banden Hyundai Kona 2018 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: HYUNDAI, Model Year: 2018, Model line: Kona, Model: Hyundai Kona 2018Pages: 540, PDF Size: 9.01 MB
Page 283 of 540

5-5
Rijden met uw auto
5
Voor het instappen
• Zorg ervoor dat alle ruiten,buitenspiegel(s) en lampen schoon en onbedekt zijn.
• Verwijder rijp, sneeuw of ijs.
• Controleer de banden visueel op ongelijkmatige slijtage en beschadigingen.
• Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.
• Controleer of er zich geen obstakels achter de auto bevinden
wanneer u achteruit wilt rijden.
Vóór het starten
• Controleer of de motorkap, deachterklep en de portieren goed
gesloten en vergrendeld zijn.
• Stel de positie van de stoel en het stuurwiel af.
• Stel de binnen- en buitenspiegels af.
• Controleer of alle verlichting werkt.
• Doe uw veiligheidsgordel om. Controleer of alle passagiers hun
veiligheidsgordel omgedaan
hebben.
• Controleer de meters en controlelampjes in het
instrumentenpaneel en de
waarschuwingen die in het display
van het instrumentenpaneel
worden weergegeven als hetcontact in stand ON staat.
• Controleer of alle voorwerpen die u bij u hebt goed opgeborgen of
goed vastgezet zijn.
VÓÓR HET RIJDEN
Om de kans op ERNSTIG
LETSEL te beperken, moeten de
volgende voorzorgsmaatregelen
getroffen worden:
•Doe uw veiligheidsgordel
ALTIJD om. Alle inzittendenmoeten tijdens het rijden de
veiligheidsgordel op de
juiste manier dragen. Zie
“Veiligheidsgordels” in
hoofdstuk 2 voor meer
informatie.
•Rijd altijd defensief. Houd er rekening mee dat andere
bestuurders of voetgangers
onachtzaam kunnen zijn en
fouten kunnen maken.
•Blijf u concentreren op het
rijden. Een bestuurder die
zich laat afleiden kan een
ongeval veroorzaken.
•Bewaar ruim voldoende
afstand tot uw voorligger.
WAARSCHUWING
Page 300 of 540

5-22
• Wees vooral voorzichtig bij het
rijden op een gladde ondergrond.
Let in dat geval vooral op bij het
remmen, gasgeven en schakelen.
Op een glad wegdek kan een
plotselinge snelheidsverandering
leiden tot verlies van grip van de
aangedreven wielen, waardoor u
de controle over uw auto kunt
verliezen, met een mogelijk
ongeval tot gevolg.
Rijden met uw auto
Om de kans op ERNSTIG LETSEL te beperken:
•Doe uw veiligheidsgordel
ALTIJD om. Bij een aanrijdinglopen inzittenden die hun
veiligheidsgordel niet dragen
een veel grotere kans opernstig letsel dan inzittenden
die hun veiligheidsgordel wel
dragen.
•Pas uw snelheid aan voordat
u een bocht aansnijdt of gaatkeren.
•Maak geen plotselinge
stuurbewegingen bij het
wisselen van rijbaan of bij het
nemen van snelle, scherpe
bochten.
•De kans dat de auto over de
kop slaat wanneer u de macht
over het stuur verliest, is veel
groter bij hogere snelheden.
WAARSCHUWING •Meestal verliest de bestuurder
de macht over de autowanneer twee of meer wielen
van de weg raken en de
bestuurder het stuur omgooitom de auto weer de weg op testuren.
•Gooi het stuur niet om
wanneer uw auto van de weg
raakt. Minder in plaats
daarvan snelheid voordat u de
auto terug de weg op stuurt.
•HYUNDAI adviseert u om u
altijd aan de aangegevensnelheidslimieten te houden.
Rem op een glad wegdek niet
snel af op de motor (schakelen
vanuit een hoge naar een lage
versnelling). Hierdoor kunnende banden gaan slippen,
waardoor een ongeval zoukunnen ontstaan.
WAARSCHUWING
Page 317 of 540

