alarm OPEL AMPERA 2015 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2015, Model line: AMPERA, Model: OPEL AMPERA 2015Pages: 213, PDF Size: 5.25 MB
Page 77 of 213

Instrumenten en bedieningsorganen75
Controlelampen in de
dakconsole
Richtingaanwijzer
O brandt of knippert groen.
Knippert
Controlelamp knippert bij ingescha‐ kelde richtingaanwijzer of alarmknip‐
perlichten.
Knippert snel: storing in een richting‐
aanwijzer of de bijbehorende zeke‐
ring.
Vervangen van lampen 3 160.
Zekeringen 3 164.
Richtingaanwijzers 3 94.
Gordelverklikker
Gordelverklikker op de
voorstoelen
X van de bestuurdersstoel brandt of
knippert rood.
k van de passagiersstoel voorin
brandt of knippert rood wanneer de
stoel bezet is.
Als er een voorwerp op de stoel wordt gelegd, kan de gordelverklikker van
de passagiersstoel ook gaan bran‐
den.
Brandt
Brandt nadat de waarschuwingslam‐
pen voor de betreffende voorstoel
enige tijd hebben geknipperd, totdat
de veiligheidsgordel is omgedaan.
Knippert
Tot een bepaalde tijd nadat het con‐
tact is ingeschakeld.
Gordelstatus op de achterbank
6 knippert of brandt.Brandt
Na het starten van de motor gedu‐
rende minimaal 35 seconden totdat
de veiligheidsgordel is vastgemaakt.
Na het omdoen van de passagiers‐
veiligheidsgordels wordt de bijbeho‐
rende veiligheidsgordellamp groen.
Knippert
Als een passagier op de tweede rij onderweg zijn/haar veiligheidsgordel weer losmaakt, knippert het bijbeho‐
rende veiligheidsgordelsymbool en‐
kele seconden rood en kan er een ge‐
luidssignaal klinken.
Veiligheidsgordel omdoen 3 43.
Airbag en gordelspanners
v brandt rood.
Bij het starten van de auto brandt de controlelamp enkele seconden.
Brandt deze niet, dooft deze niet na
een paar seconden of licht deze tij‐
dens het rijden op, dan is er een sto‐
ring in het airbagsysteem. De hulp
Page 87 of 213

Instrumenten en bedieningsorganen85
Persoonlijke instellingen 3 86.
Energierend.
Druk op Energierend. op het scherm
Energie Info om naar dit scherm te
gaan. Dit scherm toont het rendement
gedurende de rijcyclus op basis van
de rijstijl en de klimaatinstellingen.
Naarmate u rendabeler rijdt, wordt
het weergegeven percentage voor de rijstijl hoger. Naarmate u de klimaat‐
regeling minder gebruikt, wordt het
weergegeven percentage voor de kli‐
maatinstelling hoger.
Besparingstips
Druk op Besparingstips op het
scherm Energie Info om naar dit
scherm te gaan. Dit scherm bevat een
handleiding voor een beter energie‐
gebruik, opdat u zuiniger rijdt en de
actieradius groter wordt.
Boordinformatie
Berichten op het Driver Information
Centre (DIC) geven de status van de
auto aan of een handeling die nodig
is om een probleem te verhelpen. Er
kunnen meerdere berichten achter el‐ kaar verschijnen.
Berichten die geen onmiddellijke ac‐
tie vergen, kunnen worden bevestigd
en gewist door op knop SELECT te
drukken. De berichten die onmiddel‐
lijke actie vergen, kunnen niet worden
gewist totdat die actie verricht is. Alle
berichten moeten serieus worden ge‐ nomen.
Volg de instructies van deze teksten.
Het display toont teksten over de vol‐
gende onderwerpen:
■ Vloeistofpeilen
■ Starten
■ Onderhoud
■ Diefstalalarmsysteem
■ Remmen
■ Rijregelsystemen
■ Cruise control
Page 91 of 213

