stop JEEP GRAND CHEROKEE 2015 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: JEEP, Model Year: 2015, Model line: GRAND CHEROKEE, Model: JEEP GRAND CHEROKEE 2015Pages: 480, PDF Size: 4.63 MB
Page 15 of 480

UW SLEUTELSUw auto werkt met een startcontact zonder
sleutel. Dit systeem bestaat uit een sleutelhou-
der met afstandsbediening en Keyless Ignition
Node (KIN).
Functie Keyless Enter-N-Go™
Deze auto is uitgerust met de functie Keyless
Enter-N-Go™ (raadpleeg de paragraaf
"Keyless Enter-N-Go™"in het hoofdstuk"Uw
auto" voor meer informatie hierover).Keyless Ignition Node (KIN)Met deze functie kan de bestuurder de contact-
schakelaar bedienen door op een knop te druk-
ken, zolang de afstandsbediening zich in het
passagierscompartiment bevindt.
Keyless Ignition Node (KIN) kan in vier standen
worden gezet. Drie van deze standen worden
aangeduid door een label en door een lampje
dat gaat branden wanneer de stand is gekozen.
Deze drie standen zijn OFF, ACC en ON/RUN.
De vierde stand is START. Tijdens het starten
gaat het lampje RUN branden. OPMERKING:
Wanneer de contactschakelaar na het in-
drukken van een toets niet reageert, is de
batterij van de afstandsbediening (sleutel-
houder) mogelijk bijna leeg of leeg. Als dit
het geval is, kan de contactschakelaar ook
op een andere manier worden bediend. Druk
de voorzijde (zijde tegenover de noodsleu-
tel) van de sleutelhouder tegen de knop
ENGINE START/STOP om de contactschake-
laar te bedienen.
SleutelhouderDe sleutelhouder bevat ook de afstandsbedie-
ning en de noodsleutel, die in de achterzijde
van de sleutelhouder is ondergebracht.Met de noodsleutel kunnen de portieren worden
geopend wanneer de accu van de auto of de
batterij van de sleutelhouder leeg is. Met de nood-
sleutel kan ook het handschoenenkastje worden
afgesloten. U kunt de noodsleutel bij u houden als
iemand anders de auto voor u parkeert.U verwijdert de noodsleutel uit de sleutelhouder
door de mechanische vergrendeling aan de
achterzijde van de houder met uw duim opzij te
schuiven en de sleutel vervolgens met uw an-
dere hand uit de houder te trekken.
Keyless Ignition Node (KIN)
11
Page 20 of 480

zijde bevindt (raadpleeg de paragraaf"Keyless
Enter-N-Go™" in het hoofdstuk "Uw auto"voor
meer informatie hierover).
Druk op vergrendelknop op de afstandsbedie-
ning.
3. Sluit eventuele geopende portieren.
OPMERKING:
Nadat het alarmsysteem is ingeschakeld,
blijft het ingeschakeld totdat u het uitscha-
kelt door een van de beschreven uitscha-
kelmethoden te volgen. Als de elektrische
voeding wegvalt nadat het alarmsysteem is
ingeschakeld, moet u het systeem uitscha-
kelen nadat de voeding is hersteld om te
voorkomen dat het alarm afgaat. De ultrasone inbraaksensor (bewegings-
detector) bewaakt uw auto actief elke keer
wanneer u het alarmsysteem inschakelt.
Als u dat wenst, kunt u de ultrasone
inbraaksensor uitschakelen wanneer het
alarmsysteem wordt ingeschakeld. Om
dit te doen, drukt u drie keer op de ver-
grendelknop van de afstandsbediening
binnen 15 seconden nadat het systeem is ingeschakeld (terwijl het controlelampje
van alarmsysteem snel knippert).
Alarm uitschakelenHet alarmsysteem kan op de volgende manie-
ren worden uitgeschakeld:
Druk op de ontgrendelknop op de afstands-
bediening.
Pak de Passive Entry Unlock-portiergreep
vast (indien aanwezig, raadpleeg de para-
graaf "Keyless Enter-N-Go" in het hoofdstuk
"Uw auto" voor meer informatie hierover).
Draai de contactschakelaar uit de stand OFF.
