gas type FIAT FULLBACK 2017 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2017, Model line: FULLBACK, Model: FIAT FULLBACK 2017Pages: 332, PDF Size: 10.46 MB
Page 82 of 332

KATALYSATOR
De spoelinrichtingen voor de
uitlaatgassen die met een katalysator
worden gebruikt, zijn uiterst efficiënt in
de reductie van giftige gassen. De
katalysator wordt in het uitlaatsysteem
geïnstalleerd.
Het is belangrijk dat de motor goed
afgestemd blijft om ervoor te zorgen dat
de katalysator naar behoren werkt en
om eventuele schade aan de
katalysator te voorkomen.
77)
Opmerking Gebruik brandstof van het
type dat wordt aanbevolen in
"Brandstofkeuze".
BELANGRIJK
77)Parkeer of gebruik dit voertuig, net als
ieder ander voertuig, niet in omgevingen
waar brandbare materialen, zoals droog
gras of bladeren, in contact kunnen komen
met een hete uitlaat, aangezien hierdoor
brand kan ontstaan.
DIESELROETFILTER
(DPF)
(indien aanwezig)
Het dieselroetfilter (DPF) is een element
dat de meeste roetdeeltjes (PM) in de
uitlaatgassen van een dieselmotor
opvangt. Het DPF verbrandt
automatisch de opgevangen vaste
deeltjes tijdens gebruik van het
voertuig. Onder bepaalde
rijomstandigheden is het DPF echter
niet in staat alle opgevangen
roetdeeltjes te verbranden, waardoor
zich te veel roetdeeltjes in het filter
verzamelen.
78)
27)
Opmerking Probeer lange tijd met lage
snelheid rijden en herhaaldelijk korte
afstanden rijden te voorkomen, om de
kans op een te grote accumulatie van
roetdeeltjes te verkleinen en probeer
zoveel mogelijk op een hoog
motortoerental te rijden.
Opmerking Tijdens de automatische
verbranding van roetdeeltjes door het
DPF, klinkt de motor enigszins anders
dan normaal. De verandering in het
motorgeluid duidt niet op een storing.
DPF-waarschuwingslampje
Bij storingen in het DPF-systeem gaat
het DPF-waarschuwingslampje
branden.Als het DPF-waarschuwingslampje
tijdens gebruik van het voertuig
gaat branden
Als het DPF-waarschuwingslampje
constant brandt, geeft dat aan dat het
DPF niet alle opgevangen roetdeeltjes
heeft kunnen verbranden en dat zich
daardoor te veel roetdeeltjes in het filter
hebben verzameld. Probeer als volgt
met het voertuig te rijden om ervoor te
zorgen dat het DPF de roetdeeltjes kan
verbranden:
Rijd ongeveer 20 minuten met een
snelheid van ten minste 40 km/u, terwijl
het staafdiagram van de
motorkoelvloeistoftemperatuur min of
meer stabiel in het midden van de
schaal wordt weergegeven.
28) 29)
141AHA104948
80
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG
Page 201 of 332