5-39
Rijden met uw auto
5
ESC uitgeschakeld
Uitschakelen van ESC- systeem:
• Status 1
Druk kort op de toets ESC OFF. Het controlelampje ESC OFF gaat
branden en de melding "Traction
Control disabled" (Tractie controle
uitgeschakeld) wordt weergegeven.
In deze status wordt de
antidoorslipregelingsfunctie van de
ESC (motormanagement)
uitgeschakeld, maar is de
remregelfunctie van de ESC
(remmanagement) nog in werking. • Status 2 Houd de toets ESC OFF langer dan
3 s ingedrukt. Het controlelampje
ESC OFF gaat branden, de melding
"Tractie- & Stabiliteitscontr.
uitgeschak." wordt weergegeven en
er klinkt een waarschuwingszoemer.
In deze status wordt zowel de
antidoorslipregelingsfunctie van de
ESC (motormanagement) als de
remregelfunctie van de ESC
(remmanagement) uitgeschakeld.
Controlelampje
Als het contact in stand ON staat,gaat het controlelampje ESC
branden. Als het ESC-systeem
normaal werkt, gaat het
controlelampje vervolgens uit.
Het controlelampje ESC knippert
zodra de ESC in werking is.
Als het controlelampje ESC blijft
branden, is er mogelijk een storing
aanwezig in het ESC-systeem.
Als dit waarschuwingslampje brandt
adviseren we u de auto zo spoedigmogelijk te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer. Het controlelampje ESC OFF gaat
branden als het ESC wordt
uitgeschakeld met de schakelaar.
Als er banden en/of velgen met
een verschillende maat onder de
auto gemonteerd zijn, kan dat eenstoring in het ESC-systeem
veroorzaken. Controleer voor het
vervangen van banden of alle vier
de banden en velgen dezelfde
maat hebben. Rijd nooit met de
auto wanneer er banden en velgen
met een verschillende maat zijn
gemonteerd.
AANWIJZING
Als het controlelampje ESC
knippert, geeft dit aan dat de
ESC geactiveerd is:
Rijd langzaam en probeer
NOOIT te accelereren. Schakelde ESC NOOIT uit als het
controlelampje ESC knippert,
omdat u dan de controle over
de auto kunt verliezen, wat kan
resulteren in een ongeval.
WAARSCHUWING
■
Controlelampje ESC (knippert)
■ Controlelampje ESC OFF (gaat brande)
Page 318 of 540

5-40
Rijden met uw auto
Voertuigstabiliteitsregeling(ESC) uitschakelen
Tijdens het rijden
De ESC OFF-modus mag alleen kort
worden gebruikt om weg te rijden als
u vastzit in sneeuw of modder. Door
de ESC tijdelijk uit te schakelen, kan
het niet-doorslippende wiel koppel
overbrengen.
Schakel de elektronische
stabiliteitsregeling tijdens het rijden
alleen uit als u op een vlakke weg
rijdt.
Om schade aan de transmissie te
voorkomen:
• Laat het/de wiel(en) van een as niet overmatig doorslippen als
de waarschuwingslampjes van
de ESC, het ABS en hetparkeerremsysteem branden.
Eventuele schade aan
onderdelen die hierdoor kan
ontstaan valt niet onder de
fabrieksgarantie. Verlaag het
motorvermogen en laat het/de
wiel(en) niet overmatig
doorslippen als deze
waarschuwingslampjes branden. • Schakel de ESC uit
(controlelampje ESC OFFbrandt) als de auto op een
rollenbank getest wordt.
Informatie
Het uitschakelen van de ESC heeft
geen gevolgen voor een correcte
werking van het ABS en het
remsysteem.
Vehicle Stability Management
(VSM) (indien van toepassing)
Het Vehicle Stability Management
(VSM) is een functie van het ESC-systeem (elektronische stabiliteitsrege-
ling). Het helpt de auto stabiel tehouden bij het plotseling accelereren ofremmen op een nat, glad of slecht
wegdek waarbij de tractie van de vier
banden plotseling sterk kan verschillen.
VSM uitschakelen
VSM AAN-conditie
Het VSM werkt als:
• De elektronische stabiliteits- regeling (ESC) geactiveerd is.
• De rijsnelheid hoger is dan ongeveer 15 km/h op bochtige
wegen.
i
AANWIJZING
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen bij het gebruik van
het VSM (Vehicle Stability
Management):
•Houd ALTIJD de snelheid en
de afstand tot de voorligger in
de gaten. Het VSM is geen
vervanging voor een veilig
rijgedrag.
•Rijd niet harder dan de
toestand van de weg toelaat.
Het VSM-systeem voorkomt
geen ongevallen. Een te hoge
snelheid bij slechte
weersomstandigheden, een
glad of slecht wegdek kunnennog steeds leiden tot een
ernstig ongeval.
WAARSCHUWING
Page 319 of 540

