sensor Hyundai Santa Fe 2016 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: HYUNDAI, Model Year: 2016, Model line: Santa Fe, Model: Hyundai Santa Fe 2016Pages: 729, PDF Size: 67.42 MB
Page 222 of 729

4121
Kenmerken van uw auto
OPMERKING
Dit systeem werkt alleen in hetgebied waar de sensoren zijn
geplaatst;
Het kan geen objectenwaarnemen in gebieden waargeen sensoren zijn geplaatst.
Bovendien worden kleine of smalle objecten als palen, ofobjecten die zich tussen de verschillende sensoren bevinden
mogelijk niet door de sensoren geregistreerd. Kijk tijdens hetachteruitrijden altijd waar u rijdt.
Informeer bestuurders die onbekend zijn met de auto over
de mogelijkheden enbeperkingen van het systeem.
✽✽ AANWIJZING
De daadwerkelijke waarschuwingssignalen en -lampjes wijken mogelijk af van de gegeven voorbeelden afhankelijk van de status van de objecten of sensoren.
Reinig de sensor niet met een hogedrukreiniger.
Soorten waarschuwingslampjes en -signalen: met waarschuwingssignaal
: zonder waarschuwingssignaal
Afstand tot voorwerp
Waarschuwing slampje
Waarschuwings-signaal
Wanneer de auto vooruitrijdtWanneer de autoachteruitrijdt
Type AType BType AType B
100 -
61 cmVoor--Zoemer klinkt met tussenpozen (Type B)
120 -
61 cmAchter--Zoemer klinkt met tussenpozen
60 -
31 cmVoorZoemer klinkt met
kortere tussenpozen
Achter--Zoemer klinkt met
kortere tussenpozen
30 cm
VoorZoemer klinkt
onafgebroken.
Achter--Zoemer klinkt
onafgebroken.
Page 223 of 729

Kenmerken van uw auto
122
4
Gevallen waarin de parkeerhulp niet werkt
De parkeerhulp werkt in de volgende
gevallen mogelijk niet goed:
1. Er zit ijs op de sensor. (De sensor werkt weer normaal zodra het ijs is gesmolten.)
2. Er zit vuil, zoals sneeuw of water, of een andere substantie op de sensor.
(De sensor werkt weer normaal zodra
deze vrij is gemaakt.)
3. Er zit vuil, zoals sneeuw of water, op de sensor. (De sensor werkt weer
normaal zodra deze vrij is gemaakt.)
4. De toets van de parkeerhulp is uitgeschakeld.
De werking van de parkeerhulp kan
in de volgende omstandighedenworden verstoord:
1. Bij het rijden op oneffen wegen, zoals ongeplaveide wegen, grind, drempels of hellingen.
2. Als bepaalde hoogfrequente geluiden, zoals claxons, racemotorfietsen,
luchtremmen van vrachtwagens en
dergelijke de werking van de sensoren
beïnvloeden.
3. Bij zware regenval of opspattend water.
4. Door afstandsbedieningen of mobiele telefoons in de buurt van de sensoren.
5. Als de sensor is bedekt met sneeuw.
Het sensorbereik kan in de volgende gevallen afnemen:
1. Bij extreem hoge of lage buitentemperaturen.
2. Bij objecten lager dan 1 meter en smaller dan 14 cm.
De volgende objecten worden
mogelijk niet opgemerkt door de sensoren:
1. Smalle objecten als touwen, kettingen of paaltjes.
2. Objecten die de hoogfrequente signalen van de sensor absorberen,
zoals kleding, sponsachtige materialen
en sneeuw.
Page 224 of 729