Als uw auto is uitgerust met Keyless Enter-
N-Go, druk dan op Start/Stop-knop van
Keyless Enter-N-Go (hiertoe dient mini-
maal één geldige sleutelhouder aanwezig
te zijn in de auto).
Wanneer uw auto niet is uitgerust met
Keyless Enter-N-Go, steek dan een gel-
dige sleutel in de contactschakelaar en
draai de sleutel naar de stand ON. OPMERKING:
Het alarmsysteem kan niet worden in- of
uitgeschakeld via de slotcilinder van het
bestuurdersportier of de achterklepknop
op de afstandsbediening.
Het alarmsysteem blijft actief wanneer de
elektrisch bediende achterklep wordt ge-
opend. Als u op de achterklepknop drukt,
wordt het alarmsysteem niet uitgescha-
keld. Als iemand de auto binnendringt via
de achterklep en een portier opent, gaat
het alarm af.
Als het alarmsysteem is geactiveerd, kunt
u de portieren niet ontgrendelen met de
schakelaars voor de centrale portierver-
grendeling in het interieur.
De ultrasone inbraaksensor (bewegings-
detector) bewaakt uw auto actief elke keer
wanneer u het alarmsysteem inschakelt.
Als u dat wenst, kunt u de ultrasone
inbraaksensor uitschakelen wanneer het
alarmsysteem wordt ingeschakeld. Om
dit te doen, drukt u drie keer op de ver-
grendelknop van de afstandsbediening
binnen 15 seconden nadat het systeem is
16
Page 30 of 480

Mobiele apparaten kunnen het Passive
Entry-systeem beïnvloeden.
De portieren kunnen ook worden vergrendeld
met de vergrendelknop van de afstandsbedie-
ning of de vergrendelknop aan de binnenzijde
van de portieren.RAMEN
Elektrisch bediende ramenDe bedieningselementen voor de elektrisch be-
diende ramen bevinden zich op het bekledings-
paneel van het bestuurdersportier. Er bevindt
zich een enkele raambedieningsschakelaar op
het voorpassagiersportier en op de achterpor-
tieren, waarmee de ramen van het voorpassa-
giersportier en die van de achterportieren kun-
nen worden bediend. De raambediening werkt
alleen als de contactschakelaar in de stand
ON/RUN of ACC staat. De schakelaars voor de elektrische raambedie-
ning blijven nog maximaal tien minuten geacti-
veerd nadat de contactschakelaar in de stand
OFF is gezet. Door het openen van een voor-
portier wordt deze functie uitgeschakeld.
WAARSCHUWING!
Laat kinderen nooit zonder toezicht in een
auto achter en zorg dat kinderen niet met de
elektrisch bedienbare ramen spelen. Laat de
sleutelhouder niet achter in of in de buurt van
(Vervolgd)
WAARSCHUWING!
(Vervolgd)
de auto, of op een voor kinderen bereikbare
plaats, en laat het contact van een voertuig
met Keyless Enter-N-Go™ niet in de modus
ACC of ON/RUN staan. Inzittenden, en
vooral kinderen zonder toezicht, kunnen be-
kneld raken in de raamopeningen wanneer
ze de schakelaars voor elektrische raambe-
diening bedienen. Een dergelijke beknelling
kan ernstig of zelfs dodelijk letsel tot gevolg
hebben.
Automatisch openen
Zowel schakelaars aan de bestuurders- en pas-
sagierszijde zijn uitgerust met een functie voor
het automatisch volledig openen van de ramen.
Druk de raamschakelaar voorbij het eerste
drukpunt en laat de schakelaar los. Het raam
wordt dan automatisch volledig geopend. Om
de automatische beweging te stoppen, beweegt
u de schakelaar in de richting omhoog of om-
laag en laat u de schakelaar los.
Schakelaars voor elektrische raambediening
26
Page 31 of 480

Als u het raam slechts gedeeltelijk wilt openen,
drukt u de raamschakelaar in tot de eerste
klikstand en laat u de schakelaar los wanneer u
het raam wilt stoppen.
Automatische sluitfunctie met
klembeveiliging — alleen bestuurders- of
passagiersportierTrek de raamschakelaar volledig omhoog naar het
tweede drukpunt en laat de schakelaar los. Het
raam wordt dan automatisch volledig gesloten.