BELANGRIJK
148)Vermijd gewoonten waardoor zwaar
moet worden geremd en "gebruik" de
remmen nooit door uw voet tijdens het
rijden op het rempedaal te laten rusten.
Hierdoor kunnen de remmen oververhit
raken en afslijten.
BELANGRIJK
233)Zet de motor niet af terwijl het
voertuig in beweging is. Als u de motor
tijdens het rijden afzet, stopt de
rembekrachtiging met werken en werken
de remmen minder goed.
234)Laat uw voertuig onmiddellijk nakijken,
als de rembekrachtiging niet werkt of het
hydraulische remsysteem niet meer naar
behoren werkt.
235)Laat nooit voorwerpen in de buurt van
het rempedaal liggen en laat de vloermat er
nooit onder glijden; hierdoor kan het
rempedaal mogelijk geen volledige slag
maken, wat nodig is in noodgevallen. Zorg
ervoor dat het pedaal te allen tijde
onverhinderd kan worden bediend. Zorg
ervoor dat de vloermat goed op zijn plaats
blijft liggen.
236)Rijden met versleten remblokken
maakt remmen moeilijker en kan
ongevallen veroorzaken.
CRUISE CONTROL
(indien aanwezig)
CRUISE CONTROL is een automatisch
snelheidsregelsysteem dat een
instelsnelheid aanhoudt. Het kan
worden ingeschakeld vanaf ca.
40 km/u.
237) 238)
149) 150) 151)
Opmerking De CRUISE CONTROL kan
de snelheid heuvelopwaarts of
-afwaarts mogelijk niet aanhouden. Bij
steile hellingen omhoog zou uw
snelheid af kunnen nemen. Trap het
gaspedaal in, als u de instelsnelheid wilt
behouden. Bij steile hellingen omlaag
zou uw snelheid toe kunnen nemen tot
boven de instelsnelheid. Gebruik het
rempedaal om uw snelheid te regelen.
Hierdoor wordt de instelsnelheid
uitgeschakeld.Cruisecontrolschakelaars
Type 1
Type 2
288AA0110608
289AHA108425
199
Page 202 of 332

A — Aan-/uitschakelaar CRUISE
CONTROL
Om de CRUISE CONTROL aan en uit
te zetten.
B — Schakelaar - SET
Om de instelsnelheid te verlagen en om
de gewenste snelheid in te stellen.
C — Schakelaar RES +
Om de instelsnelheid te verhogen en
om de oorspronkelijke snelheid te
herstellen.
D — CANCEL-schakelaar
Om de ingestelde rijsnelheid uit te
schakelen.
Opmerking Druk voor de bediening van
de CRUISE CONTROL goed op de
cruise control schakelaars. De
ingestelde rijsnelheid kan automatisch
worden uitgeschakeld als twee of meer
cruise controlschakelaars tegelijkertijd
worden ingedrukt.
Inschakelen
1. Druk met de contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" op de
aan-/uitschakelaar (A) van de CRUISE
CONTROL om de CRUISE CONTROL
aan te zetten. Het indicatielampje op
het metercluster gaat branden.Type 1
Type 22. Geef gas of neem gas terug tot de
gewenste snelheid en druk de
schakelaar SET - (B) in tot het
indicatielampje gaat branden Het
voertuig behoudt de gewenste
snelheid.
Type 1
290AA0110611
291AHA114055
292AHA112846
293AA0110624
200
STARTEN EN RIJDEN
Page 203 of 332

Type 2
Opmerking Als u de schakelaar SET -
(B) loslaat, wordt de nieuwe snelheid
ingesteld.
De instelsnelheid verhogen
Er zijn twee manieren om de
instelsnelheid te verhogen.
Schakelaar RES +
Druk op de schakelaar RES + (C) en
houd hem ingedrukt terwijl u op de
instelsnelheid rijdt; uw snelheid zal
geleidelijk toenemen. Laat de
schakelaar los zodra u de gewenste
snelheid hebt bereikt. Uw nieuwe
rijsnelheid is nu ingesteld.Type 1
Type 2
Druk minder dan ca. 1 seconde op de
schakelaar RES + (C) en laat hem los,
om uw snelheid in kleine stappen te
verhogen. Iedere keer dat u de
schakelaar RES + (C) omhoog duwt,
neemt uw voertuigsnelheid met
ongeveer 1,6 km/u toe.Gaspedaal
Gebruik het gaspedaal terwijl u op de
instelsnelheid rijdt, om de gewenste
snelheid te behalen en druk vervolgens
op de schakelaar SET - (B) en laat de
schakelaar gelijk weer los om een
nieuwe gewenste rijsnelheid in te
stellen.
Type 1
Type 2
294AHA108441295AA0110637
296AHA108454
297AA0110640
298AHA108467
201
Page 204 of 332

