Dak OPEL ASTRA K 2016 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2016, Model line: ASTRA K, Model: OPEL ASTRA K 2016Pages: 281, PDF Size: 7.84 MB
Page 77 of 281

Opbergen75Dakdragersysteem
Dakdrager
Om veiligheidsredenen en ter vermij‐ ding van dakschade adviseren wij het voor uw auto goedgekeurde dakdra‐
gersysteem te gebruiken. Contact op‐
nemen met uw werkplaats voor meer informatie.
Dakdrager wegnemen als deze niet
wordt gebruikt.
Dakdrager monteren
Open alle portieren.
De bevestigingspunten zitten aan weerskanten in de portieropeningen.
Zet de dakdrager volgens de mon‐
tage-instructies vast.Beladingsinformatie
● Zware voorwerpen in de bagage‐
ruimte tegen de rugleuningen
leggen. Controleren of de rugleu‐
ningen naar behoren zijn ver‐
grendeld. Bij stapelbare voorwer‐
pen de zwaarste voorwerpen on‐ derop leggen.
● Voorwerpen met spanbanden aan de sjorogen vastzetten 3 73.
● Losse voorwerpen in de bagage‐
ruimte vastzetten om glijden te‐
gen te gaan.
● Bagage niet boven de rugleunin‐ gen laten uitsteken.
Page 78 of 281

76Opbergen● Leg niets op de bagageruimte-afdekking of op het instrumenten‐
paneel en dek de sensor boven
op het instrumentenpaneel niet
af.
● De bagage mag de bediening van pedalen, handrem, schakel‐
hefboom en de bewegingsvrij‐
heid van de bestuurder niet be‐
lemmeren. Geen losse voorwer‐
pen in het interieur leggen.
● Niet met een geopende achter‐ klep rijden.9Waarschuwing
Controleer altijd of de lading in het
voertuig goed vastgezet is. Als datniet het geval is, kunnen er voor‐
werpen in het voertuig rondslinge‐
ren en letsel of schade aan de la‐
ding of de auto veroorzaken.
● Het nuttig draagvermogen is het verschil tussen het maximaal toe‐
laatbare totaalgewicht van de
auto (zie typeplaatje 3 254) en
het EU-leeggewicht van de auto.
U berekent het nuttige draagver‐
mogen door de gegevens van uw
auto in de tabel Gewichten voorin deze handleiding in te voeren.
Het EU-leeggewicht omvat ook
het gewicht van de bestuurder
(68 kg), de bagage (7 kg) en alle
vloeistoffen (brandstoftank voor
90% gevuld).
Extra uitrusting en accessoires verhogen het leeggewicht.
● Rijden met daklading verhoogt de zijwindgevoeligheid van de
auto en verslechtert het rijgedrag door het hogere zwaartepunt. La‐
ding gelijkmatig verdelen en
goed met spanbanden vastzet‐ ten. Bandenspanning en rijsnel‐
heid aan de beladingstoestand
aanpassen. Spanbanden regel‐
matig controleren en bijspannen.
Niet sneller rijden dan 120 km/u.
De toegestane daklast is 75 kg.
De dakbelasting is de som van het gewicht van het dakdrager‐
systeem en de lading.
Page 96 of 281

