alarm OPEL AMPERA E 2018.5 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2018.5, Model line: AMPERA E, Model: OPEL AMPERA E 2018.5Pages: 283, PDF Size: 6.65 MB
Page 32 of 283

30Sleutels, portieren en ruitenAntidiefstalbeveiligingVergrendelingssysteem9 Waarschuwing
Niet inschakelen als er zich perso‐
nen in de auto bevinden! Ontgren‐ delen van de binnenzijde is niet
mogelijk.
Alle portieren worden tegen openen
beveiligd. Voor activering van het
systeem moeten alle portieren geslo‐
ten zijn.
Bij het ontgrendelen van de auto
wordt de mechanische diefstalbevei‐ liging uitgeschakeld. Dit is niet moge‐
lijk met de centrale vergrendelings‐
toets.
Inschakelen
Druk binnen 5 seconden twee keer
op ) op de elektronische sleutel.
Diefstalalarmsysteem Het alarmsysteem is gecombineerd
met het vergrendelingssysteem.
Het bewaakt de portieren, de achter‐
klep, de motorkap en gaat na of de
auto is ingeschakeld.
Inschakelen
Alle portieren moeten gesloten zijn en
de elektronische sleutel of het elek‐
tronische sleutelsysteem mag niet in
de auto blijven. Anders kan het
systeem niet worden geactiveerd.
● Handzender: werkt automatisch 30 seconden na het vergrende‐
len van de auto door één keer
op ) te drukken.
● Elektronisch sleutelsysteem: werkt automatisch 30 seconden
na het vergrendelen van de auto
door op de knop op een buiten‐
kruk te drukken.
Page 33 of 283

Sleutels, portieren en ruiten31● Handzender of elektronischesleutel: rechtstreeks door ) twee
keer binnen 5 seconden in te
drukken.
● Elektronisch sleutelsysteem met ingeschakelde passieve vergren‐deling: werkt kort na passieve
vergrendeling.
● Centrale-vergrendelingstoets: druk op ) terwijl er een portier
open staat.
Uitschakelen
Handzender: Bij het ontgrendelen
van de auto door indrukken van
( wordt het diefstalalarmsysteem
gedeactiveerd.
Elektronisch sleutelsysteem: Bij het
ontgrendelen van de auto met de
knop op één van de buitenkrukken
wordt het diefstalalarmsysteem
gedeactiveerd.
De elektronische sleutel moet zich
binnen een bereik van ongeveer 1 m
van het betreffende portier buiten de auto bevinden.
Het systeem wordt niet gedeactiveerd
door het bestuurdersportier te
ontgrendelen met de sleutel of met de centrale vergrendelingsknop in het
interieur.
Alarm
Bij het activeren klinkt de alarmclaxon
en gaan de alarmknipperlichten tege‐ lijkertijd knipperen. Het aantal en de
duur van de alarmsignalen zijn voor‐
geschreven door de wetgever.
Het diefstalalarmsysteem kan
worden gedeactiveerd door ( in te
drukken, op de toets op de portier‐ handgreep te drukken of door de auto
in te schakelen.
Een geactiveerd alarm dat niet door
de bestuurder werd onderbroken,
wordt weergegeven door de alarm‐
knipperlichten. Ze lichten bij het
ontgrendelen van de auto met de
handzender driemaal kort achtereen
op. Bovendien verschijnt er na
inschakeling van de auto een waar‐
schuwingsbericht op het Driver Infor‐
mation Center.
Boordinformatie 3 92.
Startbeveiliging
Het systeem is onderdeel van de
contactschakelaar en het controleert
of de auto met de gebruikte sleutel
mag worden gestart.
Page 34 of 283