De instelsnelheid verlagen
Er zijn twee manieren om de
instelsnelheid te verlagen.
Schakelaar SET -
Druk op de schakelaar SET - (B) en
houd hem ingedrukt terwijl u op de
instelsnelheid rijdt; uw snelheid zal
geleidelijk afnemen. Laat de schakelaar
los zodra u de gewenste snelheid hebt
bereikt. Uw nieuwe rijsnelheid is nu
ingesteld.
Type 1Type 2
Druk minder dan ca. 1 seconde op de
schakelaar SET - (B) en laat hem los,
om uw snelheid in kleine stappen te
verlagen. Iedere keer dat u de
schakelaar SET - (B) indrukt, neemt uw
voertuigsnelheid met ongeveer
1,6 km/u af.
Rempedaal
Gebruik het rempedaal terwijl u op de
instelsnelheid rijdt, om de CRUISE
CONTROL uit te schakelen en druk
vervolgens op de schakelaar SET - (B)
en laat de schakelaar gelijk weer los om
een nieuwe gewenste rijsnelheid in te
stellen.Type 1
Type 2
De snelheid tijdelijk verhogen
Trap het gaspedaal in zoals u dat
normaal zou doen. Zodra u het pedaal
loslaat, keert het voertuig terug naar de
instelsnelheid.
299AA0110624
300AHA108441301AA0110653
302AHA108483
202
STARTEN EN RIJDEN
Page 210 of 332

Met gebruik van de CANCEL-
schakelaar, het gaspedaal en de
schakelaar SET -
Druk op de CANCEL-schakelaar (D) om
de snelheidsbegrenzer (Speed Limiter)
uit te schakelen.
De controlestatus "LIMIT" op de
combinatiemeter verdwijnt en verandert
in de controlestatus "LIMIT OFF"
Type 1
Type 2Verhoog de voertuigsnelheid tot de
gewenste snelheid, druk op de
schakelaar SET - (B) en laat hem los.
Type 1Type 2
De controlestatus "LIMIT" wordt weer
weergegeven en de instelsnelheid
wordt herzien.
De instelsnelheid verlagen
Met gebruik van de schakelaar SET
-
Druk op de schakelaar SET - (B)
De instelsnelheid die op de
combinatiemeter wordt weergegeven,
wordt geleidelijk verlaagd. Laat de
schakelaar SET - (B) los, zodra de
instelsnelheid de gewenste snelheid
heeft behaald.
319AHA114303
320AHA110578
321AHA114316
322AA0113814
323AHA114505
208
STARTEN EN RIJDEN
Page 212 of 332

Type 2
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter)
wordt weer weergegeven en de
instelsnelheid wordt herzien.
De voertuigsnelheid tijdelijk
verhogen
In noodgevallen kan de bestuurder de
snelheid tijdelijk verhogen.
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter)
wordt tijdelijk uitgeschakeld en de
voertuigsnelheid kan worden verhoogd.
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter)
wordt weer ingeschakeld als de
voertuigsnelheid daalt tot minder dan
de instelsnelheid.
Trap het gaspedaal volledig in tot het
einde van de pedaalslag (tot voorbij een
aanslag waarbij de reactiekracht van
het pedaal groter is dan vóór het einde
van de pedaalslag)
240)
Als de voertuigsnelheid de
instelsnelheid overschrijdt, gaan de
symbolen van de controlestatus "LIMIT"
en van de snelheidsbegrenzer (Speed
Limiter) knipperen.
241)
Tijdens dergelijke noodgevallen kan de
bestuurder de instelsnelheid
veranderen.
Uitschakelen
Gebruik voor uitschakeling een van de
volgende manieren.
Druk op de CANCEL-schakelaar
Druk op de aan-/uitschakelaar van
de snelheidsbegrenzer (Speed Limiter)
Opmerking Als de snelheidsbegrenzer
(Speed Limiter) op een andere manier
wordt uitgeschakeld, zou er sprake
kunnen zijn van een systeemfout. Staak
het gebruik van de snelheidsbegrenzer
(Speed Limiter) en zet hem uit.Laat het voertuig nakijken bij een Fiat
Servicepunt.
242)
Hervatten
Als het systeem wordt uitgeschakeld,
slaat de snelheidsbegrenzer (Speed
Limiter) de instelsnelheid in het
geheugen op; gebruik van de
snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) kan
worden hervat door op de schakelaar
RES + (C) te drukken.
Type 1
330AHA110523
331AHA105033
332AA0113797
210
STARTEN EN RIJDEN
Page 213 of 332