Instrumenten en bedieningsorganen89
Deze functie activeert of deactiveert
Motoronderst. verwarming aangesl.
wanneer de stekker van de auto aan‐ gesloten is. Een andere instelling
wordt niet eerder actief dan nadat de
auto eerst uitgeschakeld is.
Comfortinstellingen
Selecteer het menu Comfortinstellin‐
gen en de volgende opties verschij‐
nen:
■ Volume geluidssignaal
■ Volumeknop
■ Pop-up energieoverzicht exit
■ Diefst.alarm oplaadkabel
■ Alarm lage acculading
■ Pers. inst. voor bestuurderVolume geluidssignaal
Met deze instelling kunt u het volume van het geluidssignaal op normaal of
op hoog zetten.Volumeknop
Zo klinkt er een toon wanneer u via
het Infotainmentsysteem een optie
selecteert.Pop-up energieoverzicht exit
Met deze instelling kan Pop-up ener‐
gieoverzicht exit worden in- of uitge‐
schakeld.Diefst.alarm oplaadkabel
Met deze instelling kan Diefst.alarm
oplaadkabel worden in- of uitgescha‐
keld.Alarm lage acculading
Met deze instelling kan Alarm lage
acculading worden in- of uitgescha‐
keld.Pers. inst. voor bestuurder
Met deze instelling kan de bestuurder
zijn favorieten in de radio opslaan.
Buitenverlichting
Selecteer het verlichtingsmenu en de
volgende opties verschijnen:
■ Buitenverlichting bij ontgr.
■ Duur tijdens uitstappen
Buitenverlichting bij ontgr.
Met deze instelling kan de functie
worden in- of uitgeschakeld. Na het
inschakelen gaan het dimlicht, de
stadslichten, achterlichten, kenteken‐plaatverlichting en de achteruitrijlich‐
ten branden als u op de handzender
op ( drukt.Duur tijdens uitstappen
Hier kunt u selecteren hoelang het
dimlicht blijft branden als u uit de auto
stapt en het buiten donker is.
De beschikbare opties zijn: ■ Uit
■ 30 seconden
■ 1 minuut
■ 2 minuten
Portiervergrendeling
Selecteer Portiervergrendeling en de
volgende opties verschijnen:
■ Geen vergr. bij portier open
■ Automatische portierontgr.
■ Vertr. portiervergrendeling
Geen vergr. bij portier open
Na het activeren voorkomt deze in‐
stelling dat het bestuurdersportier
wordt ontgrendeld totdat de deur
wordt gesloten. Na het activeren van
deze functie is het menu Vertr. por‐
tiervergrendeling niet beschikbaar.
Page 96 of 213

94VerlichtingAlarmknipperlichten
Bediening met toets ¨.
De alarmknipperlichten worden auto‐
matisch ingeschakeld wanneer de
airbags bij een ongeval in werking tre‐ den.
Richtingaanwijzershendel omhoog=rechter richting‐
aanwijzerhendel omlaag=linker richtingaan‐
wijzer
Als de hendel voorbij het weerstands‐
punt wordt geduwd, blijft de richting‐
aanwijzer ingeschakeld. Bij het terug‐ draaien van het stuurwiel gaat derichtingaanwijzer automatisch uit.
Om driemaal te knipperen, bijv. om
van rijstrook te wisselen, de hendel
tot tegen het weerstandspunt duwen
en loslaten.
Schakel de richtingaanwijzer hand‐
matig uit door de hendel in de oor‐
spronkelijke stand te zetten.
Controlelamp richtingaanwijzer 3 75.
Mistachterlicht
Draai de mistachterlichtband op de
hendel naar r en laat deze los om het
mistachterlicht in of uit te schakelen.
De band keert terug naar de oor‐
spronkelijke stand.
Elke keer bij het starten van de auto
wordt het mistachterlicht automatisch
op uit gezet.
Page 114 of 213

112Rijden en bedieningkan de sleutel alleen worden
verwijderd met de keuzehendel
in stand P (Parkeerstand).
■ Sluit de ruiten.
■ Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem.
Handzender 3 20.
Diefstalalarmsysteem 3 29.
■ Koelventilatoren kunnen ook na het
afzetten van de motor in werking
treden 3 152.
Bedrijfsmodi elektrisch
voertuig
Bediening Dit is een elektrische auto met een
verlengingsmodus actieradius. Deze
gebruikt voor het aandrijven van de
auto altijd een elektrisch aandrijvings‐ systeem. Elektriciteit is de primaire
energiebron van de auto en benzine
de secundaire bron.
De auto kan in twee bedrijfsmodi wer‐
ken: Elektrische en verlengingsmo‐
dus actieradius In beide modi rijdt de
auto via de elektrische aandrijving.
De auto zet elektrische energie om
een mechanische energie om de wie‐
len aan te drijven. De prestaties van
de auto zijn in beide modi even goed.
Afhankelijk van de geselecteerde be‐
drijfsmodus verschijnt er voorname‐ lijk een accu of een brandstofmeter
op de instrumentengroep.
Accumeter 3 71.
Brandstofmeter 3 71.Elektrische modus
In de elektrische modus gebruikt de
auto geen brandstof en is er geen
emissie. In deze primaire modus rijdt
de auto op elektrische energie uit de
hoogspanningsaccu. De auto rijdt in
deze modus totdat de accu bijna ont‐
laden is.
Onder sommige omstandigheden
draait de motor nog steeds als de
accu voldoende is opgeladen om in
de elektrische modus te kunnen te rij‐ den. Dit zijn:
■ Lage omgevingstemperaturen.
■ Temperatuur van hoogspannings‐ accu hoog of laag.
■ De motorkap is open of niet geheel
gesloten en vergrendeld.
■ Bepaalde storingen in de hoog‐ spanningsaccu.
■ Onderhoudsmodus motor of brand‐
stofonderhoudsmodus actief.
Page 144 of 213

