden tot een ongeval.
BELANGRIJK
77)Vertrouw niet teveel op Hill Start Assist
om achteruitrijbeweging van het voertuig te
voorkomen. Onder bepaalde
omstandigheden, als het voertuig bijv.
zwaar beladen is, als de weg zeer steil of
glad is, of als een aanhangwagen aan het
voertuig is gekoppeld, zakt het voertuig,
ondanks dat Hill Start Assist is
ingeschakeld, toch terug als het rempedaal
niet voldoende wordt ingetrapt.
78)Hill Start Assist is niet ontworpen om
het voertuig meer dan 2 seconden stil te
houden op hellingen.
79)Als het waarschuwingslampje brandt,
werkt Hill Start Assist niet. Trek voorzichtig
op.
80)Zet uw voertuig op een veilige plek stil
en zet de motor af. Start de motor opnieuw
en controleer of het waarschuwingslampje
uit is gegaan. Als dit het geval is, werkt Hill
Start Assist weer naar behoren. Als het
waarschuwingslampje blijft branden of
regelmatig weer aangaat, hoeft het voertuig
niet direct te worden stilgezet, maar moet
het voertuig wel worden nagekeken bij een
Fiat Servicepunt.
81)Stop de motor niet terwijl het voertuig
rijdt. Met afgezette motor is het stuurwiel
bijzonder moeilijk te bewegen, wat zou
kunnen leiden tot een ongeval.82)Laat het stuurwiel niet helemaal naar
één kant gedraaid staan. Hierdoor zou het
stuurbekrachtigingssysteem kunnen
beschadigen.
83)Vertrouw niet teveel op het
TSA-systeem. Door een glad wegdek, een
krachtige zijwind, een ongeschikt gewicht
en een slechte plaatsing van de bagage
en/of een hoge snelheid, zou het kunnen
gebeuren dat het TSA-systeem de
stabiliteit van het voertuig niet kan
herstellen. Houd tijdens het rijden altijd
rekening met de verkeers-, weg- en
weersomstandigheden, en het gewicht en
de plaatsing van de bagage.
84)Het Trailer Stability Assist-systeem
werkt niet in de volgende gevallen:1–Als
plotseling remmen of heuvelafwaarts
remmen een abrupte beweging van het
voertuig veroorzaakt, waardoor het voertuig
en de aanhangwagen een hoek vormen. 2
– Als zijwaarts wordt geslipt door plotseling
sturen.
153
Page 157 of 332

ZUINIG RIJDEN
Om zuinig te rijden, moet aan een
aantal technische vereisten worden
voldaan. Een eerste vereiste voor een
laag brandstofverbruik is een juist
afgestelde motor. Voor een langere
levensduur van het voertuig en de
zuinigste werking, raden we u aan het
voertuig regelmatig te laten controleren,
volgens de onderhoudsnormen.
De zuinigheid en de generatie van
uitlaatgassen en geluid worden enorm
beïnvloed door de persoonlijke
rijgewoonten en het specifieke gebruik.
De volgende zaken moeten in de gaten
gehouden worden om de slijtage van
de remmen, banden en de motor,
evenals de milieuvervuiling, tot een
minimum terug te brengen.
De motor starten
Voorkom plotseling versnellen en snel
optrekken, aangezien dit het
brandstofverbruik opvoert.
Schakelen
Schakel alleen op de juiste snelheid en
het juiste motortoerental. Gebruik altijd
een zo hoog mogelijke versnelling.
Als met voertuigen met 4WD over
normale wegen en snelwegen wordt
gereden, moet de tussenbakpook of de
rijmodusschakelaar altijd op "2H"
worden gezet, voor het laagst mogelijke
brandstofverbruik.Stadsverkeer
Regelmatig starten en stoppen
verhoogt het gemiddelde
brandstofverbruik. Gebruik zoveel
mogelijk wegen met een soepele
verkeersdoorstroming. Vermijd gebruik
van lage versnellingen met hoge
motortoeren als u op drukke wegen
rijdt.
Stationair draaien
Het voertuig verbruikt zelfs brandstof
als de motor stationair draait. Vermijd
stationair draaien zoveel mogelijk.
Snelheid
Bij hogere voertuigsnelheden wordt
meer brandstof verbruikt. Vermijd op
volle snelheid rijden. Zelfs als het
gaspedaal maar iets wordt losgelaten,
scheelt dit al een enorme hoeveelheid
brandstof.