94Instrumenten en bedieningsorganenDruk op het Uplevel-display op > op
het stuurwiel om de onderliggende
map te openen. Selecteer Reset en
bevestig dit door gedurende enkele
seconden op 9 te drukken. Het con‐
tact moet ingeschakeld zijn maar de motor moet niet draaien.
Bij het verversen van de olie moet het systeem altijd worden teruggezet om
goed te kunnen werken. De hulp van
een werkplaats inroepen.
Volgende onderhoudsbeurt Wanneer het systeem heeft berekend
dat de gebruiksduur van de motorolie is verstreken, verschijnt Motorolie
spoedig verversen op het Driver In‐
formation Center. Laat de motorolie en het oliefilter binnen een week of
500 km door een werkplaats vervan‐
gen (wat het eerst voorkomt).
Service-informatie 3 251.
Controlelampen
De beschreven controlelampen zijn
niet in alle auto's aanwezig. Deze be‐
schrijving geldt voor alle instrument‐
uitvoeringen. Afhankelijk van de uit‐rusting kan de plaats van de contro‐
lelampjes variëren. Bij het inschake‐
len van de ontsteking lichten de
meeste controlelampen korte tijd op
bij wijze van functietest.
Betekenis kleuren controlelampen:rood:gevaar, belangrijke herinne‐
ringgeel:waarschuwing, aanwijzing,
storinggroen:inschakelbevestigingblauw:inschakelbevestigingwit:inschakelbevestiging
Kijk naar alle controlelampjes op de
verschillende instrumentengroepen
3 87.
Richtingaanwijzer
O brandt of knippert groen.
Brandt korte tijd De parkeerlichten zijn ingeschakeld.
Knippert
Een richtingaanwijzer of de alarm‐
knipperlichten zijn geactiveerd.
Snel knipperen: richtingaanwijzer of
bijbehorende zekering defect, rich‐
tingaanwijzer aanhanger defect.
Gloeilamp vervangen 3 214, zeke‐
ringen 3 221.
Richtingaanwijzers 3 130.
Gordelverklikker
Gordelverklikker op de
voorstoelen
X van de bestuurdersstoel brandt of
knippert rood op de instrumenten‐
groep.
k van de passagiersstoel voorin
brandt of knippert rood op de dakcon‐ sole wanneer de stoel bezet is.
Page 152 of 281

150Rijden en bedieningZie voor het ontgrendelen of vergren‐delen van de portieren Storing in
handzendermodule of elektronisch
sleutelsysteem 3 24.
Vertraagde uitschakeling stroom
De volgende elektronische systemen
kunnen werken tot het bestuurders‐
portier is geopend of gedurende
10 minuten nadat het contact werd
uitgeschakeld:
● elektrisch bediende ruiten
● zonnedak
● stekkerdozenMotor starten
Auto's met contactschakelaar
Draai de sleutel naar stand 1 om het
stuurslot te ontgrendelen.
Handgeschakelde versnellingsbak: koppelings- en rempedaal intrappen.
Automatische versnellingsbak: trap
het rempedaal in en zet de keuzehen‐
del op P of N.
Geautomatiseerde versnellingsbak:
rempedaal intrappen.
Geen gas geven.
Dieselmotoren: draai de sleutel naar
stand 2 om voor te gloeien en wacht
totdat de controlelamp ! dooft.
Draai de sleutel even in stand 3 en
laat deze weer los: een automatische regeling bedient de startmotor met
een kort interval totdat de motor
draait, zie Automatische startmotor‐
regeling.
Handgeschakelde versnellingsbak:
tijdens een Autostop kunt u de motor
starten door het koppelingspedaal in
te trappen 3 152.
Automatische versnellingsbak of ge‐
automatiseerde versnellingsbak: tij‐
dens een Autostop kunt u de motor
starten door het rempedaal op te la‐
ten komen 3 152.
Page 158 of 281

