cruise control OPEL AMPERA 2015 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2015, Model line: AMPERA, Model: OPEL AMPERA 2015Pages: 213, PDF Size: 5.25 MB
Page 13 of 213

Kort en bondig11
1Cruise control ...................... 124
Lane Departure Warning ....132
Frontaanrijdingswaar‐
schuwing ............................. 126
2 Lichtschakelaar .....................92
Richtingaanwijzers ................94
Waarschuwing
voetgangersveiligheid ...........67
3 Claxon ................................... 67
4 Instrumentengroep ................73
Driver Information Centre
(DIC) ..................................... 81
5 Afstandsbediening op
stuurwiel ................................ 66
6 Voorruitwissers/-sproeiers ....67
7 Middelste ventilatieope‐
ningen ................................. 105
8 Plafondverlichting .................96
Leeslampjes .......................... 96
Ultrasoonparkeerhulp .........128
Diefstalalarmsysteem ............ 29Elektronische
stabiliteitsregeling ...............122
Traction Control-systeem ....121
Gordelverklikkerlichtje ...........75
Verklikkerlichtje airbag-
deactivering ........................... 76
9 Binnenspiegel ....................... 33
10 Lampje oplaadstatus ...........143
11 Lichtsensor ............................ 92
Klimaatsensor ....................... 98
12 Opbergvak instrumenten‐
paneel ................................... 58
13 Colour-Info-Display ...............83
14 Zijdelingse ventilatieope‐
ningen ................................. 105
15 Handschoenenkastje ............59
16 Centrale vergrendelings‐
toetsen .................................. 24
17 Elektrische handrem ...........119
18 Infotainmentsysteem (zie
handleiding van het Info‐
tainmentsysteem)
19 Schakelhendel ....................11620Aan/Uit-knop ....................... 108
21 Rijmodusknop .....................113
22 Bladknop ............................... 83
23 Ontgrendelingshandgreep
motorkap ............................. 152
24 Stuurwiel instellen .................66
25 Verlichtingsbediening in‐
strumentenpaneel .................95
26 Elektrische ruitbediening .......34
27 Ontgrendelknop tankklep ....147
28 Bedieningsorganen DIC ........81
29 Instellen koplampreikwijdte ...93
Page 68 of 213

66Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en
bedieningsorganenBedieningsorganen ......................66
Waarschuwingslampen, meters
en controlelampen .......................70
Informatiedisplays ........................81
Boordinformatie ........................... 85
Persoonlijke instellingen ..............86Bedieningsorganen
Stuurwielverstelling
Hendel omlaagbewegen, stuurwiel
instellen, hendel omhoogbewegen en
vergrendelen.
Stuurwiel uitsluitend bij stilstaande
auto en ontgrendeld stuurslot verstel‐ len.
Stuurbedieningsknoppen
U kunt het Infotainmentsysteem, de
cruise control en sommige bestuur‐ dersondersteuningssystemen bedie‐
nen met de knoppen op het stuurwiel.
Meer informatie staat in de handlei‐
ding van het infotainment-systeem.
Bestuurdersondersteuningssyste‐
men 3 124.
Page 82 of 213

80Instrumenten en bedieningsorganen
1. Zo spoedig mogelijk de verkeers‐stroom verlaten zonder hierbij an‐dere weggebruikers te hinderen.
2. Zet de keuzehendel op N.
3. Schakel de ontsteking uit.
Controleer het oliepeil voordat u de
hulp van een werkplaats inroept
3 153.
Te laag brandstofpeil
Y brandt als het brandstofpeil te laag
is.
Startbeveiliging
d brandt geel.
Storing in de startbeveiliging. De mo‐ tor kan niet worden gestart.
De hulp van een werkplaats inroepen.
Voertuig gereed
R brandt als de auto gereed
voor rijden is.Rijverlichting
8 brandt groen.
De rijverlichting is ingeschakeld
3 92.
Grootlicht
C brandt blauw.
Brandt bij ingeschakeld grootlicht en bij lichtsignaal 3 93.
Mistachterlicht
r brandt geel.
Het mistachterlicht is ingeschakeld
3 94.
Cruise control
m brandt wit of groen.
Brandt wit
Het systeem is ingeschakeld.
Brandt groen
Een bepaalde snelheid wordt opge‐
slagen.
Cruise control 3 124.Voorligger gedetecteerd
A brandt groen of geel.
Brandt groen
Er is een voorligger gedetecteerd.
Brandt geel
Er is te weinig afstand tot de voorlig‐
ger.
Frontaanrijdingswaarschuwing
3 126.
Portier open
Page 87 of 213

