alarm OPEL ADAM 2014 Handleiding Infotainment (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2014, Model line: ADAM, Model: OPEL ADAM 2014Pages: 225, PDF Size: 6.74 MB
Page 104 of 225

102Instrumenten en bedieningsorganen
Autom. Achterruitverwarming: Acti‐
veert de automatische achterruit‐
verwarming.
■ Comfortinstellingen
Volume geluidssignaal : Verandert
het volume van geluidssignalen.
Pers. inst. voor bestuurder : Acti‐
veert of deactiveert persoonlijke in‐ stellingen.
Wis auto. achter in achteruit :
Activeert of deactiveert automati‐
sche inschakeling achterruitwisser
bij inschakelen achteruitversnel‐
ling.
■ Parkeerhulp / Botsdetectie
Parkeerhulp : Activeert of deacti‐
veert ultrasoonsensoren.
Dodehoekwaarschuwing : Wijzigt
de instellingen van het blindehoek‐
systeem.
■ Buitenverlichting
Buitenverlichting bij ontgr. :
Activeert of deactiveert de instap‐ verlichting.
Duur tijdens uitstappen :Activeert of deactiveert en veran‐
dert de duur van de uitstapverlich‐
ting.
■ Portiervergrendeling
Automatische portierontgr. : Acti‐
veert of deactiveert de automati‐
sche portierontgrendelingsfunctie
na uitschakeling van het contact.
Automatische portiervergr. : Acti‐
veert of deactiveert de automati‐
sche portiervergrendelingsfunctie
na inschakelen van het contact.
Geen vergr. bij portier open : In- of
uitschakelen van de automatische
portiervergrendelfunctie wanneer
een portier openstaat.
Vertr. Portiervergrendeling : Acti‐
veert of deactiveert de vertraagde
portiervergrendelingsfunctie.
■ Vergr., ontgr., start op afstand
Feedb ontgr. op afstand :
Activeert of deactiveert alarmknip‐
perlichtsignaal bij het ontgrende‐
len.
Passieve portierontgr. : Verandert
de configuratie om alleen het be‐stuurdersportier of de hele auto te ontgrendelen.
Autom. Portiervergrendeling : Acti‐
veert of deactiveert de automati‐
sche hervergrendeling na het ont‐
grendelen zonder de auto te ope‐
nen.
■ Fabrieksinstellingen herstellen :
Reset alle functies op standaardin‐
stellingen.
Persoonlijke instellingen in het Colour-Info-Display Wanneer de audio ingeschakeld is,
drukt u op ; op het bedieningspa‐
neel.
Page 106 of 225

104Instrumenten en bedieningsorganen
■Aanrijding / detectie
Parkeerhulp : Activeert of deacti‐
veert ultrasoonsensoren.
Waarschuwing dode hoek : Wijzigt
de instellingen van het blindehoek‐ systeem.
■ Verlichting
Uitstapverlichting : Activeert of
deactiveert de uitstapverlichting en
wijzigt de duur ervan.
Voertuiglocalisatielampen : Acti‐
veert of deactiveert de welkomst‐
verlichting.
■ Elektrische portiervergr.
Automatische portierontgrende‐
ling : Activeert of deactiveert de au‐
tomatische portierontgrendelings‐
functie na uitschakeling van het
contact.
Automatische portiervergrende‐
ling : Activeert of deactiveert de au‐
tomatische portiervergrendelings‐
functie na inschakelen van het con‐ tact.
Anti buitensluiten bij niet
vergrendelde deur : Activeert of
deactiveert de automatische por‐tiervergrendelingsfunctie wanneer
een portier openstaat.
Vertraagd portierslot : Activeert of
deactiveert de vertraagde portier‐
vergrendelingsfunctie.
■ Instellingen vergr., ontgr.
Verklikkerlampje ontgrendelen op
afstand : Activeert of deactiveert het
alarmknipperlichtsignaal bij het ont‐ grendelen.
Portierontgrendeling op afstand :
Wijzigt de configuratie om alleen
het bestuurdersportier of de hele
auto te ontgrendelen.
Op afstand ontgrendelde portieren
opnieuw vergrendelen : Activeert of
deactiveert de automatische her‐
vergrendeling na het ontgrendelen
zonder de auto te openen.
■ Fabrieksinstellingen voertuig : Zet
de instellingswaarden terug naar
de standaardfabrieksinstellingen.
Talen
Selectie van de gewenste taal.Tekstscroll
Zie de handleiding bij het Infotain‐
ment-systeem voor meer informatie.
Volume pieptoon bij bediening
Zie de handleiding bij het Infotain‐
ment-systeem voor meer informatie.
Maximale startvolume
Zie de handleiding bij het Infotain‐ ment-systeem voor meer informatie.
Systeemversie
Zie de handleiding bij het Infotain‐
ment-systeem voor meer informatie.
DivX®) VOD
Zie de handleiding bij het Infotain‐
ment-systeem voor meer informatie.
Page 109 of 225