156Rijden en bediening● Als de auto op een vlakke on‐dergrond of een helling (om‐
hoog) staat, schakel dan de
eerste versnelling in of zet de
keuzehendel in stand P, voor‐
dat u de contactsleutel verwij‐
dert of bij auto's met een aan/
uit-knop het contact af zet. Op
een oplopende helling boven‐
dien de voorwielen van de
stoeprand wegdraaien.
Als de auto op een vlakke on‐
dergrond of een helling (om‐ laag) staat, schakel dan de
achteruitversnelling in of zet de
keuzehendel in stand P, voor‐
dat u de contactsleutel verwij‐ dert of bij auto's met een aan/
uit-knop het contact af zet. Bo‐
vendien de voorwielen naar de
stoeprand toedraaien.
● Sluit de ramen en het schuif‐ dak.
● Trek de sleutel uit het contact‐ slot of schakel bij auto's met
een aan/uit-knop het contact
uit. Stuurwiel verdraaien totdathet stuurslot merkbaar ver‐
grendelt.
Bij auto's met automatische
versnellingsbak kan de sleutel
alleen worden verwijderd met de keuzehendel in stand P.
Voor auto's met geautomati‐
seerde versnellingsbak kan de
sleutel alleen uit het contactslot worden verwijderd wanneer de
handrem is aangetrokken.
● Vergrendel de auto.
● Diefstalalarmsysteem inschake‐ len.
● Koelventilatoren kunnen ook na het afzetten van de motor in wer‐
king treden 3 207.
Voorzichtig
Na een rit waarbij met hoge mo‐
tortoerentallen of met hoge motor‐
belasting werd gereden, de motor
vóór het afzetten gedurende een
korte tijd met lage belasting laten
draaien of gedurende ca.
30 seconden stationair laten
draaien om de turbolader te be‐
schermen.
Let op
Bij een ongeval waarbij airbags wor‐
den geactiveerd, wordt de motor au‐ tomatisch uitgeschakeld als de auto
binnen een bepaalde tijd tot stilstand
komt.
Noodfunctie bij extreem lage
temperaturen
9 Waarschuwing
Deze noodhandeling mag alleen
bij extreem lage temperaturen
worden uitgevoerd en als de auto
op een vlakke ondergrond staat.
In landen waar de temperatuur ex‐
treem laag kan zijn, kan het noodza‐
kelijk zijn de handrem niet in te scha‐
kelen.
Dit is een noodoplossing die voor‐
komt dat de handrem bevriest.
Page 227 of 281

Verzorging van de auto225
Bevestig de adapter op de elektrici‐
teitsstekker.
Duw de schroevendraaier door de uit‐ sparing in de adapter. Verwijder de
afdekking door aan de schroeven‐
draaier te trekken.Nr.Stroomkring1–2Verwarming en ventilatie, venti‐
lator3Elektrisch bediende stoel
bestuurderskant4Aansteker, elektriciteitsaanslui‐
ting voor5–6Elektrisch bediende ruit, voor7ABS8Verwarmd stuurwiel9Carrosserieregelmodule10Elektrisch bediende ruit, achter11Zonnedak12Carrosserieregelmodule13Stoelverwarming (alleen bij
auto's zonder alarmclaxon)14Buitenspiegel/regensensor/
Lane keep assist/grootlichtas‐
sistentie15Carrosserieregelmodule16Carrosserieregelmodule
Page 250 of 281

248Verzorging van de autoVerzorging van uiterlijkVerzorging exterieur
Sloten
De sloten zijn af fabriek gesmeerd
met een hoogwaardig slotcilindervet. Ontdooimiddelen alleen in dringendegevallen gebruiken, omdat ze ontvet‐
tend werken en de werking van de sloten belemmeren. Na gebruik van
ontdooimiddelen, de sloten door een
werkplaats opnieuw laten smeren.
Wassen Het lakwerk van de auto staat blootaan invloeden van buitenaf. De auto
daarom regelmatig wassen en met
was conserveren. Bij het bezoek aan
wasstraten, een programma met een
wasbehandeling selecteren.
Vogeluitwerpselen, dode insecten, boomhars en stuifmeel e.d. onmid‐
dellijk verwijderen. Hierin zitten
agressieve bestanddelen die lak‐
schade kunnen veroorzaken.Bij een bezoek aan een wasstraat, de
aanwijzingen van de exploitant opvol‐ gen. Voorruitwisser en achterruitwis‐
ser uitschakelen. Antenne en acces‐
soires op de buitenkant van de auto
zoals een dakdragersysteem verwij‐
deren.
Bij handmatig wassen erop letten dat
ook de binnenkant van de wielkasten
grondig schoongespoten wordt.
Randen en naden van geopende por‐
tieren, achterklep en motorkap en de
gebieden die erdoor bedekt worden
reinigen.
Reinig de glanzende metalen sierlijs‐
ten met een voor aluminium ge‐
schikte reinigingsoplossing om
schade te voorkomen.Voorzichtig
Gebruik altijd een reinigingsmid‐
del met een pH-waarde van
vier tot negen.
Gebruik reinigingsmiddelen niet
op warme oppervlakken.
Reinig de motorruimte niet met een
stoomcleaner of hogedrukreiniger.
Daarna de auto grondig afspoelen en afzemen. Zeemlap vaak uitspoelen.
Voor de carrosserie en de ruiten ver‐
schillende zeemlappen gebruiken:
wasresten op de ruiten belemmeren
het zicht.
Laat alle portierscharnieren door een
werkplaats smeren.
Teervlekken niet met harde voorwer‐
pen verwijderen. Op gelakte opper‐
vlakken een spray voor het verwijde‐
ren van teervlekken gebruiken.
Buitenverlichting De afdekking van de koplampen en
de overige verlichting zijn gemaakt
van kunststof. Geen schurende, bij‐ tende of agressieve middelen of ijs‐
krabbers gebruiken en ze niet droog reinigen.
Poetsen en in de was zetten De auto regelmatig met was conser‐
veren (uiterlijk wanneer het water niet
meer parelt). Anders droogt de lak uit.
Poetsen is alleen nodig als de laklaag mat geworden is of aanslag vertoont.
Page 251 of 281