5-41
Rijden met uw auto
5
• De rijsnelheid hoger is danongeveer 20 km/h bij het remmen
op een slecht wegdek.
In werking
Als u het rempedaal intrapt onder
omstandigheden waarbij de ESC
geactiveerd kan worden kunt u
geluiden horen van het remsysteem
en kan het rempedaal gaan trillen.
Dit is normaal. Het betekent dat het
VSM in werking is getreden.
Informatie
Het VSM werkt niet wanneer:
• Op een hellend wegdek wordt gereden, bijvoorbeeld helling op of
helling af.
• Achteruit wordt gereden.
• Controlelampje ESC OFF brandt.
• Waarschuwingslampje EPS (elektrische stuurbekrachtiging)
( ) brandt. Als er banden en/of velgen met
een verschillende maat onder de
auto gemonteerd zijn, kan het
VSM-systeem defect raken.
Controleer voor het vervangen
van banden of alle vier de banden
en velgen dezelfde maat hebben.Rijd nooit met de auto wanneer er
banden en velgen met een
verschillende maat zijn
gemonteerd.
Hill-start Assist Control (HAC)
(indien van toepassing)
De Hill-start Assist Control (HAC)
voorkomt dat de auto achteruit rolt bij
het wegrijden op een helling. Het
systeem activeert automatisch de
remmen gedurende ongeveer 2seconden en laat na die 2 seconden
of wanneer het gaspedaal wordt
ingetrapt de remmen los.
Informatie
• De HAC werkt niet wanneer de selectiehendel in stand P (parkeren)
of stand N (neutraal) staat.
• De HAC werkt ook als de ESC (elektronische stabiliteitsregeling)
uitgeschakeld is. Het systeem wordt
echter niet geactiveerd als de ESC
niet normaal werkt.
i
AANWIJZING
i
Als het controlelampje ESC ( )
of het waarschuwingslampje
EPS ( ) blijft branden of
knippert, is er mogelijk een
storing aanwezig in het VSM-
systeem. Als het
waarschuwingslampje brandt,
adviseren we u de auto zo
spoedig mogelijk te laten
controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat u altijd in staat bent het gaspedaal te bedienenbij het wegrijden op een helling.
De HAC werkt slechts gedurende
ongeveer 2 seconden.
WAARSCHUWING
Page 323 of 540

5-45
Rijden met uw auto
5
De vierwielaandrijving (4WD)
verdeelt het motorvermogen over de
voor- en achterwielen voor maximale
tractie. Vierwielaandrijving is handig
als extra tractie noodzakelijk
wanneer gereden wordt op
bijvoorbeeld gladde, modderige,
natte of besneeuwde wegen.
De auto kan indien nodig ook worden
gebruikt op normaal begaanbare
onverharde wegen en paden. Het is
belangrijk dat de bestuurder de
snelheid verlaagt tot een niveau dat
een veilig gebruik onder dezeomstandigheden mogelijk maakt.• Rijd niet in water dat hoger staat
dan de onderzijde van de auto.
• Controleer de werking van de remmen nadat u door modder of
water bent gereden. Trap, terwijl u
langzaam rijdt, het rempedaal
meerdere keren in totdat u voeltdat de remmen weer normaalwerken.
• Verkort het onderhoudsinterval als u op onverhard terrein, zoals
in zand, modder of water rijdt.
• Was uw auto altijd grondig na gebruik in het terrein, met name
de onderkant van de auto.
• Zorg ervoor dat op alle wielen banden van hetzelfde type en met
dezelfde maat zijn gemonteerd.
• Als een auto met permanente vierwielaandrijving verplaatst
moet worden, dient dit op een
auto-ambulance te gebeuren.
AANWIJZING
VIERWIELAANDRIJVING (4WD) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OOS057057 Om de kans op ERNSTIG LETSEL te beperken:
•Rijd niet onder
omstandigheden waarvoor de
auto niet ontworpen is, zoals
op onverhard terrein.
•Pas uw snelheid aan voordat u
een bocht aansnijdt of gaatkeren.
•Maak geen plotselinge
stuurbewegingen bij het
wisselen van rijbaan of bij het
nemen van snelle, scherpe
bochten.
•De kans dat de auto over de
kop slaat wanneer u de macht
over het stuur verliest, is veel
groter bij hogere snelheden.
•Meestal verliest de bestuurder
de macht over het voertuigwanneer twee of meer wielen
van de weg raken en de
bestuurder het stuur omgooitom de auto weer de weg op testuren.
WAARSCHUWING •Gooi het stuur niet om
wanneer uw auto van de weg
raakt. Minder in plaats daarvan
snelheid voordat u de auto
terug de weg op stuurt.
Page 325 of 540