32Sleutels, portieren en ruitenDe startbeveiliging activeert zichzelf
automatisch nadat de elektronische
sleutel uit de auto is gehaald.
Als controlelamp d knippert wanneer
de auto aan is, is er een storing in het
systeem. Het aandrijvingssysteem
kan niet worden gestart. Zet de auto
uit en probeer opnieuw te starten.
Als de controlelamp d blijft knippe‐
ren, probeer dan het aandrijvingssys‐ teem met de reservesleutel te startenen roep de hulp van een werkplaats
in.
Let op
RFiD-tags (Radio Frequency Identi‐
fication) kunnen de werking van de
sleutel storen. Houd de tag bij het
starten uit de buurt van de sleutel.
Let op
De startbeveiliging vergrendelt de
portieren niet. Vergrendel daarom steeds na het verlaten van de auto
de portieren en schakel het diefstal‐
alarmsysteem in 3 21, 3 30.
Controlelamp d 3 83.Buitenspiegels
Bolle vorm
Door de vorm van de spiegel lijken
voorwerpen kleiner dan ze zijn, waar‐ door afstanden moeilijker zijn in te
schatten.
Dodehoekdetectiesysteem 3 189.
Elektrische verstelling1. Druk op í of ì om de relevante
buitenspiegel te selecteren. Druk
daarna op het bedieningspaneel
om de betreffende spiegel af te
stellen.
2. Druk opnieuw op í of ì om de
selectie van de spiegel ongedaan
te maken.
Inklapbare spiegels
Voor de veiligheid van voetgangers
klappen de buitenspiegels bij aansto‐
ten vanaf een bepaalde kracht weg uit de normale stand. Spiegel dan door
licht op de spiegelbehuizing te druk‐
ken terugduwen.
Page 81 of 283

Instrumenten en bedieningsorganen79Actieradius totaal
Geeft het totale bereik weer dat met
de auto kan worden gereden.
Zuinig rijden 3 154.
Service-display Als het tijd is voor een onderhouds‐
beurt, wordt dit in het Driver Informa‐
tion Center aangegeven.
De eerste waarschuwing verschijnt
400 km voordat er een beurt moet
worden uitgevoerd en de tweede
waarschuwing verschijnt 80 km voor‐
dat er een beurt moet worden uitge‐
voerd. Het bericht verschijnt iedere
keer wanneer de auto wordt inge‐
schakeld.
U kunt het bericht annuleren of reset‐
ten. Reset het bericht pas na de
onderhoudsbeurt.
Driver Information Centre 3 84.
Controlelampen
De beschreven controlelampen zijn
niet in alle auto's aanwezig. Deze
beschrijving geldt voor alle instru‐
mentuitvoeringen. Afhankelijk van de
uitrusting kan de plaats van de
controlelampjes variëren. Bij het
inschakelen van de auto lichten de
meeste controlelampen korte tijd op
bij wijze van functietest.
Betekenis kleuren controlelampen:Rood:gevaar, belangrijke herinne‐
ringGeel:waarschuwing, aanwijzing,
storingGroen:inschakelbevestigingBlauw:inschakelbevestigingWit:inschakelbevestiging,
systeem gereedControlelampen 3 74.
Richtingaanwijzers
O brandt of knippert groen.
Brandt korte tijd De parkeerlichten zijn ingeschakeld.
Knippert
Een richtingaanwijzer of de alarm‐
knipperlichten zijn geactiveerd.
Knippert snel: richtingaanwijzer of
bijbehorende zekering kapot.
Vervangen van lampen 3 230.
Zekeringen 3 234.
Richtingaanwijzers 3 105.
Gordelverklikker Gordelverklikker op de
voorstoelen
X van de bestuurdersstoel brandt of
knippert rood op de instrumenten‐
groep.
Page 97 of 283