Verzorging van de auto249Autopolish met siliconen vormt een
vuilwerende laag, waardoor in de was
zetten overbodig is.
Kunststof carrosseriedelen mogen niet met autowas of poetsmiddelen
worden behandeld.
Ruiten en ruitenwisserbladen
Een zachte, pluisvrije doek of een
zeemleer en een ruitenreiniger en in‐
sectenverwijderaar gebruiken.
Wrijf bij het reinigen van de achterruit van de binnenkant altijd parallel aan
het verwarmingselement om schade
te voorkomen.
Om handmatig ijs te verwijderen, een ijskrabber met een scherpe rand ge‐
bruiken. IJskrabber stevig tegen de
ruit drukken, zodat er geen vuil onder de krabber kan komen en er geen
krassen op de ruit worden gemaakt.
Verwijder achtergebleven vuil van
wisserbladen die strepen op de ruit
veroorzaken, met een zachte doek en ruitenreiniger. Zorg dat u ook achter‐
gebleven was, insecten en dergelijke
van de ruit verwijdert.IJs, verontreiniging en continu vegen
op droge ruiten beschadigen of ver‐
nietigen zelfs de wisserbladen.
Zonnedak Voor het reinigen nooit oplos- of
schuurmiddelen, brandstoffen,
agressieve middelen (bijv. lakreini‐
gers, acetonhoudende oplossingen enz.), zuurhoudende of sterk alka‐
lische middelen dan wel schuurspon‐
zen gebruiken. Geen was of poets‐ middelen op het zonnedak aanbren‐
gen.
Velgen en banden
Niet schoonmaken met hogedrukrei‐
nigers.
Velgen met een pH-neutrale velgen‐
reiniger reinigen.
Velgen zijn gelakt en kunnen met de‐
zelfde middelen worden behandeld
als de carrosserie.Lakschade
Geringe lakschade voordat er roest‐vorming optreedt met een lakstift her‐
stellen. Grotere lakschade of roest‐
vorming door een werkplaats laten
herstellen.
Bodemplaat
Sommige delen van de bodemplaat
zijn voorzien van een beschermende
pvc-laag, terwijl er op andere delen
een duurzame beschermende was‐
laag is aangebracht.
De bodemplaat na het schoonspuiten controleren en zo nodig een nieuwewaslaag laten aanbrengen.
Bitumineuze/rubber materialen kun‐
nen de pvc-laag aantasten. Werk‐
zaamheden aan de bodemplaat door
een werkplaats laten uitvoeren.
De bodemplaat vóór en ná de winter
schoonspuiten en daarna de be‐
schermende waslaag laten controle‐
ren.
Trekhaak Kogelstang niet met een stoom- of
hogedrukreiniger reinigen.
Page 277 of 281