142Rijden en bediening
gaat, is er kans op brand of schade
aan het elektrische circuit.
Elektrische vereisten 3 145.
Oplaadkabel 3 144.
5. Sluit de autostekker van de op‐
laadkabel aan op de oplaadaan‐
sluiting op de auto. Controleer of
de lampen voor de status van de oplaadkabel beide groen zijn.
Oplaadstatus 3 143.
6. Druk op de knop e op de hand‐
zender om het diefstalalarm voor
de oplaadkabel op scherp te zet‐
ten.
Handzender 3 20.
Persoonlijke instellingen 3 86.
Opladen beëindigen 1. Druk op de knop c op de hand‐
zender om het diefstalalarm voor
de oplaadkabel op onscherp te
zetten.
Handzender 3 20.
2. Ontkoppel de autostekker van de
oplaadkabel van de auto.
3. Sluit de klep van de oplaadaan‐ sluiting door krachtig op de ach‐
terste rand van het klepoppervlak
te drukken.
4. Trek de oplaadkabel uit het stop‐ contact.
5. Leg de kabel in de opbergruimte.
Page 146 of 213

144Rijden en bediening
■ Geen lichtsignaal (bij aansluiten) -Geen claxonpiepjes: Controleer de
aansluiting van de oplaadkabel.
■ Geen lichtsignaal (na indicatie van de groene of gele oplaadstatusin‐
dicator) - Geen claxonpiepjes: Con‐ troleer de aansluiting van de op‐
laadkabel.
Storingsindicatielamp 3 76.
Als er geen lichtsignaal is maar de
claxon herhaaldelijk piept, is de voe‐
ding onderbroken voordat het opla‐
den kon worden voltooid.
Ga als volgt te werk om dit alarmsig‐
naal te beëindigen:
■ Ontkoppel de oplaadkabel.
■ Druk op ( op de handzender.
■ Houd ! op de handzender inge‐
drukt en druk opnieuw in om het
paniekalarm te stoppen.
■ Druk op de claxon.
Persoonlijke instellingen 3 86.Gedurende een van de boven‐
staande situaties kan het systeem de
accu thermisch conditioneren. Dan
moet er elektrische energie naar de auto worden overgebracht.
Als de auto op het stopcontact aan‐
gesloten is en de auto aan staat,
brandt de lamp oplaadstatus onon‐
derbroken groen. Dit geldt ook voor
Motoronderst. verwarming aangesl.
als de stekker van de auto in het stop‐
contact zit.
Als de auto op het stopcontact aan‐
gesloten is en de lamp oplaadstatus
uit staat, is er een oplaadstoring ge‐
detecteerd.
Oplaadkabel9 Gevaar
Er is een kans op elektrische
schokken met mogelijk letsel of de dood als gevolg.
Gebruik de oplaadkabel niet als deze ook maar enigszins bescha‐
digd is.
De klep van de oplaadkabel niet openen of verwijderen.
Onderhoud alleen door geschoold personeel. Sluit de oplaadkabel
met onbeschadigde kabels op een
goed geaard stopcontact aan.
Onder de afdekking van de vloer in de bagageruimte ligt een draagbare op‐
laadkabel voor het opladen van de
hoogspanningsaccu van de auto
3 134.
Belangrijke informatie over het opladen van de auto met eendraagbaar oplaadapparaat ■ Het opladen van een elektrisch voertuig kan het elektrische sys‐
teem van een gebouw meer belas‐
ten dan bij een gewoon huishoude‐ lijk apparaat.
■ Laat het elektrische systeem (stop‐
contact, bekabeling, aansluitingen
en beveiligingen) voordat u de auto op een stopcontact aansluit door
Page 168 of 213