Instrumenten en bedieningsorganen85
Persoonlijke instellingen 3 86.
Energierend.
Druk op Energierend. op het scherm
Energie Info om naar dit scherm te
gaan. Dit scherm toont het rendement
gedurende de rijcyclus op basis van
de rijstijl en de klimaatinstellingen.
Naarmate u rendabeler rijdt, wordt
het weergegeven percentage voor de rijstijl hoger. Naarmate u de klimaat‐
regeling minder gebruikt, wordt het
weergegeven percentage voor de kli‐
maatinstelling hoger.
Besparingstips
Druk op Besparingstips op het
scherm Energie Info om naar dit
scherm te gaan. Dit scherm bevat een
handleiding voor een beter energie‐
gebruik, opdat u zuiniger rijdt en de
actieradius groter wordt.
Boordinformatie
Berichten op het Driver Information
Centre (DIC) geven de status van de
auto aan of een handeling die nodig
is om een probleem te verhelpen. Er
kunnen meerdere berichten achter el‐ kaar verschijnen.
Berichten die geen onmiddellijke ac‐
tie vergen, kunnen worden bevestigd
en gewist door op knop SELECT te
drukken. De berichten die onmiddel‐
lijke actie vergen, kunnen niet worden
gewist totdat die actie verricht is. Alle
berichten moeten serieus worden ge‐ nomen.
Volg de instructies van deze teksten.
Het display toont teksten over de vol‐
gende onderwerpen:
■ Vloeistofpeilen
■ Starten
■ Onderhoud
■ Diefstalalarmsysteem
■ Remmen
■ Rijregelsystemen
■ Cruise control
Page 109 of 213

Rijden en bediening107Rijden en bedieningRijtips......................................... 107
Starten en bediening .................108
Bedrijfsmodi elektrisch voertuig . 112
Uitlaatgassen ............................. 116
Elektrische aandrijving ...............116
Remmen .................................... 118
Rijregelsystemen .......................121
Bestuurdersondersteuningssys‐ temen ......................................... 124
Opladen ..................................... 134
Brandstof ................................... 147
Trekken ...................................... 149Rijtips
Economisch rijden Gebruik het volgende advies als hulp
voor maximaal zuinig rijden en een zo groot mogelijke actieradius.
Ondanks deze nuttige tips kan de ac‐
tieradius van een elektrisch voertuig
bij lagere temperaturen als gevolg
van een hoger energieverbruik klei‐
ner zijn.
Rijstijl
Vermijd onnodig snel optrekken en
afremmen.
De elektrische actieradius is maxi‐
maal bij 80 km/u en lager. Bij hogere
snelheden is het energieverbruik ho‐
ger en kan de elektrische actieradius
aanzienlijk afnemen.
Gebruik waar mogelijk cruise control.
Rol niet uit in de stand N. Bij het uit‐
rollen en remmen in D of L wint de
auto energie terug.Rendementsmeter in de
instrumentengroep
Houd de bal groen en in het midden
van de meter.
Onzuinig accelereren blijkt als de bal
geel wordt en zich boven het midden
van de meter beweegt.
Agressief remmen blijkt als de bal
geel wordt en zich onder het midden
van de meter beweegt.
Rij- en versnellingsmodus selecteren
Gebruik zoveel mogelijk de normale
rijmodus.
In de SPORT-modus accelereert de
auto sneller dan in de normale mo‐
dus, maar werkt het wellicht minder
efficiënt.
Schakel vóór het klimmen op steile
hellingen in bergachtige gebieden al
de bergmodus in. Schakel de berg‐
modus altijd vóór het klimmen in. In
de bergmodus nemen de elektrische
actieradius en het vermogen af, maar
deze modus is noodzakelijk voor
snelheden van meer dan 100 km/u bij
het nemen van hellingen van 5 % of
meer.
Page 125 of 213