Instrumenten en bedieningsorganen95aangepast. Met deze functie
wordt de frontaanrijdingswaar‐
schuwing en de actieve noodrem in- of uitgeschakeld. De instellingUit schakelt alle functies voor
frontaanrijdingswaarschuwing
en actieve noodrem uit. Met de
instelling Waarschuwing en
remmen zijn frontaanrijdings‐
waarschuwing en actieve nood‐
rem beschikbaar. Met de instel‐
ling Waarschuwing wordt de
actieve noodrem uitgeschakeld.
Selecteer Uit, Waarschuwing of
Waarschuwing en remmen .
Voetgangerdetectie voorzijde :
De melding voor de functie kan
aan uw persoonlijke wensen
worden aangepast. Deze functie
kan helpen bij het voorkomen of
verminderen van het letsel dat
dichtbijzijnde voetgangers oplo‐
pen bij frontale aanrijdingen.
Selecteer Uit, Waarschuwing of
Waarschuwing en remmen .
Waarschuwing verkeer achter :
Activeert of deactiveert de waar‐
schuwing kruisend verkeer
achter.Waarschuwing wisselen van
rijstrook : Schakelt de waarschu‐
wing bij wisselen van rijstrook in
of uit.
● Verlichting
Voertuig-lokaliseerverlichting :
Activeert of deactiveert de instap‐ verlichting.
Uitstapverlichting : Activeert of
deactiveert en verandert de duur
van de uitstapverlichting.
● Elektrische portiervergrendeling
Automatische portiervergrende‐
ling : Activeert of deactiveert de
automatische portiervergrende‐
lingsfunctie na inschakelen van
de auto.
Anti-buitensluit functie : Activeert
of deactiveert de portiervergren‐
delingsfunctie wanneer een
portier openstaat.
Vertraagde portiervergrendeling :
Activeert of deactiveert de
vertraagde portiervergrendel‐
functie. Deze functie vertraagt
het werkelijke vergrendelen van
de portieren tot alle portieren
gesloten zijn. Hij kan alleen heenen weer worden gezet wanneer
Automatische portiervergrende‐
ling is uitgeschakeld.
● Op afstand vergrendelen /
ontgrendelen / starten
Feedback op afstand
ontgrendelen : Activeert of deac‐
tiveert het alarmknipperlichtsig‐
naal bij het ontgrendelen.
Feedback op afstand
vergrendelen : Wijzigt het type
terugmelding bij het vergrende‐
len van de auto.
Op afstand portieren
ontgrendelen : Verandert de
configuratie om alleen het
bestuurdersportier of de hele
auto te ontgrendelen.
Vergr. op afstand ontgrendel
portier. : Activeert of deactiveert
de automatische hervergrende‐
ling na het ontgrendelen zonder
de auto te openen.
Stoelverwarming starten op
afstand : Schakelt de stoelver‐
warmingen automatisch in of uit bij het starten op afstand.
Page 101 of 283

Instrumenten en bedieningsorganen992. Start een Wi-Fi-netwerkzoekop‐dracht via uw mobiele apparaat.
3. Selecteer de hotspot van uw auto
(SSID) wanneer deze wordt
aangegeven.
4. Voer uw wachtwoord in, wanneer u daarom wordt gevraagd.
Let op
Druk op Z en spreek met een advi‐
seur of log in bij uw account als u de
SSID of het wachtwoord wilt wijzi‐
gen.
U kunt de functie Wi-Fi Hotspot
uitschakelen door op Z te drukken en
een adviseur te spreken.
Smartphone-app
Met de myOpel smartphone app kunt
u bepaalde autofuncties extern bedie‐ nen.
De volgende functies zijn beschik‐
baar:
● Auto vergrendelen of ontgrende‐ len.
● Claxonneren of lichten laten knip‐
peren.● Schakel de parkeerverwarming in.
● Controleer de informatie over de auto-accu.
● Controleer de bandenspanning (alleen bij bandenspanningscon‐
trolesysteem).
● Stuur de navigatiebestemming naar de auto of gebruik deze met
de navigatie-applicatie via de
telefoon.
● Auto op een map lokaliseren.
● Wi-Fi-instellingen beheren.
Download voor het bedienen van
deze functie de app van App Store ®
of Google Play™ Store.
Afstandsbediening
U kunt, indien gewenst, iedere wille‐
keurige telefoon gebruiken om een
adviseur te bellen. Deze kan dan
vanaf zijn locatie specifieke autofunc‐
ties aansturen. U vindt het betref‐
fende OnStar-telefoonnummer op de
landspecifieke website.De volgende functies zijn beschik‐
baar:
● Auto vergrendelen of ontgrende‐ len.
● Informatie over de voertuigloca‐ tie doorgeven.
● Claxonneren of lichten laten knip‐
peren.
Hulp bij gestolen voertuig
Geef als de auto gestolen is de dief‐
stal door aan de autoriteiten en vraag hulp van de OnStar-service Hulp bij
gestolen voertuig. Neem telefonisch
contact op met een adviseur. U vindt
het betreffende OnStar-telefoonnum‐
mer op de landspecifieke website.
OnStar kan u helpen bij het zoeken
naar en bergen van de auto.Diefstalalarm
Als het diefstalalarmsysteem is geac‐ tiveerd, wordt er een bericht naar
OnStar gestuurd. U ontvangt hierover
een sms of e-mail.Startblokkering
OnStar kan met externe signalen het starten van de auto blokkeren
wanneer het contact is afgezet.
Page 104 of 283