Verlichting107Koplampverstelling
Handmatig instellen
koplampreikwijdte
U kunt de lichtbundelhoogte aanpas‐
sen aan de belading om verblinding
te voorkomen: draai het kartelwiel‐
tje ? in de gewenste stand.
0=zitplaatsen voorin bezet1=alle zitplaatsen bezet2=alle zitplaatsen bezet en ba‐
gage in de bagageruimte3=bestuurdersstoel bezet en ba‐
gage in de bagageruimteKoplampinstelling in het
buitenland Het asymmetrische dimlicht biedt
meer zicht op de rand van de weg aan
de passagierskant.
Stel bij het rijden in landen met links‐
rijdend verkeer de koplampen bij om
tegenliggers niet te verblinden.
Draai de stelknop op beide koplamp‐
huizen 1
/4 slag rechtsom om de toe‐
ristenmodus in te stellen.
Dagrijlicht
Het dagrijlicht maakt de auto overdag
beter zichtbaar.
Deze gaat bij het inschakelen van het
contact automatisch branden.
Alarmknipperlichten
Om in te schakelen op toets ¨ druk‐
ken.
De alarmlichten worden automatisch
ingeschakeld wanneer de airbags bij
een ongeval in werking treden.
Page 130 of 225

128Rijden en bediening
■Trek altijd de handrem aan. Trek de
handbediende handrem aan zon‐
der de ontgrendelknop in te druk‐
ken. Op aflopende of oplopende
hellingen zo stevig mogelijk. Trap
tegelijkertijd de rem in om de be‐
dieningskracht te verminderen.
■ Motor en ontsteking uitschakelen. Stuurwiel verdraaien totdat het
stuurslot vergrendelt.
■ Wanneer de auto vlak of op een op‐
lopende helling staat, dan voor het
uitschakelen van het contact de
eerste versnelling inschakelen. Op
een oplopende helling bovendien
de voorwielen van de stoeprand
wegdraaien.
Op een aflopende helling voor het
uitschakelen van het contact de
achteruitversnelling inschakelen.
Bovendien de voorwielen naar de
stoeprand toedraaien.
■ Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem.Let op
Bij een ongeval waarbij airbags wor‐
den geactiveerd, wordt de motor au‐
tomatisch uitgeschakeld als het
voertuig binnen een bepaalde tijd tot stilstand komt.Uitlaatgassen9 Gevaar
Motoruitlaatgassen bevatten het
giftige en bovendien kleur- en
geurloze koolmonoxide dat bij in‐
ademen levensgevaarlijk kan zijn.
Wanneer uitlaatgassen in de pas‐
sagiersruimte dringen, de ruiten openen. Oorzaak van de storing
door een werkplaats laten verhel‐
pen.
Niet met een geopende achterklep
rijden, aangezien er dan uitlaat‐
gassen de passagiersruimte bin‐
nen kunnen dringen.
Katalysator
De katalysator vermindert de hoe‐
veelheid schadelijke stoffen in de uit‐
laatgassen.
Page 149 of 225