5-47
Rijden met uw auto
5
Als de 4WD LOCK-modus wordt
gedeactiveerd kan een schok
worden gevoeld als de
aandrijfkracht weer alleen aan de
voorwielen wordt geleverd.
Veilig rijden metvierwielaandrijving
Vóór het rijden
• Verzeker u er van dat alle passagiers veiligheidsgordels
dragen.
• Ga meer rechtop en dichter bij het stuurwiel zitten dan normaal. Zet
het stuurwiel in de juiste stand voor
een comfortabele bediening.
Rijden op besneeuwde of bevroren
wegen
• Rijd langzaam weg door hetgaspedaal geleidelijk in te trappen.
• Gebruik winterbanden of sneeuwkettingen.
• Bewaar voldoende afstand tot uw voorligger.
• Rem bij deceleratie af op de motor.
• Vermijd hoge snelheden, snelle acceleratie, plotseling remmen en
scherpe bochten om te voorkomen
dat de auto in een slip terechtkomt.
Rijden in zand of modder
• Rijd met een lage en constantesnelheid.
• Gebruik indien nodig sneeuwkettingen bij het rijden in
modder.
• Bewaar voldoende afstand tot uw voorligger.
• Verminder snelheid en controleer altijd de conditie van de weg.
• Vermijd hoge snelheden, snelle acceleratie, plotseling remmen en
scherpe bochten om te voorkomen
dat de auto vast komt te zitten.
AANWIJZING
Zorg er als u op normale wegen
rijdt voor dat de 4WD LOCK-
modus is gedeactiveerd doorop de toets 4WD LOCK te
drukken (het controlelampje
4WD LOCK dooft). Als de 4WD
LOCK-modus is ingeschakeld
terwijl u op normale wegen rijdt,
kunnen er, met name bij het
nemen van bochten,
mechanische bijgeluiden en
trillingen worden geproduceerd.
De bijgeluiden en trillingen
verdwijnen als de 4WD LOCK-
modus wordt uitgeschakeld.
Sommige onderdelen in de
aandrijflijn kunnen beschadigdraken als er langdurig met
bijgeluiden en trillingen wordt
gereden.
OPMERKING
Plaats antislipmateriaal onder
de aangedreven wielen om voor
tractie te zorgen als de auto vast
is komen te zitten in sneeuw,
zand of modder OF probeer de
auto door de wielen in voor- en
achterwaartse richtinglangzaam door te laten slippen
vrij te schommelen. Voorkom
dat de motor gedurende een
langere periode met een hoog
toerental draait, om schade aan
het 4WD-systeem te voorkomen.
OPMERKING
Page 327 of 540

5-49
Rijden met uw auto
5
Overige rijomstandigheden
• Zorg dat u weet hoe deomstandigheden in het onverharde
terrein zijn voordat u er gaat rijden.
• Rijd op onverhard terrein voorzichtig en vermijd gevaarlijke
situaties.
• Rijd langzaam bij harde wind.
• Verlaag de rijsnelheid bij het nemen van een bocht.
Het zwaartepunt van auto's met
vierwielaandrijving ligt hoger dan
bij normale auto's met
tweewielaandrijving waardoor ze
makkelijker omslaan als u de bochtte snel neemt. • Houd het stuurwiel stevig vast
wanneer u op onverhard terrein
rijdt.
Voorzorgsmaatregelen bij een
noodgeval Banden
Band
Gebruik geen banden en velgen met
een andere maat of van een ander
type dan de banden en velgen die
oorspronkelijk op uw auto zaten. Dit
kan de veiligheid en prestaties van
uw auto nadelig beïnvloeden, wat
kan leiden tot ernstig letsel doordat
de auto onbestuurbaar wordt of over
de kop slaat.
Zorg er bij het vervangen van de
wielen voor dat alle vier wielen
dezelfde velgmaat, dezelfde
bandenmaat, dezelfde profieldikte
en hetzelfde draagvermogen
hebben. Gebruik ook altijd velgen en
banden van hetzelfde merk. Als u de
auto voor rijden op onverhard terrein
voorziet van een niet door Hyundai
aanbevolen banden- en
velgencombinaties, dient u deze
banden- en velgencombinaties niet
te gebruiken voor het rijden op de
snelweg.
Rijd altijd langzaam door water.Als u te snel rijdt kan opspattendwater in de motorruimte
terechtkomen, waardoor het
ontstekingssysteem nat wordtzodat uw auto plotselingstilstaat.
OPMERKING
OOS057075L
Steek uw arm niet in het stuurwiel tijdens het rijden in
het terrein. U kunt uw arm
verwonden door een
plotselinge stuurbeweging of
door schokken van het stuur als
gevolg van voorwerpen op de
grond. U kunt de controle over
het stuurwiel verliezen, wat kanresulteren in ernstig letsel.
WAARSCHUWING
Page 328 of 540