166Verzorging van de auto
Minizeke‐
ringenGebruik1Motorregelmodule -
geschakeld
vermogen2Emissie3–4Bobines / verstui‐
vers5Kolomslot6–7–Minizeke‐
ringenGebruik8–9Verwarmde spie‐
gels10Regelmodule airco11Omzettermodule
tractievermogen -
accu12–13Cabineverwar‐
mingspomp en -klep14Diefstalalarm -
sirene15Omzettermodule
tractievermogen en
transmissieregel‐
module - accu17Motorregelmodule -
accu22Grootlicht links24–25–Minizeke‐
ringenGebruik26Diefstalalarm -
claxon31–32Ronddraaien -
sensor- en diagno‐
semodule, instru‐
mentengroep,
display passagiers‐
airbag, schakelaar
koplamphoogtere‐
geling, automatisch
dimmende achter‐
uitkijkspiegel33Ronddraaien -
regelmodule boord‐
integratie34Regelmodule
boordintegratie -
accu35–36Elektrische koel‐
vloeistofpomp elek‐
tronica
Page 180 of 213

178Verzorging van de auto
Sneeuwkettingen zijn niet toegestaanop de bandenmaten 215/55R17 en
225/45R18.
Bandenreparatieset
Lichte beschadigingen van de loop‐
vlakken van de banden kunnen met
de bandenreparatieset worden ver‐
holpen.
Vreemde voorwerpen niet uit de ban‐
den verwijderen.
Beschadigingen die groter zijn dan
4 mm of die in de bandwang zitten,
kunnen niet met de bandenreparatie‐
set worden verholpen.9 Waarschuwing
Niet sneller rijden dan 80 km/u.
Niet langdurig gebruiken.
Stuur- en rijgedrag worden moge‐ lijk beïnvloed.
Bij bandenpech:
rem helemaal af, trek de handrem
aan en zet de schakelhefboom op P.
Schakel de alarmknipperlichten in.
Alarmknipperlichten 3 94.
De bandenreparatieset bevindt zich
onder een afdekking in de bagage‐
ruimte.
Let op
De rijeigenschappen van de her‐
stelde band zijn veel minder goed,
daarom deze band laten vervangen.
Bij abnormale geluiden of sterke ver‐ hitting van de compressor, deze mi‐
nimaal 30 minuten lang uitschake‐
len.
Het ingebouwde veiligheidsventiel
opent bij een druk van 7 bar.
Let op de vervaldatum van de set.
Na deze datum is niet meer gega‐
randeerd dat het middel nog goed
afdicht. Op de bewaarinstructies op
de fles met afdichtmiddel letten.
Gebruikte fles met afdichtmiddel
vervangen. Afvoeren volgens de
desbetreffende wettelijke voorschrif‐
ten.
De compressor en het afdichtmiddel zijn vanaf ca. –30 °C te gebruiken.
Bandenreparatieset gebruiken
De bandenreparatieset bevat twee
slangen. De doorzichtige afdichtmid‐
del-/luchtslang wordt gebruikt voor
het tijdelijk afdichten en opblazen van een lekke band, de zwarte alleen-
luchtslang is bedoeld voor het opbla‐
zen van een intacte band zonder af‐
dichtmiddel.
Volg de aanwijzingen m.b.t. het juiste gebruik nauwgezet op.
1. Haal de bandenreparatieset uit het opbergvak.
Page 208 of 213

206TrefwoordenlijstAAan/Uit-knop ............................... 108
Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............192, 196
Aanduidingen op banden ..........172
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 150
Accu ........................................... 158
Accumeter .................................... 71
Achterbank de rugleuning neerklappen .......62
Achterlichten .............................. 161
Achterruitverwarming ................... 36
Achteruitkijkcamera ...................131
Achteruitrijlichten .................95, 161
Actieradius totaal ..........................72
Afmetingen auto ........................200
Airbag deactiveren ....................... 51
Airbag-deactivering ...................... 76
Airbag en gordelspanners ...........75
Airbagsysteem ............................. 46
Alarmknipperlichten .....................94
Algemene informatie .................. 149
Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 107
Andere auto slepen ...................187
Antiblokkeersysteem .................118
Antiblokkeersysteem (ABS) .........78
Armsteun ...................................... 61Armsteun met opbergruimte ........60
Autogegevens ............................ 196
Automatische dimfunctie .............33
Automatische verlichting .............. 92
Automatisch geregelde airconditioning .......................... 98
Automatisch vergrendelen ...........26
Auto ontgrendelen .........................6
Auto optakelen ........................... 150
Auto slepen ................................ 186
Auto stallen ................................. 151
AUX-ingang .................................. 60
B Bagageruimte ........................ 27, 62
Bagageruimte-afdekking .............63
Banden ...................................... 172
Bandenreparatieset ...................178
Bandenspanning .......................173
Bandenspanningscontrolesys‐ teem .................................. 79, 174
Bandenspanningswaarden ........202
Bediening ........................... 112, 116
Bedieningsorganen ......................66
Bedrijfsmodi elektrisch voertuig. .......................................... 17, 112
Bekerhouders .............................. 59
Bekleding .................................... 189
Beladingsinformatie .....................65
Bergmodus ................................... 78