4123
Kenmerken van uw auto
✽✽AANWIJZING
1. Het waarschuwingssignaal klinkt mogelijk niet regelmatig als het object
achter de auto beweegt of een grillige
vorm heeft.
2. De correcte werking van de parkeerhulp raakt mogelijk verstoord
als de bumperhoogte of de
inbouwpositie van de sensoren is
gewijzigd. Achteraf gemonteerde
accessoires kunnen het bereik van de
sensoren ook beïnvloeden.
3. Objecten die zich binnen 30 cm van de
sensor bevinden worden mogelijk niet
of niet goed geregistreerd. Wees alert.
4. Wanneer de sensor bevroren is of is bedekt met sneeuw of water werkt
deze mogelijk niet goed totdat deze
weer schoon en droog is gemaakt met
een zachte doek.
5. Druk, kras of stoot niet met harde
voorwerpen tegen de sensor. Anders
kan het oppervlak van de sensor
beschadigd raken. De sensor kan
beschadigd raken. ✽✽
AANWIJZING
Het systeem werkt alleen in het gebied
waar de parkeersensoren zijn geplaatst.
Bovendien worden kleine of smalle
objecten, of objecten die zich tussen de
verschillende sensoren bevinden,
mogelijk niet door de sensoren
geregistreerd. Houd tijdens het rijden
de omgeving van de auto goed in de
gaten. Informeer bestuurders die
onbekend zijn met de auto over de
mogelijkheden en beperkingen van het
systeem.Zelfdiagnose
Wanneer u stand R (achteruit) inschakelt
en als minstens een van de
onderstaande zaken optreedt, dan kan er
een storing zijn in het parkeerhulp
-systeem achter.
U hoort geen waarschuwingsgeluid of als de zoemer met tussenpozen klinkt.
Als dit gebeurt adviseren we u het systeem te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Wees extra voorzichtig als u dicht
langs objecten of personen, in het
bijzonder kinderen, rijdt. Houd er
rekening mee dat sommige
objecten mogelijk niet door de
sensoren worden geregistreerd,
door de afstand tot, afmetingen van
of materiaal van de objecten, welke
allen hun invloed hebben op de
effectiviteit van de sensoren.
Controleer altijd met eigen ogen ofde weg vrij is.
WAARSCHUWING
Schade aan de auto en persoonlijk
letsel, ontstaan vanwege het
onjuist functioneren van de
parkeerhulp, vallen niet onder de
garantie. Rijd altijd veilig en
voorzichtig.
(knippert)
wordt weergegeven.
(indien van toepassing)
Page 225 of 729

Kenmerken van uw auto
124
4
Het Smart Parking Assist-Systeem helpt
bestuurders hun auto te parkeren door
middel van sensoren die de afmetingen
van de parkeerplaats bepalen, bediening
van het stuurwiel om de auto
halfautomatisch te parkeren en het
geven van instructies via het LCD-
display. ❈ Het volume voor het Smart Parking
Assist-systeem kan worden ingesteld.
Zie "Gebruikersinstellingen" in dithoofdstuk.✽✽
AANWIJZING
De auto stopt niet voor voetgangers of objecten die hij tegenkomt, de
bestuurder moet dus zelf goed
opletten bij het manoeuvreren.
Gebruik het systeem alleen op
parkeerterreinen en -plaatsen.
Het systeem werkt niet als er geen
auto geparkeerd staat vóór de plaats
waar u wilt parkeren of bij diagonale
parkeerplaatsen.
Nadat u de auto hebt geparkeerd met
het systeem, staat de auto mogelijk
niet precies op de gewenste plaats. De
auto staat bijvoorbeeld te dicht op een
muur of er juist te ver vanaf.
Schakel het systeem uit en parkeer uw auto handmatig wanneer de
omstandigheden dit vereisen.
De waarschuwingssignalen voor de
voor- en achterzijde van de
parkeerhulp treden in werking
wanneer het Smart Parking Assist-
systeem wordt ingeschakeld.
Wanneer het zoeken van een parkeerplaats is voltooid, wordt het
Smart Parking Assist-systeem
uitgeschakeld wanneer de
parkeerhulp wordt uitgeschakeld
door de toets in de UIT-positie te
zetten.
SMART PARKING ASSIST-SYSTEEM (SPAS) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OPS043307L
OPS043239
OPS043240
■Fileparkeren
■ Achteruit inparkeren
■Wegrijden na fileparkeren
Page 227 of 729