Bandenspanning
Controleer regelmatig de
bandenspanning. Een lage
bandenspanning, verhoogt de
rolweerstand en het brandstofverbruik.
Bovendien heeft een lage
bandenspanning nadelige gevolgen
voor de slijtage van de banden en de
stabiliteit tijdens het rijden.Belading
Rijd niet met onnodige voorwerpen in
de bagageruimte. Vooral in
stadsverkeer waarbij regelmatig moet
worden gestart en gestopt, heeft het
extra gewicht een enorme invloed op
het brandstofverbruik. Vermijd ook
onnodige bagage of dragers, enz. op
het dak; de grotere luchtweerstand
verhoogt het brandstofverbruik.
Starten met een koude motor
Het starten van een koude motor kost
meer brandstof. Een warme motor laten
draaien, kost ook onnodig brandstof.
Begin zo snel mogelijk met rijden, nadat
de motor is gestart.
Verkoeling of airconditioning
Door gebruik van de airconditioning
loopt het brandstofverbruik op.
155
Page 158 of 332

RIJDEN, ALCOHOL
EN DRUGS
Rijden onder de invloed van alcohol is
een van de grootste oorzaken van
ongevallen.
Zelfs met een bloedalcoholgehalte dat
ver onder het wettelijk minimum ligt,
kan uw rijvaardigheid ernstig worden
beïnvloed door alcohol. Rijd niet onder
de invloed van alcohol. Rijd mee met
een bewust onbeschonken bestuurder,
bel een taxi of een vriend, of gebruik
openbaar vervoer. Van koffie of een
koude douche wordt u niet nuchter.
Ook geneesmiddelen op recept en
andere geneesmiddelen kunnen uw
oplettendheid, waarneming en
reactietijd beïnvloeden. Raadpleeg uw
arts of apotheker voordat u onder de
invloed van dergelijke medicijnen gaat
rijden.
216)
BELANGRIJK
216)RIJD NOOIT ONDER DE INVLOED
VAN ALCOHOL. Uw waarnemingen zijn
minder nauwkeurig, uw reactievermogen is
trager en uw beoordelingsvermogen is
beïnvloed.
VEILIGE
RIJTECHNIEKEN
Rijveiligheid en bescherming tegen
letsel kunnen nooit 100% worden
gegarandeerd. We raden u echter aan
de volgende zaken in de gaten te
houden:
Veiligheidsgordels
Zorg ervoor dat uw passagiers en uzelf
de veiligheidsgordel om hebben
gedaan, voordat u het voertuig start.
Vloermatten
217)
Kinderen in het voertuig vervoerenLaat kinderen nooit onbeheerd in het
voertuig achter. Kinderen kunnen met
de besturingselementen spelen en op
die manier ongevallen veroorzaken.
Zorg ervoor dat baby's en kinderen
naar behoren vastzitten, volgens de
wetten en voorschriften, voor een
optimale bescherming in geval van een
ongeval.
Voorkom dat kinderen in de
bagageruimte spelen. Het is gevaarlijk
om kinderen daar tijdens het rijden te
laten spelen.
Bagage inladen
Zorg er tijdens het inladen van bagage
voor dat de lading niet boven de
stoelen uitkomt. Dit is niet alleen
gevaarlijk omdat het zicht achteruit
wordt belemmerd, maar ook omdat de
bagage in de passagiersruimte terecht
kan komen als hard wordt geremd.
BELANGRIJK
217)Houd vloermatten uit de buurt van de
pedalen, door vloermatten die geschikt zijn
voor het voertuig naar behoren neer te
leggen. Bevestig vloermatten met de haak,
enz., om te voorkomen dat ze van hun
plaats schuiven. Denk erom dat als een
vloermat over een pedaal wordt gelegd of
als één vloermat op een andere wordt
gelegd, de pedaalwerking kan worden
belemmerd, wat kan leiden tot een ernstig
ongeval.
244AA0064482
156
STARTEN EN RIJDEN
Page 161 of 332

PARKEERREM
Om te parkeren moet u de parkeerrem
volledig toepassen om het voertuig stil
te laten staan.
Inschakelen
Trap het rempedaal stevig in en houd
het ingetrapt, trek de hendel (A)
omhoog, zonder de knop op het
uiteinde van de handgreep in te
drukken.