Rijden en bediening1239Waarschuwing
Laat u door dit speciale veilig‐
heidssysteem niet verleiden tot
een roekeloze rijstijl.
Snelheid aan de staat van het
wegdek aanpassen.
Controlelamp b 3 78.
Uitschakelen
Voor rijden met optimaal vermogen
kan ESC worden uitgeschakeld:
Houd de toets b op de dakconsole
ingedrukt totdat k en n oplichten en
er een bericht op het Driver Informa‐
tion Center (DIC) verschijnt.
U kunt de ESC weer activeren door
nogmaals op de toets b te drukken.
Bij het activeren van ESC bij cruise control wordt de cruise control auto‐
matisch uitgeschakeld. Druk op de
toets cruise control om deze weer in
te schakelen als het wegdek dat toe‐
laat.
Cruise control 3 124.
Driver Information Centre (DIC) 3 81.
Storing
Bij een eventueel probleem met de
ESC verschijnt er een bericht op het DIC. Als dit bericht verschijnt en b
oplicht, kunt u veilig rijden, maar
werkt het systeem niet. Pas uw rijge‐
drag navenant aan.Terugzetten
Als b oplicht en blijft branden, zet u
het systeem als volgt terug:
1. Rem de auto af.
2. Schakel het contact uit en wacht 15 seconden.
3. Contact inschakelen.
Raadpleeg een werkplaats als b nog
steeds oplicht en blijft branden.
Page 126 of 213

124Rijden en bedieningBestuurdersondersteu‐
ningssystemen9 Waarschuwing
Bestuurdersondersteuningssyste‐
men zijn ontwikkeld om de be‐
stuurder te ondersteunen en niet
om zijn aandacht te vervangen.
De bestuurder aanvaardt de volle‐
dige verantwoordelijkheid wan‐
neer hij de auto bestuurt.
Wanneer bestuurdersondersteu‐
ningssystemen worden gebruikt,
altijd op de huidige verkeerssitua‐
tie letten.
Cruise control
Met de cruise control kan de auto een
snelheid van ong. 30 km/u of meer
aanhouden zonder dat u de voet op
het gaspedaal hoeft te houden.
Cruise control werkt niet bij snelhe‐
den van minder dan 30 km/u.
De cruise control niet inschakelen
wanneer het aanhouden van een
constante snelheid onverstandig is.
Met het Traction Control-systeem of
de elektronische stabiliteitsregeling
kan het systeem tijdens het gebruik
van cruise control het doorslaan van
de wielen tegengaan. Als dit gebeurt,
wordt de cruise control automatisch
uitgeschakeld.
Traction Control-systeem 3 121.
Elektronische stabiliteitsregeling
3 122.
Bij een aanrijdingswaarschuwing bij
geactiveerde cruise control, wordt de
cruise control uitgeschakeld.
Frontaanrijdingswaarschuwing
3 124.
De cruise control-toetsen zitten op
het stuurwiel.
m : indrukken om het cruise control-
systeem in en uit te schakelen. Er
gaat een lamp op de instrumenten‐
groep aan of uit.
y : indrukken om de cruise control uit
te schakelen zonder de ingestelde
snelheid uit het geheugen te wissen.
RES/+: draai het kartelwiel kort om‐
hoog om een eerder ingestelde snel‐
heid te hervatten of houd het omhoog om te accelereren. Gebruik het als de
cruise control al actief is om de rij‐
snelheid te verhogen.
Page 127 of 213