Kenmerken van uw auto
126
4
Gevallen waarbij het systeem niet werkt
Gebruik het Smart Parking Assist- systeem nooit onder de onderstaandeomstandigheden.
Wanneer de parkeerplaats niet recht is
Op een helling
Wanneer u lading vervoert die buiten
de auto steekt
Bij schuin inparkeren
Wanneer het hevig sneeuwt of regent
Naast een ronde of smalle paal of een paal waar omheen objecten zoals een
brandblusser, enz. staan.
De positie van de sensor is onjuist als gevolg van een aanrijding
Op een hobbelige weg
Wanneer de auto is uitgerust met sneeuwkettingen of een reservewiel
Bij een te lage of te hoge bandenspanning
Wanneer een aanhanger is aangekoppeld
Op gladde of oneffen wegen
Als er grote voertuigen, zoals een bus of vrachtwagen, op de parkeerplaats staan Als de sensor is bedekt met vuil, zoals
sneeuw of water
Als er ijs op de sensor zit
Als er een motorfiets of fiets op de parkeerplaats staat
Er staat een obstakel, zoals een vuilnisbak, fiets, winkelwagentje, enz.
in de buurt.
Bij storm
Als er banden met een onjuiste maat onder de auto zijn gemonteerd
Als de wielen niet goed zijn uitgelijnd
Een in het detectiegebied van de sensoren gemonteerd accessoire
(zoals een kentekenplaathouder)
De auto helt sterk over naar één zijde
Fel zonlicht of zeer lage buiten
-temperaturen
Ultrasoonstoringen van andere voertuigen. Zoals claxons van andere
voertuigen, storingen veroorzaakt door
motoren van motorfietsen, storingen
veroorzaakt door luchtremmen van
vrachtwagens en storingen veroor
-zaakt door parkeerhulpsystemen van
andere voertuigen.
WAARSCHUWING
Gebruik het Smart Parking Assist-
systeem onder de volgende
omstandigheden niet, omdat dit
anders onbedoelde gevolgen kan
hebben, met een ongeval tot
gevolg.
1. Parkeren op een helling
Wanneer op een helling wordt
geparkeerd, moet de bestuurder hetgaspedaal en rempedaal bedienen.
Als de bestuurder het gaspedaal en
rempedaal niet op de juiste wijze
bedient, kan een ongeval het
gevolg zijn.
(Vervolg)
OLM041290
Page 228 of 729

4127
Kenmerken van uw auto
(Vervolg)
2. Parkeren in de sneeuw
Sneeuw kan de werking van de
sensor negatief beïnvloeden of het
systeem wordt mogelijk
uitgeschakeld bij parkeren op een
glad wegdek. Als de bestuurder hetgaspedaal en rempedaal niet op de
juiste wijze bedient, kan een
ongeval het gevolg zijn.(Vervolg)(Vervolg)
3. Parkeren op een smalleparkeerplaats
Mogelijk zoekt het systeem niet naar parkeerplaatsen als de ruimte
te smal is. Zelfs als het systeem in
werking is, dient u altijd voorzichtigte zijn. (Vervolg)(Vervolg)
4. Bij schuin inparkeren
Het systeem dient als hulpmiddel
bij fileparkeren of achteruitinparkeren.
Schuin inparkeren wordt niet
ondersteund. Bedien, zelfs als een
auto de ruimte kan inrijden, de
slimme parkeerhulp niet. Het
systeem zal proberen te
fileparkeren of achteruit in teparkeren.
(Vervolg)
OSL040145OLM041292ODM045513
Page 230 of 729

4129
Kenmerken van uw auto
Hoe het systeem werkt
(Parkeermodus)
1. Activeer het Smart Parking Assist-systeem
2. Selecteer parkeermodus
3. Zoek een parkeerplaats: rijd langzaam naar voren
4. Zoeken voltooid: automatisch zoeken met sensor
5. Bedien het stuurwiel (1) Bedien de selectiehendel met
behulp van de instructies op het
LCD-display
(2) Rijd langzaam en bedien hetrempedaal
6. Parkeren voltooid
7. Parkeer de auto indien gewenst handmatig op de juiste positie.✽✽ AANWIJZING
Controleer voordat u het systeem inschakelt of het systeem kan worden
gebruikt.
Bedien voor uw veiligheid altijd het rempedaal, behalve wanneer u rijdt.(Vervolg)
8. Verlaten van een parkeerplaats naast een muur
Als u een smalle parkeerplaats in
de buurt van een muur verlaat,
functioneert het systeem mogelijk
niet goed. De bestuurder moet
oppassen voor obstakels als hijeen parkeerplaats verlaat die
vergelijkbaar is met bovenstaandeafbeelding.
ODM045513
Page 232 of 729