86)
Opmerking Oefen voldoende kracht op
de parkeerrem uit om het voertuig stil te
laten staan nadat het rempedaal is
losgelaten.
Opmerking Als de parkeerrem het
voertuig niet stil houdt nadat het
rempedaal is losgelaten, moet u het
voertuig direct laten nakijken.Uitschakelen
Trap het rempedaal stevig in en houd
het ingetrapt. Trek vervolgens de hendel
(A) een klein stukje omhoog.
Druk op de knop (B) op het uiteinde van
de handgreep.
Breng de hendel (C) volledig omlaag.
87) 88)
Opmerking Om te voorkomen dat de
parkeerrem onbedoeld wordt
uitgeschakeld, moet de hendel eerst
een klein stukje omhoog worden
getrokken, voordat deze omlaag kan
worden geduwd. Door alleen op de
knop te drukken kan de hendel niet
omlaag geduwd worden.
BELANGRIJK
86)Als u de parkeerrem wilt gebruiken, trap
dan eerst stevig op het rempedaal om het
voertuig volledig stil te zetten, voordat u
aan de hendel van de parkeerrem trekt.
Door aan de parkeerrem te trekken, terwijl
het voertuig nog in beweging is, zouden de
achterwielen kunnen blokkeren en het
voertuig instabiel kunnen worden.
Bovendien zou het kunnen leiden tot een
slechte werking van de parkeerrem.
87)Controleer voordat u gaat rijden dat de
parkeerrem volledig is uitgeschakeld en het
waarschuwingslampje van de rem uit is. Als
met het voertuig wordt gereden, terwijl de
parkeerrem ingeschakeld is, raakt de rem
oververhit, wat kan leiden tot een slechte
werking of een defecte parkeerrem.
88)Als het waarschuwingslampje van de
rem niet dooft, terwijl de parkeerrem
volledig is uitgeschakeld, kan er sprake van
storing in het remsysteem zijn. Laat uw
voertuig onmiddellijk nakijken. Raadpleeg
voor nadere informatie
"Waarschuwingslampje rem".
245AA0001018
246AA0001021
159
Page 162 of 332

PARKEREN
Schakel de parkeerrem volledig in,
schakel de motor uit en zet de
versnellingspook van voertuigen met
een handgeschakelde versnellingsbak
in de 1e versnelling of "R" (achteruit), of
zet de versnellingspook van voertuigen
met een automatische versnellingsbak
op "P" (parkeren), om het voertuig te
parkeren.
Op een helling parkeren
Volg de onderstaande procedures om
te voorkomen dat het voertuig terugrolt:
Heuvelafwaarts parkeren
Draai de voorwielen richting de
stoeprand en rijd het voertuig vooruit tot
het wiel aan de kant van de stoep, de
stoeprand zachtjes raakt.
Schakel op voertuigen met een
handgeschakelde versnellingsbak de
parkeerrem in en zet de
versnellingspook in de stand "R"
(achteruit).
Schakel op voertuigen met een
automatische versnellingsbak de
parkeerrem in en zet de
versnellingspook in de stand "P"
(parkeren). Blokkeer de wielen, indien
nodig, met wielkeggen.
Heuvelopwaarts parkeren
Draai de voorwielen weg van de
stoeprand en rijd het voertuig achterruit
tot het wiel aan de kant van de stoep,
de stoeprand zachtjes raakt.Schakel op voertuigen met een
handgeschakelde versnellingsbak de
parkeerrem in en zet de
versnellingspook in de eerste
versnelling.
Schakel op voertuigen met een
automatische versnellingsbak de
parkeerrem in en zet de
versnellingspook in de stand "P"
(parkeren). Blokkeer de wielen, indien
nodig, met wielkeggen.
Opmerking Zorg er op voertuigen met
een automatische versnellingsbak voor
dat de parkeerrem wordt ingeschakeld,
voordat de versnellingspook in de stand
"P" (parkeren) wordt gezet. Als de
versnellingspook in de stand "P"
(parkeren) wordt gezet, voordat de
parkeerrem wordt ingeschakeld, zou
het lastig kunnen zijn de
versnellingspook uit de stand "P"
(parkeren) te halen, als u weer met het
voertuig gaat rijden, waardoor een grote
kracht op de versnellingspook moet
worden uitgeoefend om hem uit de
stand "P" (parkeren) te krijgen.