Rijden en bediening125
SET/-: draai het kartelwiel kort om‐
laag om een snelheid in te stellen en
de cruise control te activeren. Ge‐
bruik het als de cruise control al actief is om de rijsnelheid te verlagen.
Cruise control instellen Een snelheid instellen:
1. Druk op m om cruise control aan‐
zetten.
2. Trek op tot de gewenste snelheid.
3. Draai het kartelwiel omlaag naar SET/− en laat het los. De gewen‐
ste ingestelde snelheid verschijnt op de instrumentengroep.
4. Haal uw voet van het gaspedaal.
Bij het intrappen van de rem deacti‐
veert het systeem de cruise control.Een ingestelde snelheid
hervatten
Als de cruise control op een gewenste
snelheid staat en het rempedaal wordt ingetrapt, wordt de cruise con‐
trol uitgeschakeld zonder dat de in‐
gestelde snelheid uit het geheugen
wordt gewist. Draai het kartelwiel bij
een snelheid van ong. 30 km/u of
meer kort omhoog naar RES/+ en laat
het weer los. De auto keert terug naar
de eerder opgeslagen snelheid.
Snelheid verhogen Als het cruise control-systeem al ge‐activeerd is:
■ Draai het kartelwiel omhoog naar RES/+ en houd het vast totdat de
auto naar de gewenste snelheid ac‐
celereert en laat het los.
■ Draai het kartelwiel kort omhoog naar RES/+ en laat het weer los om
de snelheid in kleine stapjes te ver‐
hogen. Bij elke keer rijdt de auto
ong. 1 km/u sneller.Snelheid verlagen
Als het cruise control-systeem al ge‐
activeerd is:
■ Draai het kartelwiel naar SET/− en
houd het vast totdat de gewenste
lagere snelheid is bereikt en laat
het los.
■ Draai het kartelwiel kort naar SET/− om in kleine stapjes langza‐
mer te rijden. Elke keer rijdt de auto hierbij ong. 1 km/u langzamer.
Een ander voertuig inhalen
Verhoog de snelheid door het gaspe‐ daal in te trappen. Als u de voet van
het gaspedaal neemt, gaat de auto
weer terug naar de eerder ingestelde
snelheid van de cruise control. Wan‐
neer u het kartelwiel tijdens het in‐ trappen van het gaspedaal of kort na
het negeren van de cruise control
even naar SET/- beweegt, wordt de
cruise control op de huidige rijsnel‐ heid ingesteld.
Page 128 of 213