102VerlichtingVerlichtingRijverlichting.............................. 102
Lichtschakelaar .......................102
Automatische verlichting .........103
Grootlicht ................................. 103
Grootlichtassistentie ................103
Lichtsignaal ............................. 104
Koplampverstelling ..................105
Dagrijlicht ................................. 105
Alarmknipperlichten .................105
Richtingaanwijzers ..................105
Mistachterlicht ......................... 106
Parkeerlichten ......................... 106
Achteruitrijlichten .....................106
Beslagen lampglazen ..............106
Binnenverlichting .......................107
Regelbare instrumentenverlich‐ ting .......................................... 107
Leeslampen ............................. 107
Verlichting zonneklep ..............107
Verlichtingsfuncties ....................108
Instapverlichting ......................108
Uitstapverlichting .....................108
Ontlaadbeveiliging accu ..........108Rijverlichting
Lichtschakelaar
Lichtschakelaar draaien:
AUTO:automatische verlichting
schakelt automatisch
tussen dagrijlicht en
koplamp8:zijmarkeringslichten9:dimlicht of grootlicht
Controlelampje 8 3 83.
Lichtschakelaar met stand m
Lichtschakelaar draaien:
AUTO:automatische verlichting
schakelt automatisch
tussen dagrijlicht en
koplampm:activering of deactivering
van de automatische
verlichting.8:zijmarkeringslichten9:dimlicht of grootlicht
Achterlichten
De achterlichten branden samen met
het dimlicht / groot licht en de zijmar‐
keringslichten.
Page 107 of 283

Verlichting105KoplampverstellingHandmatige koplampverstelling
U kunt de lichtbundelhoogte aanpas‐
sen aan de belading om verblinding
te voorkomen: draai het kartelwiel‐
tje ? in de gewenste stand.
0:zitplaatsen voorin bezet1:alle zitplaatsen bezet2:alle zitplaatsen bezet en bagage
in de bagageruimte3:bestuurdersstoel bezet en
bagage in de bagageruimteDagrijlicht
Het dagrijlicht maakt de auto overdag
beter zichtbaar.
Als het dagrijlicht werkt, worden de
achterlichten en de stadslichten
uitgeschakeld.
Vergeet niet het dimlicht in te scha‐
kelen wanneer dat nodig is.
Alarmknipperlichten Om in te schakelen ¨ indrukken.
De alarmknipperlichten worden auto‐
matisch ingeschakeld wanneer de
airbags bij een ongeval in werking
treden.
Richtingaanwijzershendel omhoog:richtingaanwijzer
rechtshendel omlaag:richtingaanwijzer
links
Wanneer de hendel wordt verplaatst,
voelt u een weerstandspunt.
De richtingaanwijzer knippert onon‐
derbroken, wanneer de hendel voor‐
bij het weerstandspunt haalt. Het
knipperen stopt wanneer u het stuur‐
wiel in tegengestelde richting draait of
wanneer u de hendel met de hand
terugzet in de neutraalstand.
Page 144 of 283