Opmerking BELANGRIJK: Verlaat de
auto NOOIT met de versnellingsbak in
de vrijstand, of bij versies die uitgerust
zijn met een automatische
versnellingsbak, zonder eerst de
keuzehendel op "P" (PARKEREN) te
hebben gezet.Parkeren terwijl de motor draait
Laat de motor nooit draaien, terwijl u
slaapt/uitrust. Laat de motor ook nooit
in een afgesloten of slecht geventileerde
ruimte draaien.
Het voertuig verlaten
Neem altijd de sleutel mee en
vergrendel alle portieren als u uw
voertuig onbeheerd achterlaat. Probeer
uw voertuig altijd in een goed verlichte
omgeving te parkeren.
218) 219) 220)
BELANGRIJK
218)Door de motor te laten draaien, loopt
u het risico op (dodelijk) letsel door per
ongeluk de versnellingspook te verplaatsen
of door de accumulatie van uitlaatgassen in
het interieur.
219)Laat nooit kinderen zonder toezicht in
het voertuig achter. Verwijder altijd de
contactsleutel als het voertuig wordt
verlaten en neem deze mee.
220)Parkeer uw voertuig niet in
omgevingen waar brandbare materialen,
zoals droog gras of bladeren, in contact
kunnen komen met een hete uitlaat,
aangezien hierdoor brand kan ontstaan.
160
STARTEN EN RIJDEN
Page 163 of 332

DE MOTOR STARTEN
EN AFZETTEN
221)
89) 90) 91) 92) 93) 94) 95) 96) 97) 98) 99)
Adviezen voor het starten
Behalve voor voertuigen uitgerust
met het Keyless Operation-systeem
Gebruik de startmotor niet constant
voor meer dan 10 seconden; hierdoor
zou de accu leeg kunnen raken. Als de
motor niet start, draai dan de
contactschakelaar terug naar "LOCK",
wacht een paar seconden en probeer
het vervolgens nog een keer.
Herhaaldelijk proberen terwijl de
startmotor nog draait, leidt tot schade
aan het startmechanisme.
Voor voertuigen uitgerust met het
Keyless Operation-systeem
De bedieningsmodus kan in iedere
modus worden gezet om de motor te
starten.
De startmotor draait ongeveer
15 seconden als de motorschakelaar
direct wordt losgelaten. Als de
motorschakelaar nogmaals wordt
ingedrukt, terwijl de startmotor nog
draait, wordt de startmotor
uitgeschakeld. De startmotor draait
ongeveer 30 seconden terwijl de
motorschakelaar wordt ingedrukt. Als
de motor niet start, wacht dan even en
probeer de motor nog een keer te
starten.Herhaaldelijk proberen terwijl de
startmotor nog draait, leidt tot schade
aan het startmechanisme.
De motor starten
Behalve voor voertuigen uitgerust
met het Keyless Operation-systeem
1. Steek de contactsleutel in en doe uw
veiligheidsgordel om.
2. Controleer of de parkeerrem is
ingeschakeld.
3. Trap het rempedaal stevig met uw
rechtervoet in en houd het ingetrapt.
4. Trap op voertuigen met een
handgeschakelde versnellingsbak het
koppelingspedaal volledig in en zet de
versnellingspook in de stand "N"
(vrijstand). Zorg ervoor dat de
versnellingspook op voertuigen met een
automatische versnellingsbak in de
stand "P" (parkeren) staat.5. Draai de contactsleutel naar de stand
"ON". Eerst gaat het indicatielampje van
de dieselvoorverwarming branden, dat
na korte tijd uitgaat om aan te geven
dat de voorverwarming is voltooid.
Opmerking Als de motor koud is, blijft
het indicatielampje van de
dieselvoorverwarming langer branden.
Opmerking Draai de contactschakelaar
weer naar de stand "LOCK", als de
motor niet wordt gestart binnen circa
5 seconden nadat het indicatielampje
van de dieselvoorverwarming is
gedoofd. Draai vervolgens de
schakelaar naar de stand "ON" om de
motor opnieuw voor te verwarmen.
Opmerking Als de motor warm is, gaat
het indicatielampje van de
dieselvoorverwarming zelfs niet aan als
de contactsleutel op "ON" wordt gezet.
Start de motor door de contactsleutel
naar rechts, naar de stand "START" te
draaien.