Als u tijdens het gebruik van de automatische
sluitfunctie het raam wilt stoppen voordat het
volledig is gesloten, drukt u de schakelaar kort
omlaag.
Wanneer u het raam gedeeltelijk wilt sluiten,
trekt u de raamschakelaar naar het eerste druk-
punt en laat u de schakelaar los wanneer u het
raam wilt laten stoppen.OPMERKING:
Als het raam tijdens het automatisch sluiten
op een obstakel stuit, wordt de bewegings-
richting omgekeerd en wordt het raam weer
volledig geopend. Verwijder in dat geval het
obstakel en trek nogmaals aan de schake-
laar om het raam te sluiten. Tijdens het
automatisch sluiten kunnen schokken van-
wege een slecht wegdek de automatische
omkeringsfunctie tijdens het sluiten onver-
wachts activeren. Als dat gebeurt, trekt u de
schakelaar iets omhoog tot aan het eerste
drukpunt en houdt u de schakelaar vast om
het raam handmatig te sluiten.
WAARSCHUWING!
De obstakeldetectie wordt uitgeschakeld
wanneer het raam bijna gesloten is. Zorg dat
alle eventuele objecten uit de raamopening
zijn verwijderd voordat u het raam sluit.
Raamschakelaars voor automatisch openen
Raamschakelaars voor automatisch sluiten
27
Page 35 of 480

bekledingspaneel linksachter, vlakbij de
opening van de achterklep, te laten wer-
ken. Als de achterklep niet volledig ge-
opend is, drukt u twee keer op de achter-
klepknop op de sleutelhouder om de
achterklep volledig te openen, en daarna
drukt u er twee keer op om de achterklep
te sluiten.
Als de elektronische ontgrendeling van
de achterklep wordt ingedrukt terwijl de
elektrisch bediende achterklep wordt ge-
sloten, beweegt de achterklep terug naar
de volledig geopende stand.
Als de elektronische ontgrendeling van
de achterklep wordt ingedrukt terwijl de
elektrisch bediende achterklep wordt ge-
opend, wordt de achterklepmotor uitge-
schakeld zodat de achterklep handmatig
kan worden bediend.
Als de elektrisch bediende achterklep tij-
dens eenzelfde beweging op meerdere
obstakels stuit, stopt het systeem auto-
matisch en moet de achterklep handmatig
worden geopend of gesloten.
Als de elektrisch bediende achterklep
wordt gesloten en u het voertuig in een
versnelling zet, gaat de achterklep door
met elektrisch sluiten. De beweging van
het voertuig kan echter leiden tot de de-
tectie van een obstakel.
WAARSCHUWING!
Wanneer u met een geopende achterklep
rijdt, kunnen giftige uitlaatgassen in de
auto belanden. Deze gassen kunnen
schadelijk zijn voor u en uw passagiers.
Rijd alleen met gesloten achterklep.
Wanneer u met open achterklep moet rij-
den, zorg er dan voor dat alle ramen
gesloten zijn en dat de aanjager van de
klimaatregeling in een hoge stand staat.
Schakel de recirculatiestand niet in.
VEILIGHEIDSSYSTEMEN VOOR
INZITTENDENEen zeer belangrijke veiligheidsvoorziening in
uw auto zijn de beveiligingssystemen voor inzit-
tenden:
Veiligheidsgordelsystemen
Airbagsystemen
Extra actieve hoofdsteunen
KinderzitjesBelangrijke veiligheidsmaatregelenLees de informatie in dit hoofdstuk aandachtig
door. Hierin wordt uitgelegd hoe u het beveili-
gingssysteem voor inzittenden op de juiste
wijze gebruikt om uw passagiers en uzelf opti-
maal te beschermen.
Hier volgen enkele eenvoudige adviezen om
het risico op letsel door een geactiveerde airbag
te verminderen:
1. Kinderen van 12 jaar en jonger moeten altijd
goed vastgegespt op een auto met een
achterbank worden vervoerd.
31
Page 37 of 480

Onderzoek heeft aangetoond dat veiligheids-
gordels levens redden en bij ongevallen de
ernst van het letsel kunnen verminderen. Zeer
ernstig letsel komt voor als personen uit de auto
worden geslingerd. Veiligheidsgordels voorko-
men dit en verminderen de kans op letsel door
aanraking met de binnenkant van de auto.