4131
Kenmerken van uw auto
De modus verandert van fileparkeren(rechts → links) naar achteruit
inparkeren (rechts → links) wanneer de
toets van de slimme parkeerhulp wordt
ingedrukt.(LHD)
De modus verandert van fileparkeren (links →rechts) naar achteruit
inparkeren (links →rechts) wanneer de
toets van het Smart Parking Assist-
systeem wordt ingedrukt.(RHD)
Als de toets nogmaals wordt ingedrukt, wordt het systeem uitgeschakeld.3. Zoek een parkeerplaats
Rijd langzaam naar voren en houddaarbij een afstand aan van ongeveer
50 - 150 cm tot geparkeerde auto's. De
sensoren opzij zoeken naar een
parkeerplaats.
Als de rijsnelheid hoger is dan 20 km/h, wordt er een melding weergegeven om
u erop te wijzen snelheid te minderen.
Het systeem wordt uitgeschakeld bij een rijsnelheid van meer dan 30 km/h.
✽✽ AANWIJZING
Schakel de alarmknipperlichten in wanneer zich in de buurt van de auto
veel andere auto's bevinden.
Als het parkeerterrein klein is, rijd dan langzaam dichter langs de
parkeerplaats.
Het zoeken van een parkeerplaats
wordt alleen voltooid wanneer er
voldoende ruimte is om de auto te
manoeuvreren.
ODM046719LODM046675L
ODM046717LODM046673L
Page 233 of 729

Kenmerken van uw auto
132
4
✽✽
AANWIJZING
Wanneer u naar een parkeerplaats zoekt, wordt er door het systeem
mogelijk geen parkeerplaats
gevonden als er geen andere auto's
geparkeerd staan, er na het
voorbijrijden een lege plaats is of er
een lege parkeerplaats is voordat u
voorbijrijdt.
Het systeem werkt mogelijk niet goed
onder de volgende omstandigheden:(1) W anneer de sensoren zijn
bevroren
(2) Wanneer de sensoren vuil zijn(3) W anneer het hevig sneeuwt of
regent
(4) In de buurt van pilaren of objecten ✽
✽
AANWIJZING
Rijd langzaam vooruit, waarbij u een
afstand van ongeveer 50 cm - 150 cm
bewaart tot de geparkeerde auto's. Als
de auto zich niet binnen deze afstand
bevindt, kan het systeem mogelijk niet
zoeken naar een parkeerplaats.
OLM041273
50~150 cm
OPMERKING
Blijf het systeem gebruiken nadat u
een parkeerplaats hebt gevonden
en de omgeving hebt gecontro
-leerd.
Controleer bij gebruik van hetsysteem vooral de afstand van de
buitenspiegels tot objecten om aanrijdingen te voorkomen.
Page 240 of 729

4139
Kenmerken van uw auto
3. Controleer de omgeving
De slimme parkeerhulp controleert het
gebied voor en achter de auto voor het
verlaten van de parkeerplaats.
✽✽AANWIJZING
Als tijdens het controleren van de omgeving de auto (of object) voor of
achter de auto te dichtbij staat, werkt
het systeem mogelijk niet goed.
Het systeem werkt onder de volgende
omstandigheden mogelijk niet goed:(1) W anneer de sensoren bevroren
zijn
(2) Wanneer de sensoren vuil zijn(3) W anneer het hevig sneeuwt of
regent
(4) Wanneer een pilaar of object in de buurt is
Wanneer tijdens het wegrijden uit een parkeerplaats een obstakel wordt
gesignaleerd dat een ongeval kan
veroorzaken, wordt het systeem
mogelijk uitgeschakeld.
Als de ruimte voor het wegrijden te
smal is, wordt het systeem mogelijk
uitgeschakeld.
ODM046746LODM046745L
OPMERKING
Nadat het controleren van de
omgeving is voltooid, kunt u
verdergaan met het gebruiken van het systeem nadat u zelf deomgeving hebt gecontroleerd.
De modus wegrijden na fileparkeren wordt mogelijkonbedoeld geactiveerd als deselectiehendel in stand P of N (vrijstand) staat terwijl de toets
van de slimme parkeerhulp wordt ingedrukt.