142InfotainmentsysteemNoodoproep9Waarschuwing
Het tot stand brengen van de
verbinding kan niet onder alle
omstandigheden worden gega‐
randeerd. Daarom is het belangrijk dat u bij gesprekken van levens‐
belang (bijv. bij het inroepen van
medische hulp) niet alleen op een
mobiele telefoon vertrouwt.
Voor sommige netwerken kan het
noodzakelijk zijn dat er op de juiste
manier een geldige simkaart in de
mobiele telefoon is aangebracht.
9 Waarschuwing
Let erop dat u met uw mobiele
telefoon kunt bellen en ontvangen indien u zich in een gebied bevindt
met een voldoende sterk signaal.
In bepaalde situaties zijn noodop‐
roepen niet in alle mobiele-tele‐
foonnetwerken mogelijk. Wanneer
bepaalde netwerkdiensten en/of
telefoonfuncties actief zijn,
kunnen er problemen ontstaan. U
kunt hierover uw lokale netwer‐
kexploitant raadplegen.
Het alarmnummer kan per land en regio variëren. We adviseren u het juiste alarmnummer voor de rele‐
vante regio van tevoren op te
vragen.
Een noodoproep doen
Vorm het noodnummer (bijv. 112).
De telefoonverbinding met de alarm‐ centrale wordt tot stand gebracht.
Antwoord als het dienstdoende
personeel u vragen stelt over het
noodgeval.
9 Waarschuwing
Beëindig het gesprek pas als de
alarmcentrale u daarom vraagt.
Bediening
Zodra er een Bluetooth-verbinding
tussen uw mobiele telefoon en het
Infotainmentsysteem tot stand is
gebracht, kunt u tal van functies van
uw mobiele telefoon via het Infotain‐
mentsysteem bedienen.
Let op
In de handsfree-modus blijft bedie‐
ning van de mobiele telefoon moge‐
lijk, bv. om een gesprek te beant‐
woorden of het volume te regelen.
Na het tot stand brengen van een
verbinding tussen de mobiele tele‐
foon en het Infotainmentsysteem
worden er gegevens van de mobiele
telefoon naar het Infotainmentsys‐
teem verstuurd. Afhankelijk van de
mobiele telefoon en de hoeveelheid
over te dragen gegevens kan dit
enige tijd in beslag nemen. Tijdens
deze periode is het bedienen van de
mobiele telefoon via het Infotainment‐ systeem slechts beperkt mogelijk.
Let op
De verschillende functies van de
telefoonportal worden niet door elke mobiele telefoon ondersteund.
Daarom kan het bereik aan hieron‐ der beschreven functies afwijken.
Page 161 of 283

Rijden en bediening159Bij een buitentemperatuur van minder
dan -32 °C moet de auto bij het
inschakelen op de contactdoos
aangesloten zijn.
Parkeren Let op
Laat de auto nooit gedurende
langere perioden in extreme tempe‐
raturen zonder te rijden of met de
stekker uit het stopcontact.9 Waarschuwing
● Trek altijd de handrem aan.
Trek gedurende ongeveer
1 seconde aan schakelaar m
en ga na of controlelamp m
oplicht.
De elektrische handrem is
aangetrokken wanneer contro‐
lelamp m oplicht 3 81.
● Schakel de auto uit.
● Als de auto vlak of op een oplo‐
pende helling staat, schakel
dan de handrem in en zet de
keuzehendel in de stand P
alvorens de auto uit te schake‐
len. Op een oplopende helling
bovendien de voorwielen van
de stoeprand wegdraaien.
Als de auto vlak of naar bene‐
den gericht op een helling
staat, schakel dan de handrem
in en zet de keuzehendel in de
stand P alvorens de auto uit te
schakelen. Bovendien de voor‐ wielen naar de stoeprand
toedraaien.
Zet de keuzehendel in P, druk
kort op POWER m om de auto
uit te schakelen. Stuurwiel
verdraaien totdat het stuurslot
vergrendelt.
● Sluit de ruiten.
● Vergrendel de auto.
● Diefstalalarmsysteem inschake‐ len.
● Motorkoelventilatoren kunnen ook na het afzetten van de auto
in werking treden 3 223.
Het wordt afgeraden te parkeren met een ingeschakeld aandrijvingssys‐
teem.
Als de auto wordt achtergelaten
terwijl het aandrijvingssysteem nog is
ingeschakeld, volg dan de juiste stap‐ pen om ervoor te zorgen dat de auto
niet kan bewegen.
De botsingssticker
De botsingssticker bevindt zich tegen het portierframe aan de bestuurders‐
kant.
Parkeer de auto na een aanrijding op
een afstand van circa 7,5 m van
andere objecten.
Parkeer op een niet-ontvlambaar
oppervlak.