Type 2
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter)
begint echter direct met de
snelheidsregeling en als de
voertuigsnelheid hoger is dan de
instelsnelheid mindert het voertuig vaart
alsof het gaspedaal volledig wordt
losgelaten.
243)
BELANGRIJK
153)Aangezien het systeem geen gebruik
maakt van de bedrijfsrem (hydraulische
rem), zou het voertuig de instelsnelheid
kunnen overschrijden, als het
heuvelafwaarts rijdt.
BELANGRIJK
240)De mogelijkheid bestaat om met de
snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) een
plotselinge versnelling toe te laten,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal.
Wees dus voorzichtig met plotselinge
versnellingen.
241)Wees voorzichtig met te hoge
toerentallen.
242)De mogelijkheid bestaat om met de
snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) een
plotselinge versnelling toe te laten,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal,
waardoor de snelheidsbegrenzer (Speed
Limiter) wordt uitgeschakeld. Wees
voorzichtig.
243)Afhankelijk van de rijomstandigheden,
zou het voertuig kunnen schokken. Wees
voorzichtig.
RIJSTROOK-
WAARSCHUWING
(indien aanwezig)
Doordat door middel van een camera
(A) de rijstrook wordt herkend waarover
het voertuig rijdt, laat de
rijstrookwaarschuwing (LDW) een
audiovisueel alarm afgaan op het
informatiescherm van het
multi-informatiedisplay, als uw voertuig
de rijstrook dreigt te verlaten.
333AHA110536
334AA0114055
211
Page 247 of 332

BELANGRIJK
314)Slepen mag niet plaatsvinden om
langs betekenisvolle obstakels op de weg
te komen (bijv. sneeuwhopen of materiaal
op het wegdek).
315)Slepen mag uitsluitend plaatsvinden
over de weg; de voorziening mag niet
gebruikt worden om het voertuig weer op
de weg te brengen als het van de weg is
geraakt.
316)Aangezien uw voertuig is uitgerust
met ESC en het voertuig wordt gesleept,
terwijl de contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" staat en alleen
de voor- of achterwielen van de grond zijn
geheven, zou de actieve tractieregeling in
werking kunnen treden en een ongeval
kunnen veroorzaken.
317)Vermijd plotseling remmen, versnellen
en sturen; hierdoor zou de trekhaak of het
sleeptouw kunnen beschadigen. Mensen in
de directe omgeving zouden hierdoor letsel
op kunnen lopen.318)Als lange tijd heuvelafwaarts wordt
gereden, zouden de remmen oververhit
kunnen raken en zou de werking van de
remmen af kunnen nemen. Laat uw
voertuig slepen met een sleepwagen.
319)De bestuurder van het gesleepte
voertuig moet goed op de remlichten van
het slepende voertuig letten en ervoor
zorgen dat het touw nooit slap komt te
hangen.
320)Gebruik voor het slepen geen flexibele
kabels en voorkom trekbewegingen. Zorg
tijdens het slepen dat er geen onderdelen
door de sleepverbinding kunnen worden
beschadigd.
321)Als u het voertuig wilt gaan slepen,
dient u aan de specifieke voorschriften van
de wegenverkeerswetgeving te voldoen
m.b.t. het slepen van een voertuig en het
gedrag op de weg.
322)Start de motor niet wanneer het
voertuig wordt gesleept.
323)Slepen mag uitsluitend plaatsvinden
over de weg; de voorziening mag niet
gebruikt worden om het voertuig weer op
de weg te brengen als het van de weg is
geraakt.
324)Slepen mag niet plaatsvinden om
langs betekenisvolle obstakels op de weg
te komen (bijv. sneeuwhopen of materiaal
op het wegdek).
325)Slepen moet plaatsvinden met de
twee voertuigen (een sleept en de ander
wordt gesleept) zoveel mogelijk uitgelijnd,
slepen door wegassistentievoertuigen moet
ook plaatsvinden met de twee voertuigen
zoveel mogelijk uitgelijnd.
BELANGRIJK
169)Dit voertuig mag niet worden gesleept
door een sleepwagen met
kraanwagenuitrusting (Type A) zoals
geïllustreerd fig. 405. Gebruik van een
kraanwagen kan leiden tot schade aan de
bumper en de voorkant.
170)Zet de rijmodusschakelaar op
voertuigen met 4WD in de stand "2H" en
vervoer het voertuig met de aandrijfwielen
op een dollie (Type D of E), zoals
weergegeven. Probeer het voertuig nooit te
slepen met de rijmodusschakelaar in de
stand "4H" of "4L" (Easy Select 4WD),
"4H", "4HLc" of "4LLc" (Super Select 4WD
II) en met de voor- of achterwielen op de
grond (Type B of C), zoals weergegeven.
Dit zou kunnen leiden tot schade aan het
aandrijfsysteem of het voertuig zou van de
dollie af kunnen stuiteren. Als de
rijmodusschakelaar niet in de stand "2H"
kan worden gezet of als de versnellingsbak
niet werkt of beschadigd is, vervoer het
voertuig dan met alle wielen op een dollie
(Type D of E), zoals weergegeven.
171)Vervoer voertuigen met 2WD waarvan
de versnellingsbak slecht werkt of
beschadigd is, met de aandrijfwielen op
een dollie (Type C, D of E), zoals
weergegeven.
408AHZ101027
245
Page 266 of 332