Iedere inzittende van een motorvoertuig hoort
te allen tijde een veiligheidsgordel te dragen.
Geavanceerd
autogordelwaarschuwingssysteem
(BeltAlert®)BeltAlert® is een voorziening die de bestuur-
der en voorpassagier (indien BeltAlert® voor de
voorpassagier aanwezig is) eraan herinnert de
veiligheidsgordel vast te gespen. De functie is
actief wanneer de contactschakelaar in de
stand START of ON/RUN staat. Als de veilig-
heidsgordel van de bestuurder of voorpassagier
niet is vastgegespt, gaat het waarschuwings-
lampje voor de veiligheidsgordels branden tot-
dat beide gordels vóór zijn vastgegespt.
De BeltAlert® waarschuwingscyclus begint
wanneer de auto een snelheid van meer dan
8 km/u (5 mph) bereikt: het waarschuwings-
lampje voor de veiligheidsgordels knippert en er klinkt een geluidssignaal met tussenpozen.
Wanneer de cyclus is gestart, wordt deze volle-
dig afgewerkt of gestopt wanneer de desbetref-
fende veiligheidsgordels zijn vastgegespt. Na-
dat de cyclus is voltooid, blijft het
waarschuwingslampje voor de veiligheidsgor-
dels branden totdat de desbetreffende veilig-
heidsgordels zijn vastgegespt. De bestuurder
behoort alle overige inzittenden erop te wijzen
hun veiligheidsgordels vast te gespen. Als een
veiligheidsgordel vóór niet is vastgegespt bij
een snelheid hoger dan 8 km/u (5 mph), geeft
BeltAlert® zowel een geluidssignaal als een
visuele aanduiding weer.
BeltAlert® voor de voorstoel aan passagiers-
zijde is niet actief wanneer er niemand in de
stoel zit. BeltAlert® kan worden geactiveerd
wanneer zich op de voorstoel aan passagiers-
zijde een dier of zwaar voorwerp bevindt of
wanneer de stoel is neergeklapt (indien deze
voorziening aanwezig is). Het wordt aanbevo-
len huisdieren aangelijnd, of in een met de
veiligheidsgordels bevestigde reismand, op de
achterbank (indien aanwezig) te vervoeren en
bagage goed op te bergen.
BeltAlert® kan door uw erkende dealer worden
in- en uitgeschakeld. Chrysler Group LLC raadt
het uitschakelen van BeltAlert® af.
OPMERKING:
Als BeltAlert® is uitgeschakeld, blijft het
waarschuwingslampje voor de veiligheids-
gordels branden zolang de bestuurdersgor-
del of de gordel van de voorpassagier (in-
dien uitgerust met BeltAlert®) niet zijn
vastgegespt.
Driepuntsgordels
Alle zitplaatsen in uw auto zijn uitgerust met
driepuntsgordels.
Het oprolmechanisme blokkeert alleen bij nood-
stops of aanrijdingen. Daardoor kan het schou-
derdeel van de veiligheidsgordel onder normale
omstandigheden vrij bewegen. Bij een aanrij-
ding wordt de veiligheidsgordel echter geblok-
keerd om het risico te beperken dat u in aanra-
king komt met de binnenzijde van de auto of uit
de auto wordt geslingerd.
33
Page 39 of 480

WAARSCHUWING!
(Vervolgd)
Een verdraaide gordel biedt mogelijk on-
voldoende bescherming. Bij een aanrijding
kan de gordel dan zelfs snijwonden ver-
oorzaken. Zorg ervoor dat de veiligheids-
gordel plat tegen het lichaam aan ligt,
zonder verdraaiing. Als u een van de gor-
dels in uw auto niet meer recht krijgt,
bezoek dan onmiddellijk uw erkende dea-
ler om het defect te laten verhelpen.
Een veiligheidsgordel waarvan de gesp in
de verkeerde sluiting is bevestigd, biedt
onvoldoende bescherming. Het heupge-
deelte valt dan mogelijk te hoog over uw
lichaam, waardoor inwendig letsel kan
worden veroorzaakt. Gesp uw gordel altijd
vast in de gespsluiting direct naast u.