275Bestuurdersondersteuningssys‐temen ...................................... 171
Beveiliging van de auto ................31
Binnenspiegels ............................. 36
Binnenverlichting ...............132, 221
Blindehoeksysteem ....................187
Bolle vorm .................................... 35
Boordgereedschap .....................228
Boordinformatie .........................108
Brandstof .................................... 197
Brandstofmeter ............................ 92
Brandstofverbruik - CO 2-uitstoot. 199
Brandstof voor benzinemotoren 197
Brandstof voor dieselmotoren ...197
Buitenspiegels .............................. 35
Buitentemperatuur .......................82
Buitenverlichting .........................123
C Centrale vergrendeling ................24
Claxon ................................... 13, 79
Conformiteitsverklaring ...............267
Contactslotstanden ....................147
Controlelampen ......................90, 94
Controle over de auto ................147
Controles .................................... 207
Cruise control ....................100, 171
D
Dagrijlicht ................................... 125
Dagteller ...................................... 91Dak............................................... 40
Dakbelasting ................................. 75
Dakdrager .................................... 75
Diefstalalarmsysteem ..................32
Dieselbrandstofsysteem ontluchten .............................. 213
Dimlicht of grootlicht ...................123
Driepuntsgordel ........................... 53
Driver Information Center ...........100
E Elektriciteitsstekker .......................85
Elektrisch bediende ruiten ...........37
Elektrische aansluitingen .............84
Elektrische handrem .............96, 166
Elektrische handrem defect ..........96
Elektrische stoelverstelling ..........46
Elektrische verstelling ..................35
Elektrisch systeem...................... 221
Elektronische rijprogramma's ...
........................................ 160, 165
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem .....97
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) ...................................... 169
Elektronische stabiliteitsregeling UIT ...............97
Elektronisch klimaatregelsysteem ..............138
Elektronisch sleutelsysteem .........22Erkenning van software ..............269
Event Data Recorders (EDR) .....271
F Frontaal airbagsysteem ...............58
Frontaanrijdingswaarschuwing ...175
G
Geautomatiseerde versnellingsbak .......................162
Gebruik van deze handleiding .......3
Geluidssignalen .........................109
Gereedschap ............................. 228
Geurverspreider............................ 85
Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig ................................. 4
Gevarendriehoek .........................74
Gloeilamp vervangen ................214
Gordels ......................................... 52
Gordelverklikker ........................... 94
Gordijnairbagsysteem .................. 59
Grootlicht ............................. 99, 124
Grootlichtassistentie .....................99
H
Halogeenkoplampen .................214
Handbediende ruiten ...................37
Handgeschakelde modus ..........164
Handgeschakelde versnellingsbak ......................162
Handmatige dimfunctie ................36
Page 280 of 281

278Verlichting zonneklep ................132
Versnellingsbak ........................... 16
Versnellingsbakdisplay ......158, 163
Verstelbare luchtroosters ........... 143
Vertraagde uitschakeling stroom 150
Verwarmde spiegels ....................36
Verwarmd stuurwiel .....................79
Verwarming ........................... 50, 52
Verwarmings- en ventilatiesysteem .................... 135
Verwerking van sloopauto .........207
Verzorging .................................. 248
Verzorging exterieur ..................248
Verzorging interieur ...................250
Vloerafdekking bagageruimte ......73
Voertuiggewicht .........................262
Voertuigidentificatienummer ......254
Voertuigkrik................................. 228 Voordat u wegrijdt ........................ 17
Voorligger gedetecteerd .............100
Voorruit ......................................... 37
Voorstoelen .................................. 43
Voorverwarming .......................... 98
W
Waarschuwingslampen ................90
Werkzaamheden uitvoeren .......207
Wieldoppen ................................ 236
Wiel verwisselen ........................239
Winterbanden ............................ 229Wis-/wasinstallatie .......................13
Wis-/wasinstallatie achterruit .......81
Wis-/wasinstallatie voorruit ..........79
Wisserblad vervangen ...............213
Z
Zekeringen ................................. 221
Zekeringenkast in bagageruimte 226
Zekeringenkast in motorruimte ..222
Zekeringenkast instrumentenpaneel ...............224
Zitplaatsen achterin ......................51
Zonnedak ..................................... 40
Zonnekleppen .............................. 39
Zijdelings airbagsysteem .............58
Zijmarkeringslichten.................... 123
Zijrichtingaanwijzers ..................220