6. Draai de contactsleutel naar de stand
"START" zonder het gaspedaal in te
trappen en laat de sleutel los, zodra de
motor start.
Opmerking Tijdens het starten van de
motor zijn enige zachte geluiden te
horen. Deze verdwijnen zodra de motor
is opgewarmd.
247AHA106593
161
Page 165 of 332

Voor voertuigen uitgerust met het
Keyless Operation-systeem
222)
Opmerking Als u tijdens het rijden een
noodstop moet maken, houd de
motorschakelaar dan 3 seconden of
meer ingedrukt, of druk er 3 of meer
keer snel achter elkaar op. De motor
wordt afgezet en de bedieningsmodus
wordt op "ACC" gezet.
Opmerking Probeer de motor niet af te
zetten met de bedieningsmodus op een
andere stand dan "P" (parkeren)
(automatische versnellingsbak). Als de
motor wordt afgezet met de
versnellingspook in een andere stand
dan "P" (parkeren), wordt de
bedieningsmodus op "ACC" gezet i.p.v.
"OFF". Zet eerst de versnellingspook in
de stand "P" (parkeren) en zet dan de
bedieningsmodus op "OFF".
1. Breng het voertuig tot stilstand.
2. Schakel de parkeerrem volledig in,
terwijl u het rempedaal intrapt.
3. Druk op voertuigen met een
handgeschakelde versnellingsbak op
de motorschakelaar om de motor af te
zetten en zet de versnellingspook in de
1e versnelling (heuvelopwaarts) of de
stand "R" (achteruit) (heuvelafwaarts).
Zet op voertuigen met een
automatische versnellingsbak de
versnellingspook in de stand "P"
(parkeren) en druk op de
motorschakelaar om de motor af te
zetten.Leerproces hoeveelheid ingespoten
brandstof
Om de uitlaatgasemissies en het
motorgeluid zo laag mogelijk te houden,
voert de motor heel soms een
leerproces van de hoeveelheid
ingespoten brandstof uit.
Tijdens het leerproces klinkt de motor
iets anders dan normaal. De
verandering in het motorgeluid duidt
niet op een storing.
Als de Keyless Operation-sleutel
niet naar behoren werkt
Steek de Keyless Operation-sleutel in
het contactslot. Nu zou de motor
gestart en de bedieningsmodus
gewijzigd moeten kunnen worden.
Neem de Keyless Operation-sleutel uit
het contactslot, als de motor is gestart
of als de bedieningsmodus wordt
veranderd.Opmerking Steek niets anders in het
contactslot dan de Keyless
Operation-sleutel. Dit zou schade of
storingen kunnen veroorzaken.
Opmerking Verwijder objecten of extra
sleutels van de Keyless Operation-
sleutel, voordat de sleutel in het
contactslot wordt gestoken. Anders zou
het kunnen gebeuren dat het voertuig
de geregistreerde ID-code niet van de
geregistreerde sleutel kan ontvangen.
Daardoor start de motor niet en kan de
bedieningsmodus niet worden
gewijzigd.
Opmerking Als de Keyless
Operation-sleutel zoals weergegeven in
het contactslot wordt gestoken, zit de
sleutel vast. Trek de sleutel in dezelfde
toestand weer naar buiten.
249AHA103547
163
Page 166 of 332

Herinnering Keyless Operation-
sleutel*
(Indien aanwezig)
Als de bedieningsmodus op "OFF"
staat en het bestuurdersportier wordt
geopend, terwijl de Keyless
Operation-sleutel nog in het contactslot
zit, gaat het waarschuwingslampje
knipperen, gaat de externe zoemer
ongeveer 3 seconden af en gaat de
interne zoemer ongeveer 1 minuut af
om u eraan te herinneren dat u de
sleutel moet verwijderen.
BELANGRIJK
89)In sommige gevallen kan, wanneer de
motor wordt afgezet, de elektrische
ventilator nog maximaal 120 seconden
blijven werken.
90)Even snel gas geven voordat de motor
wordt uitgezet heeft geen enkel nut, verspilt
brandstof en is, vooral voor motoren met
turbocompressor, schadelijk.
91)Probeer de motor nooit te starten door
het voertuig te duwen, te slepen of van een
helling af te laten rijden. Hierdoor kan
brandstof in de katalysator terechtkomen
die hierdoor onherstelbaar beschadigd
wordt.