5-50
Rijden met uw auto
Slepen
Auto's met vierwielaandrijving
moeten gesleept of vervoerd worden
met alle vier wielen van de grond. Dit
kan met behulp van een bril en
dollies of met behulp van een auto-
ambulance. Zie "Slepen" in
hoofdstuk 6 voor meer informatie.
Rollenbanktest
Auto's met permanente
vierwielaandrijving moeten wordengetest op een speciale 4WD-rollenbank.Test een auto met permanente
vierwielaandrijving niet op een
testbank voor tweewielaangedreven
auto's. Als een 2WD-rollenbank moet
worden gebruikt, handelt u als volgt:
1. Controleer of de bandenspanning
aan de specificaties voldoet.
2. Plaats de voorwielen op de testbank voor de snelheidsmeting,
zoals aangegeven in deafbeelding.
3. Ontgrendel de parkeerrem.
4. Plaats de achterwielen op de vrij draaiende rollen, zoals
aangegeven in de afbeelding.
Start de motor nooit en laat demotor nooit draaien wanneereen auto met permanentevierwielaandrijving op een krik
staat. De auto kan van de krik
afglijden of rollen, waardoor u
of omstanders ernstig letselzouden kunnen oplopen.
WAARSCHUWING
OOS057009Testbank (snelheidsmeter)
Vrij draaiende rollen
•Activeer tijdens het uitvoeren
van deze test nooit deparkeerrem.
•Laat de voor- en achterwielen niet afzonderlijk draaien als
de auto omhoog staat. Allevier wielen moeten draaien.
OPMERKING
Houd afstand tot de voorzijde
van de auto als deze in de
versnelling staat op de
rollenbank. De auto kan uit de
testbank springen en ernstig
letsel veroorzaken.
WAARSCHUWING
Page 344 of 540

5-66
Rijden met uw auto
Informatie
U kunt het systeem uitschakelen door
de BCW-schakelaar in te drukken en
‘RCCW (Waarschuwing botsing
kruisend verkeer achterkant)’ te
selecteren in de modus
Gebruikersinstellingen in het
instrumentenpaneel wanneer u met
een aanhanger of fietsendrager achter
uw auto rijdt.
Check waarsch.systeem voor
dodehoekbotsing
Als er een probleem in het BCW-
systeem aanwezig is, wordt er een
waarschuwingsmelding weergegeven
en gaat het lampje in de schakelaaruit. Het systeem wordt automatisch
uitgeschakeld. We adviseren u deauto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Beperkingen van het system
De bestuurder dient in onderstaande
situaties voorzichtig te zijn omdat hetsysteem onder bepaalde
omstandigheden andere voertuigen
of objecten mogelijk niet signaleert
• Er hangt een aanhanger of
fietsendrager achter de auto.
• De auto rijdt in slecht weer, zoals hevige regen of sneeuw.
• De sensor is bedekt met water, sneeuw, modder, enz.
• De achterbumper waar de sensor is geplaatst, wordt bedekt door een
object, zoals een bumpersticker,
een bumperbeschermer, een
fietsendrager, enz.
• De achterbumper is beschadigd of de sensor bevindt zich niet meer in
zijn oorspronkelijke positie. • De voertuighoogte is lager of
hoger dan normaal door zware
lading in de bagageruimte, een
abnormale bandenspanning, enz.
• Als de temperatuur in de buurt van de achterbumper hoog of laag is.
• Als de sensoren geblokkeerd worden door andere voertuigen,
wanden of pilaren rond de
parkeerplaats.
• De auto rijdt op een bochtige weg of door een tolpoort.
• Als er met de auto gereden wordt in de buurt van gebieden met
metalen constructies, zoals bij
wegwerkzaamheden, spoorwegen,enz.
• Er bevindt zich een object in de buurt van de auto, zoals een
vangrail, persoon, dier, enz.
• Tijdens het op- of afrijden van een steile weg waar de hoogte van de
rijstroken verschillend is.
• Als op een smalle weg gereden wordt met veel bomen en bosjes.
i
■Type A■Type B
OOS057078L/OOS057079L