omgekeerde volgorde om de lamp te
monteren.
Opmerking Breng voor de montage
van de lens de twee lippen aan de ene
kant van de lens aan in de gaten aan de
voertuigkant, voordat de twee lippen
aan de andere kant van de lens in de
gaten aan de voertuigkant worden
aangebracht.
Dashboardkastverlichting
Laat de lamp van de
dashboardkastverlichting vervangen bij
een Fiat Servicepunt.
BELANGRIJK
334)In halogeenlampen bevindt zich gas
onder druk; als ze breken, kunnen er
glassplinters wegschieten.335)Lampen zijn zeer heet als ze net zijn
uitgezet. Wacht voor het vervangen van
een lamp totdat de lamp voldoende is
afgekoeld, voordat u hem aanraakt. Anders
zou u zich kunnen branden.
336)Ga voorzichtig met halogeenlampen
om. Het gas in halogeenlampen staat
onder druk, dus als u de lamp laat vallen of
krast, kan de lamp breken.
337)Houd een halogeenlamp nooit met
blote handen, vuile handschoenen, enz.
vast. Door het vet van uw handen zou de
lamp de volgende keer dat de koplampen
worden gebruikt, kunnen breken. Als het
glasoppervlak vuil is, moet het worden
gereinigd met alcohol, verfverdunner, enz.
en weer worden teruggezet nadat het
grondig is gedroogd.
338)Raadpleeg altijd een specialist
voordat u de lampen van HID-koplampen
repareert of vervangt. Het stroomcircuit, de
lampen en de elektroden genereren
namelijk een hoge spanning waarvan u een
elektrische schok zou kunnen krijgen.
339)Wijzigingen of reparaties aan het
elektrisch systeem die niet correct zijn
uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt
gehouden met de technische
systeemgegevens, kunnen storingen in de
werking en zelfs brand tot gevolg hebben.
340)Vervang lampen alleen wanneer de
motor uit is. Controleer ook of de motor
koud is, om het risico op brandwonden te
voorkomen.
341)Installeer geen in de handel
verkrijgbare LED-type lampen. In de handel
verkrijgbare LED-type lampen kunnen de
werking van het voertuig negatief
beïnvloeden, zoals het niet correct werken
van de lampen of andere apparaten van
het voertuig.
453AHZ101043
264
NOODGEVALLEN