126Rijden en bediening
Cruise control op heuvelachtigterrein gebruiken Hoe goed de cruise control op heu‐
velachtig terrein werkt, hangt af van
de rijsnelheid, de belasting en de
steilheid van de hellingen. Bij steile
hellingen moet u wellicht gas bijgeven
om de snelheid te kunnen aanhou‐
den. Bij het afdalen moet u wellicht
afremmen of L inschakelen om de
snelheid te kunnen aanhouden. Bij
het intrappen van het rempedaal
wordt de cruise control uitgeschakeld.
Cruise control deactiveren
Druk op de knop y, controlelampje
m op de instrumentengroep licht wit
op. De cruise control is gedeacti‐
veerd. De meest recent ingestelde
snelheid wordt opgeslagen en kan la‐ ter weer worden opgepakt.
Automatisch uitschakelen: ■ de rijsnelheid is lager dan ca. 30 km/u,
■ als het rempedaal wordt bediend,■ keuzehendel in stand N,
■ de Traction Control of elektronische
stabiliteitsregeling (ESC) is actief.
Ingestelde snelheid uit
geheugen wissen
Wis de ingestelde snelheid in de
cruise control uit het gehuegen door
op m te drukken of door het contact
uit te schakelen.
Frontaanrijdingswaar‐
schuwing
De frontaanrijdingswaarschuwing
kan helpen schade bij frontale aanrij‐
dingen te vermijden of te beperken.
Bij te snel naderen van een voorligger
geeft de frontaanrijdingswaarschu‐
wing een rode visuele waarschuwing
en klinken er snel achter elkaar piep‐
tonen. De frontaanrijdingswaarschu‐
wing geeft ook een gele visuele waar‐ schuwing bij bumperkleven bij een
voorligger.
Het frontaanrijdingswaarschuwings‐
ymbool zit boven op het instrumen‐
tenbord, rechts van het stuurwiel.De voorwaarts gerichte camerasen‐
sor bevindt zich vóór de achteruitkijk‐
spiegel op de voorruit. De frontaanrij‐ dingswaarschuwing detecteert auto's
binnen een afstand van ong. 60 m en
werkt bij snelheden boven 40 km/u.9 Waarschuwing
De frontaanrijdingswaarschuwing
is een waarschuwingssysteem dat de remmen niet activeert. Bij het te
snel naderen van een voorligger of
bij bumperkleven, waarschuwt het wellicht niet tijdig genoeg om een
botsing te helpen vermijden.
De frontaanrijdingswaarschuwing
waarschuwt niet voor voetgan‐
gers, dieren, borden, vangrails,
bruggen, bouwvaten of andere ob‐
jecten. Wees gereed om actie te
ondernemen en te remmen.
De frontaanrijdingswaarschuwing
kan worden uitgeschakeld met de
stuurbedieningsknop.
Page 129 of 213

Rijden en bediening127
Detectie van een voorliggerEr volgen geen waarschuwingen, ten‐
zij de frontaanrijdingswaarschuwing
een voorligger detecteert.
Bij het detecteren van een voertuig
licht het voorliggerlampje A groen
op.
In bochten, op snelwegafritten, in
heuvelachtig terrein of bij slecht zicht
worden voertuigen wellicht niet gede‐ tecteerd. De frontaanrijdingswaar‐
schuwing detecteert geen andere
voorligger totdat deze midden op de
rijstrook bevindt.9 Waarschuwing
De frontaanrijdingswaarschuwing
geeft geen waarschuwing, tenzij
deze een auto detecteert. De fron‐ taanrijdingswaarschuwing detec‐
teert wellicht geen voorligger als
de sensor door vuil, sneeuw of ijs
geblokkeerd is of als de voorruit
beschadigd is. Ook detecteert
deze wellicht geen voorligger op
slingerende of heuvelachtige we‐
gen, bij weinig zicht of als de kop‐
lampen of de voorruit niet schoon
of niet in goede staat zijn. Houd de voorruit, koplampen en sensoren
schoon en in goede staat.
Aanrijdingswaarschuwing
Bij het te snel anderen van een voor‐
ligger licht het rode display van de
frontaanrijdingswaarschuwing op en
klinken er voorin een aantal piepto‐
nen. In dat geval kan het remsysteem zich voorbereiden op sneller remmen door de bestuurder, waardoor de auto
korte tijd iets kan vertragen. Blijf het
rempedaal zo nodig intrappen. Bij de
aanrijdingswaarschuwing kan de
cruise control worden uitgeschakeld.
Bumperkleefwaarschuwing
Het voorliggerlampje A wordt geel
als u bumperkleeft.
De gevoeligheid van het
systeem instellen
De gevoeligheid van het systeem kan op ver, gemiddeld, dichtbij of uit wor‐
den ingesteld.
Druk op COLLISION ALERT
F om de
huidige instelling op het Driver Infor‐
mation Center (DIC) te bekijken. Druk opnieuw in om de gevoeligheid van
het systeem te wijzigen.
De gekozen instelling blijft actief tot‐ dat deze wordt gewijzigd en werkt
voor zowel de tijd van de aanrijdings‐
waarschuwing als de bumperkleef‐ waarschuwing. De timing van beide