92)Onthoud dat de rembekrachtiging en
de elektrische stuurbekrachtiging niet
werken zolang de motor niet is gestart; om
die reden is meer kracht benodigd voor de
bediening van het rempedaal en het stuur.
93)Wij adviseren om gedurende de
beginperiode niet de maximale prestaties
van het voertuig te eisen (bijv. snel
accelereren, lange afstanden op
topsnelheid, krachtig remmen etc.).
94)Laat de contactsleutel los zodra de
motor is gestart, om schade aan de
startmotor te voorkomen.
95)Probeer de motor nooit te starten door
het voertuig te slepen of te duwen.
96)Voer het motortoerental of de
voertuigsnelheid nooit hoog op, voordat de
motor de kans heeft gekregen om op te
warmen.97)Zet de motor nooit onmiddellijk af nadat
met hoge snelheid of heuvelopwaarts is
gereden, als het voertuig is uitgerust met
een turbocompressor. Laat eerst de motor
stationair draaien om de turbocompressor
de kans te geven om af te koelen.
98)Wij adviseren om gedurende de
beginperiode niet de maximale prestaties
van het voertuig te eisen (bijv. snel
accelereren, lange afstanden op
topsnelheid, krachtig remmen etc.).
99)Even snel gas geven voordat de motor
wordt uitgezet heeft geen enkel nut, verspilt
brandstof en is, vooral voor motoren met
turbocompressor, schadelijk.
BELANGRIJK
221)Laat de motor nooit langer in een
afgesloten of slecht geventileerde ruimte
draaien dan nodig is om het voertuig uit de
ruimte te rijden. Koolmonoxidegassen zijn
geurloos en kunnen dodelijk zijn.
222)Bedien de motorschakelaar nooit
tijdens het rijden, behalve in noodgevallen.
Als de motor tijdens het rijden wordt
afgezet, werkt het servomechanisme van
de remmen niet meer en neemt de
remwerking af. Bovendien werkt de
stuurbekrachtiging niet en moet meer
moeite worden gedaan om te sturen. Dit
zou tot een ernstig ongeval kunnen leiden.
250AHA103505
164
STARTEN EN RIJDEN
Page 167 of 332

WERKING VAN DE
TURBOCOMPRESSOR
(indien aanwezig)
Turbocompressor
100) 101)
De turbocompressor verhoogt het
motorvermogen door grote
hoeveelheden lucht in de cilinders van
de motor te persen. De vinnen in de
turbocompressor draaien op extreem
hoge snelheden en worden
onderworpen aan extreem hoge
temperaturen. Ze worden gesmeerd en
gekoeld door de motorolie. Als de
motorolie niet op de gespecificeerde
intervallen wordt ververst, kunnen de
lagers vastlopen of vreemde geluiden
maken.
1. Luchtcompressor 2. Perslucht
3. Cilinder 4. Vin turbocompressor
5. Turbine 6. Uitlaatgas
BELANGRIJK
100)Laat de motor niet direct na het
starten hoge toeren maken (door bijv. het
toerental op te voeren of snel te versnellen).
101)Zet de motor niet onmiddellijk af nadat
met hoge snelheid of heuvelopwaarts is
gereden. Laat eerst de motor stationair
draaien om de turbocompressor de kans te
geven om af te koelen.
START&STOP-
SYSTEEM
Het Start&Stop-systeem zet
automatisch de motor af en start hem
weer op zonder gebruik van de
contactschakelaar of motorschakelaar,
als het voertuig stilstaat, voor bijv. een
verkeerslicht of in een file, om de
hoeveelheid uitlaatgassen en het
brandstofverbruik te verlagen.
Opmerking De totale tijd dat de motor
door het Start&Stop-systeem is
afgezet, wordt weergegeven op het
multi-informatiedisplay. Raadpleeg
"Start&Stop-bewaking".
102)
De motor automatisch afzetten
Iedere keer dat de contactschakelaar of
de bedieningsmodus op "ON" wordt
gezet, wordt het Start&Stop-systeem
automatisch ingeschakeld.
Het systeem kan worden uitgeschakeld
door op de schakelaar "OFF" van het
Start&Stop-systeem te drukken.
Raadpleeg "Uitschakelen"
Als het Start&Stop-systeem in werking
treedt, gaat het indicatielampje branden
om de bestuurder hiervan op de hoogte
te stellen.
251AA0020860
165