Rijden en bediening147Voorzichtig
Het systeem werkt eventueel min‐
der goed wanneer de sensoren
zijn bedekt, bijv. met ijs of sneeuw.
Het parkeerhulpsysteem werkt bij
een zware belading eventueel
minder goed.
Voor grotere auto's in de buurt
(bijv. off-roads, minivans, vans)
gelden speciale voorwaarden. De
objectherkenning en de juiste af‐
standsindicatie in het bovenste deel van deze voertuigen kan niet
worden gegarandeerd.
Objecten met een erg klein reflec‐ tievlak, bijv. smalle voorwerpen of
zachte materialen, herkent het
systeem mogelijkerwijs niet.
Parkeerhulpsystemen detecteren
geen voorwerpen buiten het de‐
tectiebereik.
Let op
Mogelijk detecteert de sensor een
niet-bestaand object als gevolg van
echostoring van buitengeluiden of
mechanische verstoringen (sporadi‐ sche valse waarschuwingen kunnenvoorkomen).
Zorg ervoor dat de kentekenplaat voor goed gemonteerd is (niet ver‐
bogen en geen speling ten opzichte
van de bumper links of rechts) en dat
de sensoren op hun plek zitten.
De geavanceerde parkeerhulp rea‐
geert eventueel niet op veranderin‐
gen in de beschikbare parkeerplek
nadat u met het inparkeren bent be‐
gonnen. Het systeem kan een in‐
gang, een oprit, een binnenplaats of
zelfs een kruising als een parkeer‐
plek herkennen. Na het inschakelen van de achteruitversnelling zou het
systeem beginnen met inparkeren.
Kijk goed of de voorgestelde par‐
keerplek inderdaad beschikbaar is.
Het systeem detecteert geen onre‐
gelmatigheden in het wegdek, bijv.
op bouwterreinen. De bestuurder
neemt de verantwoordelijkheid op
zich.Let op
Bij het inschakelen van een vooruit‐ versnelling en het overschrijden van een bepaalde snelheid wordt de par‐keerhulp achter bij het uitschuiven
van het draagsysteem achterzijde
gedeactiveerd.
Bij het eerst inschakelen van de ach‐ teruitversnelling detecteert de par‐
keerhulp het draagsysteem achter‐ zijde en klinkt er een zoemer. Druk
kort op r of D om de parkeer‐
hulp te deactiveren.
Let op
Na productie moet het systeem wor‐ den gekalibreerd. Voor optimale be‐
geleiding tijdens het parkeren is een rijafstand van ten minste 10 km, in‐
clusief een aantal bochten, nodig.
Blindehoeksysteem Het blindehoeksysteem detecteert enmeldt objecten die zich, binnen een
specifieke blindehoekzone, aan
weerszijden van de auto bevinden.
Het systeem alarmeert visueel in elke
Page 159 of 225

Verzorging van de auto157
■ Motorkap openen, alle portierensluiten en auto vergrendelen.
■ Poolklem van de minpool van de accu loskoppelen. Erop letten dat
geen van de systemen werkt, waar‐
onder het diefstalalarmsysteem.
Weer in gebruik nemen
Wanneer u de auto weer in gebruik
neemt:
■ Poolklem op de minpool van de accu aansluiten. Elektronica voorde elektrische ruitbediening inscha‐
kelen.
■ Bandenspanning controleren.
■ Sproeiervloeistofreservoir vullen.
■ Motoroliepeil controleren.
■ Koelvloeistofpeil controleren.
■ Zo nodig kentekenplaat monteren.
Verwerking van sloopauto Informatie over autodemontagebe‐
drijven en de recycling van sloopau‐
to's vindt u op onze website. Laat dit
werk uitsluitend over aan een erkend
autodemontagebedrijf.Gasauto's moeten worden afgevoerd
door een speciaal daartoe bevoegd
bedrijf.Controle van de auto
Werkzaamheden
uitvoeren9 Waarschuwing
Controles in de motorruimte alleen
met uitgeschakelde ontsteking uit‐ voeren.
De koelventilator kan ook bij uit‐
geschakelde ontsteking gaan
draaien.
Page 220 of 225

218TrefwoordenlijstAAanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............203, 207
Aanduidingen op banden ..........178
Aansteker .................................... 78
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 156
Accu ........................................... 161
Achterlichten .............................. 167
Achterruitverwarming ................... 30
Achteruitrijlichten .......................109
Afmetingen auto ........................212
Airbag deactiveren ....................... 44 Airbag-deactivering ...................... 85
Airbag en gordelspanners ...........85
Airbagsysteem ............................. 39
Airconditioning ........................... 114
Airconditioning regelmatig aanzetten ............................... 122
Alarmknipperlichten ...................107
Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 123
Andere auto slepen ...................197
Antiblokkeersysteem .................130
Antiblokkeersysteem (ABS) .........86
Asbakken ..................................... 78
Autogegevens ............................ 207
Autokrik....................................... 176
Automatische dimfunctie .............28Automatische verlichting ............ 106
Automatisch vergrendelen ...........23
Auto ontgrendelen .........................6
Auto slepen ................................ 196
Auto stallen ................................. 156
B Bagageruimte ........................ 23, 63
Bagageruimte-afdekking .............64
Bandenreparatieset ...................183
Bandenspanning .......................178
Bandenspanningscontrolesys‐ teem .................................. 87, 179
Bandenspanningswaarden ........215
Batterijspanning ........................... 97
Bedieningsorganen ......................71
Bekerhouders .............................. 51
Bekleding .................................... 200
Beladingsinformatie .....................69
Beslagen lampglazen ................109
Bestuurdersondersteuningssys‐ temen ...................................... 134
Beveiliging van de auto ................25
Binnenspiegels ............................. 28
Binnenverlichting ...............109, 170
Blindehoeksysteem ....................147
Bolle vorm .................................... 27
Boordgereedschap .....................176
Boordinformatie ........................... 95
Brandstof .................................... 149
Page 221 of 225

219
Brandstofkeuzeschakelaar ..........80
Brandstofmeter ............................ 80
Brandstofverbruik - CO 2-uitstoot 155
Brandstof voor benzinemotoren 149
Brandstof voor rijden op LPG .....149
Buitenspiegels .............................. 27
Buitentemperatuur .......................75
Buitenverlichting .........................105
C Car Pass ...................................... 19
Centrale vergrendeling ................21
Claxon ................................... 13, 72
Code ............................................. 95
Conformiteitsverklaring ...............216
Contactslotstanden ....................124
Controlelampen ......................79, 82
Controle over de auto ................123
Controles .................................... 157
Cruise control ...................... 88, 134
D Dagrijlicht ................................... 107
Dagteller ...................................... 79
Dakbelasting ................................. 69
Dakdrager .................................... 68
Diefstalalarmsysteem ..................25
Dimlicht of grootlicht ...................105
Draagsysteem achterzijde ............53Driepuntsgordel ........................... 38
Driver Information Center .............89
E Eerste hulp ................................... 68
Elektrisch bediende ruiten ...........28
Elektrische aansluitingen .............78
Elektrische verstelling ..................27
Elektrisch systeem...................... 171
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem .....87
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) ...................................... 132
Elektronisch klimaatregelsysteem ..............116
Event Data Recorders (EDR) .....216
F
Fietsendrager ............................... 53
Flex-Fix-systeem .......................... 53
Frontaal airbagsysteem ...............42
G Gebruik van deze handleiding .......3
Geluidssignalen ........................... 97
Gereedschap ............................. 176
Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig ................................. 4
Gevarendriehoek .........................67
Gloeilamp vervangen ................163Gordels......................................... 36
Gordelverklikker ........................... 84
Gordijnairbagsysteem .................. 43
Graphic-Info-Display, Color-Info-Display .....................93
Grootlicht ............................. 88, 106
H Halogeenkoplampen .................163
Handgeschakelde versnellingsbak ......................129
Handmatige dimfunctie ................28
Handrem ............................. 130, 131
Handschoenenkastje ...................51
Handzender ................................. 19
Hellingrem ................................. 131
Hoofdsteunen .............................. 32
Hoofdsteunverstelling ....................8
I
Inbouwposities kinderveilig‐ heidssystemen ......................... 47
Info-Displays ................................. 89
Inhouden ................................... 214
Inklapbare spiegels .....................27
Inleiding ......................................... 3
Instapverlichting ......................... 111
Instrumentengroep ......................79
Instrumentenverlichting .............171