Een te losse veiligheidsgordel biedt onvol-
doende bescherming. Tijdens een nood-
stop kunt u te ver naar voren bewegen,
waardoor er een grotere kans is op letsel.
Zorg dat de gordel nauw aansluit.
(Vervolgd)
WAARSCHUWING!
(Vervolgd)
Het is gevaarlijk een veiligheidsgordel on-
der de arm door te dragen. Uw lichaam
kan bij een aanrijding dan hard in aanra-
king komen met de binnenzijde van de
auto, waardoor het risico van hoofd- en
nekletsel toeneemt. Als de gordel onder de
arm wordt gedragen, kan inwendig letsel
ontstaan. De ribben zijn niet zo sterk als de
schouderbotten. Draag de gordel altijd
over uw schouder, zodat de sterkte botten
van uw lichaam de klap opvangen bij een
aanrijding.
Een schoudergordel die achter uw rug is
geplaatst, biedt geen enkele bescherming
bij een aanrijding. Als u de schoudergordel
niet draagt, is bij een aanrijding de kans op
hoofdletsel groter. Het heup- en schouder-
gedeelte van de gordel behoren samen te
worden gebruikt.
(Vervolgd)
WAARSCHUWING!
(Vervolgd)
Een gerafelde of ingescheurde gordel kan
bij een aanrijding doormidden scheuren,
waardoor u niet langer beschermd bent.
Controleer de autogordels regelmatig op
scheuren, rafels en losse delen. Laat be-
schadigde onderdelen onmiddellijk ver-
vangen. Demonteer of wijzig de veilig-
heidsgordels niet. De gordelsystemen
moeten na een aanrijding worden vervan-
gen.
Gebruiksinstructies voor driepuntsgordels
1. Stap in de auto en sluit het portier. Ga tegen de leuning zitten en stel de stoel in.
2. De gesp van de veiligheidsgordel bevindt zich boven de rugleuning van de voorstoel
en naast uw arm en op de achterbank (voor
auto’s met een achterbank). Pak de gordel-
gesp en trek de autogordel uit. Schuif de
gesp zo ver als nodig is over de gordelband,
zodat de veiligheidsgordel over uw heupen
valt.
35
Page 59 of 480

Groep 3
Kinderen die wegen tussen 22 kg en 36 kg en
die lang genoeg zijn om de veiligheidsgordel
voor volwassenen te gebruiken, kunnen een
kinderzitje uit groep 3 gebruiken. Kinderzitjes uit
groep 3 plaatsen het heupgedeelte van de
gordel op het bekken van het kind. Het kind
moet zo lang zijn dat de schoudergordel over de
borst van het kind en niet over de hals loopt.
Afb. 22 t/m 36 kg toont een voorbeeld van een
kinderzitje van groep 3 waardoor het kind op de
juiste wijze op de achterbank is geplaatst.
WAARSCHUWING!
Kinder- of babyzitjes verliezen hun wer-
king wanneer ze onjuist zijn aangebracht.
Het kan losschieten bij een aanrijding. Het
kind kan daardoor ernstig of zelfs dodelijk
letsel oplopen. Volg daarom bij het aan-
brengen van een kinderzitje nauwgezet de
aanwijzingen van de fabrikant.
Nadat een kinderzitje in het voertuig is
gemonteerd, zet de autostoel niet naar
voren of naar achteren, omdat hierdoor de
bevestigingen van het kinderzitje los kun-
nen raken. Verwijder het kinderzitje voor-
dat de stand van de autostoel wordt ver-
steld. Wanneer de autostoel is afgesteld,
brengt u het kinderzitje weer aan.
(Vervolgd)
WAARSCHUWING!
(Vervolgd)
Wanneer u het kinderzitje niet gebruikt, zet
u het vast met de veiligheidsgordel of de
ISOFIX-ankerpunten, of haalt u het kinder-
zitje uit de auto. Laat het zitje nooit los in
de auto liggen. Bij een noodstop of onge-
val kan het zitje de inzittenden of de rug-
leuningen van de stoelen raken en ernstig
letsel veroorzaken.
55
Page 70 of 480

Veiligheidsgordels gaan in de loop van de van
losser zitten. Daarom dient u de gordel af en toe
te controleren en, indien nodig, aan te trekken.Vervoer van huisdierenEen huisdier kan letsel oplopen als een front-
airbag wordt opgeblazen. Een niet-aangelijnd
huisdier kan bij een noodstop of aanrijding als
een projectiel door de auto worden geslingerd
en letsel oplopen of een passagier verwonden.
Huisdieren moeten aangelijnd meerijden op de
achterbank of in een speciale reismand die is
bevestigd met de veiligheidsgordels.AANBEVELINGEN VOOR
INRIJDENDe aandrijflijn (motor, transmissie, koppeling en
achteras) in uw nieuwe auto vereist geen lange
inrijperiode.
Rijd gedurende de eerste 500 km (300 mijl) niet
te snel. Na de eerste 100 km (60 mijl) kunt u
snelheden tot 80 of 90 km/u (50 of 55 mph)
aanhouden.Terwijl u met constante snelheid rijdt, draagt nu
en dan kort accelereren met plankgas, binnen
de grenzen van de geldende verkeersregels, bij
aan een goed inrijdproces. Accelereren met
plankgas in een lage versnelling kan echter
schadelijk zijn en moet worden vermeden.
De motorolie, transmissievloeistof en smeer-
middel voor assen die in de fabriek zijn aange-
bracht, zijn van hoogwaardige kwaliteit en ener-
giebesparend. Houd bij het verversen van de
olie, vloeistof en smeermiddel rekening met het
te verwachten klimaat waarin de auto wordt
gebruikt. Raadpleeg de paragraaf
"Onder-
houdsprocedures" in het hoofdstuk"Onderhoud
van uw auto" voor de aanbevolen viscositeit en
kwaliteitsklassen.
LET OP!
Gebruik nooit niet-reinigende olie of onver-
mengde minerale olie, omdat anders de mo-
tor wordt beschadigd. OPMERKING:
Een nieuwe motor verbruikt tijdens de eer-
ste paar duizend kilometers mogelijk iets
meer olie. Dat is bij het inrijden normaal en
duidt niet op een probleem. Controleer het
oliepeil met de indicator voor olieverversing
vaak tijdens de inrijperiode. Vul indien nodig
olie bij.
VEILIGHEIDSTIPS
Passagiers vervoerenVERVOER NOOIT PASSAGIERS IN DE LAAD-
RUIMTE.WAARSCHUWING!
Laat nooit kinderen of dieren achter in een
geparkeerde auto bij warm weer. De
warmte in het interieur kan ernstige ge-
zondheidsproblemen veroorzaken en zelfs
dodelijk zijn.
(Vervolgd)
66
Page 78 of 480

Accelereren om in te halen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .113
ADAPTIEVE CRUISECONTROL (ACC) — INDIEN AANWEZIG . . . .114
Bediening van adaptieve cruisecontrol (ACC) . . . . . . . . . . . . .116
Adaptieve cruisecontrol (ACC) activeren . . . . . . . . . . . . . . . .116
De functie in- of uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .117
Gewenste ACC-snelheid instellen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .118
Annuleren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .118
Uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .118
Hervatten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .118
Ingestelde snelheid aanpassen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .119
Volgafstand instellen in ACC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .120
Inhaalhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .122
Werking van ACC bij stoppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .122
Menu van de adaptieve cruisecontrol (ACC) . . . . . . . . . . . . . .122
Waarschuwingen en onderhoudsaanwijzingen op het scherm . . . .123
Voorzorg tijdens het rijden met ACC . . . . . . . . . . . . . . . . . . .125
Algemene informatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .128
Modus Normale cruisecontrol (vaste snelheid) . . . . . . . . . . . . .128
FORWARD COLLISION WARNING (FCW) MET RISICOBEPERKING -
INDIEN AANWEZIG . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .130
Bediening Forward Collision Warning (FCW) met risicobeperking . . .130 FCW in- of uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .131
Status van FCW en actief remmen veranderen . . . . . . . . . . . . .132
Waarschuwing FCW beperkt. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .132
Waarschuwing onderhoud FCW . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .132
PARKSENSE® PARKEERSENSOREN ACHTER —
INDIEN AANWEZIG . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .133
74